CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

11.3 4a 3 Toelichting wijzigingsverordening Wmo 2021

Besluitvormende raadsvergadering 8 juli 2021, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel om in te stemmen met het Wijzigingsbesluit verordering Maatschappelijke ondersteuning (portefeuille wethouder Van de Plasse)2.100 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Toelichting wijzigingsverordening maatschappelijke ondersteuning - m.i.v. 1 juli 2021 Overzicht wijzigingen t.o.v. de huidige toelichting op de verordening Huidige verordening/ “was”

Nieuwe verordening/ “wordt”

Artikel 4. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk en voorliggende (algemene) voorzieningen de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden.

Artikel 4. Onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren Stap 4 - kijk wat de discrepantie tussen noodzaak en de eigen mogelijkheden zijn Uit artikel 2.3.2, vierde lid, aanhef en onder b, c en f, van de wet in samenhang met het derde en vierde lid van artikel 2.3.5 van de wet vloeit voort dat het onderzoek er vervolgens op gericht moet zijn of en in hoeverre de eigen mogelijkheden, gebruikelijke hulp, mantelzorg, ondersteuning door andere personen uit het sociale netwerk, voorliggende voorzieningen of andere oplossingen, de nodige hulp en ondersteuning kunnen bieden. Waarop vanuit andere wetgeving aanspraak gemaakt kan worden.

Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening Vijfde lid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de wet (Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 3, p. 148) opgemerkt dat de maatwerkvoorziening nadrukkelijk een hekkensluiter is: “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat

Artikel 7. Criteria voor een maatwerkvoorziening Vijfde lid De maatwerkvoorziening is nadrukkelijk een hekkensluiter. “Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat om diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Als de cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de cliënt in een al aangepast huis zou zijn gaan

is ook niet het geval als de cliënt zijn behoefte aan maatschappelijke ondersteuning redelijkerwijs van tevoren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de cliënt in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen.” Deze passage in het bijzonder – maar gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Zoveel volgt ook uit de passages in de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever aan heeft willen sluiten bij de huidige rechtspraak op dit punt (zie in het bijzonder de nadere memorie van antwoord, Kamerstukken I 2013-14, 33841, nr. J, p. 18). Hieruit volgt verder dat met artikel 8, derde lid, nadrukkelijk geen (verkapte) inkomenstoets is – of kan worden – beoogd. Ook op grond van de wettekst en blijkens de parlementaire geschiedenis is hiervoor namelijk uitdrukkelijk geen ruimte gelaten (zie verder de nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 2013-14, 33 841, nr. 34, p. 24).

Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie[1] is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vijfde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Gelet op de noodzaak tot een individuele beoordeling is de weigeringsgrond als ‘kan-bepaling’ vormgegeven; het college van burgemeester en wethouders is daarmee altijd gegeven een inhoudelijke afweging te maken bij iedere individuele aanvraag.

wonen. Dit geldt ook indien de cliënt zelf een particuliere hulp opzegt, terwijl de (financiële) omstandigheden van de cliënt niet zijn veranderd. Indien de cliënt door het maken van bepaalde keuzes de omvang de in te zetten ondersteuning kan verminderen, wordt dit ook van de cliënt verwacht. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het inzetten van persoonlijke verzorging (Zvw) om de mantelzorger te ontlasten. Hierdoor kan bijvoorbeeld de inzet van de maatwerkvoorziening Begeleiding of Hulp bij het Huishouden worden verminderd dan wel voorkomen. Deze passage in het bijzonder – gelezen in samenhang met de verdere parlementaire geschiedenis – biedt een onderbouwing om het begrip ‘voorzienbaarheid’ in individuele gevallen een rol te laten spelen bij de afwijzing van een maatwerkvoorziening. Gelet op artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a, van de wet, de genoemde wetsgeschiedenis en de huidige jurisprudentie[1] is het van belang een expliciete grondslag te hebben voor afwijzing van een maatwerkvoorziening waarbij de ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Het vijfde lid voorziet in een dergelijke grondslag. Het college van burgemeester en wethouders dient altijd een individuele inhoudelijke afweging te maken bij iedere, ook met betrekking tot het criterium algemeen gebruikelijk.

(Is niet opgenomen in de huidige verordening)

Zevende lid Wanneer het college het primaat verhuizen oplegt, wordt van inwoners verwacht dat zij verhuizen naar een geschikte woning binnen het gebied van de vijf Bevelandse gemeenten tot een straal van 10 kilometer daaromheen.

(Is niet opgenomen in de huidige verordening)

Negende lid Van de inwoner wordt verwacht dat zij eerst zoveel mogelijk zelf zoekt naar oplossingen voor het probleem wat ervaren wordt. Dit kan door eigen oplossingen (evt. door diensten of hulpmiddelen in te kopen), gebruik te maken van algemene voorzieningen en/of met hulp vanuit het netwerk en de sociale omgeving. Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, kan er mogelijk een maatwerkvoorziening worden ingezet.

(Is niet opgenomen in de huidige verordening)

Tiende lid Aanvaardbaar niveau en reële behoefte of het leveren van een passende bijdrage zijn lastig om in zijn algemeenheid vast te leggen, het verschilt nogal per individu en per soort voorziening. Voor huishoudelijke hulp zijn er bekende urennormen, voor vervoer heb je de lokale 1.500 - 2.000 km, voor wonen het normale gebruik van de woning. Bij rolstoelen kijk je puur naar de medische noodzaak van de rolstoel zelf en de aanpassingen. Basisregel is ook altijd goedkoopst-adequaat. De CRvB heeft op 21 oktober 2020 (ECLI: NL: CRVB: 2020: 2644) een uitspraak gedaan over een aanvaardbaar participatieniveau. In deze zaak was een auto beschikbaar en werd een duo-fiets aangevraagd voor een destijds 13-jarige. “Zoals ter zitting van de zijde van betrokkene is toegelicht, wordt betrokkene over de korte afstanden vervoerd met de rolstoel met hulpmotor en wordt hij over de langere afstanden vervoerd met de auto. Op de plaats van bestemming kan betrokkene te voet een beperkte afstand overbruggen, zoals het lopend doen van boodschappen

in een supermarkt. Zowel in de onder 1.5 genoemde brief van 18 september 2018 als ook ter zitting bij de Raad is niet concreet gemaakt dat betrokkene de beoogde bestemmingen niet kan bereiken met de ter beschikking staande vervoermiddelen. Van een vervoersbehoefte waarin moet worden voorzien met een duofiets, is daarom niet gebleken. Alhoewel de Raad kan begrijpen dat fietsen met een duofiets een positief effect heeft op de gezondheid van betrokkene en betrokkene meer plezier brengt dan het vervoer per auto, maakt dat niet dat het college gehouden is betrokkene een duofiets te verstrekken. Dit betekent dat het college de aanvraag om een duofiets terecht heeft afgewezen”. Dit zijn situaties die regelmatig voorkomen, bijvoorbeeld aanvragen voor allerlei dure fietsen, die vaak weinig worden gebruikt, terwijl er alternatieve vervoermiddelen zijn. Heel begrijpelijk en wenselijk dat mensen die willen, maar echt nodig is het vaak niet. We gaan in de beoordeling uit van de vraag wat nu eigenlijk het probleem is, in plaats van de vraag wat iemand wil. Het uitgangspunt is niet dat men een scootmobiel of hulp bij het huishouden wil, het uitgangspunt is het probleem dat men heeft. Is dat wel een probleem, is het wel zelfredzaamheid of participatie, en zo ja, hoe kan het worden opgelost? Van burgers wordt verwacht dat zij keuzes maken en “zich zekere beperkingen getroosten”.

Als iemand een probleem heeft met participatie en men heeft als wens wekelijks te gaan zwemmen maar dit vergt naast de activiteit zelf ook begeleiding bij de voorbereiding en een uur nazorg, dan staat dit niet in verhouding tot de noodzakelijke maatschappelijke participatie. Er zijn in dat gevoel ook eenvoudiger te bereiken oplossingen om te participeren. Niet alle bij de inwoner levende wensen hoeven te worden gehonoreerd.

(Is niet opgenomen in de huidige verordening)

Elfde lid De inzet van een maatwerkvoorziening moet leiden tot concrete resultaten. Er worden doelen gesteld en deze doelen worden periodiek geëvalueerd. Ook hierin is de wens van de inwoner of diens naasten niet leidend. Je kunt bijvoorbeeld niet iedere dag uren oefenen met iemand die in energie beperkt is en moeite heeft met het opnemen van informatie. Het is zeer de vraag of dit oefenen ooit gaat leiden tot het verbeteren van de zelfredzaamheid van cliënt. De evaluatie van de ingezette ondersteuning en de gestelde doelen kan leiden tot aanpassing van de indicatie. Het kan leiden tot afschaling naar een lichtere vorm van ondersteuning of tot beëindiging van de voorziening, omdat ondersteuning niet meer nodig is, of op een andere manier kan worden georganiseerd.

(Is niet opgenomen in de huidige verordening)

Dertiende lid Onder dit lid wordt bepaald dat een voorziening niet wordt toegekend als niet meer is na te gaan of de voorziening noodzakelijk was en of wel sprake was van een goedkoopst adequate voorziening, bijvoorbeeld omdat de voorziening al door de inwoner aangeschaft is. Dit kan ook betekenen dat er geen noodzaak meer is voor het toekennen van een maatwerkvoorziening, omdat de inwoner zelf al een oplossing heeft getroffen voor het ervaren probleem.

(Is niet opgenomen in de huidige verordening)

Veertiende lid a. Uitgangspunt voor inzet van een maatwerkvoorziening vanuit de Wmo is dat het moet gaan om beperkingen van langdurige aard. Bij een ondersteuningsbehoefte voor korter dan 6 maanden wordt er van de inwoner verwacht dat zij hier zelf een oplossing voor treft, door bijvoorbeeld een beroep te doen op het eigen netwerk of wanneer dat niet mogelijk is te reserveren om tijdelijk particuliere hulp in te kunnen kopen.

b. Indien het inkomen hoger is dan 150% van de op de situatie van toepassing zijnde bijstandsnorm, komt de inwoner niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden. c. Indien het vermogen hoger is dan 150% van de voor de inwoner van toepassing zijnde vrij te laten vermogen norm, dan kan er geen aanspraak worden gemaakt op hulp bij het huishouden vanuit de Wmo. d. Zolang iemand op de wachtlijst staat kan er geen gebruik worden gemaakt van huishoudelijke ondersteuning vanuit de Wmo. e. Is of was de inwoner al gewend om voor eigen rekening particuliere hulp in te huren, dan is alleen het feit dat zich beperkingen voordoen geen reden om een beroep te doen op gemeentelijke ondersteuning. Wel moet worden meegewogen of door het ontstaan van de beperkingen mogelijkheden wegvallen, of dat de zelf ingekochte ondersteuning niet meer voldoende is, of de ingehuurde zorg niet meer wil of kan ondersteunen. Indien de inwoner zelf in de voorafgaande zes maanden de particuliere hulp heeft opgezegd, wordt er gesteld dat deze persoon zichzelf van een zelfredzame positie in een niet zelfredzame positie heeft geplaatst door deze particuliere hulp op te zeggen. (Er staat nog geen artikel Hardheidsclausule in de huidige verordening.) (Is niet opgenomen in de huidige verordening)

Artikel 24. Hardheidsclausule Als desondanks een persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10316968/1