11.5 Transponering van oude naar nieuwe GR versie jan 2025
Tekst van het document
opgevangen of die geen belangrijke beleidswijzigingen betreffen of geen structurele gevolgen hebben voor de begroting of bij wijzigingen die geen invloed hebben op de hoogte van deelnemersbijdragen.
Lid 1 bevat niet langer een verwijzing naar een vast bedrag omdat de VZG richtlijn tussentijds kan wijzigen. Wijziging ten opzichte van versie december 2023: de verwijzing naar de VZG afspraken is verduidelijkt.
Artikel 49: (Gereserveerd) Afdeling 3: Jaarrekening Artikel 50: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 15 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de opgestelde jaarstukken en een
Het nieuwe artikel is aangepast aan het VZG rapport. In lid 1 is verduidelijkt dat het gaat om de voorlopige stukken. Lid 3 is nieuw en conform de VZG richtlijn.
24
Artikel 24: Reserve 1. De Omgevingsdienst Zeeland vormt een reserve ten laste van de bijdragen van de gemeenten en de provincie aan de uitvoeringskosten conform de richtlijn die jaarlijks door het bestuur van de Vereniging van Zeeuwse Gemeenten wordt vastgesteld. 2. Kennelijke onbillijkheden die uit de toepassing van dit artikel voortvloeien, worden ter beslissing voorgelegd aan het dagelijks bestuur. Bij beslissingen op verzoeken van deelnemers hierover past het dagelijks bestuur de VZG-afspraken tussen de deelnemers over de te vormen reserve toe. Artikel 25: Jaarstukken 1. Het dagelijks bestuur legt vóór 30 april aan het algemeen bestuur verantwoording af over het afgelopen kalenderjaar, onder overlegging van de voorlopig opgestelde jaarstukken en een berekening van de door de deelnemers te betalen
berekening van de door de deelnemers te betalen bijdragen, naast het rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken worden gelijktijdig ter informatie aan de vertegenwoordigende organen toegezonden. 3. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt haar vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft, evenals de bijdragen die de deelnemers betalen in het eventuele exploitatietekort. 4. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezonden, maar vóór 15 juli. 5. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken verleent voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden.
HOOFDSTUK 5: GESCHILLEN Artikel 51: Geschillenregeling 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een nietbindend deskundigenadvies.
Artikel is ongewijzigd overgenomen.
25
bijdragen, naast het (voorlopig) rapport van de met de controles belaste accountant. 2. De jaarstukken met het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming worden gelijktijdig ter informatie aan de vertegenwoordigende organen toegezonden. 3. Indien het dagelijks bestuur met een positief resultaat in de jaarrekening een andere bestemming wenst dan toevoeging aan de algemene reserve, dan wel indien met de toevoeging van het resultaat aan de algemene reserve de reservevorming boven de afgesproken richtlijn reservevorming komt, worden de vertegenwoordigende organen in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken na ontvangst, een zienswijze te geven op het voorgenomen besluit van de resultaatbestemming. 4. Het algemeen bestuur onderzoekt de jaarstukken en stelt deze vast uiterlijk 1 juli, volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft. 5. De jaarstukken worden binnen twee weken na de vaststelling aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties gezonden, maar vóór 15 juli. 6. Het besluit tot vaststelling van de jaarstukken strekt - voor zover het de daarin opgenomen ontvangsten en uitgaven betreft - het dagelijks bestuur tot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken en/of andere onregelmatigheden. Artikel 35: Geschillen 1.
Onverminderd het bepaalde in artikel 136 van de Grondwet worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.
2. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat. 3. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. 4. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende college. 5. Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen.
Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 136 van de Grondwet en artikel 20 van de Wet op de Raad van State voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Afdeling advisering van de Raad van State. 6. De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen.
2. Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat. 3. Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen. 4. De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende college. 5. Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen.
Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 136 van de Grondwet en artikel 20 van de Wet op de Raad van State voor te leggen aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en de Afdeling advisering van de Raad van State. 6. De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen.
26
Artikel 52: Toetreding 1. Een bestuursorgaan brengt een verzoek tot toetreding ter kennis van het algemeen bestuur. 2. Toetreding kan geschieden nadat de colleges hiertoe unaniem hebben besloten, na verkregen toestemming van het vertegenwoordigend orgaan, als bedoeld in artikel 73, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het algemeen bestuur kan daarbij voorwaarden stellen. 3. Het toetredingsbesluit regelt wanneer de toetreding in werking treedt. Artikel 58 is van overeenkomstige toepassing.
Artikel is vrijwel ongewijzigd, de verwijzing naar de Wgr is geactualiseerd.
Artikel 29: Toetreding 1. Een bestuursorgaan brengt een verzoek tot toetreding ter kennis van het algemeen bestuur. 2. Toetreding kan geschieden nadat de colleges hiertoe unaniem hebben besloten, na verkregen toestemming van het vertegenwoordigend orgaan, als bedoeld in artikel 51, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Het algemeen bestuur kan daarbij voorwaarden stellen. 3. Het toetredingsbesluit regelt wanneer de toetreding in werking treedt.
Artikel 53: Uittreding 1. Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk. 2. Het voornemen tot uittreding wordt door het betreffende bestuursorgaan bij aangetekende kennisgeving aan het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband meegedeeld. 3. Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend een liquidatieplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten. 4. Op grond van het in het derde lid opgestelde liquidatieplan besluit het bestuursorgaan dat een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het bestuursorgaan besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 73, tweede lid van de wet. 5. Wanneer toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, stelt het algemeen bestuur het liquidatieplan vast. De in het liquidatieplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend.
In het verleden verkeerden deelnemers vaak in het ongewisse over de consequenties en de berekening van de uittreedsom. De gewijzigde Wgr beoogt te regelen dat de uittreding is geregeld in de tekst van de gemeenteschappelijke regeling. Voordeel hiervan is dat deelnemers vooraf een beeld hebben van de financiële consequenties als zij willen uittreden uit een regeling.
Artikel 30 – Aanvang uittredingsprocedure 1. De deelnemer zendt, na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan, het besluit tot uittreding aan het algemeen bestuur. De procedure voor uittreding vangt aan de dag nadat het bestuur het besluit heeft ontvangen. 2. Het algemeen bestuur inventariseert de gevolgen van de uittreding, de wijze waarop met deze gevolgen kan of moet worden omgegaan en de voorwaarden voor uittreding en legt deze vast in het concept-uittredingsplan. 3. Onder de gevolgen van de uittreding worden verstaan de financiële, juridische, personele en organisatorische consequenties die het directe gevolg zijn van de uittreding. 4. De uittreding gaat in op 1 januari van het jaar volgende op het verstrijken van een termijn van drie jaren na het nemen van het besluit tot uittreding, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit en de uittredende deelnemer een andere opzegtermijn overeen komen.
Zie verder de algemene toelichting voor de achtergrond van de wijzigingen. Wijziging ten opzichte van versie december 2023: - in artikel 31 lid 5 werd verwezen naar artikel 23. Dat was onjuist, dit moet zijn artikel 32. - In artikel 31 lid 8 is verduidelijkt dat dit een bevoegdheid is van het algemeen bestuur.
Artikel 31 – Procedure voor vaststelling uittredingsplan
27
6. Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen. 7. De kosten van het opstellen van het liquidatieplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden.
1. Het uittredingsplan bepaalt de berekening van de financiële gevolgen van de uittreding. 2. Het uittredingsplan bevat een voorlopige berekening van de financiële gevolgen van de uittreding te betalen door de uittredende deelnemer, hierna te noemen de voorlopige uittreedsom. 3. Met het oog op het bepalen van de inhoud van het uittredingsplan kan het algemeen bestuur een onafhankelijke externe deskundige aanwijzen die in opdracht van het algemeen bestuur het conceptuittredingsplan voorbereidt. De kosten voor het inschakelen van een onafhankelijke externe deskundige komen voor rekening van de uittredende deelnemer. 4. Het algemeen bestuur wijst de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een gezamenlijke voordracht van de uittredende deelnemer en het dagelijks bestuur. Indien geen overeenstemming kan worden bereikt over een gezamenlijke voordracht, wijst het algemeen bestuur de onafhankelijke externe deskundige aan op basis van een bindende voordracht van een selectiecommissie bestaande uit drie leden van het bestuur, waaronder in ieder geval een vertegenwoordiger in het bestuur van de uittredende deelnemer. 5. Ten minste twaalf maanden voorafgaand aan het moment van uittreding stelt het algemeen bestuur het uittredingsplan en de voorlopige uittreedsom vast.
Het algemeen bestuur baseert de berekening van de voorlopige uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 32 gelet op de jaarrekening van het meest recent verstreken begrotingsjaar. 6. Uiterlijk zes maanden na het moment van uittreding stelt het bestuur de definitieve uittreedsom vast. Het bestuur baseert de
28
berekening van de definitieve uittreedsom op de systematiek als bedoeld in artikel 23 en op de jaarrekening van het begrotingsjaar direct voorafgaand aan het moment van uittreding. 7. Bij de berekening van de kosten voor uittreding zoals bedoeld in het zesde lid wordt een risicoopslag van 10% op de uittreedsom toegepast om eventueel onvoorziene toekomstige kosten gerelateerd aan de uittreding te ondervangen. Deze opslag vrijwaart de uittredende deelnemer van alle toekomstige onvoorzienbare kosten. 8. Bij de voorbereiding van het concept uittredingsplan biedt het algemeen bestuur de uittredende deelnemer de keuze tussen een betaling van de uittreedsom in een aantal termijnen of voor betaling van de uittreedsom in een keer. In het uittredingsplan bepaalt het bestuur conform de voorkeur van de uittredende deelnemer of de uittredende deelnemer de uittreedsom in een daarbij te bepalen aantal termijnen of in een keer dient te betalen. Artikel 32 – Te vergoeden kosten 1. De voorlopige respectievelijk de definitieve uittreedsom bestaat uitsluitend uit een vergoeding ter compensatie van frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, waaronder ook een reëel aandeel in het vermogen van de vennootschappen, bedoeld in artikel 5, vijfde lid. 2.
Onder frictiekosten worden verstaan alle incidentele kosten te maken door het openbaar lichaam die het directe gevolg van de beslissing tot uittreding van een deelnemer zijn. 3. Onder desintegratiekosten worden verstaan alle kosten direct dan wel toekomstig te maken dan wel te dragen door Omgevingsdienst Zeeland die
29
samenhangen met de afbouw van overcapaciteit in personele en materiële sfeer en andere verplichtingen, de afbouw van risico’s daarbij inbegrepen, ontstaan als direct gevolg van de uittreding. 4. Het algemeen bestuur brengt alle frictiekosten en desintegratiekosten, onder aftrek van eventuele baten, in rekening bij de uittredende deelnemer. De uittredende deelnemer is verplicht tot betaling van de definitieve uittreedsom, binnen drie maanden nadat het bestuur de definitieve uittreedsom, als bedoeld in artikel 31, zesde lid, heeft vastgesteld, tenzij in het uittredingsplan overeenkomstig artikel 31, achtste lid, anders is vastgelegd. 5. Kosten die de uittredende deelnemer maakt ter voorbereiding op of als gevolg van de beslissing tot uittreding komen voor rekening van de deelnemer. 6. De raming en berekening van de kosten voor uittreding worden gebaseerd op de feiten en omstandigheden die bekend waren op het moment van de daadwerkelijke uittreding, bedoeld in artikel 30, vierde lid. 7.
Indien te kosten van de inzet van een externe deskundige als bedoelt in artikel 31 en relatie tot de verwachtte uittredesom daartoe aanleiding geeft kan het algemeen bestuur in overleg met deelnemer besluiten om in afwijking van het bepaalde in dit lid de uittreedsom te bepalen op de eigen bijdrage, zoals deze is vastgesteld in de jaarrekening van het jaar van uittreding, waarbij die bijdrage ieder jaar met 20% afneemt als volgt 1e jaar 100%, 2e jaar 80%, 3e jaar 60%, 4e jaar 40% en 5e jaar 20%. 8. Het openbaar lichaam is gehouden redelijkerwijs al het mogelijke te doen om de uittredingskosten zo laag mogelijk te houden. Het voorgaande hoeft
30
niet te leiden tot wijziging van overeenkomsten met en verplichtingen jegens derden die zijn aangegaan respectievelijk bepaald voorafgaand aan het tijdstip van ontvangst door het bestuur van het besluit tot uittreding van de deelnemer. Artikel 33 – Verplichtingen uittreder 1. De uittredende partij is gehouden zich in te spannen om de formatie van Omgevingsdienst Zeeland die als gevolg van de uittreding boventallig is geworden met behoud van arbeidsvoorwaarden in dienst te nemen of anderszins in stand te doen houden. De waarde van de formatie die de uittredende partij overneemt van het openbaar lichaam wordt gekapitaliseerd en in mindering gebracht op de uittreedsom. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op alle andere verplichtingen van het openbaar lichaam die als gevolg van de uittreding overtollig zijn geworden dan wel verminderd of beëindigd dienen te worden. Artikel 54: Wijziging 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot wijziging van de regeling indienen bij het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges. 3. Artikel 52 is van overeenkomstige toepassing.
Nieuw artikel in een modern jasje.
31
Artikel 34: Wijziging 1. De regeling wordt gewijzigd, indien de colleges daartoe unaniem besluiten, met inachtname van artikel 51 Wgr. 2. Voorstellen tot wijziging van de regeling kunnen worden gedaan door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of één of meer van de deelnemers. 3. Voorstellen uitgaande van het algemeen of dagelijks bestuur worden toegezonden aan de colleges. 4. Voorstellen uitgaande van één of meer deelnemers worden toegezonden aan het algemeen bestuur, dat het voorstel met zijn
Artikel 55: Opheffing en liquidatie 1. Het dagelijks bestuur en de colleges kunnen een voorstel tot opheffing van de regeling indienen bij het algemeen bestuur. 2. Het algemeen bestuur zendt het voorstel aan de colleges. Artikel 52 is van overeenkomstige toepassing. 3. Bij opheffing van de regeling wordt een plan opgesteld als bedoeld in artikel 53, derde lid. Het bepaalde in artikel 53, derde, vijfde, zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het algemeen bestuur het liquidatieplan vaststelt en de kosten voor de colleges komen.
Nieuw artikel in een modern jasje.
HOOFDSTUK 7: ARCHIEF Artikel 56: Archief 1. Het bestuur van de Regionale uitvoeringsdienst is verplicht de onder hem berustende archiefbescheiden in goede, geordende en toegankelijke staat te brengen en te bewaren, alsmede zorg te dragen voor de vernietiging van daarvoor in aanmerking komende archiefbescheiden. 2. Overeenkomstig een door het algemeen bestuur vast te stellen verordening draagt het dagelijks bestuur zorg voor de archiefbescheiden van het bestuur van de Regionale uitvoeringsdienst.
Het nieuwe artikel 28 is opgesteld op advies van het Zeeuws Archief.
Wijziging ten opzichte van versie december 2023: De strekking van het oude voorstel was dat twee derde van de deelnemers (=colleges) konden besluiten tot opheffing van de regeling. Het AB en de stemverhoudingen in het AB spelen hierin geen rol. Echter gelet op het ingrijpende karakter is unanimiteit passend bij een besluit tot opheffing. Daarom is lid 1 hierop aangepast. Ook in de huidige GR is unanimiteit vereist.
Het artikel over informatieveiligheid is nieuw.
32
beschouwingen binnen acht weken aan de colleges doet toekomen. Artikel 36: Ontbinding en liquidatie 1. De regeling kan worden ontbonden, op voorstel van het algemeen bestuur, gelezen artikel 9 Wgr, bij een daartoe strekkend unaniem besluit van de colleges van de deelnemers. 2. Ingeval van een besluit tot ontbinding van de gemeenschappelijke regeling, als bedoeld in het vorige lid, stelt het algemeen bestuur daarvoor een liquidatieplan op ter vereffening van het vermogen van de regeling. 3. Het liquidatieplan voorziet in de verplichtingen van deelnemers en de financiële gevolgen van de ontbinding de regeling. 4. Het liquidatieplan voorziet in de gevolgen die de ontbinding heeft voor het personeel. 5. Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de liquidatie. 6. Gedurende de vereffening wordt de aanduiding van de regeling aangevuld met de afkorting van ‘in liquidatie’, zodat het opschrift komt te luiden: “(Omgevingsdienst Zeeland GR i.l.)” HOOFDSTUK 11: HET ARCHIEF EN INFORMATIEVEILIGHEID Artikel 26: Archief 1. Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van artikel 40 van de Archiefwet, regels vast over de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam. 2. Het dagelijks bestuur is belast met de zorg en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, overeenkomstig de in het eerste lid bedoelde regeling. 3.
Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen
3. De kosten, verbonden aan de uitoefening van de in het tweede lid bedoelde zorg, komen ten laste van de Regionale uitvoeringsdienst. 4. Voor de bewaring van de op grond van artikel 12, eerste lid en artikel 13, eerste lid van de Archiefwet 1995, over te brengen archiefbescheiden van het bestuur van de Regionale uitvoeringsdienst wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats van een van de gemeenten, de provincie of het waterschap aan. 5. Ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden van het bestuur van de Regionale uitvoeringsdienst, voor zover deze archiefbescheiden niet zijn overgebracht naar een archiefbewaarplaats, is, onder de bevelen van het dagelijks bestuur, met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Archiefwet 1995 belast de archivaris. Met betrekking tot dit toezicht stelt het algemeen bestuur een verordening vast. 6. De archivaris wordt door het dagelijks bestuur benoemd, geschorst en ontslagen. 7. In afwijking van het vorige lid kan het dagelijks bestuur ook de archivaris van de gemeente, de provincie onderscheidenlijk het waterschap als bedoeld in het vierde lid aanwijzen als archivaris van de Regionale uitvoeringsdienst. -
archiefbescheiden wijst het dagelijks bestuur een archiefbewaarplaats aan. Artikel 27: Informatieveiligheid 1. Het dagelijks bestuur is verantwoordelijk voor de informatiebeveiliging en gegevensbescherming van de informatie die zij onder zich heeft. 2. Bij de informatieveiligheid en gegevensbescherming gelden dezelfde eisen als waaraan deelnemers moeten voldoen.
Aandachtspunt: nieuw artikel over participatie. Volgens de gewijzigde Wgr moeten in de regeling bepalingen worden opgenomen omtrent de wijze waarop inwoners worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. De mate van inwonersparticipatie zal afhangen van de beoordeling of een gemeenschappelijke regeling alleen uitvoeringstaken heeft en waarbij het beleid wordt bepaald door de deelnemers, of dat de GR zelf veel beleidsvrijheid heeft. Daarnaast geldt ook dat van belang is de mate waarin het door de gemeenschappelijke regeling
33
Artikel 28: Participatie 1. Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur kan ingezetenen en belanghebbenden betrekken bij de voorbereiding, uitvoering en/of evaluatie van haar beleid. 2. Ingezetenen en belanghebbenden worden niet betrokken bij: a. ondergeschikte herzieningen van een eerder vastgesteld beleidsvoornemen; b. indien inspraak bij of krachtens wettelijk voorschrift is uitgesloten;
gevoerde beleid de belangen van ingezetenen en andere belanghebbenden direct raakt. Vanuit pragmatisch oogpunt kan men er ook voor kiezen om participatie bij de voorbereiding en evaluatie te regelen bij de deelnemers zelf en deze dan te verwerken in de zienswijze. In dat geval volstaan we met het bepaalde in lid 1.
HOOFDSTUK 8: OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN Artikel 57: Duur van de regeling De regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.
Het bepaalde in artikel 57 is geregeld in het nieuwe artikel 2: Openbaar lichaam, zie blz 4 van die document.
Artikel 58: Inzending regeling Het college van burgemeester en wethouders van Middelburg wordt belast met de inzending van deze regeling aan gedeputeerde staten van Zeeland en aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De verplichting in artikel 58 is vervallen.
Artikel 59: Inwerkingtreding 1. Deze regeling treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op de dag waarop de colleges deze regeling op de gebruikelijke wijze bekend hebben gemaakt. 2. In afwijking van het eerste lid treedt deze regeling niet eerder in werking dan 1 januari 2013. 3. Indien het tijdstip van de bekendmaking als bedoeld in het eerste lid na 1 januari 2013 is gelegen, dan heeft deze regeling terugwerkende kracht tot 1 januari 2013. Artikel 60: Citeerwijze
Aandachtspunt: artikel 37 over evaluatie is nieuw. Volgens de gewijzigde Wgr moeten in de regeling bepalingen worden opgenomen omtrent de wijze waarop inwoners worden betrokken bij de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid. Zie aanbiedingsnotitie. Wijziging ten opzichte van versie december 2023: Verduidelijkt is dat met de evaluatie van het belang en de taken en bevoegdheden we die genoemd in respectievelijk artikel 3 en artikel 5 bedoelen.
34
c. indien sprake is van uitvoering van hogere regelgeving waarbij het bestuursorgaan geen of nauwelijks beleidsvrijheid heeft; d. indien de uitvoering van een beleidsvoornemen dermate spoedeisend is dat inspraak niet kan worden afgewacht; e. indien het belang van inspraak niet opweegt tegen het belang van de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan voor kwetsbare groepen in de samenleving. 3. Op inspraak is de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing, tenzij het bestuursorgaan een andere inspraakprocedure vaststelt. HOOFDSTUK 13: SLOTBEPALINGEN Artikel 37: Evaluatie 1. De regeling wordt elke 4 jaar geëvalueerd. De evaluatie heeft vooral betrekking op de vraag of de samenwerking de doelen die zij zich in artikel 3 heeft gesteld ook heeft bereikt tegen de kosten die hiervoor waren uitgetrokken. Daarnaast dient ook gekeken te worden naar de uitvoering van de specifieke taken uit artikel 5. De manier waarop de samenwerking heeft gefunctioneerd, is eveneens onderdeel van de evaluatie. 2. De stemverhouding in artikel 10, vijfde lid, wordt na 2 jaar na inwerkingtreding van deze regeling in opdracht van het algemeen bestuur geëvalueerd. Artikel 38: Titel 3. De regeling kan worden aangehaald als “Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst Zeeland”.
Deze regeling wordt aangehaald als Gemeenschappelijke regeling Regionale uitvoeringsdienst Zeeland.
Wijziging ten opzichte van versie aangeboden voor zienswijzen:
Artikel 61: Overgangsbepalingen 1. De Bestuursovereenkomst REGIONALE UITVOERINGSDIENST Zeeland, zoals deze op 27 mei 2011 door de colleges is overeengekomen, is van rechtswege beëindigd na inwerkingtreding van de gemeenschappelijke regeling, als beschreven in artikel 59. 2. De stemverhouding, bedoeld in artikel 7, wordt voor 1 januari 2015 in opdracht van het dagelijks bestuur geëvalueerd en zo nodig aangepast.
Artikel 37 lid 2 nieuw is opgenomen op verzoek van deelnemers.
4.
Deze regeling treedt in werking op de dag na bekendmaking. Per die datum komt de Gemeenschappelijke regeling Regionale uitvoeringsdienst Zeeland door inwerkingtreding van onderhavige regeling te vervallen.
Nieuw artikel. De inhoud spreekt voor zich.
HOOFDSTUK 8: HET PERSONEEL
Wijziging ten opzichte van versie december 2023: Dit artikel was wel opgenomen in de nieuwe regeling, maar ze had geen vermelding in deze transponeringstabel.
Artikel 21: Personeel 1. Bij de Omgevingsdienst Zeeland is personeel werkzaam. 2. Het dagelijks bestuur stelt voor het personeel van de Omgevingsdienst Zeeland de arbeidsvoorwaardenverordening vast. 3. Het dagelijks bestuur beslist over de toepassing van overige arbeidsvoorwaarden. 4. Aanstelling, schorsing en ontslag van personeel geschieden door het dagelijks bestuur.
35