CConstaterende datblaricum
Koppel je AI →
Document · PDF

Nieuwbouw 7 woningen locatie oude Melkfabriek Bijlage 4 Quickscan natuurtoets

Rondetafelgesprek 13 april 2022, gemeente blaricumBij agendapunt: Nieuwbouw 7 woningen op locatie oude Melkfabriek6.208 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Quickscan flora- en fauna Eerste Molenweg 1 Blaricum

Nijverdal, 9 september 2020 Projectnummer 20.132

Colofon Titel

Quickscan flora- fauna Eerste Molenweg 1 te Blaricum

Uitvoering

Otte Groenadvies

Veldinventarisatie

T.M. Stam – Gecertificeerd Stadswerk Flora en Fauna controleur 2018

Gecontroleerd

Ing. P. Otte

Opdrachtgever

Dhr. R.S. Wins Houtweg 22 1251 CT Laren

Projectnummer

20.132

Datum

9 september 2020

Vrijgegeven door

Mevr. D. Minne

Status

Definitief

Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving ten aanzien van natuurwetgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het incidenteel voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Otte Groenadvies accepteert derhalve op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Otte Groenadvies uitgevoerde onderzoek neemt.

Brilsweg 1a 7441 BV te Nijverdal Tel: 06 - 511 77 946 mail: info@ottegroenadvies.nl

2

Inhoudsopgave 1. Inleiding ...................................................................................................................................................... 4

1.1. Aanleiding en doelstelling .................................................................................................... 4 1.1.1 Uitgangspunten ..................................................................................................................... 4 1.2. Methodiek ........................................................................................................................... 4 1.2.1. Wat is een quickscan ............................................................................................................ 4 1.2.2. Uitvoer onderzoek ............................................................................................................... 5 2. Wetgeving................................................................................................................................................... 6 3. Gebiedsomschrijving ................................................................................................................................... 7

3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving ............................................................................... 7 3.2. Projectvoornemen ............................................................................................................... 8 3.3. Foto impressie planlocatie ................................................................................................... 8 4. Gebiedsbescherming ................................................................................................................................... 9

4.1. Natura 2000 ......................................................................................................................... 9 4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) ....................................................................................... 9 4.3. Weidevogelgebied ............................................................................................................. 10 5. Beschermde flora en fauna ....................................................................................................................... 11

5.1. Flora................................................................................................................................... 11 5.2. Zoogdieren ......................................................................................................................... 11 5.3. Vleermuizen ....................................................................................................................... 12 5.4. Vogels ................................................................................................................................ 14 5.5. Overige soorten ................................................................................................................. 14 6. Conclusies ................................................................................................................................................. 16

6.1. Overzicht van de bevindingen ............................................................................................ 16 6.2. Aanbevelingen ................................................................................................................... 16 7. Kwaliteitsborging- en geldigheid ............................................................................................................... 18 8. Bibliografie ............................................................................................................................................... 19 Bijlage........................................................................................................................................................... 21

BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING ................. 21

3

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en doelstelling In de ruimtelijke plannen is in het kader van de uitvoerbaarheid inzicht gewenst in de aanwezigheid van beschermde flora en fauna. Met andere woorden, in het ruimtelijke ordeningstraject dient te worden aangetoond dat het plan, de herontwikkeling van de planlocatie, uitvoerbaar is. In dit kader dient een quickscan flora en fauna uitgevoerd te worden op de locatie Eerste Molenweg 1 te Blaricum. 1.1.1 Uitgangspunten Uitgangspunt voor deze rapportage is de inkomende e-mail van mevrouw D. Minne, Nienaber Makelaars op 4 september 2020. Met als onderwerp Eerste Molenweg 1A te Blaricum. Op 7 september 2020 is door Otte Groenadvies een offerte met nr. 20.131 per mail verstuurd. Waarnaar deze per mail door mevrouw D. Minne, Nienaber Makelaars geaccordeerd. 1.2. Methodiek Om optimaal om te gaan met het zorgvuldigheidsprincipe uit de Wet natuurbescherming heeft Nienaber Makelaars besloten om een onderzoek te laten doen, alvorens de werkzaamheden uit te voeren. Onder meer bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met beschermde soorten en gebieden. Wet- en regelgeving omtrent deze soorten en gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Het onderhavige rapport beschrijft de resultaten van een zogenaamde quickscan van beschermde natuurwaarden in en rond het plangebied.

Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkelingen en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. De rapportage kan dienst doen als onderbouwing bij bestemmingsplanwijzigingen en ontheffings- of vergunningaanvragen in het kader van de Wet natuurbescherming. In dit rapport worden de resultaten van het onderzoek gepresenteerd en getoetst aan de natuurwetgeving en –beleid. 1.2.1. Wat is een quickscan De quickscan flora en fauna is een oriënterend onderzoek. Hierin wordt de geplande ontwikkeling getoetst aan de natuurwetgeving. Door middel van een veldbezoek en bureauonderzoek wordt beoordeeld welke natuurwaarden verwacht worden in het plangebied en wordt gekeken naar de mogelijke aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten. Ook wordt gekeken of de plannen mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde Natuurmonumenten. Indien beschermde soorten voorkomen, kan een vervolgonderzoek noodzakelijk zijn. Eveneens dient te worden onderzocht of er gebruik kan worden gemaakt van gedragscodes en worden mogelijkheden tot ontheffing verkent. Een quickscan is een momentopname en geen standaard veldinventarisatie waarbij meerdere veldrondes in een seizoen worden uitgevoerd. Een quickscan geeft daardoor een beperkter beeld dan een standaard veldinventarisatie.

Omdat het onderzoek een momentopname betreft, kan geen rekening worden gehouden met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderd terreingebruik en –beheer na afloop van het onderzoek.

4

1.2.2. Uitvoer onderzoek Op 8 september 2020 is een bezoek gebracht aan het plangebied en directe omgeving. Gedurende het veldbezoek is gelet op de mogelijk aanwezigheid van beschermde en bedreigde soorten en de indirecte aanwezigheid in de vorm van sporen (verblijfplaatsen, wissels, pootafdrukken en dergelijke). Er is gebruik gemaakt van een verrekijker, zaklamp en fotocamera. De weersomstandigheden waren bewolkt, droog, 18°C. Tijdens het onderzoek waar dit rapport is voortgekomen is niet alleen gelet op flora en fauna binnen de contouren van het plangebied, maar ook op beschermde flora en fauna in de nabije omgeving. Verder is aan de hand van verspreidingsatlassen en andere standaardwerken nagegaan welke bijzondere planten- en diersoorten ervoor kunnen komen in het plangebied.

5

2. Wetgeving De Wnb regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren (voorheen Flora- en faunawet) (naast de bescherming van gebieden). In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1, 3.5 en 3.10). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11). De verbodsbepalingen, die handelingen die het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, is een belangrijk onderdeel van de Wet natuurbescherming. Deze verboden zorgen ervoor dat in het wild levende soorten zoveel mogelijk met rust worden gelaten. Deze verschillen per beschermingsgroep. De Wet natuurbescherming kent drie verschillende beschermingsregimes: •

Vogelrichtlijnsoorten

•

Habitatrichtlijnsoorten

•

Andere soorten

De provincies hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie anders. De zorgplicht is wel van toepassing. Bij ruimtelijke plannen, met mogelijke gevolgen voor beschermde planten en dieren, is het verplicht om vooraf te toetsen of deze kunnen leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen. Wanneer dat het geval dreigt te zijn, moet onderzocht worden of er maatregelen (mitigatie en/of compensatie) genomen kunnen worden om dit te voorkomen of om de gevolgen voor beschermde soorten te verminderen. Onder bepaalde voorwaarden geldt een vrijstelling of is het mogelijk van het bevoegd gezag ontheffing van de verbodsbepalingen te krijgen voor activiteiten op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Deze ontheffing wordt slechts verleend indien: •

Er geen bevredigend alternatief is;

• •

Er sprake is van een wettelijk belang; Geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

Zie Bijlage 1 voor het Wettelijk kader van de soortbescherming in de Wnb. De Wnb beschermt ook een aantal planten en vissen die onder de Flora- en faunawet niet beschermd waren. Hiermee is rekening gehouden in onderliggende natuurtoets, zie verder in paragraaf 4.1 aanwezigheid beschermde soorten. (Overheid, 2015)

6

3. Gebiedsomschrijving 3.1. Huidig gebruik planlocatie en omgeving De planlocatie ligt in de bebouwde kom van Blaricum dat ligt in het Gooise brinkdorpenlandschap (Landschappen in beeld, z.d.). Blaricum ligt op de oostelijke rand van de stuwwal. Hoger gelegen ontstond langs de Zuiderzee Naarden. Het dorp hadden een brink, hier werd het vee verzameld. In eerste instantie lagen deze brinken aan de rand van het dorp, maar door dorpsuitbreidingen werden dit al snel de centra. De brinkdorpen hadden, gekoppeld aan de schaapsdriften, een radiale structuur. Een structuur die in het huidige beeld nog te herkennen is in het wegenstelsel dat de dorpen onderling verbindt. (MTD landschapsarchitecten, 2018) Het onderzoeksgebied betreft een woonhuis met een aanpalende schuur en kippenhok. Aan de voorzijde (Eerst Molenweg) is een onderhouden siertuin aanwezig. Aan de achterzijde (Kerkpad) is een verwilderd gazon aanwezig. Het terrein is volledig omheind met ligusterhagen met aan de voorzijde een toegangshek tot het perceel.

Afbeelding 1 & 2. Locatie plangebied (rood) (Pdok, z.d.)

7

3.2. Projectvoornemen Met de voorgenomen ontwikkelingen worden de bestaande bebouwing geamoveerd de planlocatie wordt opnieuw ingericht. Ten behoeve van de reconstructie verdwijnt plaatselijk begroeiing, maar dit blijft beperkt tot struiken bomen. De werkzaamheden zijn gepland na verkrijgen van de benodigde vergunningen.

3.3. Foto impressie planlocatie

Voorzijde woning (Eerste Molenweg)

Achterzijde woning (Kerkpad)

Voorzijde schuur

Kippenhok

8

4. Gebiedsbescherming Blaricum ligt in de provincie Noord-Holland grenzend aan de provincie Utrecht, Voor de gebiedsbescherming N2000, NNN en Weidevogelgebieden zijn getoetst op informatie uit beide provincies. 4.1. Natura 2000 De Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden wordt de flora en fauna in combinatie met hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit in stand te houden of te verbeteren. Om te voorkomen dat de natuur in Europa zijn biodiversiteit verliest zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn opgericht. Deze richtlijnen bestaan uit twee delen, namelijk de soorten- en gebiedsbescherming (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, z.d.). Een project mag pas worden uitgevoerd als: De natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast; In geval van een negatieve impact een alternatief of milderende maatregelen worden voorzien die de negatieve impact tenietdoen; Indien alsnog tot uitvoering wordt besloten om dwingende redenen van groot openbaar belang, alle nodige compenserende maatregelen worden genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard blijft. Er liggen Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied. Dichtbij zijnde gebied is; Eemmeer & Gooimeer (gebiedsnummer 77), ongeveer vier kilometer ten noorden en noord oosten van de planlocatie.

Gezien de aard en schaal van de ingreep zijn effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden op voorhand uitgesloten. Nader onderzoek naar effecten op doelstellingen van Natura 2000-gebieden is niet nodig. (Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwalitiet, z.d.) Wijziging beleidsvoering: Door het veranderen van de beleidsvoering m.b.t. tot het landelijk stikstof probleem wordt voor alle ruimtelijke ontwikkelingen gebruikt gemaakt van de beslisboom. Voor alle ”nieuwe” ontwikkelingen moet een AERIUSberekening worden uitgevoerd. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan 0,00 is kan een vergunning worden verleend. (Rijksoverheid, 2019) Stem af met de gemeente of een AERIUS-berekening moet worden uitgevoerd, dit hangt af van de afstand van de Natura 2000 gebieden en de impact van de werkzaamheden. (Rijksoverheid)

4.2. Natuur Netwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuwe natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en de omringende agrarische gebieden verbinden. Door de natuurgebieden samen te brengen wordt er voor een groot samenhangend netwerk gezorgd. Grotere natuurgebieden zijn beter bestand tegen negatieve milieu-invloeden. De gebieden zijn gevarieerder en er kunnen meerdere planten en dieren leven, daarnaast wordt de verspreiding hierdoor makkelijker (Rijksoverheid, z.d.).

9

De planlocatie ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland. De dichtstbijzijnde gebieden betreft de Amstel, Gooi en Vechtstreek op ca. 550 meter van de planlocatie. De ingrepen vinden plaats buiten deze provinciaal beschermde gebieden en hebben geen effect op de kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen. Nader onderzoek naar externe effecten is niet nodig. (Provincie Noord-Holland, z.d.) 4.3. Weidevogelgebied Met betrekking tot het weidevogelgebied en beschermde landschapselementen geldt dat de planlocatie niet ligt binnen het beschermde gebied. Negatieve effecten zijn niet te verwachten naar aanleiding van de voorgenomen ontwikkeling. (Provincie Noord-Holland, z.d.)

10

5. Beschermde flora en fauna 5.1. Flora Aan de Eerste Molenweg, de voorzijde van de herontwikkelingslocatie is een cultuurlijk aangelegde siertuin aanwezig. Er staan o.a. soorten als coniferen (snoeivorm), een bruidssluier en rododendron. De achterzijde is voorzien van een extensief beheerd gazon met soorten als paardenbloem, klaver en algemeen voorkomende grassen. Op de erfgrens staat een gaashekwerk met een ligusterhaag. Beschermde houtopstanden In gemeente Blaricum is de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van kracht. Hierin worden o.a. richtlijnen beschreven m.b.t. het vellen van houtopstanden. (Gemeente Blaricum, 2018). Effectenbeoordeling Binnen het onderzoeksgebied zijn geen beschermde planten aangetroffen. Recente waarnemingen van beschermde plantensoorten ontbreken eveneens. In combinatie met de voedselrijke omstandigheden in de omgeving, het deels verhard terrein en het ontbreken van zeer specifieke biotopen waar beschermde planten worden aangetroffen, is aanwezigheid van beschermde vaatplanten uit te sluiten. Nader onderzoek naar vaatplanten is niet nodig. Voor het kappen van bomen moet een omgevingsvergunning worden aangevraagd. 5.2. Zoogdieren Onder zoogdieren worden hier bedoeld alle grond- en boomgebonden zoogdieren met uitzondering van vleermuizen.

Steenmarter De te amoveren bebouwing is door de aanwezigheid van toegangsmogelijkheden in de vorm van openingen in de schuur geschikt als verblijfplaats voor steenmarter. Rode eekhoorn Eekhoorns komen voor in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar ook in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van het bos. Mits er voldoende voedsel beschikbaar is, komen ze ook in bebouwd gebied. (Zoogdiervereniging, z.d.) Kleine marterachtigen: Bunzing, hermelijn, wezel De bunzing komt voor in allerlei verschillende landschapstypen, maar zijn voorkeur gaat uit naar een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de buurt. (Zoogdiervereniging, z.d.). Hermelijn komt in alle habitats voor, van open plekken, in bossen, houtwallen, duinen, akkers, vochtig terrein. De enige voorwaarde is dat er voldoende dekking aanwezig is. (Zoogdiervereniging, z.d.) Wezels leven bij voorkeur in open, droge natuur- en cultuurlandschap (Rd) maar verder in veel verschillende biotopen (zoals bossen, duinen, wei- en akkerland. Meestal in droger gebied dan de hermelijn. (Zoogdiervereniging, z.d.) Algemeen voorkomende soorten Algemeen voorkomende zoogdierensoorten zoals huismuis, huisspitsmuis en egel komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Noord-Holland.

11

Effectenbeoordeling Steenmarter De schuur is in potentie geschikt als verblijfplaats voor steenmarter. Verblijfplaatsen van steenmarter zijn beschermd. Nader onderzoek is nodig voor deze soort. Rode eekhoorn Op de planlocatie zijn geen nest en verblijfplaatsen van de rode eekhoorn aangetroffen. Wel is het waarschijnlijk dat deze soort op de planlocatie en de omgeving foerageert. Gezien de omgeving, ruim opgezette kavels met groen ingerichte kavels, is een effect op het voordbestaan van deze soort niet te verwachten. Kleine marterachtigen: Bunzing, hermelijn, wezel De planlocatie ligt binnen de bebouwde kom. Het habitat voor deze soorten ontbreekt geheel. In en rondom de planlocatie zijn geen sporen aangetroffen die duiden op aanwezigheid van beschermde soorten. Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemene soorten Op de projectlocatie worden voornamelijk, algemene zoogdiersoorten verwacht. De werkzaamheden kunnen tot negatieve effecten op deze soorten leiden, bijvoorbeeld door de aantasting van holen en gangenstelsels. Omdat een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting geldt, moet alleen rekening gehouden worden met de algemene zorgplicht die voor alle planten en dieren geldt. 5.3.

Vleermuizen Een vleermuisonderzoek valt buiten het kader van een quickscan. Wel is de potentie onderzocht van het plangebied voor vleermuizen en is gelet op sporen. Verblijfplaatsen van vleermuizen bevinden zich in holten van bomen en besloten of donkere ruimten van kunstwerken, zoals gebouwen. Er is onderzocht welke soorten redelijkerwijs of mogelijk te verwachten zijn aan de hand van het landschap, de omgeving en gekend verspreidingsbeeld. Daarna is onderzocht welke functies voor vleermuizen mogelijk voorkomen. Als richtlijn is hiervoor de checklist van het huidig geldende vleermuisprotocol (2017) aangehouden. Het gaat om voor vleermuis van belang zijnde objecten die door de beoogde activiteit of plan, in relevante mate worden aangetast. Foerageergebied en vliegroutes zijn alleen beschermd als ze essentieel zijn voor het goede voortbestaan van de soort ter plaatse (Vleermuizen- Alle soorten van Europa en NoordwestAfrika, 2011) Verblijfplaatsen De voorgenomen ingreep heeft betrekking op voor vleermuizen geschikte bebouwing. Soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger kunnen in bebouwing voorkomen. De bebouwing is op te delen in drie delen, namelijk De woning De aanpalende schuur Het kippenhok De woning De woning is opgebouwd uit een steensmuur voorzien van een in 2012 vernieuwde rieten kap.

Door de nieuwe staat van het riet ontbreken er naden en kieren die geschikt zijn voor vleermuizen. Aan de voorzijde is slechts een kleine opening aanwezig die in potentie geschikt is voor vleermuizen.

12

De schuur De schuur is opgebouwd uit een houten constructie voorzien van een dakpannen dak waarin diverse openingen aanwezig zijn die in potentie geschikt zijn als zomer-, paar- en kraamverblijfplaats voor vleermuizen.

Het kippenhok Het kippenhok is opgebouwd uit een houten constructie met een dakpannen dak. Een zijkant is afgewerkt met kippengaas voor de ventilatie. Deze elementen samen zorgen voor een onstabiel microklimaat. Door de aanwezigheid van een onstabiel microklimaat dat wordt veroorzaakt door, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde), vochtigheid, tocht, het ontbreken aan een vorstvrije ruimte en de grote toegankelijkheid voor predatoren is het kippenhok niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen. Foerageergebied en vlieg- en mitigatieroutes Boven het plangebied wordt mogelijk gefoerageerd door vleermuizen. Hier is echter geen sprake van een foerageergebied dat van essentieel belang is voor vleermuizen. In de directe omgeving zijn vele vergelijkbare en meer geschikte locaties aanwezig. Daarnaast blijft tijdens- en na de ruimtelijke ontwikkeling het plangebied geschikt als foerageergebied. Het plangebied vormt geen schakel als vlieg- en mitigatieroute. Licht Met de nieuwe inrichting moet rekening worden gehouden met kunstmatige lichtbronnen om lichtverstoring te voorkomen. Dit betekent dat de plaatsing, de intensiviteit en de stralingsrichting van buitenlampen zodanig moet zijn dat er geen verstoring van strooilicht plaatsvindt. Werk met vleermuisvriendelijke verlichting en maak de verlichting dynamisch.

Te allen tijde moet de verlichting naar beneden gericht zijn om verstoring door middel van strooilicht te voorkomen. Effectenbeoordeling Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is nader onderzoek noodzakelijk. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen bestaat uit meerdere onderzoeken. (Netwerk Groene Bureaus, 2017) •

* Er is een nieuw vleermuisprotocol 2020 vastgesteld, publicatie heeft nog niet plaatsgevonden. Mogelijk wijkt de minimale onderzoeksinspanning af van het huidige protocol 2017

13

5.4. Vogels Vogels met jaarrond beschermde verblijfplaats Huismus Het dak van de bebouwing is geschikt als nest- en verblijfplaats voor huismussen. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal elementen, die binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking zoals groenblijvende struiken en klimplanten, plekken voor stofbaden en drinkwater. De omgeving van het bebouwing biedt een geschikt habitat voor deze soort. (BIJ12, 2017) Gierzwaluw De bebouwing, de schuur en de woning zijn voorzien van houten boeien die strak zijn afgewerkt waardoor de toegang tot het dak beperkt is. De aanwezige openingen bieden onvoldoende ruimte om toegankelijkheid te bieden voor deze soort. Het dak is niet geschikt als nestgelegenheid voor de gierzwaluw. Met de ruimtelijke ontwikkeling worden geen negatieve effecten verwacht. (Vogelatlas van Nederland, 2018) (BIJ12, 2017) Overige jaarrond beschermde nestplaatsen Tijdens het onderzoek zijn er geen horsten, roekenkolonie of geschikte (oude) kraaiennesten aangetroffen in het plangebied en nabije omgeving. Overige broedvogels De omgeving van het plangebied is geschikt voor algemene broedvogels.

Het plangebied biedt mogelijkheden voor nestlocaties. Tijdens de inventarisatie zijn geen nesten, nestactiviteiten en/of nestrestanten aangetroffen. Effectenbeoordeling Huismus Wat betreft de huismus moet nader onderzoek op aanwezigheid van nestplaatsen in de bebouwing worden uitgevoerd, mogelijk met een ontheffing als resultante. Overige broedvogels Voor alle beschermde, inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. Ook handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren is niet toegestaan. In de praktijk betekent dit dat verstorende werkzaamheden bij voorkeur buiten het broedseizoen* moeten plaatsvinden. *In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 15 maart tot 15 juli. 5.5. Overige soorten Het ontbreekt aan een geschikt leefgebied voor zwaarder beschermde soorten (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) en dergelijke soorten komen dan ook met zekerheid niet voor op de planlocatie. Algemeen soorten komen hoogstwaarschijnlijk wel in en rond het plangebied. Herkomst is terug te voeren op de eventueel aanwezige vijverpartijen.

Deze soorten zijn niet beschermd of staan op de vrijstellingslijst van de provincie Noord-Holland.

14

Effectenbeoordeling Het vóórkomen van beschermde soorten uit overige soortgroepen (amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden) is op voorhand uitgesloten wegens het ontbreken van geschikt leefgebied en doordat de locatie buiten het bekende verspreidingsgebied valt. Negatieve effecten op beschermde soorten uit overige soortgroepen zijn derhalve op voorhand uit te sluiten. Een ontheffing of nader onderzoek naar deze soorten is niet noodzakelijk.

15

6. Conclusies 6.1. Overzicht van de bevindingen Gebiedsbescherming

Aanwezigheid

Effecten

Aanbeveling

Natura 2000 - zuurgevoeligheid

op afstand

mogelijk

AERIUS-berekening i.o.m bevoegd gezag

Overige onderdelen NNN

niet

geen

geen

Soortgroepen

Aanwezigheid

Effecten

Aanbevelingen

Flora – beschermde soorten

niet

geen

geen

Zoogdieren – gebouwbewonend

niet

geen

geen

Zoogdieren – grond-/boombewonend

mogelijk

mogelijk

nader onderzoek

Zoogdieren – vrijgestelde soorten

aanwezig

mogelijk

zorgplicht

Vleermuizen – verblijfplaatsen

mogelijk

mogelijk

nader onderzoek

Vleermuizen – vlieg/foerageerroute

mogelijk

geen

geen, mits..

Vogels – jaarrond beschermde nesten

mogelijk

mogelijk

nader onderzoek

Vogels – algemene broedvogels

mogelijk

beperkt

zorgplicht

Amfibieën/vissen – vrijgestelde soorten

niet

geen

geen

Amfibieën/vissen – beschermde soorten

niet

geen

geen

Reptielen/ongewervelden – vrijgest. soort mogelijk

beperkt

zorgplicht

Reptielen/ongewervelden – besch. soort

geen

geen

1

niet

1

= mits beperkt met lichtbelasting wordt omgegaan

6.2. Aanbevelingen Gebiedsbescherming • N2000: Wijziging beleidsvoering: (afstemming gemeente) Voer een AERIUS-berekening uit om aan te bepalen of met de nieuwe ontwikkeling/inrichting negatieve effecten op N2000 gebied plaatsvinden. Uit de AERIUS-berekening zal blijken of met de voorgenomen ontwikkeling de stikstof depositie toeneemt. Als de uitkomst hiervan 0,00 of minder is kan een vergunning worden verleend. Fauna Zoogdieren: • Steenmarter: Nader onderzoek op de steenmarter is maatwerk, veelal wordt deze uitgevoerd op basis van waarnemingen op de locatie. Deze kan plaatsvinden tijdens nader onderzoek op overige soorten. •

Vleermuizen: Wat betreft vaste verblijfplaatsen van vleermuizen is nader onderzoek noodzakelijk. Onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen bestaat uit vijf bezoeken. De onderzoeken vinden plaats in de perioden 15 mei - 15 juli en 15 augustus - 30 september, waarna mogelijk een ontheffing bij de provincie Noord-Holland moet worden aangevraagd. (Netwerk Groene Bureaus, 2017)

16

Vogels: • Huismus: Voer twee gerichte veldbezoeken uit in de periode van 1 april tot en met 15 mei met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen, waarna mogelijk een ontheffing bij de provincie Noord-Holland moet worden aangevraagd; (BIJ12, 2017) Veel voorkomende soorten: • Effecten op beschermde soorten en soortgroepen waarvoor geen vrijstelling geldt, zijn uitgesloten omdat er geen aanwijzingen zijn dat dergelijke soorten binnen invloedssfeer van de werkzaamheden voorkomen; •

Tijdens het broedseizoen zijn broedgevallen van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied te verwachten. Bezette nesten mogen nooit vernield worden. Verstoring is alleen toegestaan wanneer deze geen invloed heeft op de overleving van ouders en jongen. De piek van het broedseizoen ligt in de periode half maart-half juli, maar eerdere en latere broedgevallen komen voor;

Zorgplicht • Ten aanzien van alle dieren en planten (beschermd of niet beschermd) geldt dat men zich dient te houden aan de algemene zorgplicht. Dit houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna naar redelijkheid zoveel mogelijk voorkomen moeten worden; Overige • Wanneer tijdens werkzaamheden toch beschermde soorten worden aangetroffen dienen werkzaamheden tijdelijk te worden stilgelegd en wordt contact opgenomen met een inzake deskundige. Overleg met de deskundige moet duidelijk maken hoe met de ontstane situatie kan worden omgegaan; •

Goedgekeurde gedragscode, ruimtelijke ontwikkeling van de vereniging Stadswerk kan worden toegepast tijdens de werkzaamheden. Hierin wordt beschreven hoe om te gaan met o.a. de algemene zorgplicht. Wel moet er een kanttekening worden geplaatst, als basis van de gedragscode ligt de Floraen faunawet. De gedragscode is nog niet aangepast op de (per 1 januari 2017) geldende wet- en regelgeving, Wet natuurbescherming.

17

7. Kwaliteitsborging- en geldigheid Door de inzet van deskundigen op gebied van ecologie en landelijk geaccepteerde onderzoeksmethoden is de kwaliteit van het onderzoek zoveel mogelijk gewaarborgd. Otte Groenadvies hanteert de richtlijnen van het Netwerk Groene Bureaus en de richtlijnen uit de soorten- standaarden/kennisdocumenten van RVO/BIJ12. Toetsing van de aanpak en uitwisseling van ervaringen met gemeente/provincie en collega-onderzoekers vindt plaats op regelmatige basis. Garanties over aan-/afwezigheid van planten en dieren is niet te geven. Daarvoor is de aard en de opzet van een quickscan niet toereikend. Daarbij is het een eenmalige momentopname en houdt het geen rekening met de dynamische aspecten van natuur, zoals migratie en kolonisatie door soorten en veranderingen in terreingebruik en beheer. De geldigheidsduur van de rapportage bedraagt voor de zwaarder beschermde soorten maximaal 3 jaar.

18

8. Bibliografie (2018). In Sovon, Vogelatlas van Nederland (p. 640). Kosmos Uitgevers. BIJ12. (2017, Juli). Kennisdocument Gierzwaluw. Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-006-Kennisdocument-Gierzwaluw-1.0.pdf BIJ12. (2017, Juli). Kennisdocument Huismus. Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-009-Kennisdocument-Huismus-1.0.pdf Gemeente Blaricum. (2018). Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/xhtmloutput/Historie/Blaricum/CVDR491837/CVDR4 91837_2.html Helversen, D. &. (2011). Vleermuizen- Alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika. Tirion Natuur. Landschappen in beeld. (z.d.). Opgeroepen op 9 September 3, 2020, van http://www.landschappeninbeeld.nl/menu-landschappen-warandebergen.htm Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. (z.d.). Natura 2000 gebieden. Opgeroepen op 9 September 3, 2020, van https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/googlemapszoek2.aspx Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwalitiet. (z.d.). Opgeroepen op september 3, 2020, van https://www.natura2000.nl/gebieden/noord-holland MTD landschapsarchitecten. (2018, februari). Opgeroepen op 9 September 2020, 2020, van https://www.regiogv.nl/wp-content/uploads/2018/02/Landschapsbeeld-Gooi-enVechtstreek_feb2018_schermversie_150dpi.pdf Netwerk Groene Bureaus. (2017).

Vleermuisprotocol 2017. Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/werken-aankwaliteit/vleermuisprotocol Overheid. (2015, December 16). Wet Natuurbescherming. Opgeroepen op 9 September 3, 2020, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-10-01 Pdok. (z.d.). Online kaarten. Opgeroepen op 9 September 3, 2020, van https://www.pdok.nl/viewer/ Provincie Noord-Holland. (z.d.). Opgeroepen op september 3, 2020, van https://maps.noordholland.nl/kaartenportaal/apps/MapSeries/index.html?appid=d8c0eb7751444d4b9537231615ad6a09 &entry=2 Rijksoverheid. (sd). Opgeroepen op 9 September 3, 2020, van https://www.google.com/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=4&ved=2ahUKEwjpzOHzjrzmA hVSilwKHS1OCIIQFjADegQIBRAC&url=https%3A%2F%2Fwww.rijksoverheid.nl%2Fbinaries%2Frijksover heid%2Fdocumenten%2Fpublicaties%2F2019%2F10%2F12%2Fbeslisboom-toestemmingverleni Rijksoverheid. (2019, Oktober 12). Beslisboom: Toestemmingsverlening stikstofdepostitie bij nieuwe activiteiten. Opgeroepen op 9 September 2020, van https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2019/10/12/beslisboomtoestemmingverlening-stikstofdepositie-bij-nieuwe-activiteiten

19

Rijksoverheid. (z.d.). Natuur Netwerk Nederland. Opgeroepen op 9 September 3, 2020, van https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/natuur-en-biodiversiteit Zoogdiervereniging. (z.d.). Bunzing. Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/bunzing Zoogdiervereniging. (z.d.). Eekhoorn. Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/eekhoorn Zoogdiervereniging. (z.d.). Hermelijn. Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/hermelijn Zoogdiervereniging. (z.d.). Wezel. Opgeroepen op 9 September 8, 2020, van https://www.zoogdiervereniging.nl/zoogdiersoorten/wezel

20

Bijlage BIJLAGE 1: WETTELIJK KADER WET NATUURBESCHERMING – SOORTBESCHERMING De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10). In navolgende paragrafen is een samenvattende beschrijving van het onderdeel soortbescherming gegeven, wat relevant is voor onderliggende toetsing. (Overheid, 2015) Categorieën De wet maakt onderscheid in drie categorieën van beschermde soorten, namelijk: • Vogelrichtlijnsoorten • Habitatrichtlijnsoorten • Andere soorten Vogelrichtlijnsoorten Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn zijn in Nederland beschermd. De soorten van artikel 1 van Vogelrichtlijn zijn alle vogelsoorten die op het Europese grondgebied van de lidstaten van de EU voorkomen.

Het deel daarvan dat van nature in Nederland voorkomt, is dus beschermd (art. 3.1 lid 1). Habitatrichtlijnsoorten In deze categorie vallen alle in het wild levende dieren zoals genoemd in: • bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, • bijlage II bij het Verdrag van Bern of; • bijlage I bij het Verdrag van Bonn; (art. 3.5 lid 1) en (in hun natuurlijke verspreidingsgebied) planten van soorten, genoemd in: • bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of; • bijlage I bij het Verdrag van Bern; (art. 3.5, lid 5) De bijlagen zijn zeer uitgebreid en er staan ook veel soorten in genoemd die van nature niet in Nederland voorkomen. Andere soorten Naast de soorten waarvan de bescherming op Europees niveau verplicht is gesteld, is er ook een aantal soorten op nationaal niveau beschermd. Dit is dus een “nationale kop” op de Europese bescherming. Het gaat hierbij om soorten die zeer zeldzaam en/of bedreigd zijn en waarvan het duurzaam voortbestaan niet is verzekerd als er geen beschermingsmaatregelen worden getroffen. De soorten waar het om gaat zijn opgenomen op de bijlage bij de wet (art. 3.10, lid 1 onder a en c). Verbodsbepalingen Ten aanzien van vogels verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art. 3.1 lid 1), het opzettelijk vernielen van nesten, rustplaatsen en eieren (art. 3.1 lid 2), het rapen of onder zich hebben van eieren (art.

3.1 lid 3) en het opzettelijk storen van vogels (art. 3.1lid 4). Het verbod tot opzettelijk storen geldt

21

niet in het geval de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort (art. 3.1 lid 5). Ten aanzien van de overige Europees beschermde diersoorten verbiedt de wet het opzettelijk doden of vangen (art 3.5 lid 1), het opzettelijk verstoren (art 3.5 lid 2), het opzettelijk vernielen of rapen van eieren (art 3.5 lid 3) en het beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.5 lid 4). Ten aanzien van de Europees beschermde plantensoorten verbiedt de wet het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen en vernielen (art 3.5 lid 5). Ten aanzien van de nationaal beschermde diersoorten geldt slechts een verbod op het opzettelijk doden of vangen (art 3.10 lid 1 onder a) en het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (art 3.10 lid 1 onder b). Ten aanzien van de nationaal beschermde plantensoorten geldt een verbod op het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen (art 3.10 lid 1 onder c). Gedragscodes, vrijstellingen en ontheffingen Gedragscode De in het voorgaande beschreven verbodsbepalingen zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd volgens een door de minister van EZ vastgestelde gedragscode (art. 3.31 lid 1).

Het moet dan gaan om handelingen die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik; d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Vrijstelling Provinciale staten en de minister van EZ kunnen vrijstelling verlenen van de verbodsbepalingen (art 3.3 lid 2- 4; 3.8 lid 2-5, 3.10 lid 2). Voor zover het gaat om de hiervoor beschreven verbodsbepalingen, kan in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting een ontheffing worden verleend op de verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 en 3.10, dus ten aanzien van alle beschermde soorten. Een vrijstelling mag alleen worden verleend wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Deze zijn gelijk aan de voorwaarden waaronder een ontheffing verleend kan worden (zie hieronder). Voor welke soorten een vrijstelling geldt, verschilt per bevoegd gezag (ministerie van EZ en de afzonderlijke provincies). De lijst met vrijgestelde soorten van het ministerie is alleen van toepassing op handelingen waarvoor de minister van EZ het gevoegd gezag is. Voor handelingen waarvoor Gedeputeerde Staten het bevoegd gezag zijn, geldt de vrijstellingslijst van de betreffende provincie.

Ontheffing Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden (art 3.3 lid 1,3; 3.8 lid 1,3, 3.10 lid 2). Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af van of men kan voldoen aan de voorwaarden. Deze voorwaarden verschillen per categorie. De eerste eis die wordt gesteld, is dat er geen andere bevredigende oplossing mag zijn. Dat betekent - ook in combinatie met de in artikel 1.11 beschreven zorgplicht - wanneer een overtreding redelijkerwijs te voorkomen is en ontheffing niet mogelijk is. De werkzaamheden moeten dan op zodanige wijze worden uitgevoerd dat er geen overtreding van de wet plaatsvindt. Te denken valt aan het kappen van bomen buiten het broedseizoen, of het afzetten van en het wegvangen van soorten in het werkgebied. 22

Verder kan een ontheffing alleen worden verleend wanneer is aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soort. Daarnaast gelden er per categorie verschillende aanvullende voorwaarden. Voor Vogelrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.3 lid 4): 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora en/of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan. Voor Habitatrichtlijnsoorten kan alleen een ontheffing worden verleend: (art 3.8 lid 5): 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3.

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben. Voor de andere soorten gelden de voorwaarden die gelden voor de overige Europees beschermde soorten, aangevuld met: (art 3.10 lid 2): 6. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; 7. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes of begraafplaatsen; 8.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; 9. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; 10. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; 11. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; 12. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of 13. in het algemeen belang.

23

Aanhaken bij de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) Er kan voor worden gekozen geen ontheffing Wnb aan te vragen, maar de toestemming aan te laten haken bij de Omgevingsvergunning. In dat geval dient het betreffende onderzoek bijgevoegd te worden bij de aanvraag Omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag voor de Omgevingsvergunning vraagt vervolgens een verklaring van geen bedenking (vvbg) aan bij het bevoegd gezag Wnb. De voorwaarden waaronder de vvgb wordt afgegeven maken vervolgens onderdeel uit van de Omgevingsvergunning. Wanneer ervoor wordt gekozen de toestemming Wnb niet aan te laten haken, moet de ontheffing Wnb zijn aangevraagd voordat de Omgevingsvergunning wordt aangevraagd. (Overheid, 2015)

24

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11406066/1