10.1 Gemeenschappelijke Regeling Publiek Vervoer Zeeland inclusief toelichting - concept voo
Tekst van het document
1.4. Bestuur De GR Publiek Vervoer Zeeland kent drie bestuursorganen: 1) een Algemeen Bestuur, 2) een Dagelijks Bestuur en 3) een Voorzitter. Hieronder volgt meer uitleg over deze drie bestuursorganen en hun werking. 1.4.1. Algemeen Bestuur Het Algemeen Bestuur is een collegiaal bestuur bestaande uit veertien leden. Ieder deelnemend college mag uit zijn midden een lid aanwijzen, met de mogelijkheid van plaatsvervanging. Het Algemeen Bestuur wijst de leden van het Dagelijks Bestuur aan. Het Algemeen Bestuur moet ook een plaatsvervangend Voorzitter aanwijzen. Het ligt voor de hand dat het Algemeen Bestuur hiervoor een van de andere aan te wijzen leden van het Dagelijks Bestuur aanwijst. Het Algemeen Bestuur is belast met het stellen van de algemene kaders voor de uitvoering en het vaststellen van de begroting en jaarrekening. Het Algemeen Bestuur kent een gewogen stemverhouding, dat wil zeggen naar rato van het inwonertal van de deelnemende gemeente. Voor de provincie Zeeland is een vast aantal stemmen vastgesteld in artikel 9. In artikel 9
30
worden de gemeenten in twee categorieën ingedeeld, te weten A en B. De stemgewichten zijn per categorie ingedeeld. Iedere gemeente met minder dan 35.000 inwoners heeft 2 stemmen. Gemeenten B met een inwonersaantal van 35.000 of meer hebben ieder 4 stemmen in het Algemeen Bestuur. Een concreet voorbeeld. Een gemeente valt bij het begin van de regeling in categorie A, met 34.215 inwoners. Door het bijbouwen van een wijk krijgt deze gemeente 37.481 inwoners. Dat betekent dat deze gemeente, op het moment dat de stemverhoudingen worden aangepast (eens in de vier jaar), in de categorie B valt en dus 4 stemmen in het Algemeen Bestuur krijgt. Daarmee is de stemverhouding toekomstbestendig. Besluitvorming en stemming in het Algemeen Bestuur geschiedt bij meerderheid van stemmen, tenzij voor een bijzonder onderwerp daarvoor in de GR een uitzondering is gemaakt. Beraadslaging in het Algemeen Bestuur gebeurt in het openbaar. Artikel 22 lid 3 tot en met 5 Wgr regelen deze openbaarheid en de mogelijkheid om deuren te sluiten als een vijfde van de aanwezige leden daarom verzoekt of de Voorzitter dat beslist. Als dat het geval is, beslist het Algemeen Bestuur of achter gesloten deuren wordt vergaderd. Zie ook artikel 8, vierde lid, van de regeling.
Op grond van artikel 23 Wgr kan in een besloten vergadering van het Algemeen Bestuur geheimhouding worden opgelegd ten aanzien van het in die vergadering besprokene. Dit artikel bevat ook bepalingen voor het weer opheffen van die geheimhouding. Is deze geheimhouding niet opgeheven, dan zijn de leden van het Algemeen Bestuur daaraan ook gehouden bij het afleggen van verantwoording aan hun colleges van burgemeester en wethouders, raden en Staten. 1.4.2. Dagelijks Bestuur Het Dagelijks Bestuur voert het dagelijks bestuur over de gemeenschappelijke regeling. Ook het Dagelijks Bestuur is een collegiaal bestuur. Het Dagelijks Bestuur bestaat uit vier leden, inbegrepen de Voorzitter. In de regeling staat een dwingende samenstelling van het Dagelijks Bestuur. Hiervoor is gekozen om alle deelnemers dichtbij vertegenwoordigd te kunnen laten zijn. Gekozen is voor samenstelling van het Dagelijks Bestuur te laten bestaan uit één bestuurslid vanuit de provincie Zeeland, één bestuurslid uit Zeeuws-Vlaanderen, één bestuurslid uit de Oosterschelderegio (dus uit de gemeenten Borsele, Goes, Kapelle, Noord-Beveland, Reimerswaal, Tholen en Schouwen-Duiveland) en tot slot één lid uit de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen. In artikel 11 staat dat het Dagelijks Bestuur nooit de meerderheid mag uitmaken in het Algemeen Bestuur. Dit staat ook in de Wgr in artikel 14, derde lid.
In dit geval wordt niet alleen getalsmatig (dus minder dan de helft van het aantal AB-leden) bedoeld. Ook moet het Dagelijks Bestuur een minderheid qua stemmen hebben in het Algemeen Bestuur. Daarbij wordt uitgegaan van een voltallig aanwezig Algemeen Bestuur. In het Dagelijks Bestuur wordt gestreefd naar besluitvorming bij consensus. Het streven naar consensus moet bijdragen aan het goed afwegen van belangen en zoeken naar gezamenlijk gedragen besluiten. Het verplichten van consensus werkt als het geven van vetorechten aan ieder lid van het Dagelijks Bestuur. Dat is niet wenselijk en komt de wijze van besluiten in potentie niet ten goede. Daarom wordt gestreefd naar consensus maar besluit het Dagelijks Bestuur bij gewone meerderheid. Ieder lid van het Dagelijks Bestuur heeft één stem. Dit betekent dat wanneer alle leden van het Dagelijks Bestuur deelnemen aan de vergadering tenminste drie leden moeten instemmen om hieraan te voldoen. 31
1.4.3. Voorzitter Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden zijn Voorzitter aan. De Voorzitter van het Algemeen Bestuur is automatisch (op grond van bepalingen in de Wgr) Voorzitter van het Dagelijks Bestuur. In de eerste zes jaren na inwerkingtreding van de regeling wordt een van de Algemeen Bestuur leden uit Zeeuws-Vlaanderen aangewezen als voorzitter. De GR Publiek Vervoer Zeeland komt voort uit de GR CVV. Na verloop van deze zes jaren rouleert iedere vier jaar het voorzitterschap tussen de provincie Zeeland en de deelnemende gemeenten. Het Algemeen Bestuur is verplicht om een plaatsvervangend voorzitter te kiezen. Deze plaatsvervangend voorzitter moet ook lid zijn van het Dagelijks Bestuur.
1.5. Ambtenaren De regeling geeft de mogelijkheid om te werken met eigen personeel. In de regeling is de bevoegdheid, in lijn met de Wet, neergelegd bij het Dagelijks Bestuur om personeel aan te nemen, te schorsen en te ontslaan. De GR Publiek Vervoer Zeeland start alleen met een secretaris.
1.6. Financiële afspraken komende jaren Voor de eerste vier jaren – met een evaluatie na drie jaren – worden de budgetten van het doelgroepenvervoer en het openbaar vervoer gefixeerd. Dit geldt vanaf 1 januari 2026. Met het fixeren wordt voor een periode van vier jaren zekerheid over de hoogte van het budget en de kosten gegeven. Fixeren betekent dat de kosten voor het doelgroepenvervoer voor een langere tijd worden vastgezet. Dat betekent dat de kosten van het doelgroepenvervoer niet stijgen maar ook dat deze niet dalen gedurende de looptijd. Na afloop van de periode van fixatie worden de afspraken in samenspraak herijkt. Tussentijds vindt er na 3 jaar een evaluatie plaats. De enige uitzondering hierop zijn de kosten van vraagafhankelijk jeugdzorgvervoer, omdat de kosten van dit vervoer door de jaren heen sterk schommelen. Hiervoor is er elk jaar een evaluatie. Het fixeren van budgetten is gedaan om ruimte te bieden om samen met de gemeenten en de provincies te komen tot een optimaal vervoerssysteem voor de reizigers in Zeeland. Zonder allerlei moeilijke vraagstukken over kostenverrekening. Op deze manier kan stap voor stap gewerkt worden aan het inregelen van het publiek vervoer met telkens de reiziger centraal zoals dat ook in de Regionale Mobiliteitsstrategie bedoeld is.
Er wordt daarmee ruimte gegeven om voorstellen te doen om beleidskeuzes te maken (of voor te bereiden) die passend zijn voor de specifieke omgeving: ruimte voor initiatieven, ruimte voor projecten en experimenten. Dat is nodig omdat een dergelijk publiek vervoerssysteem nog nergens in Nederland bestaat. En omdat elke situatie toch weer net iets anders zal vragen. Zo kan binnen een flexibel systeem maatwerk voor een regio, gemeente of gebied worden ontwikkeld. Dat betekent dat de reiziger altijd voorop staat. Hiermee krijgen we ook ruimte om beleidsvoorstellen uit te denken, uit te proberen en mogelijk aan te passen. De verwachting is namelijk niet dat op basis van een blauwdruk het gehele
32
vervoersysteem in een keer kan worden ingeregeld. Dat vraagt focus en aandacht om stap voor stap te komen tot het optimaal inregelen. Dat vraagt ook om voor een langere periode duidelijkheid over de financiering te hebben zodat daarmee ook de operationele ruimte blijft bestaan. De verwachting is dat met het optimaal inrichten van het publiek vervoer geld bespaard kan worden. Maar in eerste instantie staat de leefbaarheid in Zeeland voorop. Dat kan worden verbeterd door bijvoorbeeld meer op- en uitstap plaatsen te maken of de spelregels (bijvoorbeeld de tijden) aan te passen. Indien taken worden uitgebreid dan is dit een besluit van het Algemeen Bestuur en worden deze voor 30% toebedeeld aan gemeenten en 70% aan provincie.
33
2. Artikelsgewijze toelichting Artikel 1 Hierin staan enkele definities van meerdere keren gebruikte begrippen. Artikel 2 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. De uitvoering vindt plaats binnen de Mobiliteitscentrale Zeeland b.v. Artikel 3 Artikel 10 Wgr schrijft voor dat een regeling het belang of de belangen waarvoor zij is aangegaan vermeldt. Onder ´belang´ wordt verstaan het beleidsterrein, of de beleidsterreinen waarop wordt samengewerkt. Met het vastleggen van de belangen wordt het werkterrein van de gemeenschappelijke regeling Publiek vervoer Zeeland afgebakend. Artikel 4 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. De bevoegdheden van de GR Publiek vervoer Zeeland zijn onder meer de activiteiten die worden ontplooid in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en de Wet personenvervoer 2000. Het vervoer van leerlingen vindt wettelijke basis in de Wmo, Wet op het primair onderwijs en de Wet voortgezet onderwijs. Artikel 5 Dit artikel geeft weer aan welke voorwaarden moet worden voldaan als een deelnemer de GR Publiek Vervoer Zeeland vraagt om een aanvullende taak uit te voeren. Doel van dit artikel en het daarin beschreven proces is dat andere deelnemers en de primaire taakuitvoering geen hinder ondervinden van een aanvullende taak.
Verder staat in artikel 5 dat de GR Publiek vervoer Zeeland ook voor niet deelnemers taken mag verrichten en onder welke voorwaarden dat kan. Bij aangaan van de regeling is in ieder geval voor de gemeente Goeree Overflakkee sprake van het uitvoeren van een aanvullende taak voor een niet/deelnemer. Artikel 6 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. Artikel 7 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. Artikel 8 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. Artikel 9 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. Bij het begin van de regeling zijn de inwonersaantallen en de stemverhoudingen als volgt:
34
Gemeenten Borsele Goes Hulst Kapelle Middelburg Noord-Beveland Reimerswaal Schouwen-Duiveland Sluis Terneuzen Tholen Veere Vlissingen Provincie Zeeland TOTAAL Gewone meerderheid 2/3 meerderheid
Stemverhouding naar inwoners Aantal inwoners met staffel 23.164 2 39.432 4 27.586 2 13.029 2 49.919 4 7.881 2 23.265 2 34.521 2 23.244 2 54.990 4 26.793 2 22.071 2 45.182 4 391.077 14 782.154 48 25 33
Dit zijn de inwoneraantallen per 1 januari 2023. De inwoneraantallen per 1 januari 2025 hebben geen invloed op de stemverhouding. Artikel 10 Dit artikel geeft duiding aan de informatieplicht van het Algemeen Bestuur en zijn leden afzonderlijk. Aangezien de GR Publiek Vervoer datagedreven gaat werken en daarvoor ook veel bedrijfsgevoelige data zal verwerken, zal aan de voorkant worden aangegeven of informatie openbaar kan worden verstrekt of onder een plicht van geheimhouding. Artikel 11 Eerste lid. De samenstelling van het Dagelijks Bestuur borgt een verdeling tussen de deelnemers, waarbij één lid voortkomt uit Gedeputeerde Staten, één lid uit Zeeuws-Vlaanderen (ook de eerste jaren voorzitter), één lid komt voort uit de Oosterschelderegio en één lid komt voort uit de gemeenten Middelburg, Veere en Vlissingen. Tweede lid. In de wet is bepaald dat het Dagelijks Bestuur nimmer de meerderheid mag vormen in het Algemeen Bestuur. Wanneer dit wel het geval zou zijn, boet het Algemeen Bestuur sterk in op zijn toezichthoudende rol. Wanneer in de GR Publiek Vervoer Zeeland een Dagelijks Bestuur wordt gekozen moet rekening worden gehouden dat bij aanvang niet alleen B gemeenten en de provincie Zeeland in het Dagelijks Bestuur worden gekozen. Het aantal stemmen dat het Dagelijks Bestuur vertegenwoordigt moet 24 of minder zijn.
Dit betekent, met de vertegenwoordiger van de provincie Zeeland die 14 stemmen vertegenwoordigt in het Algemeen Bestuur, dat de drie overblijvende leden samen maximaal 10 stemmen kunnen vertegenwoordigen.
Artikel 12 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
35
Artikel 13 Tweede lid. Met het vastleggen van een minimaal aantal vergaderingen van vier per kalenderjaar is richting gegeven aan de minimale frequentie. Hieraan wordt al voldaan als de Planning Control cyclus ontwerpbegroting, weging zienswijze, jaarrekening en rapportages worden geagendeerd. Vijfde lid. Hiermee wordt richting gegeven aan de actieve informatieplicht van het Dagelijks Bestuur. Artikel 14 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting. Artikel 15 Dit artikel beschrijft dat het Dagelijks Bestuur verantwoording aflegt aan het Algemeen Bestuur. Het is niet gebruikelijk dat het Dagelijks Bestuur zijn toezichthouder passeert in het afleggen van verantwoording aan de gemeenteraden en/of Provinciale Staten. Dit geschiedt uit de rol van Algemeen Bestuurslid. Artikel 16 en 17 Het Algemeen Bestuur wijst uit zijn midden zijn Voorzitter aan; de Voorzitter van het Algemeen Bestuur is automatisch (op grond van artikel 12 en artikel 13, negende lid Wgr) Voorzitter van het Dagelijks Bestuur. In de eerste zes jaren na inwerkingtreding van de regeling wordt een van de Algemeen Bestuur leden uit Zeeuws-Vlaanderen aangewezen als Voorzitter. De GR Publiek Vervoer Zeeland komt voort uit de GR Collectief Vervoer Zeeuws-Vlaanderen. Na verloop van deze zes jaren rouleert iedere vier jaar het voorzitterschap tussen de provincie Zeeland en de deelnemende gemeenten.
Het Algemeen Bestuur kiest een plaatsvervangend Voorzitter. De plaatsvervangend voorzitter moet lid zijn van het Dagelijks Bestuur. De Voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte. De Voorzitter kan de vertegenwoordiging opdragen aan een door hem aan te wijzen persoon. Artikel 18 Dit artikel is toegelicht in het algemene deel van deze toelichting.
Artikel 19 In artikel 19 zijn de twee vormen van commissies die mogelijk zijn in een openbaar lichaam weergegeven. Hierin zijn zowel de commissies ingevolge artikel 24 Wgr (commissies van advies) en artikel 25 (bestuurscommissie met bevoegdheden) beschreven. Er is nog een derde mogelijkheid: de gezamenlijke raadsadviescommissie (artikel 24a Wgr). De wet regelt dit verder. Artikel 20 Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
36
Artikel 21 Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Artikel 22 Artikel 22 geeft het proces weer waarmee de begroting voor de GR Publiek Vervoer Zeeland tot stand komt. Dit proces is geheel in lijn met artikel 59 Wgr. In het eerste lid van dit artikel staat dat de begroting van de GR Publiek Vervoer Zeeland kan bestaan uit programma’s. De begroting van de Mobiliteitscentrale b.v., waar de GR enig aandeelhouder van is, komt terug in de programma’s. Bij aanvang zijn dat de programma’s flex en organisatie (Publiek Vervoer). In het vierde lid staat dat het Dagelijks Bestuur over de begroting met consensus moet besluiten de ontwerpbegroting. Deze verzwaring is in de regeling vastgelegd om het belang van alle deelnemers in de regeling zo goed mogelijk te borgen. Het Dagelijks Bestuur bestaat uit vier leden vanuit verschillende deelgebieden in Zeeland, een afspiegeling van de grootte van de gemeenten en de provincie. De weging van de zienswijzen die de gemeenteraden en Provinciale Staten naar het Dagelijks Bestuur sturen in reactie op de ontwerpbegroting wordt met consensus vastgesteld. Daarna stuurt het Dagelijks Bestuur deze naar de gemeenteraden, Provinciale Staten en het Algemeen Bestuur.
Artikel 23 Een wijziging van de begroting kan ook inhouden een verschuiving tussen posten zonder dat de deelnemersbijdrage (en dus het budgetrecht van de gemeenteraden of Provinciale Staten) wordt geraakt. Voor een wijziging van de begroting is een zienswijzeprocedure dan niet noodzakelijk. Voor een verschuiving tussen de verschillende programma´s geldt deze mogelijkheid niet. Een verschuiving tussen programma´s vergt het doorlopen van de zienswijzeprocedure. De GR Publiek Vervoer streeft naar een zo klein mogelijk aantal begrotingswijzigingen per jaar. Daar waar het om een begrotingswijziging met zienswijzeprocedure gaat, wordt gestreefd naar het aanbieden van begrotingswijzigingen naar aanleiding van tussentijdse rapportages.
Artikel 24 Het aanbieden van de ontwerpjaarrekening wordt gelijktijdig gedaan met het aanbieden van de ontwerpbegroting. Door gelijktijdig aanbieden zijn de gemeenteraden en Provinciale Staten in staat om zowel terug te kijken als vooruit te kijken. Artikel 25 In de bijdrageregeling worden nadere afspraken over de begroting van de GR Publiek vervoer gemaakt, alsmede over de verdeling van de gemeenschappelijke kosten over de deelnemers. Artikel 26 en 27 Deze artikelen behoeven geen nadere toelichting.
37
Artikelen 28 tot en met 33 Een voor onbepaalde tijd getroffen gemeenschappelijke regeling moet bepalingen bevatten over wijziging, opheffing, toetreding en uittreding (artikel 9 Wgr). In de wijziging van de wet ingaand per 2022 staat dat de bepalingen over uittreden meer omvattend en verplichtend worden. De artikelen 28 tot en met 32 van deze regeling geven het proces dat moet worden doorlopen wanneer één of meerdere deelnemers geheel uit de regeling wensen te treden. Met deze artikelen wordt niet alleen een gedegen proces vastgelegd. Ook wordt ervoor gezorgd dat een latende partij (de GR Publiek Vervoer Zeeland) zo min mogelijk negatieve effecten ervaart (bijvoorbeeld financieel nadeel) van een uittreden. Als de GR Publiek Vervoer wel een financieel nadeel zou ondervinden, dan kan dit resulteren in een hogere bijdrage van de resterende deelnemers. De opgenomen procedure voorziet niet in een boeteclausule voor een vertrekkend deelnemer. Het proces is ingericht op reële kosten. Artikelen 34 tot en met 46 Deze artikelen vergen geen nadere toelichting.
38