10.3 Ontwerpbestemmingsplan Bijlagen
Tekst van het document
Verder zijn er voor de huidige onderzoekslocatie de onderstaande bodemrapporten beschikbaar.
Historisch onderzoek Prinses Irenestraat 1 Nieuwdorp, Mitec Milieu Advies, kenmerk: 07PDK035.60 d.d. 28 augustus 2007 Uit het historisch onderzoek blijkt dat er op de locatie een ondergrondse hbo-tank van ca. 6 000 L aanwezig is op de locatie. De tank was in 1991 aangemeld voor de Tankslag. De tank is op 10 juli 1991 door de firma Martens aan de binnenkant gereinigd en afgevuld met zand. Verkennend onderzoek Prinses Irenestraat 1 Nieuwdorp, Tritium Advies, kenmerk: 1008/048/DZ4 d.d. 23 november 2010 Naar aanleiding van het historisch onderzoek is de bodem rond de ondergrondse hbo-tank onderzocht op oliegerelateerde stoffen conform de NEN 5740. In de grond werd een zwakke bijmenging van puin en sporen kolenas gevonden. Er waren in de grond en het grondwater geen achtergrondwaarde- en streefwaarde-overschrijdingen voor oliegerelateerde stoffen. Historisch onderzoek Havenweg 10 Nieuwdorp, -, kenmerk: 9903/018 d.d. november 1999 Voor het oprichten van een benzine-service-station is in 1967 een Hinderwetvergunning verleend. Er is een ondergrondse benzinetank geplaatst met een elektrische benzinepomp. Tijdens een controle in 1986 werd geconstateerd dat de ondergrondse tank was gevuld met zand. De pomp en leidingen waren verwijderd.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
14
Op de tekening is te zien dat de tank, vulpunt, elektrische benzinepomp en de ontluchting aan de voorkant van de bebouwing tegen de straatkant waren gelegen. Bouwstoffenbesluit Havenweg 10 Nieuwdorp, SGS EcoCare B.V., kenmerk: EZ 858.415 d.d. 8 december 2000 De ondergrondse tank met vul- en ontluchtingspunt, de locatie van de voormalige brandstofpomp en de werkplaats zijn in 2000 onderzocht. Ter plaatse van het vulpunt is in de grond een sterke verontreiniging (>interventiewaarde) aan xylenen geconstateerd en een lichte verontreiniging (>streefwaarde) aan ethylbenzeen, naftaleen en minerale olie aangetoond. Het grondwater was niet onderzocht ter plaatse van het vul- en ontluchtingspunt. De grond bij de voormalige brandstofpomp had een lichte verontreiniging met vluchtige aromaten (xylenen en ethylbenzeen) en minerale olie. In het grondwater werd een sterke verontreiniging met xylenen en minerale olie geconstateerd en een lichte tot matige verontreiniging met ethylbenzeen, benzeen en naftaleen. In de grond bij de tank, het ontluchtingspunt en in de werkplaats zijn geen streefwaarde overschrijdingen aangetoond voor oliegerelateerde stoffen aangetoond. In het grondwater bij de tank en de werkplaats werden geen streefwaarde-overschrijdingen aangetoond voor oliegerelateerde stoffen. Nader onderzoek Havenweg 10 Nieuwdorp, Sagro Milieu Advies (SMA) Zeeland B.V., kenmerk: 850068 d.d.
3 november 2005 Volgend op het verkennend onderzoek is de verontreiniging met xylenen ter plaatse van het voormalige vulpunt en afleverpunt nader in kaart gebracht. Uit de resultaten bleek dat het geen geval van ernstige bodemverontreiniging betreft aangezien <25 m
3
3
grond en <100 m bodemvolume aan grondwater was verontreinigd. Aanbevolen werd om de eventuele verspreiding van het grondwater periodiek te monitoren. Voor zover bekend is dit niet uitgevoerd. Historisch bodemonderzoek Havenweg 6 Nieuwdorp, SMA Zeeland B.V., kenmerk: 2390185.M02 d.d. 8 juli 2010 In het kader van het landsdekkend beeld is op basis van een aantekening van de gemeente Borsele historisch bodemonderzoek uitgevoerd. De gemeente had de locatie aangemerkt als verdacht op basis van de aanwezigheid van een ondergrondse tank. Uit het historisch onderzoek blijkt dat in het verleden de Havenweg 6, 6a en 6b één geheel vormde. Er werden geen gegevens aangetroffen welke de vermoedelijke aanwezigheid van een ondergrondse brandstoftank aan de Havenweg 6 bevestigde. De bewoonster van nr. 6 wist destijds te melden dat voor zover bij haar bekend er geen ondergrondse tank was gelegen bij nr. 6 maar wel bij nr. 6a.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
15
Beschikking Havenweg 4 Nieuwdorp, Provincie Zeeland afdeling milieuhygiëne, kenmerk: 000637 d.d. 18 januari 2000 Zoals samengevat in het besluit is in 1999 is door Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium ZeeuwsVlaanderen een verkennend bodemonderzoek en nader onderzoek uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de bovengrond tot 0,5 m-mv sterk verontreinigd is met lood en licht verontreinigd met zink en PAK. Er was sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging waarvan de sanering moest worden uitgevoerd gezien de herinrichtingsplannen op het perceel. Op 19 november 1999 is door SMA Zeeland B.V. een saneringsplan ingediend. Gepland was om de verontreinigde bovengrond te verwijderd middels ontgraven. Op basis van de aangeleverde informatie is ingestemd met het saneringsplan en de daarbij behorende afspraken. Beschikking Havenweg 4 Nieuwdorp, Provincie Zeeland afdeling milieuhygiëne, kenmerk: 0006532 d.d. 4 juli 2000 In de brief staat dat naar aanleiding van de resultaten van het evaluatierapport blijkt dat de sanering voldoende is uitgevoerd met nog een matige restverontreiniging lood onder de nieuwbouw. Er is in totaal 275 ton verontreinigde grond afgevoerd. Verder werden met betrekking tot de huidige onderzoekslocatie en zijn directe omgeving geen relevante bodemdocumenten aangetroffen. 2.4.
Regionale bodemopbouw en geohydrologie Op basis van in de nabijheid van de onderzoekslocatie gelegen boringen en daarvan afgeleid kaartmateriaal, afkomstig van onder andere TNO en de voormalige RGD (bronhouder: DINOloket), is het in onderstaand figuur vereenvoudigde bodemmodel geformuleerd door SMA Zeeland B.V. De werkelijke bodemopbouw en grondwaterstand ter plaatse van de onderzoekslocatie kan hiervan afwijken.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
16
Figuur 2.1 Gemodelleerde bodemopbouw tot 5 m-mv 2.5. Interpretatie verwachte milieuhygiënische bodemkwaliteit In NEN 5725:2017 zijn per generieke aanleiding zoals benoemd in het begin van dit hoofdstuk, diverse te beantwoorden onderzoeksvragen geformuleerd. Na het verkrijgen van de gegevens beschreven in voorgaande paragrafen dienen in onderhavig onderzoek nog de volgende vragen te worden beantwoord om een onderzoekshypothese te vormen:
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
17
A. Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek. Wat is de afbakening van de onderzoekslocatie en is deze voldoende?
De horizontale begrenzingen van de onderzoekslocatie zijn weergegeven in Bijlage 2. Het grondonderzoek beperkt zich tot een maximale diepte van 2,0 m-mv. Het grondwateronderzoek beperkt zich tot een diepte van 1,5 m- de grondwaterstand die tijdens het veldwerk zal worden aangetroffen.
Is er sprake van potentiële bronnen van bodemverontreiniging, zowel vanuit het verleden als het heden? Zo ja, wat zijn de potentiële bronnen van bodemverontreiniging, waar liggen ze en wat zijn verdachte parameters?
De gebruiksperiode voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB) (jaren 40-70 met een hoogtepunt in de jaren 50, enkele tot eind jaren 90) komt overeen de gebruiksperiode als boomgaard. Mogelijk zijn in het verleden OCB gebruikt op de locatie of in de omgeving. Deze OCB zijn persistent en kunnen in de bovengrond worden aangetroffen. Door verstuiving/wind kunnen OCB tot tientallen meters rondom de toepassingslocatie aanwezig zijn. Er vindt zelden verspreiding naar de ondergrond en zeer zelden naar het grondwater plaats.
De onderzoekslocatie ligt op basis van de Bodemkwaliteitskaart op de grens van meerdere zones met verschillende milieuhygiënische bodemkwaliteiten. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen deze zoneringen want de overige beschikbare historische informatie geeft geen aanleiding deze arbitraire scheiding te handhaven. Vermoedelijk is sprake van een relatief diffuse, antropogene bodembelasting met heterogene verdeling op schaal van monstername als gevolg van het jarenlange gebruik van de locatie. Concrete puntbronnen zijn niet aan te wijzen. De risicostoffen betreffen de parameters uit het standaardpakket voor landbodem.
Aan de Havenweg 10 is in 2005 een verontreiniging met oliegerelateerde producten 3
3
geconstateerde. Deze verontreiniging was destijds <25 m in grond en <100 m in het grondwater en zodoende geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Risicoparameters aan de grens met dit perceel betreffen oliegerelateerde stoffen.
Aan de Havenweg 6a is mogelijk een ondergrondse tank aanwezig. De exacte locatie is niet bekend. De locatie is nog niet eerder onderzocht. Risicoparameters aan de grens met dit perceel betreffen oliegerelateerde stoffen.
De ondergrondse hbo-tank aan de Prinses Irenestraat 1 (basisschool) is reeds gesaneerd en onderzocht en zal zodoende niet als deellocatie worden meegenomen in het onderhavige onderzoek.
Is de bodem asbestverdacht?
De bodem is asbestverdacht vanwege een eerder aangetroffen puinbijmenging van onduidelijke herkomst. Dit duidt op ongecontroleerde bouw of sloop van (delen van) opstallen. Niet uitgesloten kan worden dat deze bijmengingen zijn ontstaan in de asbestverdachte periode tussen de jaren 30 van de vorige eeuw en 2005. Het is dus mogelijk dat er ook asbest in de bodem is geraakt.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
18
Wat is de bodemopbouw en is er binnen het onderzoeksgebied sprake van verschillende fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen? Zo ja, welke fysische kwaliteiten en/of bodemvreemde lagen zijn er en waar bevinden deze zich?
De bodemopbouw kan op voorhand niet met zekerheid worden bepaald. In Zeeland worden zand en klei doorgaans in afwisselende mate en opbouw in de deklaag gevonden, waarbij vanaf 1,5 mmv soms ook veenlagen worden aangetroffen. Dit is sterk afhankelijk van de precieze onderzoekslocatie en historische, natuurlijke en antropogene processen welke de huidige Zeeuwse Delta hebben gecreëerd. Vermoedelijk is er wel een verschil in milieuhygiënische kwaliteit tussen de boven- en ondergrond als gevolg van (vaak historische) antropogene activiteiten.
Is er sprake van beïnvloeding vanuit de omgeving op de bodemkwaliteit of de kwaliteit van het grondwater? Zo ja, welke beïnvloeding en waar?
Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn stoffen die al vele decennia worden gebruikt in vele processen en producten. Deze stoffen behoren tot de Zeer Zorgwekkende (ZZS) en de Potentieel Zeer Zorgwekkende Stoffen (PZZS). Deze stoffen worden niet enkel lokaal bij puntbronnen (b.v. teflonproducende en -verwerkende bedrijven, galvanisatiebedrijven) aangetroffen, maar zijn inmiddels ook als diffuse verontreiniging in bodem, grondwater en oppervlaktewater aangetroffen. Voor deze stoffen is een tijdelijk handelingskader opgesteld en op 8 juli 2019 gepubliceerd en op 2 juli 2020 geactualiseerd. Er is nog geen definitieve normstelling voor deze stoffen en er is nog relatief weinig bekend over de lokale verspreiding en gehalten in de bodem. Daarom dient bij toepassing van grond uitgegaan te worden van het voorzorgbeginsel. De locatie is vanwege de ligging tussen bekende PFAS-verwerkende industrieën in de regio’s Antwerpen, Terneuzen, Bath en Dordrecht, verdacht op het voorkomen van PFAS. Aangenomen wordt dat deze stoffen hoofdzakelijk voorkomen in de onverharde toplagen van het maaiveld (vanwege depositie) en rond de grondwaterstand (vanwege de redelijke wateroplosbaarheid van deze oppervlakteactieve stoffen). Omdat de komende maanden nieuw PFAS-beleid wordt verwacht en de locatie geen risicopunt voor PFAS betreft, wordt op dit moment geen bodemonderzoek uitgevoerd naar PFAS.
Verder is GenX als optioneel opgenomen in de advieslijst van Bodem+ d.d. 12 juli 2019 met te analyseren PFAS-verbindingen. Uit recente (april-mei 2020) contacten met diverse Zeeuwse gemeenten is gebleken dat zij medio 2020 op basis van regiobreed onderzoek voornemens zijn het grootste deel van de provincie (uitgezonderd diverse bekende puntbronnen/specifieke risicogebieden) als GenX onverdacht te benoemen. De huidige locatie valt voor zover nu bij ons bekend buiten deze aandachtsgebieden.
Als gevolg van natuurlijke bodemprocessen worden arseen, barium, chroom en molybdeen in Zeeland regelmatig in van nature verhoogde concentraties aangetroffen in het freatische grondwater. In de grond zijn dan niet altijd verhoogde gehalten aantoonbaar en concentraties kunnen fluctueren. Voor barium en chroom geldt dat de natuurlijke achtergrondconcentraties in brak grondwater doorgaans wat hoger zijn dan in zoet grondwater (RIVM briefrapport 20170125).
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
19
Is er een vermoeden dat op basis van beschikbare voorinformatie werkzaamheden plaatsvinden binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging? Licht het antwoord toe.
Niet op de huidige onderzoekslocatie. Wel is een geval bekend ten noorden van de huidige onderzoekslocatie aan de Havenweg 4 welke in 2000 is gesaneerd middels afgraving. Er is restverontreiniging achtergebleven onder de nieuwbouw op het perceel.
Is de bodem sterk verontreinigd (boven interventiewaarde)? Motiveer het antwoord.
Voor
zover
bekend
niet.
Er
werden
geen
achtergrondwaarde-overschrijdingen
voor
oliegerelateerde stoffen stoffen in het onderzoek bij de ondergrondse tank aan de Prinses Irenestrata 1. Er is verder geen bodemonderzoek uitgevoerd op de onderzoekslocatie. Is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem afdoende bekend of is bodemonderzoek noodzakelijk? Motiveer het antwoord.
Veld- en analytisch onderzoek is noodzakelijk. De beschikbare gegevens geven te weinig concrete informatie over de huidige milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (bovengrond, ondergrond en grondwater) op de locatie.
Welke hypothese en strategie zijn van toepassing bij de uitvoering van bodemonderzoek (inclusief de indeling van de onderzoekslocatie in deellocaties met verschillende hypotheses over de aard en verdeling van de verontreinigende stoffen)?
Zie § 2.6.
2.6. Hypothese en onderzoeksstrategie Op basis van het vooronderzoek zijn de volgende (gestandaardiseerde) onderzoekshypotheses geformuleerd waarbij in voorkomende gevallen onderscheid is gemaakt tussen separaat te onderzoeken deellocaties. Er wordt tevens onderscheid gemaakt tussen de verwachte bodemverontreinigingssituatie met betrekking tot chemische parameters en de verwachte verontreinigingssituatie met betrekking tot asbest. Tabel 2.2. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar chemische parameters Bodemcompartiment /
Hypothese (NEN 5725)
Analyseparameters
traject
Strategie (NEN 5740)
Gehele locatie Bovengrond
verdachte locatie, diffuse
standaard parameters voor
bodembelasting en heterogene
landbodem (pakket A) aangevuld
verdeling op schaal van
met OCB
VED-HE-NL
monsterneming Ondergrond
23200141
onverdachte, kleinschalige locatie
pakket A
ONV-NL
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
20
Bodemcompartiment /
Hypothese (NEN 5725)
Analyseparameters
traject
Strategie (NEN 5740)
Grondwater
onverdachte, kleinschalige locatie
standaard parameters voor
met mogelijk van nature verhoogde
grondwater (pakket B), As, Cr
ONV-NL
concentraties arseen, chroom, barium en/of molybdeen Grens met Havenweg Grond
verdachte locatie, diffuse
minerale olie
Maatwerk*
minerale olie en BTEXSN
Maatwerk*
PAK10
Maatwerk**
bodembelasting en heterogene verdeling op schaal van monsterneming Grondwater
verdachte locatie, diffuse bodembelasting en heterogene verdeling op schaal van monsterneming
Grondverontreiniging met PAK10 ten noorden van kerk Grond
verdachte locatie, diffuse bodembelasting en heterogene verdeling op schaal van monsterneming
Pakket A:
standaardpakket onderzoek landbodem: barium, cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink, kwik, molybdeen, PCB 7, PAK10 (VROM), minerale olie (GC), percentages lutum en organische stof;
Pakket B:
standaardpakket grondwater: barium, cadmium, kobalt, koper, lood, nikkel, zink, kwik, molybdeen, vluchtige aromaten (BTEXSN), vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOCl), minerale olie;
OCB:
organochloorbestrijdingsmiddelen;
BTEXSN:
benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen, styreen, naftaleen;
As, Cr:
arseen, chroom;
*:
maatwerk middels het plaatsen van 4 boringen tot 2,0 m-mv en een peilbuis nabij bekende
**:
in het verkennend deel van het onderzoek werd een gehalte PAK10 boven de interventiewaarde
olieverontreinigingen;
aangetoond. Naar aanleiding hiervan wordt een afperkend onderzoek uitgevoerd om de ernst en omvang van de verontreiniging te bepalen. Dit wordt uitgevoerd op basis van maatwerk middels conventionele methoden ter afperking van een immobiele verontreiniging (kwaliteitsborging veldwerk onder BRL 2000, analytisch onderzoek onder AS 3000) en inzichten. Ter plaatse van en rondom de grondverontreiniging worden diverse boringen verricht. Grondmonsters van de meest verdachte of aangrenzende lagen worden geanalyseerd op de risicoparameters. PAK zijn zeer slecht wateroplosbaar –naftaleen is hier niet relevant- en daarmee geen risico voor het grondwater.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
21
Tabel 2.3. Hypothese en bijbehorende strategie voor vervolgonderzoek naar asbest Bodemcompartiment /
Hypothese (NEN 5725)
traject
Strategie* (NEN 5707 cq. 5897)
Gehele locatie Bovengrond
verdachte bovengrond, diffuse bodembelasting en heterogene
VED-HE
verdeling op schaal van monsterneming Ondergrond
onverdachte, kleinschalige locatie
geen
*op basis van NEN 5707 is er in geval van een voor bodemverontreiniging met asbest onverdachte locatie geen verplichting tot vervolgonderzoek in de vorm van veld- en analytisch onderzoek, tenzij op basis van voortschrijdend inzicht de hypothese van een asbest-onverdachte locatie dient te worden gewijzigd. Ook een vervolgonderzoek naar asbest in niet-vormgegeven bouwstoffen volgens NEN 5897 in de vorm van veld- en analytisch onderzoek is niet van toepassing in geval van (op basis van NEN 5725) asbest-onverdachte, nietvormgegeven bouwstoffen.
Een beschrijving van de veldwerkzaamheden en de resultaten daarvan, volgt in hoofdstuk 3.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
22
3. Veldwerk In dit hoofdstuk worden de uitvoering en de resultaten van het veldwerk besproken. 3.1. bodemonderzoek naar chemische parameters Het veldwerk is op 22 september 2020 uitgevoerd door de erkende veldwerker R.P. Kole (Sialtech BV) conform de in paragraaf 2.6 vermelde onderzoeksstrategie. Op 8 oktober 2020 voerde R.P. Kole een tweede veldwerkronde met afperkende boringen uit. Er zijn in totaal 25 boringen geplaatst, zoals hieronder weergegeven: Gehele locatie Boringen 106 t/m 120
12 boringen tot ca. 0,5 m-mv;
2 boringen tot ca. 2,0 m-mv;
1 boring tot in het freatische grondwater afgewerkt met peilbuis.
Grens met Havenweg Boringen 101 t/m 105
4 boringen tot ca. 2,0 m-mv;
1 boring tot in het freatische grondwater afgewerkt met peilbuis.
Grondverontreiniging met PAK10 ten noorden van kerk Boringen 121 t/m 125
5 boringen tot ca. 1,5 m-mv.
De boorlocaties zijn weergegeven in de situatietekening in Bijlage 2. Van het opgeboorde bodemmateriaal is per halve meter en/of per (zintuiglijk afwijkende) bodemlaag een monster genomen. Voor gedetailleerde informatie met betrekking tot de bodemopbouw en de eventuele aanwezigheid van bodemvreemde bijmengingen wordt verwezen naar de veldwerkgegevens in Bijlage 3. De algemene bevindingen zijn: De bestratingen zijn gefundeerd op ca. 0,25 m zand. Hieronder is veelal een kleilaag aanwezig met een dikte van maximaal 1 m. Hierin worden diverse soorten en hoeveelheden bodemvreemde bijmengingen aangetroffen, zoals ballast, baksteen, puin, grind, beton, leisteen*, plastic afval, stenen, en kolengruis. Het betreft de oorspronkelijke bovengrond. Daaronder wordt de maximale boordiepte van 3,4 m-mv zintuiglijk schone grond aangetroffen. De grondwaterstand is tijdens het veldwerk bepaald op ongeveer 1,5 à 1,7 m-mv. *in het veld beoordeeld als natuursteen en niet-asbestverdacht. Vermoedelijk afkomstig van het leisteen dak dat in onze asbestinventarisatie 23203008 door een onafhankelijke DIA ook als niet-asbestverdacht werd aangemerkt.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
23
Het grondwater is bemonsterd op 29 september 2020 door de hiertoe erkende veldwerker M. Kwast (SMA Zeeland BV). Tijdens de bemonstering van het grondwater zijn geen afwijkingen geconstateerd. De bepalingen van de grondwaterstijghoogte, zuurgraad (pH), de elektrische geleidbaarheid (EC) en de troebelheid van het grondwater (zie Bijlage 4C) geven geen aanleiding de analysestrategie te wijzigen. 3.2. Verkennend onderzoek naar asbest Het veldwerk is op 22 september 2020 uitgevoerd door de hiertoe erkende veldmedewerker R.P. Kole (Sialtech BV) conform de in paragraaf 2.6 vermelde onderzoeksstrategie. De volgende werkzaamheden hebben plaatsgevonden: Visuele inspectie van het maaiveld Hierbij is het maaiveld van het gehele onderzoeksterrein, zowel in de lengte als daarna nogmaals in de breedte, per strook van 1,5 m breedte afgelopen en visueel onderzocht op de aanwezigheid van asbestverdachte materialen. Deze zijn niet aangetroffen. Vanwege verharding en begroeiing was een volledige en efficiënte inspectie van het maaiveld volgens SIKB protocol 2018 niet mogelijk. Wanneer geen efficiënte visuele inspectie van het maaiveld kan worden uitgevoerd, kan geen verdere opdeling worden gemaakt in verdachte en onverdachte deellocaties en moet conform NEN 5707 de gehele locatie als asbestverdacht worden beschouwd.
Visuele inspectie ontgraven en opgeboorde materiaal Ruimtelijk verdeeld over het onderzoeksterrein zijn in totaal 15 proefgaten gegraven van 0,3 x 0,3 m danwel ø 0,35 m zoals hieronder weergegeven. De locaties van de proefgaten zijn zoveel mogelijk gecombineerd met de locaties van bovengenoemde boringen van het bodemonderzoek naar chemische parameters: Gehele locatie Proefgaten PG106 t/m PG120
12 proefgaten tot de onderzijde van de verdachte laag met een maximum van 0,5 m-mv; aanvullend zijn 3 proefgaten (107, 122 en 116), vanaf 0,5 m-mv doorgezet met boring ø12 cm tot de onderzijde van de verdachte laag, met een maximum van ca. 2,0 m-mv.
Het uitgegraven materiaal uit de proefgaten is gezeefd (maaswijdte 20 mm) danwel uitgespreid in lagen van maximaal 2 cm en visueel geïnspecteerd op het voorkomen van grove asbestverdachte materialen (stukken groter dan 20 mm). In het opgegraven materiaal werd geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De lagen uit de boring (ø12 cm) zijn eveneens gezeefd of uitgespreid in lagen van maximaal 2 cm en visueel geïnspecteerd op asbestverdachte materialen. In het opgeboorde materiaal werd geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.
23200141
Sagro Milieu Advies Zeeland B.V.
Eindrapport verkennend en afperkend bodemonderzoek Prinses Irenestraat 1 e.o. te Nieuwdorp
24