CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

11.3 Bijlage 2 - Notitie Kindvoorzieningen Gemeente Borsele

Besluitvormende raadsvergadering 9 januari 2025, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel om in te stemmen met het kaderplan Maatschappelijke Voorzieningen (portefeuille wethouder Van de Plasse)6.798 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Verkenningsnotitie kwaliteit, onderwijs- en ontwikkelomgeving voor kinderen in Borsele

Agenda gelijke kansen Leiden Gemeente Borsele Sardes, 2023

Deze verkenningsnotitie is de basis voor een dialoog tussen de schoolbesturen en de gemeente Borsele. De gemeente stelt zich de vraag wat voor kinderen pedagogisch en onderwijskundig de meest optimale ontwikkelomgeving is. Deze verkenningsnotitie bestaat uit twee delen. In de hoofdlijnen brengen we het vraagstuk en de belangrijkste afwegingen over de omvang van de onderwijsvoorzieningen en de kwaliteit in beeld. In de bijlage gaan we uitgebreider in op de verschillende aspecten die aan de orde zijn bij afwegingen over de omvang van de onderwijsvoorzieningen en de kwaliteit. Onderdelen die we daarin onderscheiden zijn: • Gegevens van Borsele op een rij • Onderzoeksgegevens over krimp • Maatschappelijke en onderwijskundige trends die van invloed zijn op de afwegingen. • Relevante wet- en regelgeving

De Hoofdlijnen Aanleiding – vraag – urgentie De gemeente Borsele wil de toekomstbestendigheid van verschillende voorzieningen, waaronder scholen en opvang onderzoeken. Men vraagt zich af wat voor kinderen pedagogisch en onderwijskundig de meest optimale ontwikkelomgeving is. De reden om deze vraag te stellen berust op een zekere urgentie, die bestaat uit verschillende onderdelen. Onderwijskundig en pedagogisch – men vraagt zich oprecht af of kleinere scholen goed zijn voor de optimale ontwikkelingskansen van kinderen en of kleinere scholen een adequate context kunnen bieden voor het organiseren van onderwijs. Daarbij speelt ook de zorg over een voldoende divers en toekomstbestendig onderwijs aanbod in de gemeente. Financieel – een tweede urgentie berust op de zorg over de vraag over de toenemende kosten van kleinere scholen voor de gemeente. De kosten voor de gebouwen nemen voor zowel gemeente als schoolbestuur toe vanwege de schaal, leeftijd en duurzaamheidsstatus van de gebouwen. Personeel – de gemeente kijkt vooruit en heeft zorgen over het personeel. Ook in de komende periode groeit het tekort aan personeel (zowel bij onderwijs als opvang), de personeelstekorten zijn minder straf dan in de Randstad. De gemeente werkt aan de voorbereiding op een nieuw integraal huisvestingsplan (IHP).

In voorbereiding daarop vindt men het belangrijk om een duidelijke visie te ontwikkelen voor de voorzieningen met een onderwijskundig en ontwikkelingsgericht karakter. Deze inhoudelijke visie houdt rekening met ontwikkelingen in het beleid (zoals duurzaamheid, inclusie en de uitbreiding van VVE, verbinding van onderwijs en opvang), en kijkt met een toekomstgericht perspectief naar de ontwikkelingen.

1

Primair onderwijs in Borsele In totaal zijn er vier schoolbesturen betrokken bij het basisonderwijs in de gemeente Borsele. Zij verzorgen onderwijs in 14 basisscholen (waar twee scholen 1 resp. 2 nevenvestigingen hebben. De schoollocaties zijn verdeeld over 15 schoolgebouwen. Bij de meeste schoolgebouwen zijn ook diverse voorzieningen voor kinderopvang (hele dag opvang, peuteropvang, BSO). De meeste zijn in handen van een grotere houder. Er zijn geen sbo- of so-scholen in Borsele. Het totaal aantal kinderen in de periode 20152021 op de scholen is gedaald van 2012 naar 1847 kinderen. Dit aantal blijft in de nabije toekomst stabiel (1872 leerlingen in 2027) In de tabel in de bijlage is ook een prognose van leerlingen volgens DUO opgenomen (2027), de verwachting is dat het totaal aantal leerlingen heel licht stijgt. Meer informatie over de situatie in Borsele is opgenomen in bijlage I. Deze geeft goed weer dat de verschillende scholen ruimtelijk zijn verspreid over de gemeente Borsele. Slechts in een paar plaatsen zijn meerdere locaties te vinden, zoals ’s Gravenpolder (3 locaties), Heinkenszand (3 locaties) en Borsele (2 locaties).

Afbeelding 1 – De basisscholen in de gemeente Borsele

Over de relatie tussen de omvang van de onderwijsvoorzieningen en de kwaliteit Hier staan puntsgewijs, verschillende aspecten met betrekking tot de relatie tussen de omvang van de onderwijsvoorziening en de kwaliteit. In feite komt het er op neer dat het in stand houden van (onderwijs)voorzieningen niet alleen op basis van de regels en aantallen leerlingen zou moeten gebeuren. Gegeven het huidige aanbod in Borsele is er voldoende aanleiding en urgentie om na te denken over een mogelijke herinrichting van het voorzieningen aanbod voor 0 - 12 jaar. In de bijlage worden de overwegingen meer uitgebreid beschreven. Thema Leerresultaten Organisatorisch

Didactisch

Pedagogisch Combinatie opvang / onderwijs

Relatie omvang en kwaliteit • De invloed van kleinere scholen op leerprestaties is onbekend, onderzoek laat geen duidelijke relatie zien. • Kleinere scholen zijn kwetsbaarder, er is een hogere werkdruk • Kleinere scholen zijn veelal minder efficiënt en hebben mogelijk informele schoolcultuur; • Er is een risico op professionele isolatie • Kleinere en gecombineerde groepen vragen van leerkrachten veel deskundigheid, bijvoorbeeld bij niveauwerk; • Veel scholen stimuleren kinderen om samen te werken. Dit werken met coöperatieve werkvormen is moeilijker als er minder kinderen zijn • Kleinere scholen bieden leerlingen minder andere kinderen om zich aan te spiegelen • Na 2007 zijn veel scholen gaan samenwerken met voorschoolse en opvang en BSO, bijvoorbeeld in brede school of IKC. Voor de 2

• Passend en inclusief onderwijs

Personeel

•

• •

•

Onderwijsachterstanden

•

Duurzaamheid

•

Nieuwkomers

•

bedrijfsvoering van de kinderopvang is het van belang om verbonden te zijn aan scholen met een zekere omvang. Ook voor het bieden van VVE is een zeker volume van belang. De vergroting van de toegankelijkheid van de kinderopvang (coalitieakkoord) zal ook een ruimtelijk vraagstuk stimuleren. Voor kinderen met uiteenlopende ondersteuningsbehoeften zijn er in een grotere school meer professionele ondersteuningsmogelijkheden. Organisatie van ondersteuning op grotere scholen is efficiënter. Het tekort aan personeel zet de komende jaren nog door (maar relatief minder ernstig). Het in stand houden van kleinere scholen is personeelsintensiever dan grotere scholen. Grotere scholen bieden meer variatie in het functiebouwwerk waardoor aantrekkelijker werkomgevingen kunnen worden aangeboden. Werken aan gelijke kansen vraagt kennis en kunde, juist ook als er maar een paar kinderen met achterstanden zijn. Maar het vraagt ook samenwerking met bijvoorbeeld sport en cultuur. Voor ontwikkeling van ‘kennis van de wereld’ heeft een school daarom ook ruimten nodig waar dat in kan plaatsvinden. De regels voor het binnenklimaat, maar ook voor duurzaam bouwen worden steeds strenger en dat maakt scholenbouw ook duurder.

Het heeft daarbij de voorkeur om bij investeringen te kiezen voor plekken waar combinaties met andere voorzieningen kunnen worden gemaakt om meer onderwijskundige en educatieve kwaliteit mogelijk te maken. Overal in Nederland komen vluchtelingen en statushouders die recht hebben op onderwijs. Om snel de Nederlandse taal te leren is geclusterde opvang van belang, waar ook voldoende kennis van taalverwerving en traumaverwerking is.

Advies De relatie tussen schoolomvang en leerprestaties is niet duidelijk aantoonbaar met onderzoek. Het is duidelijk dat met minder leerlingen de school meer organisatorische uitdagingen geeft. De kindontwikkeling is echter meer dan leren alleen. In deze notitie (inclusief bijlage) zijn daarom ook diverse trends en ontwikkelingen genoemd die nieuwe afwegingen van het onderwijs vragen.. Deze zaken vragen om professionele capaciteit en diversiteit. Om deze professionele capaciteit te kunnen genereren is een zeker leerlingvolume noodzakelijk. We zien daarnaast dat een goede ontwikkelomgeving voor kinderen inmiddels meer vraagt dan alleen een school. De condities voor een goede ontwikkeling worden geboden door een samenwerking van scholen en voorzieningen: opvang, peuteropvang, school, bibliotheek, zorgvoorzieningen, culturele en sportvoorzieningen en bso. De uitdaging is te zorgen dat er voldoende (verschillende) professionals bijeen kunnen komen om de kinderen op een juiste manier te ondersteunen. Op basis van deze verkenning adviseren we dan ook om te streven naar scholen van een nader te bepalen minimale omvang en waar mogelijk voorzieningen te clusteren om voor kinderen optimale ontwikkelmogelijkheden te creëren. 3

Tot slot In deze notitie zijn we ingegaan op de vraag wat voor kinderen pedagogisch en onderwijskundig qua schoolgrootte de meest optimale ontwikkelomgeving is. Op basis van deze analyse hebben we een scenario geadviseerd waarbij Borsele richting de toekomst toewerkt naar grotere scholen. Er kunnen echter andere factoren meewegen bij een besluit rondom het handhaven, sluiten of samenvoegen van scholen, zoals de bereikbaarheid van voorzieningen en de leefbaarheid van een dorp of kern. Ook op deze vlakken is onderzoek beschikbaar, maar deze thema’s vallen buiten de expertise van Sardes en zijn mede daarom niet meegenomen in deze notitie. De afwezigheid van deze thema’s wil niet zeggen dat deze factoren er niet toe zouden doen. Onze conclusies zijn enkel gebaseerd op de pedagogisch en onderwijskundige kwaliteit voor kinderen, met alle eisen die we daar tegenwoordig aan stellen.

4

Bijlage Deze bijlage beschrijft iets uitgebreider de achtergronden en onderbouwing voor een heroriëntatie op een voorzieningenplanning in Borsele. Naast onderwijskwaliteit zijn verschillende maatschappelijke en onderwijskundige trends in beeld gebracht die mogelijk van invloed zijn op de voorzieningenplanning.

Onderwijskwaliteit: wat weten we over schoolgrootte Door de daling van het aantal leerlingen ontstaan er meer kleinere scholen. In Zeeland verscheen in 2010 een onderzoek (PPOZ/SCOOP/RPCZ, 2010)1 waarin de daling van het aantal leerlingen in beeld werd gebracht. Het is een grondig rapport: er is aandacht voor de demografische ontwikkelingen, maar ook voor vraagstukken op het gebied van kwaliteit en schoolgrootte. Het rapport stelt dat kleine scholen niet automatisch zwakke scholen zijn, maar dat het voor kleinere scholen moeilijker is de didactische en organisatorische kwaliteit op orde te houden. Het rapport kende een update in 2016 (Van der Wouw en Van Overbeeke, 2016).2 Hieruit bleek dat de verwachtingen zijn uitgekomen: ieder jaar tussen 2009 en 2015 was er een daling van 700 leerlingen (een daling van 13%). Het aantal scholen in Zeeland daalde in deze periode van 244 naar 208. Het aantal schoolbesturen daalde van 60 naar 44. Het aantal banen in het onderwijs is gedaald met 500. Voor de periode tot 2023 verwacht men nog een daling van 5%, daarna een kleine groei. Het aantal kernen met minder dan 100 leerlingen in de basisschoolleeftijd zal toenemen naar 55. Toch is de gemiddelde reisafstand naar de basisschool nauwelijks toegenomen. In figuur 2 zijn kaartjes te zien van de spreiding van kleine scholen over Nederland.

Noord-Nederland en Zuidwest Nederland vallen op met een groot aandeel kleine scholen.

1 PPOZ / SCOOP / RPCZ (2010). Onderwijs ons goed, afnemende leerlingaantallen in Zeeland, Platform Primair onderwijs

Zeeland 2 Wouw, D. van der & Overbeeke, J. (2016). Onderwijs ons goed, afnemende leerlingaantallen in Zeeland, update 2016, Zeeland: ZB en Planbureau en bibliotheek van Zeeland

5

Afbeelding 2- Landelijk overzicht van schoolgroottes / kleine scholen (Arbeidsmarktplatform, 2021) De gemeente Borsele kleurt op het kaartje met het aandeel kleine scholen rood: 60-80% van de scholen zijn kleine scholen. Ook in het rechter kaartje (gemiddelde schoolgrootte; landelijk ongeveer 225) zien we dat Borsele in de categorie 52 tot 140 leerlingen valt. De gemiddelde schoolgrootte in Borsele is 108 leerlingen (2021). In de literatuur wordt een onderscheid gemaakt naar verschillende aspecten van kleinere scholen die bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs: enerzijds zijn er organisatorische aspecten, anderzijds zijn er didactische en pedagogische aspecten. Organisatorische aspecten zijn bijvoorbeeld: • kleinere scholen zijn kwetsbaarder, omdat er meer werk door minder mensen moet worden gedaan (Inspectie, 2012)3 • leerkrachten kunnen een hogere werkdruk ervaren, zeker als ze minder ervaring hebben (Inspectie, 2012) • Er ontstaat een minder efficiënte schoolorganisatie met een informelere schoolcultuur, minder financiële ruimte voor professionalisering van het team, taakverzwaring en verplichte mobiliteit van leerkrachten en schoolleiders (Hopkins & Ellis, 1991; van Leer, de Haan, Wijnstra, & Janssens, 2012; Onderwijsraad, 2013; Vrielink et al., 2010).

(uit: Rekers-Mombarg en Hulshof, 2017)4 • In kleinere scholen is een risico op professionele isolatie van leerkrachten en schoolleiders, beperkte expertise binnen het onderwijsteam en het gebrek aan tijd voor goed onderwijskundig leiderschap (Deunk en Doolaard, 2014)5 • Door een vacaturestop vergrijst vaak het personeel (Rekers-Mombarg en Hulshof, 2017); ook na de krimp, in een meer stabiele situatie blijven de gevolgen van die werkdruk en een ouder personeelsbestand voelbaar • door de financiering per leerling worden krimpende scholen geconfronteerd met afnemende inkomsten, waardoor investeringen in onderwijskwaliteit problematisch worden (Inspectie, 2012) • Schoolbesturen geven aan dat zij hun financiële middelen minder efficiënt kunnen inzetten op krimpende scholen (Vrielink et al., 2010).6 Kleinere scholen (kleiner dan 145 leerlingen) ontvangen additionele financiering van OCW (kleinere scholentoeslag) en zijn daarom duurder voor de rijksoverheid. De kosten van een leerling op een kleine school zijn bijna drie keer zo hoog als op een school van gemiddelde omvang, zonder dat daar een hogere onderwijskwaliteit tegenover staat (Onderwijsraad, 2013). Ook voor de overheid zijn de financiële gevolgen van een krimpende leerlingpopulatie daardoor aanzienlijk. De Onderwijsraad (2013)7 adviseerde om de minimale opheffingsnorm in het primair onderwijs te verhogen naar 100

3 Inspectie van het Onderwijs (2012). Krimpbestendige onderwijskwaliteit, Regio-onderzoek in Zuid-Nederland naar de

gevolgen van krimp, Utrecht: Inspectie 4 Rekers-Mombarg, L. T. M., & Hulshof, N. (2017). De invloed van krimp op de ontwikkeling van leerprestaties van basisschoolleerlingen in een krimpgebied. Pedagogische Studiën, 94(2), 90-109. 5 Deunk, M.I., Doolaard, S. (2014). Onderwijs op kleine scholen. En systematische review naar de effecten van kleine scholen op leerlingen, leerkrachten, de school en de lokale omgeving, Groningen: GION. 6 Vrielink, S., Jacobs, J., & Hogeling, L. (2010). Krimp als kans. Leerlingendaling in het primair en voortgezet onderwijs. Onderzoek in opdracht van Sectorbestuur Onderwijsarbeidsmarkt. Nijmegen: ResearchNed. 7 Onderwijsraad (2013). Grenzen aan kleine scholen, Sterk en pluriform onderwijs in tijden van krimp. Den Haag: Onderwijsraad

6

leerlingen (vanaf 2019). De staatssecretaris (29 mei 2013)8 volgde dit advies niet op. Er zijn wel meer mogelijkheden gecreëerd voor samenwerking tussen scholen. Andere voorzieningen, zoals de kinderopvang, hebben ook baat bij grotere scholen. Als de voorschool of de BSO is gekoppeld aan de school (of zelfs in de school is gevestigd), is het voor een goede bedrijfsvoering belangrijk dat er voldoende kinderen zijn om de groepen te bezetten. Er zijn ook specifieke didactische en pedagogische aspecten van kleinere school te noemen9: • Gecombineerde groepen vragen bij niveauwerk veel deskundigheid en tijd van leerkrachten • Coöperatieve werkvormen en samenwerken worden moeilijker te organiseren (uit onderzoek blijkt dat samenwerken wel een effectieve manier van leren is; zie Janssen, 2014)10 • Voor een gezonde pedagogische ontwikkeling van kinderen is het nodig dat zij zich kunnen spiegelen aan verschillende kinderen Rekers-Mombarg en Hulshof (2017)11 deden onderzoek naar de trend van leerprestaties (voor rekenen-wiskunde, begrijpend lezen en technisch lezen) over langere tijd in een gebied waar (ernstige) krimp zichtbaar is (Oost-Groningen). Er wordt een zwak verband gevonden tussen schoolgrootte en leerprestaties. Wel lijkt er een neerwaartse tendens te zien wat betreft de leerprestaties voor rekenen-wiskunde.

Leerprestaties voor technisch lezen ontwikkelen zich echter stabiel en voor begrijpend lezen presteren leerlingen zelfs bovengemiddeld goed. Concluderend is de invloed van de krimp op leerprestaties niet duidelijk aantoonbaar. De midden- en bovenbouwleerprestaties voor rekenen, begrijpen en technisch lezen van leerlingen in een krimpgebied fluctueren rondom de landelijke norm. Dit duidt op voldoende flexibiliteit en veerkracht van de scholen in krimpgebieden. De context van de kleine school Er zijn nog andere factoren die betrekking hebben op de context van de kleine school, die mogelijk tot ontwikkelingsrisico’s kunnen leiden. Kleinere scholen in plattelandsgebieden kunnen te maken hebben met lagere verwachtingen wat betreft leerprestaties en een lagere ouderbetrokkenheid. In plattelandsgebieden wonen relatief veel laagopgeleide mensen, onder andere doordat er minder werkgelegenheid is voor hoogopgeleiden dan in de stedelijke gebieden. Met andere woorden, de hoogopgeleide ouders trekken vaak weg uit deze regio’s (Hospers, 2010)12. Er heerst daardoor minder een cultuur die gericht is op het behalen van hoge prestaties, wat samen gaat met het hebben van lagere verwachtingen over de leerprestaties.

Uit verschillende effectiviteitsonderzoeken in het onderwijs komt dan ook naar voren dat een lagere sociaaleconomisch positie van leerlingen consistent samenhangt met lagere leerprestaties. Dit is ook zichtbaar op klas- en schoolniveau, doordat leerkrachten vanwege de samenstelling van de leerlingpopulatie lagere verwachtingen hebben. Daarnaast is er een lagere ouderbetrokkenheid onder ouders met een lagere sociaaleconomische status dan ouders met een hogere sociaaleconomische status (Vogels, 2002). Ouderbetrokkenheid heeft een positieve invloed op de prestaties van het kind op school (Smit,

8 Ministerie van OCW (2013). Beleidsvisie leerlingdaling in primair en voortgezet onderwijs. Den Haag: OCW. 9

PPOZ / SCOOP / RPCZ (2010). Onderwijs ons goed, afnemende leerlingaantallen in Zeeland, Platform Primair onderwijs Zeeland 10 Janssen, J.J.H.M. (2014). De 'black box' van samenwerkend leren geopend: Een meta-analyse naar de invloed van interactieprocessen en didactische vormgeving van samenwerkend leren op leeropbrengsten, Universiteit Utrecht; van de site www.nwo.nl 11 Rekers-Mombarg, L. T. M., & Hulshof, N. (2017). De invloed van krimp op de ontwikkeling van leerprestaties van basisschoolleerlingen in een krimpgebied. Pedagogische Studiën, 94(2), 90-109. 12 Hospers, G.J. (2010). Krimp!, Amsterdam: SUN

7

Sluiter & Driessen, 2006)13. Kortom, de krimp van leerlingenaantallen leidt tot een ongunstige onderwijscontext, wat negatieve invloed heeft op leerprestaties van leerlingen. Deze contextfactoren kunnen niet worden opgelost door beleidsmaatregelen van de besturen of de gemeente, maar het is wel iets om rekening mee te houden.

Maatschappelijke en onderwijskundige trends In deze paragraaf behandelen we een aantal maatschappelijke en beleidsontwikkelingen die een afweging vragen voor de inrichting van voorzieningen voor kinderen. We behandelen de volgende onderwerpen: • Doorgaande lijnen, clusteren van voorzieningen • Passend onderwijs en inclusie • Personeelstekorten • Onderwijsachterstanden • Nieuwkomers • Duurzaamheid en scholenbouw • Leren anders organiseren Doorgaande lijnen, clustering van voorzieningen De afgelopen 40 jaar heeft de clustering van voorzieningen zich versterkt. Dat begon misschien wel in 1985 met de samenvoeging van de kleuterschool en de lagere school. Veel gebouwen werden samengevoegd. Vanaf 1995 ontwikkelde de brede school zich. Eerst in Groningen en Rotterdam en later in heel Nederland. Volgens een laatste telling (De Weerd, ea, 2014)14 is het aantal brede scholen in Nederland tussen de 1600 en 2000. Brede scholen waren aanvankelijk gericht op aandachtswijken, maar dit heeft zich verbreed. Na de motie van Aartsen-Bos (2007) en de vertaling in de WPO (artikel 45) is samenwerking met de opvang een ontwikkelpunt voor veel scholen. Sinds 2010 spreken we ook van het integraal kindcentrum (Studulski, 2010)15, waarbij het juist meer gaat om de relatie onderwijs-opvang.

Het is niet duidelijk hoeveel IKC’s er zijn; het concept sluit echter wel aan bij een maatschappelijke en een ontwikkelingsgerichte behoefte (een doorgaande lijn). Hierbij wordt ook een relatie gelegd tussen voor- en vroegschool en de BSO. Slot en Leseman (2019)16 benadrukken dat deelname aan voorschoolse opvang en educatie vooral voor kinderen uit achterstandssituaties positieve effecten heeft op de cognitieve ontwikkeling, taal, sociaal-emotionele ontwikkeling, gezondheid en welbevinden van kinderen. De concepten brede school en IKC brachten een zekere clustering van voorzieningen met zich mee. Het beter organiseren van de doorgaande lijn is bij de brede school en het IKC een uitgangspunt. Mogelijke ontwikkelingen In het coalitieakkoord (2021) zijn ingrijpende veranderingen voor de kinderopvang aangekondigd. Het gaat om een ‘fundamentele herziening van de kinderopvang toeslag. (…) In stappen verhogen we de vergoeding van de kinderopvang tot 95% voor werkende ouders. De toeslag wordt daarnaast direct uitgekeerd aan kinderopvanginstellingen zodat ouders niet meer worden geconfronteerd met hoge terugvorderingen. Ouders betalen alleen nog een 13 Smit, F., Sluiter, R., Driessen, G. (2006). Literatuurstudie ouderbetrokkenheid in internationaal perspectief, Nijmegen: ITS

14

Weerd, M. de, Paulussen-Hoogeboom, M.C., Slotboom, S.T., Pol, S. van der, Krooneman, P.J. (2014). Jaarbericht brede scholen en integrale kindcentra 2013. Amsterdam: Regioplan 15 Studulski, F. (2010). Op weg naar het integraal kindcentrum, een verkenning, Amsterdam: SWP 16 Slot, P. & Leseman, P. (2019). Investeren in kinderen van 0-12 jaar. Bevindingen uit de wetenschap. Den Haag, Het Kinderopvangfonds, in het kader van PACT voor kindcentra

8

kleine eigen bijdrage.’ Er is nog discussie over deze maatregelen, zeker ook gezien de tekorten aan personeel in de kinderopvang. Een verandering van het aanbod en de toegankelijkheid van de kinderopvang zal naar verwachting ook gevolgen hebben. De voorgenomen maatregelen zijn twee jaar uitgesteld; daarna is het kabinet gevallen. De inschatting is dat er wat gaat gebeuren in de kinderopvang, het meest waarschijnlijk is vereenvoudiging van de regelgeving (kinderopvang toeslag). Ook de overstap primair- voortgezet onderwijs is voor een aantal leerlingen kwetsbaar, vooral gezien de gelijke kansen. Het schooladvies gaat nu al vóór de CITO toets. Ook hier gaat het om het organiseren van een doorgaande lijn. De afgelopen jaren zijn er op verschillende plekken zogenaamde 10-14 colleges ontstaan. Het doel is de overstap van primair naar voortgezet onderwijs beter te laten verlopen. Uit de evaluaties (Bekkers, 2021)17, blijkt echter dat er tal van andere doelstellingen worden genoemd; zo gaat het ook om verbreding van het onderwijs en talentontwikkeling. Passend onderwijs en inclusie Sinds 2014 is het passend onderwijs ingevoerd. Scholen bepalen op basis van de match tussen ondersteuningsbreedte en -behoefte welke leerlingen zij op de reguliere school kunnen ondersteunen. Op basis van de evaluatie van passend onderwijs (2020)18 zijn 25 verbetermaatregelen genoemd.

Tegelijkertijd heeft de minister aangegeven dat OCW verder wil met inclusief onderwijs. Dit doet OCW op basis van het advies ‘Steeds inclusiever’ (Onderwijsraad, 2020). De raad adviseerde om verder te gaan met inclusief onderwijs, met een ontwikkelperspectief van 15 jaar. Hoewel ieder samenwerkingsverband eigen afwegingen maakt, is de algemene teneur wel dat er meer leerlingen met een ondersteuningsbehoefte op de reguliere basisschool zullen komen. Dat zal meer deskundigheid, tijd en ondersteuning vragen van de leerkracht. Een kleinere school heeft wellicht het voordeel van overzichtelijkheid; op een grotere school kan meer deskundigheid worden gegenereerd. Het organiseren van een meer gedifferentieerd aanbod van zorg en ondersteuning kan efficiënter op een grotere basisschool. Denk bijvoorbeeld aan een Multidisciplinair team (overleg), schoolmaatschappelijk werk, de logopedist of de contacten met het CJG: het is efficiënter om in één keer te overleggen dan op vier verschillende scholen. Het samenwerkingsverband Kind op 1, werkt samen met 10 gemeenten, 19 schoolbesturen, 131 scholen en 18.005 leerlingen. PO 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 land SO 2.8 2.91 2.95 2.55 2.56 2.56 2.67 2.52 SBO 1.98 1.95 1.73 1.83 1.93 1.87 1.97 1.90 Bron: samenwerkingsverbanden op de kaart Het laatste jaar zit het samenwerkingsverband qua deelname percentage net iets boven de landelijke norm.

17 Bekkers, H., Exalto, R., Vegt, A.L. van der (2021). Een soepele overgang. Eindrapportage Monitor 10-14 onderwijs,

Utrecht: Oberon 18 Ministerie van OCW (2020). Verbeteraanpak passend onderwijs en route naar inclusiever onderwijs, Den Haag: OCW

9

Personeelstekort Een andere ontwikkeling die in de laatste tien jaar heeft doorgezet, is het tekort aan personeel. Volgens de Onderwijsatlas primair onderwijs 2021 lopen de personeelstekorten regionaal sterk uiteen. In afbeelding 3 zien we een tekort van 0.6-1.2% van in 2025. Omdat niet bekend is wat het feitelijk tekort is (in 2019) is dit op 0 gesteld. In vergelijking met Nederland stijgen de tekorten minder sterk. Maar er is wel een toenemend tekort. Het tekort van 1,2% komt neer op 15 fte19 (In Nederland raamt men dit in 2025 op 1.433 fte). Naast de ontwikkeling van het aantal leerlingen speelt ook de uitstroom van leraren die met pensioen gaan een rol. Ook in de vervangingsvraag laat de Onderwijsatlas sterke regionale verschillen zien. Scholen nemen hier verschillende maatregelen voor zoals een vierdaagse werkweek, of het aanleggen van een regionale Afbeelding 3 – vervangingspool. Personeelstekort regionaal In de kinderopvang loopt het personeelstekort steeds verder op en we weten dat dit ook op langere termijn zo blijft. De cijfers liegen er niet om. Het aantal vacatures per 1000 banen in de kinderopvang (de zgn vacaturegraad) ligt op 34, en in het westen van ons land zelfs op 401. Ter vergelijking: in het onderwijs, dat ook kampt met tekorten, ligt dit cijfer op 21.20 Het personeelstekort is een complex vraagstuk: het wordt beïnvloed door vele factoren.

Een aandachtspunt is dat het ook niet een tijdelijk probleem is. Het zal waarschijnlijk nog jaren voortduren. Onderwijsachterstanden Voor kinderen met een risico op achterstanden bestaat het decentrale onderwijs achterstanden beleid. Op basis van vijf criteria van het CBS21 krijgen gemeenten sinds 2019 middelen toegekend. Het criterium schuldsanering is geheel nieuw. Deze criteria hebben wel geleid tot een herschikking in de middelen: een deel van de middelen is verschoven van de grotere gemeenten naar de kleinere gemeenten. Een belangrijke deel van het gemeentelijk budget (75%) wordt gemiddeld uitgegeven aan voor- en vroegschoolse educatie (voor kinderen van 2,5-4 jaar). De overige middelen worden op de basisscholen meestal besteed aan extra inspanningen op het gebied van taal. In sommige gemeenten hebben de nieuwe criteria voor een behoorlijke uitbreiding van het budget geleid. Voor kleinere scholen met een paar kinderen met een risico op achterstanden is het mogelijk ingewikkelder om extra kennis en professionaliteit te genereren.

19

Adriaens, H., Fontein, P., Vos., K. de (2020). De arbeidsmarkt voor leraren primair onderwijs 2020-2025 Regio Zeeland, Centerdata 20 www.werkenbijdekinderopvang.nl 21 De vijf criteria van het CBS

• • • •

•

het opleidingsniveau van beide ouders; het herkomstland van de moeder; de verblijfsduur van de moeder in Nederland; het gemiddelde opleidingsniveau van alle moeders op de school; of de ouders in de schuldsanering zitten.

10

In Borsele is het aandeel peuters met een risico op een onderwijsachterstand afgenomen van 10% in 2019 naar 8% in 2021. Het gaat om kleine aantallen: 35 peuters in 2021 en 25 peuters in 2019. Binnen de scholen zien we dat dit aandeel ook iets is afgenomen. Dit maakt dat ook de beschikbare OAB-middelen zullen afnemen.

Afbeelding 4 – Concentratie peuters met een risico-achterstand (2021) Nieuwkomers Door de situatie in Syrië werd Nederland in 2015 verrast door een grote stroom nieuwkomers. Hoewel de grote instroom van vluchtelingen na 2015 weer wat is gedaald, ontstond in 2022 een nieuwe stroom van mensen uit Oekraïne. Deze nieuwkomers worden in alle gemeenten van Nederland opgevangen. Er moet daarom nagedacht worden over vervoer, gebouwen, geschoold personeel en het verdelen van verantwoordelijkheden (Maarse ea, 2017)22. In 2015 waren er 33.692 nieuwkomers in het basisonderwijs. Nieuwkomers zijn kinderen die minder dan vier jaar in Nederland verblijven. Zij worden bij voorkeur centraal opgevangen (in aparte scholen of groepen), zodat ze ‘ondergedompeld’ kunnen worden in de Nederlandse taal en er ook aandacht kan zijn voor mogelijke trauma’s. Na één of twee jaar stromen de meeste kinderen door naar regulier onderwijs. Veel scholen krijgen kinderen die van een eerste opvang komen. Dat vraagt extra aandacht en aanpassing door de leerkracht. Gezien de ontwikkelingen in de wereld moeten we er van uitgaan dat er nieuwkomers zullen blijven komen. Duurzaamheid en onderwijshuisvesting De onderwijshuisvesting is in 1997 gedecentraliseerd naar de gemeenten. De afgelopen jaren is er toenemende aandacht voor kwaliteit van de schoolgebouwen.

Eigenlijk gaat het over de slechte kwaliteit van de schoolgebouwen. Tot in de jaren tachtig werden verhoudingsgewijs nog veel nieuwe scholen gesticht (circa 70-80 per jaar) en dat was ook een periode waarin de invloed van de verschillende denominaties nog sterk was. Na 1994 daalt het aantal nieuwe scholen naar tien à twintig per jaar (Klein e.a., 2016)23, dat was na de wet Toerusting en bereikbaarheid (1993). De generatie scholen uit de jaren 70 en 80, is vaak slecht geïsoleerd, verouderd en met slechtere materialen gebouwd, komt nu in aanmerking voor herziening24.

22

Maarse, J., Es, W. van, Schilder, J. (2017). Organiseren van nieuwkomersonderwijs, Anticiperen op aanbod, Utrecht: Sardes 23 Klein, T., Waslander, S., Hooge, E., Imandt, M., Bisschop, P. (2016). Nieuwe toetreders in het onderwijsstelsel: een verkenning naar de effecten van richtingvrije planning, Oberon, TIAS, SEO. 24 Studulski, F. & Kempinga, W. (2021). Meer kansen voor scholen uit de jaren zeventig, in: Basisschoolmanagement, nr 8, p. 22-25

11

Er is de laatste tijd meer aandacht voor technische eisen, zoals binnenklimaateisen (Frisse scholen) en duurzaamheidseisen (ENG)25 (zie Ruimte OK, 2021). Als consequentie van het klimaatakkoord van Parijs moet het grondstoffengebruik in de bouw in 2050 voor 100% circulair zijn; er mogen dan dus geen nieuwe grondstoffen worden aangesproken. In 2030 moet dit al 50% zijn. Veel aandacht is er ook voor het binnenklimaat. Een slecht binnenklimaat (denk aan CO2, vocht, tocht, licht, fijnstof) kan de prestaties van leerlingen met 30% verminderen (Wargocki, 2016)26. Vandaar de extra aandacht voor ventilatie (Rijksbouwmeester, 2009)27 die door Corona nog is versterkt. Extra aandacht voor het binnenklimaat en duurzaamheid is ook ontstaan door de Coronacrisis en de oplopende kosten voor gas. Het versneld vernieuwen van de verouderde voorraad is een doelstelling, maar bij scholenbouw blijft ‘duurzaam bouwen voor de toekomst’ enerzijds en ‘sober en doelmatig’ anderzijds, een strijdpunt tussen gemeente en schoolbesturen (zie ook het IBO-rapport, 2021)28. Inmiddels is berekend dat er landelijk een tekort is van 730 miljoen per jaar om de kwaliteit van scholen(bouw) op een acceptabel niveau te houden. Extra eisen aan duurzaamheid en klimaat leiden wel tot hogere bouwkosten (€ 2.400 per m2, ipv de VNG norm van 1600/1700; in Amsterdam worden al prijzen van 3000-4000 m2 genoemd).

Leren anders organiseren Tekorten van personeel in het onderwijs worden traditioneel benaderd door beter te werven en reserves aan te spreken. Verschillende schoolbesturen geven aan dat deze opties uitgeput raken. Een andere benadering is ‘anders organiseren van onderwijs’. Van den Berg en Scheeren (2018)29 verkenden de personele gevolgen van anders organiseren in het primair onderwijs; zij noemen 8 verschillende manieren (waaronder ook flexibele onderwijstijden, gepersonaliseerde leerroutes, en inzet van ICT), maar op hoofdlijnen onderscheiden zij drie manieren: • Functiedifferentiatie tussen leraren, onderwijsassistenten en leraarondersteuners • Organisatie in grotere eenheden (units, leerpleinen of domeinen) • Taakdifferentiatie (vakspecialisten) Een ontwikkeling die veel aandacht vraagt is het unit-onderwijs. In teamonderwijs werken leerkrachten samen voor een groep van 70-90 kinderen. Voorlopers van unitonderwijs waren teamonderwijs op maat en SlimFit. Binnen de Innovatie Impuls Onderwijs (IIO, 2011-2014) waren pilots om de arbeidsproductiviteit van leraren (leerling/leraar-ratio) te verhogen. Motieven voor unitonderwijs zijn: een aantrekkelijke pedagogische onderwijskundige visie, het bieden van maatwerk (niveau differentiatie) of omgaan met krimp (Van den Berg & Scheeren, 2018).

Heyma ea (2015)30 concluderen over de SlimFit scholen in de IIO dat de scholen (onder bepaalde omstandigheden) hogere leeropbrengsten, minder zittenblijvers, en een hogere oudertevredenheid weten te bereiken. De leerling/leraar ratio is niet veranderd en de werkdruk is gelijk gebleven. Dit 25

Energie Neutrale gebouwen, ingevoerd per 1 januari 2021 Wargocki, P. & Wyon, D. (2016). Ten questions concering thermal and indoor air quality effects on the performance of office work and schoolwork. Building and Environment, 112, pp. 359-366. in Jacobs, P. & Borsboom, W. (2019.) Meta-onderzoek voor coalitie gezonde binnenlucht. TNO 2019 R10969. Delft: TNO. 27 Atelier Rijksbouwmeester (2009). Gezond en goed Scholenbouw in topconditie, Den Haag: Atelier Rijksbouwmeester. 28 Interdepartementaal Onderzoek Onderwijshuisvesting funderend onderwijs (2021). Een vak apart. Een toekomstbestendig onderwijshuisvestingsstelsel doen toekomen, Den Haag: OCW. 29 Berg, D. van den, Scheeren, J. (2018). Anders leren, anders werken? Verkenning naar de personele gevolgen van anders organiseren in het primair onderwijs, Den Haag: Platform Primair onderwijs 30 Heyma, A., Bisschop, P., Van den Berg, E., Wartenbergh-Cras, F., Kurver, B., Muskens, M., Spanjers, I. (2015). Effectmeting InnovatieImpuls Onderwijs, SEO-rapport 2015-28. Amsterdam: SEO Economisch 26

12

wordt geweten aan dalende leerlingaantallen, dalende budgetten, waardoor minder onderwijsassistenten konden worden aangenomen. Het concept biedt meer ruimte voor een professionele cultuur. Imants, ea (2020)31 schreven hier een handboek voor. In de praktijk zien we dat besturen en scholen het personeelstekort onvoldoende als een aanleiding zien om het onderwijs te reorganiseren. De basis moet liggen in de visie op onderwijs. Anders organiseren kan in het onderwijs maar kan ook tussen scholen plaatsvinden. Door meer en anders samen te werken tussen besturen en locaties, kunnen kleinere scholen ontlast worden. Het gaat dan bijvoorbeeld om: • Meerscholige directeuren en IBers • Ontwikkeling van plannen (zoals schoolplannen) voor verschillende scholen tegelijk • Een pool voor invallers (zoals Transfercentrum Zeeland) • Gezamenlijke scholing / professionalisering De mogelijkheid om dit in de vorm van een coöperatie te doen zijn beperkt. In 2014 werd gesuggereerd dat een (landelijke) coöperatie een goede mogelijkheid zou kunnen zijn om een groep van kleinere scholen overeind te houden. Het NCOR (2014)32 adviseerde dat een coöperatie voor kleine scholen geen geschikte rechtsvorm is. De staatssecretaris trok de mogelijkheid om hiermee te experimenteren in.

31

Imants, J., Berendse, M., en Sijl, I. van (2020). Leren anders organiseren. De praktijk van scholen die het jaarklassensysteem loslaten: Goes: Bazalt 32 NCOR (2014). Coöperatie van kleine scholen. Onderzoek voor de directie PO, ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Den Haag: NCOR

13

Overzicht cijfers - Regio in beeld (kernen), scholen in beeld In totaal zijn er vier schoolbesturen betrokken bij het basisonderwijs in de gemeente Borsele. Zij verzorgen onderwijs in 14 basisscholen (waar twee scholen 1 resp. 2 nevenvestigingen hebben. De schoollocaties zijn verdeeld over 15 schoolgebouwen. Er zijn daarnaast 16 voorzieningen voor kinderopvang. In de onderstaande staat zijn de voorzieningen voor opvang ook aangegeven (op basis van website gegevens). Er zijn geen sbo- of so-scholen in Borsele. Uit onderstaand overzicht blijkt het totaal aantal kinderen in de periode 2015-2021 op de scholen is gedaald van 2012 naar 1847 kinderen. In de tabel zijn twee prognoses van leerlingen opgenomen. Voor beiden hebben we jaar 2027 gekozen (op deze termijn is nog met enige plausibiliteit wat te zeggen over de aantallen leerlingen). In de ene kolom is de prognose van DUO opgenomen, in de andere kolom is een recente prognose van Pronexus opgenomen (Pronexus)33. Waarschijnlijk is de prognose van DUO grover en minder precies. Er is tussen deze beide prognoses wel een belangrijk verschil: het totaal is 75 leerlingen lager bij Pronexus. Dit is waarschijnlijk de meest realistische prognose. Een aantal scholen zal dalen in aantal leerlingen.

33

Pronexus (2022). Leerlingenprognose en ruimtebehoefte basisonderwijs 2022 Gemeente Borsele (juli 2022)

14

School

BRIN

Den

Bestuu r

Plaats

2015

2021

2027*)

RK

Prisma

's-Heerenhoek

174

162

143

RK

Prisma

Kwadendamme

82

87

68

PC

Albero

Nieuwdorp zld

74

84

84

Opb

Albero

Heinkenszand

105

87

98

De Regenboog Basisschool De Wegwijzer

03TW0 0 03TW0 0 04OT0 0 06ED0 0

De Leeuwerik

06SK00

PC/RK

Prisma

Lewedorp

112

117

121

CBS De Rank Ds G H Kerstenschool Koningin Julianaschool Omnis school de Linden

07EE00 07KB0 0

PC

's-Gravenpolder

104

90

94

Ref

Albero School ver

Borssele

175

152

169

07LS00 11OA0 0 11OA0 3 11OA0 4

Ref

VCPOZ

's-Gravenpolder

384

382

422

Opb

Omnis

's-Gravenpolder

74

55

40

Opb

Omnis

Nisse

33

56

55

Opb

Omnis

Borssele

52

17

24

12IT00

Opb

Omnis

Heinkenszand

90

93

102

Don Bosco Mgr Heyligersschool

Obs de Linden Omnis school Franck v Borssele Omnis school de Reiger Omnis school 't Opstapje Omnis school de Schakel Chr Bs de Regenboog Basisschool de Zandplaat Jan van Schengenschool Totaal

12IT02

Opb

Omnis

Driewegen

39

28

26

13JQ00

Opb

Omnis

Oudelande

55

40

56

14YS00 14ZQ0 0 15DF0 0

PC

Albero

Hoedekenskerke

58

43

36

RK

Prisma

Ovezande

91

112

92

RK

Prisma

Heinkenszand

310 2012

242 1847

242 1872

2027 **)

Bouw jaar

Opp ***)

schoolweging****)

Opvang

147

2008

?

31.56

KIBEO: KDV, Peuteropvang, BSO

76

1973

800

31.56

Kibeo: Opvang

81

1951

642

30.87

Kibeo: peuteropvang

94

1974

904

29.45

114

1982

988

30.13

87

2006

675

29.84

Prokino: baby-, peuter- en buitenschoolse opvang Kibeo: baby-, peuter- en buitenschoolse opvang Kibeo (brede school Egelantier ): BSO

160

2008

1366

21.14

Kibeo: peutergroep

389

1991

2119

29.98

Kibeo: peutergroep

44

2006

675

32.33

47

1964

438

32.33

Kibeo: dagopvang, peuteropvang, BSO (brede school Egelantier) Niet duidelijk

23

1990

746

33.77

93

1976

1334

31.59

21

1913

385

33.67

35

1964

438

31.73

36

2003

591

29.38

Kindcentrum: HDO, baby, peuteropvang en BSO (+ 50m2 uit 2011) KIBEO: HDO, baby, peuteropvang en BSO KIBEO: peutergroep en BSO

106

2012

544

30.56

KIBEO: BSO

244

1963

1446

28.54

In ontwikkeling KIBEO (voorschools en BSO)

Kindcentrum: HDO, baby, peuteropvang en BSO KIBEO: peutergroep en BSO

1797

Tabel scholen, besturen en leerlingaantallen 2015/2021 en 2027 in Borsele (bron: DUO / Alle cijfers.nl) *) prognose DUO, **) prognose Pronexus, ***) kadasterkaart.com ****) Inspectie: driejaarlijks gemiddelde, de schaal loopt van 20 tot 40; alle hebben een score rond de 30, dat betekent dat er wel wat kinderen met een achterstand zijn, daarnaast zijn er geen uitschieters naar boven of benden: een heel homogene schoolpopulatie.

15

Overzicht - Wet- en regelgeving Scholenbouw De regelgeving voor scholenbouw is eigenlijk meer ingesteld op groei dan op krimp. Vanwege de vrijheid van onderwijs en specifieke artikelen in de WPO, zoals de kleine scholentoeslag en ontheffing van de gemeentelijke opheffingsnorm door gemiddelde schoolgrootte, (artikel 157 WPO) kunnen schoolbesturen kleine scholen lang in stand houden. In 2015 is een deel van het huisvestingsbudget overgeheveld van de gemeente naar de schoolbesturen (de overheveling van het buitenonderhoud). In verschillende gemeenten heeft dat wel enige verwarring opgeleverd. Bij de PO-Raad, VO-raad en de VNG leeft al langer de wens om gemeenten en schoolbesturen meer in staat te stellen om hun gezamenlijke verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting waar te maken. Daarvoor kwamen zij tot een huisvestingsvoorstel (2021) met daarin de volgende uitgangspunten: • gemeenten en schoolbesturen stellen gezamenlijk een meerjarig IHP op, waarover OOGO gevoerd wordt.

Daarmee krijgt het IHP een wettelijke status; • renovatie wordt als voorziening in de wet opgenomen; • schoolbesturen stellen verplicht een meerjarenonderhoudsplan (MJOP) op waarin onderhoudswerkzaamheden en te besteden middelen zijn aangegeven; • het investeringsverbod voor (vervangende) nieuwbouw en renovatie door schoolbesturen wordt aangepast en versoepeld.34 De PO-Raad heeft het opstellen van een IHP gestimuleerd en dat is een goede zaak. Een goed IHP kijkt niet alleen naar de lokalenplanning, maar ook naar de omliggende voorzieningen zoals kinderopvang en andere wijkvoorzieningen. Met de invoering van de nieuwe wet Meer ruimte voor nieuwe scholen, (2021) kunnen juist ook weer nieuwe scholen worden gestart op basis van een concept of een goed plan, los van de richting. Opheffingsnorm voor scholen en nevenvestigingen Het Rijk stelt een minimum aan het aantal leerlingen op een school. Dit heet de opheffingsnorm. Scholen met een leerlingenaantal dat 3 jaar op rij onder de opheffingsnorm valt, verliezen hun bekostiging. Dat betekent bijna altijd dat de school moet sluiten. Er is een absolute opheffingsnorm van 23 leerlingen. Daarnaast is er een gemeentelijke opheffingsnorm. Deze wordt bepaald door de verhouding basisgeneratie (4-12 jarigen) gedeeld door de oppervlakte van de gemeente. Zo wordt de leerlingdichtheid bepaald.

In dichtbevolkte gebieden kan voor een basisschool met ruim 200 leerlingen al onder de norm komen. Terwijl voor een school in een zeer dunbevolkte gemeente de minimale norm van 23 leerlingen geldt. In Borsele is de gemeentelijke instandhoudingsnorm 48 leerlingen voor de periode 2018 – 2023 (deze wordt om de vijf jaar bijgesteld). Twee scholen in Borsele zitten momenteel onder de gemeentelijke opheffingsnorm. Daarnaast zijn er twee scholen met nevenvestigingen die hieronder of zelfs onder de absolute opheffingsnorm zitten. De kleinere scholen hebben volgens de prognose ook over 5 jaar een laag aantal leerlingen. (Artikel 139, WPO). Alternatieven voor sluiting basisscholen

34

Huisvestingsvoorstel PO-Raad, VO-Raad en VNG, d.d. 13 april 2018.

16

Een schoolbestuur van een basisschool met te weinig leerlingen kan soms een beroep doen op een uitzonderingssituatie. De school hoeft dan niet te sluiten. Om daarvoor in aanmerking te komen, moet het schoolbestuur elk jaar voor 1 februari de opheffing van de school melden bij DUO. Het gaat hierbij om de volgende situaties: • Het gemiddeld aantal leerlingen van het schoolbestuur is hoger dan 10/6e maal de gewogen gemiddelde opheffingsnorm van de gemeente(n) in kwestie. Voorbeeld: is de opheffingsnorm 174 leerlingen, dan is de gemiddelde schoolgrootte 290 leerlingen. (artikel 157 WPO) • De school is de enige van de geloofsrichting binnen een straal van 5 kilometer. En heeft ten minste 50 leerlingen. • De school is de enige openbare basisschool binnen 10 kilometer over de weg gemeten. En heeft ten minste 23 leerlingen. Er zijn er nog andere mogelijkheden om een school of vestiging te houden: • Het is mogelijk om na een fusie de school die sluit, verder te laten gaan als nevenvestiging. Deze school krijgt dan wel minder geld. • Het schoolbestuur kan een overeenkomst voor samenwerking sluiten met 1 of meer besturen in een aangrenzend gebied. • Het bestuur kan de school overdragen aan een ander bestuur. Als het andere bestuur grotere scholen heeft, kan dat bestuur de school misschien openhouden vanwege bijzondere wetgeving (de gemiddelde schoolgrootte).

• De school kan de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) vragen toch open te mogen blijven. Dit geldt enkel voor basisscholen die in stand worden gehouden op basis van de gemiddelde schoolgrootte. En die onder het minimum van 23 leerlingen komen. De minister beoordeelt dan of de kwaliteit van de school in orde is. En of de school binnen afzienbare termijn boven de 23 leerlingen uit kan komen. De ligging van de school en scholen in de omgeving, kan invloed hebben op het besluit. Versoepeling fusietoets Sinds 1 augustus 2018 is de fusietoets in het funderend onderwijs versoepeld. Dit betekent dat er geen verplicht advies meer nodig is van de Commissie Fusietoets Onderwijs (CFTO) bij toetsplichtige fusies. Een fusietoets is niet verplicht bij een scholenfusie met in totaal minder dan 500 leerlingen, een besturenfusie van minder dan 10 scholen of een bij een fusie tot samenwerkingsschool. Wanneer een fusie wel toetsplichtig is, vindt een lichte toets plaats door DUO die kijkt of de fusie-effectrapportage compleet is en of er instemming is van de MR's. Kortom, bij fusies is sprake van een niet-toetsplichtige fusie of een fusie met een lichte toets. (Artikel 64, WPO).

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14974383/1