B&W RIB 11 oktober 2022 - Start procedure ontwerp BP natuurrecreatie eiland De Dode Hond Ontwerp BP toelichting
Tekst van het document
Revitalisatie Dode Hond Ontwerp bestemmingsplan (toelichting)
Gebiedscoöperatie Gastvrije Randmeren 23 mei 2022
Project Opdrachtgever
Document Status Datum Referentie
Projectcode Projectleider Projectdirecteur
Auteur(s) Gecontroleerd door Goedgekeurd door
Revitalisatie Dode Hond Gebiedscoöperatie Gastvrije Randmeren
Ontwerp bestemmingsplan (toelichting) Definitief 04 23 mei 2022 114638/22-007.584
114638 ir. J.K. Muntinga drs. M.J. Schilt
mr. A.R. van Driel, mr. J. Tuit ir. J.K. Muntinga ir. J.K. Muntinga
Paraaf
Adres
Witteveen+Bos Raadgevende ingenieurs B.V. Leeuwenbrug 8 Postbus 233 7400 AE Deventer +31 (0)570 69 79 11 www.witteveenbos.com KvK 38020751
Het kwaliteitsmanagementsysteem van Witteveen+Bos is gecertificeerd op basis van ISO 9001. © Witteveen+Bos Niets uit dit document mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt in enige vorm zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Witteveen+Bos noch mag het zonder dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd, behoudens schriftelijk anders overeengekomen. Witteveen+Bos aanvaardt geen aansprakelijkheid voor enigerlei schade die voortvloeit uit of verband houdt met het wijzigen van de inhoud van het door Witteveen+Bos geleverde document.
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
7
1.1
Aanleiding
7
1.2
Ligging plangebied
8
1.3
Vigerend bestemmingsplan
9
1.4
Andere procedure(s) en gerelateerde projecten
11
1.5
Leeswijzer
11
2
BESCHRIJVING PLANGEBIED
12
2.1
Huidige situatie
12
2.2
Toekomstige situatie
13
3
BELEIDSKADER
16
3.1
Rijksbeleid
16
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5
16 17 18 18 19
3.2
3.3
Omgevingswet Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Ladder voor duurzame verstedelijking Nationaal Waterplan (NWP)
Provinciaal beleid
19
3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.2.4
19 20 22 23
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 Omgevingsverordening NH2020 Natuurbeheerplan 2021 Visie waterrecreatie Noord-Holland 2030
Gemeentelijk beleid
23
3.3.1
Strategische Visie Blaricum Herijking
23
4
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
25
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
25
4.1.1 4.1.2
25 26
4.2
Toetsingskader Conclusie
Natuur 4.2.1
26 Toetsingskader
26
4.2.2 4.2.3 4.3
Geluid 4.3.1 4.3.2
4.4
4.5
4.6
4.9
4.10
4.11
4.12
5
32 Toetsingskader Conclusie
32 33 33
4.4.1 4.4.2 4.4.3
33 34 35
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Externe veiligheid
35
4.5.1 4.5.2 4.5.3
35 36 36
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Water
36 Toetsingskader Resultaten Conclusie
Bodem 4.7.1 4.7.2 4.7.3
4.8
27 32
Luchtkwaliteit
4.6.1 4.6.2 4.6.3 4.7
Resultaten Conclusie
37 37 40 41
Toetsingskader Resultaten Conclusie
41 41 42
Archeologie
42
4.8.1 4.8.2 4.8.3
42 42 44
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Cultuurhistorie
44
4.9.1 4.9.2 4.9.3
44 45 45
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Landschap
45
4.10.1 4.10.2 4.10.3
45 45 45
Toetsingskader Resultaten Conclusie
Kabels en leidingen
45
4.11.1 4.11.2 4.11.3
46 46 46
Wettelijke grondslag Resultaten Conclusie
Bedrijven en milieuzonering
46
4.12.1 4.12.2 4.12.3
47 47 47
Toetsingskader Resultaten Conclusie
JURIDISCHE PLANBESCHRIJVING
48
5.1
Algemeen
48
5.1.1 5.1.2 5.1.3
48 48 49
Wat is een bestemmingsplan? Over bestemmen en aanduiden Hoofdstukopbouw van de regels
5.2
Dit bestemmingsplan
49
5.3
Toelichting op de regels
49
5.3.1 5.3.2 5.3.3 5.3.4
49 50 50 51
Inleidende regels Bestemmingsregels Algemene regels Overgangs- en slotregels
6
UITVOERBAARHEID
52
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
52
6.1.1
Participatie
52
Economische uitvoerbaarheid
53
6.2.1
53
6.2
Financiering
6.3
Handhaafbaarheid
53
7
PROCEDURE
54
7.1
Inleiding
54
7.2
Ontwerpfase
54
7.2.1 7.2.2
54 54
Vooroverleg Terinzagelegging
7.3
Vaststellingsfase
54
7.4
Beroepsfase
55
Laatste pagina
55
Bijlage(n)
Aantal pagina's
I
M.e.r.-beoordelingsnotitie
29
II
Actualisatie Quickscan
94
III
Vooronderzoek waterbodem
33
IV
Archeologisch vooronderzoek
30
V
Watertoets
37
VI
Scenario-onderzoek
3
VII
Geohydrologisch onderzoek
11
VIII
Cumulatietoets
11
IX
BPRW-toets
35
X
Compensatieplan
27
1 INLEIDING 1.1
Aanleiding
Gebiedscoöperatie Gastvrije Randmeren is voornemens de huidige aanleghaven op natuureiland De Dode Hond in het Eemmeer op duurzame wijze verder te ontwikkelen. De gemeenten Almere, Blaricum, Bunschoten, Dronten, Eemnes, Elburg, Ermelo, Gooise Meren, Harderwijk, Huizen, Kampen, Nunspeet, Nijkerk, Putten en Zeewolde vormen samen de gebiedscoöperatie Gastvrije Randmeren. Rijkswaterstaat en de Waterschappen Zuiderzeeland en Vallei en Veluwe zijn adviserend lid. Gastvrije Randmeren is als zelfstandige rechtspersoon voor alle 15 gemeenten rond de Randmeren een verbonden partij. De coöperatie zorgt namens de gemeenten voor het beheer en onderhoud van de recreatieve functies van de meren. De kerntaak van gebiedscoöperatie Gastvrije Randmeren behelst het beheer en onderhoud van de meren. De coöperatie richt zich op de bereikbaarheid en optimalisering van recreatieve locaties en voorzieningen op en aan het water. Dat betekent onder meer onderhoudswerkzaamheden, exploitatiemodellen ontwikkelen voor het beheer van de aanlegplaatsen en eilanden, de revitalisatie van eilanden programmatisch aanpakken, vaarwater verdiepen en ontwikkelmogelijkheden onderzoeken voor recreatie en natuur. De coöperatie heeft een agenderende rol voor recreatieve infrastructuur en het recreatieve voorzieningenniveau.
Om het Randmerengebied als geheel te positioneren, voert de coöperatie de regie op het ontwerp en de verspreiding van informatieve gebiedskaarten, een publieksmagazine en publieksgerichte informatie. De uitvoering vindt in nauwe samenwerking met het recreatieve bedrijfsleven, de inwoners en de bezoekers van het gebied plaats. Sinds 2015 heeft de coöperatie het beheer over het recreatiedeel van 15 natuureilanden en aanleghavens in het randmerengebied, waaronder eiland De Dode Hond. Zie afbeelding 1.1.
7 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Afbeelding 1.1 De gebiedscoöperatie Gastvrije Randmeren heeft het beheer over het recreatiedeel van 15 natuureilanden en aanleghavens in het Randmerengebied, aangegeven met rode stippen
De Dode Hond is een geliefde vaarbestemming voor natuurliefhebbers. Het eiland heeft als enige aanlegplaats in de Randmeren geen beschutte inpandige haven. Bij het in de haven aanleggen met de boot of kano ondervinden gebruikers veel hinder van de wind, van golfslag en waterplanten. Ook de damwanden en steigers hebben te lijden onder wind- en golfwerking met hoge onderhoudskosten als gevolg. Dit zorgt mede voor een negatief effect op de veiligheid en kwaliteit van verblijven en recreëren in de haven. Het doel van het verbetertraject is dan ook het creëren van een beschutte haven voor natuurrecreatie die voldoet aan de eisen van deze tijd, die goed te bereiken is via een, zoveel mogelijk waterplantenvrije, route en waar rustig en veilig aangelegd kan worden. Leidend in het traject is dat de hoge natuurkwaliteit van eiland De Dode Hond behouden blijft, en waar mogelijk, wordt versterkt. Voor meer toezicht en beheer, komt er in de haven een drijvende beheerdersunit te liggen tijdens het recreatieseizoen.
Het schetsvoorstel voor de haven bevat een beschutte baai door de aanleg van 2 vooroevers voor de huidige aanlegplaats van het eiland (wat de effecten van golfslag moet minimaliseren), het verdiepen van de haven, de aanleg van een betonde toegangsgeul naar de haven, een drijvende beheerdersunit, enkele nieuwe recreatieve voorzieningen zoals een spelaanleiding, een informatiebord, een kano-aanlegplek en een eco-toiletvoorziening en het afsluiten van het wandelpad rondom het eiland.. Om het voornemen planologisch mogelijk te maken is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
1.2
Ligging plangebied
De Dode Hond is een kunstmatig eiland in het Eemmeer. Bestuurlijk gezien valt het onder de gemeente Blaricum en de provincie Noord-Holland. Zie afbeelding 1.2.
8 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Afbeelding 1.2 Ligging van het plangebied (bron: Gastvrijerandmeren.nl, beheer en onderhoud)
1.3
Vigerend bestemmingsplan
Het bestemmingsplan Landelijk gebied (onherroepelijk, vastgesteld op 21 januari 2014, gemeente Blaricum) is vigerend. Op het eiland en de daarbij behorende vooroevers en toegangsgeul geldt de enkelbestemming Natuur, op afbeelding 1.3 weergegeven met groen. In de zuidoostelijke hoek van het eiland, wat op afbeelding 1.3 weergegeven is met een paars kader, geldt aanvullend de functieaanduiding recreatie. Op het water rondom het eiland, buiten de oranje lijn, en binnen de grenzen van het bestemmingsplan, geldt aanvullend de functieaanduiding water.
9 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Afbeelding 1.3 Bestemmingsplan Landelijk Gebied op en rondom eiland De Dode Hond (bron: Eigen bewerking op basis van Ruimtelijke plannen.nl)
De voor Natuur aangewezen gronden zijn op grond van artikel 14.1 lid a van de planregels bedoeld voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. De voor natuur aangewezen gronden zijn op grond van artikel 14.1 lid f en g van de planregels ook bedoeld voor natuureducatie en extensieve dagrecreatie. Onder extensieve dagrecreatie vallen niet-gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zwemmen en natuurobservatie (artikel 1, lid 1.38 van de planregels). Ter plaatse van de functieaanduiding ‘recreatie’ is de grond tevens bestemd voor recreatie. Ter plaatse van de functieaanduiding ‘water’ is de grond tevens bestemd voor water. Op grond van artikel 14.2 van de planregels mogen op de als Natuur aangewezen gronden uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de natuureducatie worden gebouwd. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt ten hoogste 2,5 m. Voor de functieaanduiding recreatie zijn in het bestemmingsplan geen aanvullende regels opgenomen. Binnen deze functieaanduiding gelden de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan onder enkelbestemming Natuur (artikel 14 van de planregels), met dien verstande dat er (ook) recreatie is toegestaan.
Het bestemmingsplan geeft geen toelichting op de functieaanduiding recreatie noch op het begrip recreatie. Omdat binnen de bestemming natuur reeds extensieve dagrecreatie is toegestaan, moet deze functieaanduiding logischerwijs bijkomend gebruik mogelijk maken, omdat anders de functieaanduiding overbodig is. Wij interpreteren recreatie daarom in de breedste zin van het woord, zijnde intensieve dag- en verblijfsrecreatie.
10 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Voor de functieaanduiding water zijn in het bestemmingsplan geen aanvullende regels opgenomen. Binnen de functieaanduiding gelden de regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan onder enkelbestemming Natuur (artikel 14 van de planregels), met dien verstande dat er (ook) water is toegestaan. Het bestemmingsplan geeft geen toelichting op de functieaanduiding water noch op het begrip water. Onderdelen van het planvoornemen die niet in het vigerende bestemmingsplan passen, en middels voorliggend bestemmingsplan mogelijk gemaakt worden, zijn: - het eco-toilet; - het reconstrueren van de aanlegplaatsen; - het toestaan van gemotoriseerde vaartuigen (boten) bij De Dode Hond; - het toestaan van 3 x 24 uur verblijven op het eiland, op de boot en/of in een tent naast de boot.
1.4
Andere procedure(s) en gerelateerde projecten
Er is voor dit project tevens een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld. Een samenvatting hiervan is te vinden in paragraaf 4.1. Tevens is er een cumulatietoets uitgevoerd (zie bijlage VIII) om na te gaan of effecten van andere plannen in de directe omgeving invloed hebben op het project revitalisering Dode Hond. Het enige project waarmee cumulatie van effecten zou kunnen optreden is het maaien van waterplanten Eemmeer & Zuidoever Gooimeer. De periode waarin wordt gemaaid is tussen 1 juli en 31 augustus. Van geen van de soorten waar de revitalisatie van het eiland De Dode Hond potentieel effect op heeft leidt cumulatie alsnog tot significante gevolgen. Het uitvoeren van de werkzaamheden voor de revitalisatie van het eiland en het maaien van de waterplanten in het Eemmeer & Zuidoever Gooimeer wordt niet gelijktijdig uitgevoerd en leidt daarom niet tot cumulatieve significante gevolgen. De conclusie van deze cumulatietoets is dan ook dat de revitalisatie van het eiland De Dode Hond in combinatie met andere, reeds vergunde, projecten niet leidt tot significante gevolgen op soorten met instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied Eemmeer & Zuidoever Gooimeer. In hoofdstuk 7 is de bestemmingsplanprocedure voor voorliggend plan opgenomen.
1.5
Leeswijzer
De toelichting bij voorliggend bestemmingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Na dit eerste inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van het plangebied. In hoofdstuk 3 wordt het beleidskader beschreven dat van toepassing is op de planlocatie. Hoofdstuk 4 onderbouwt de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op de omgevingsaspecten. In hoofdstuk 5 worden de planregels nader toegelicht. Vervolgens worden in hoofdstuk 6 en 7 de uitvoerbaarheid respectievelijk de bestemmingsplanprocedure beschreven. In de bijlagen zijn de volgende documenten opgenomen: - bijlage I: m.e.r.-beoordelingsnotitie; - bijlage II: natuuronderzoek; - bijlage III: vooronderzoek waterbodem; - bijlage IV: archeologisch vooronderzoek; - bijlage V: watertoets; - bijlage VI: scenario-onderzoek; - bijlage VII: geohydrologisch onderzoek; - bijlage VIII: cumulatietoets. - Bijlage IX: BPRW-toets.
11 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
2 BESCHRIJVING PLANGEBIED In dit hoofdstuk wordt het plangebied beschreven. Allereerst wordt ingegaan op de huidige situatie en vervolgens wordt ingegaan op de planbeschrijving. Voor de huidige en toekomstige situatie is een scenarioonderzoek uitgevoerd (zie bijlage VI).
2.1
Huidige situatie
Het eiland De Dode Hond is omstreeks 1964 opgespoten tijdens de aanleg van de polderdijk van Zuidelijk Flevoland. Eerst werd een kade van 2,50 m hoogte aangelegd, die werd opgespoten met zand uit het Randmeer. Om het eiland te beschermen tegen de invloeden van de golven vanuit het Eemmeer zijn aan de buitenzijde van de kade kraagstukken aangebracht. De kraagstukken bestaan uit rijshout en de bestorting hoofdzakelijk uit Belgisch steen. Binnen de zandkade werd baggerspecie, voornamelijk bestaand uit humeuze klei, gestort. Dit materiaal was vrij gekomen door het uitbaggeren van de vaargeul en de geul die de basis ging vormen voor het dijklichaam van Zuidelijk Flevoland.
Afbeelding 2.1 De ontwikkeling van Dode Hond (bron: https://www.gastvrijerandmeren.nl)
De oevers bestaan voornamelijk uit moerasvegetaties met slikranden. Op het eiland zijn wilgenbossen en struwelen aanwezig. Het grootste gedeelte van het eiland bestaat uit onbegaanbaar natuurgebied. In de haven kunnen recreanten aanleggen met boten bij aangewezen aanlegplaatsen. In de huidige situatie zijn er 45 aanlegplaatsen gemotoriseerde en ongemotoriseerde vaartuigen en 4 aanlegplaatsen voor kano’s. Ook kunnen recreanten gebruik maken van het water rondom het eiland om voor anker te gaan en in de luwte te liggen. Bezoekers kunnen in de huidige situatie een rondje rondom het eiland lopen via een wandelpad dat in de maanden september tot en met februari gebruikt kan worden.
12 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
In het kader van het revitaliseringsproject is in 2019 al een nieuwe vaarroute aangebracht waardoor de aanleghaven van het eiland beter en met minder overlast van waterplanten te bereiken is. Ook aan de zuidwestkant en noordoostkant van het eiland is in 2019 recreatiebetonning aangebracht. De laatste jaren neemt de overlast van waterplanten in het Eemmeer dusdanig toe dat de haven van de Dode Hond in een deel van het vaarseizoen lastig bereikbaar is. Door binnen de recreatiebetonning waterplanten te maaien, ontstaat een waterplantvrije route naar het eiland. Rondom het eiland blijven de waterplanten ongemoeid wat een natuurlijke bescherming biedt voor de vogels.
2.2
Toekomstige situatie
Voor het revitaliseren van het natuureiland De Dode Hond is een ontwerp opgesteld. Afbeelding 2.2 geeft een overzicht van de voorziene maatregelen aan het eiland De Dode Hond. Deze maatregelen voor de aanlegvoorziening richten zich met name op het aanleggen van 2 vooroevers (geel omcirkeld) waardoor er een beschutte baai voor de huidige oever van het eiland ontstaat en de effecten van golfslag geminimaliseerd worden. Daarnaast worden er enkele nieuwe recreatieve voorzieningen gerealiseerd zoals een informatiebord, extra kano-aanlegplekken en een eco-toilet (rood omcirkeld). Tot slot wordt er ook een toegangsgeul aangelegd van de vaargeul naar het eiland (paars omcirkeld). De uitbreiding van de aanlegvoorziening is met oog voor natuur ontworpen. Zo is er bijvoorbeeld voor gekozen om de toegangsgeul aan de noordoostzijde aan te leggen, aansluitend op de hoofdvaargeul, zodat belangrijke natuurwaarden aan de zuid- en zuidwestkant van het eiland behouden blijven en de aanlegvoorziening beter bereikbaar is. Daarnaast vindt op de vooroevers natuurontwikkeling plaats en liggen de boten meer verspreid in de havenkom.
Afbeelding 2.2 Ontwerp herinrichting De Dode Hond en havenkom eiland De Dode Hond (bron: Bureau Maris maart 2020)
13 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Meer concreet zijn de onderstaande maatregelen voorzien: - het behoud van natuurrecreatie en geen intensieve vormen van dag- of verblijfsrecreatie toestaan: · toestaan van 3 x 24 uur verblijven op het eiland, op de boot en/of in een tent naast de boot; · toestaan van gemotoriseerde en ongemotoriseerde pleziervaartuigen (boten) bij De Dode Hond; - het reconstrueren van de 45 nu al aanwezige aanlegplaatsen. Hiervoor worden: · de nu aanwezige ligboxen (palen) in de havenkom verwijderd, waardoor boten in het vervolg ook in de bestaande havenkom langszij aanleggen; · er daarvoor in de plaats verspreid aan de nieuwe vooroevers 4 nieuwe steigers in het water gerealiseerd; · naast deze aanlegplaatsen voor pleziervaartuigen aan de nieuwe oostelijke vooroever ook 3 extra aanlegplaatsen voor kano’s gecreëerd als toevoeging op de 4 al aanwezige aanlegplaatsen aan de bestaande drijvende steiger; - tussen de nieuwe steigers/aanlegplaatsen, aan de binnenzijde van de aanlegvoorziening, worden natuurvriendelijke oevers aangelegd; - het aanleggen van 2 vooroevers. De geplande oppervlakte bedraagt circa 9.850 m2 (0,99 ha) voor de oostelijke vooroever en 4.350 m2 (0,44 ha) voor de zuidwestelijke vooroever. De hiervoor benodigde grond wordt gewonnen bij de baggerwerkzaamheden ten behoeve van de realisatie van de vaargeul en verdieping van de haven.
De vooroevers worden aan de buitenzijde vastgelegd door middel van een stortstenen bekleding. Het talud zal een hellingshoek hebben van circa 1 op 2,5. Het gaat hierbij om een oppervlak met stortstenen bekleding van 3.277 m2 (0,33 ha); - de oostelijk gelegen vooroever wordt deels toegankelijk gemaakt voor recreanten. De toegankelijkheid wordt gerealiseerd door het aanleggen van 2 T-steigers die de steiger met de vooroever verbindt. Op de oostelijke vooroever kan op het grasveld worden gerecreëerd alsmede gewandeld over een wandelpad met natuurlijk karakter; - de zuidwestelijke vooroever wordt ontoegankelijk en krijgt geen (hoog)opgaande beplanting en bomen, om het weidse uitzicht over het Eemmeer te behouden. Er wordt ruigteveld ontwikkeld. De aanlegplekken aan deze vooroever zullen bestaan uit tuigsteigers waardoor deze vooroever niet te betreden is; - de openingen tussen de vooroevers en tussen eilanden dienen voor doorstroming en verversing van het water; - het toegankelijk maken van de aanlegvoorziening/baai voor boten door de toegangsgeul te maaien en betonning (c.q. tonnen, boeien, bakens) aan de noordoostkant aan te leggen. De nieuwe betonde toegangsgeul wordt op voldoende diepte gebracht zodat overlast van waterplanten zoveel mogelijk wordt beperkt.
Het op diepte brengen gebeurt door te baggeren: · voor de aanvaarroute geldt dat er een vaardiepte van maximaal 4,0 m gerealiseerd gaat worden. Uitgaande van het peil op het Eemmeer van NAP -0,30 m wordt er verdiept naar maximaal NAP -4,30 m. Op dit moment ligt de bodemdiepte op gemiddeld NAP -2,43 m; · voor de aanlegvoorziening/baai geldt dat de bodemdiepte ter plaatse in de huidige situatie gemiddeld NAP -2,15 m is. Er wordt een bodemdiepte van NAP -2,50 m gerealiseerd, waardoor de vaardiepte in de nieuwe situatie 2,2 m wordt; - op de reeds bestaande landtong: · wordt een informatievoorziening gerealiseerd (met bijvoorbeeld informatie over de historie van het (Natura 2000) gebied, historie, rust en recreatie); · wordt de reeds bestaande picknickvoorziening vervangen door een nieuwe picknickplaats met zitgelegenheid; · wordt een eco-toilet gerealiseerd. De exacte plaats, wijze van uitvoering en vorm zijn nog niet bepaald; · zal spelaanleiding opgenomen worden.
Spelaanleidingen zijn inrichtingselementen die op een eenvoudige manier de mogelijkheid bieden een speelplek op natuurlijke wijze helpen inrichten en aankleden; · het gaat in totaal om een oppervlak van 10 tot 20 m2 voor de spelaanleiding, de picknickvoorziening en het eco-toilet tezamen; - het realiseren van een drijvende beheerdersunit langs de bestaande drijvende steiger in de vorm van een ponton (van 80 m2) met daarop een gebouwtje van maximaal 40 m2. De ponton zal alleen in het vaar-/recreatieseizoen (april - oktober) aanwezig zijn.
14 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
-
het jaarrond afsluiten van de ringdijk (dit is het pad dat rondom het eiland loopt) in de vorm van een lage balk met verbodsbord bij beide toegangen. Het pad wordt door de eigenaar en tevens eilandbeheerder Staatsbosbeheer niet meer onderhouden, zodat het geleidelijk aan dichtgroeit.
Scenario-onderzoek In het scenario-onderzoek is het huidige en toekomstige gebruik van het eiland inzichtelijk gemaakt. Het gehele onderzoek is opgenomen in bijlage VI. Voor de toekomstige situatie is een ondergrens en bovengrens opgenomen. In de huidige situatie ligt de bandbreedte van het aantal bezoekende recreatievaarders per dag tussen de 3 en 27 personen. In de toekomstige situatie ligt dit (met uitzondering van kanovaarders) tussen de 3 (ondergrens) en 111 (bovengrens) personen. Voor de toekomstige situatie is de bandbreedte voor kanovaarders tussen de 4 (ondergrens) en 12 (bovengrens) personen.
15 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
3 BELEIDSKADER In dit hoofdstuk worden voor onderhavig plan relevante ruimtelijk beleid beschreven. Aangegeven wordt wat de relatie is tussen het plan en het beleid en getoetst wordt of het plan in overeenstemming is met het geldende beleid.
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Omgevingswet
Naar verwachting treedt de Omgevingswet (Ow) op 1 januari 2023 in werking. De Omgevingswet betreft een wet die een verregaande vereenvoudiging van het stelsel van wetgeving voor de ontwikkeling en het beheer van de leefomgeving (omgevingsrecht) beoogt, door tientallen op dit moment vigerende wetten en honderden regels te bundelen in 1 nieuwe wet. De wet betekent een aanzienlijke inhoudelijke reductie van regels op het terrein van water, lucht, bodem, natuur, infrastructuur, gebouwen en cultureel erfgoed. Het overgangsrecht in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) en het Invoeringsbesluit Omgevingswet regelt de verhouding tussen nieuwe en bestaande regelgeving. Paragraaf 11.2 van de IOw bevat het overgangsrecht voor de kerninstrumenten van de Ow: de Omgevingsvisie, programma’s, het omgevingsplan, de omgevingsverordening en waterschapsverordening, algemene rijksregels, de omgevingsvergunning, het projectbesluit en instructieregels. De uitwerking van het overgangsrecht kan overigens nog wijzigen in de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voor de Invoeringswet Omgevingswet. Dit bestemmingsplan in relatie tot de Omgevingswet Op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, gaat dit bestemmingsplan op in het omgevingsplan van de gemeente. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft namelijk iedere gemeente van rechtswege 1 omgevingsplan (artikel 22.1 Ow).
Het overgangsrecht, beschreven in de Invoeringswet Omgevingswet (IOw), regelt dat de gemeente in 2022 in ieder geval een omgevingsplan heeft dat gevuld is met (1) de regels die van rijksniveau naar gemeenteniveau gaan en (2) de bestaande ruimtelijke plannen en een aantal verordeningen (artikel 1.1, onderdeel JI IOw). Deze 2 onderdelen vormen samen het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Bestaande ruimtelijke plannen en verordeningen worden dus onderdeel van het omgevingsplan. Het gaat om de volgende plannen en verordeningen: - bestemmingsplannen (Wet ruimtelijke ordening, Crisis- en herstelwet); - wijzigingsplannen (Wet ruimtelijke ordening); - uitwerkingsplannen (Wet ruimtelijke ordening); - beheersverordeningen (Wet ruimtelijke ordening); - inpassingsplannen (Wet ruimtelijke ordening, Crisis- en herstelwet); - exploitatieplannen (Wet ruimtelijke ordening); - voorbereidingsbesluiten inclusief tracébesluiten die als voorbereidingsbesluit gelden (Wet ruimtelijke ordening); - archeologieverordeningen (Monumentenwet 1988); - geurverordening (Wet geurhinder en veehouderij); - verordeningen afvoer regen- en grondwater (Wet milieubeheer).
16 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Procedure Het oude recht is van toepassing op procedures die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn gestart. Op dit bestemmingsplan is derhalve de Omgevingswet nog niet van toepassing, omdat de officiële procedure van dit bestemmingsplan gestart is voor 1 januari 2023. Ook is het overgangsrecht nu zo ingestoken dat alles wat in bestemmingsplannen, beheersverordeningen en omgevingsvergunningen is geregeld in feite gewoon geldig blijft na 1 januari 2023 als onderdeel van het omgevingsplan. Daarbij dient opgemerkt te worden dat deze ‘oude situatie’ vanaf 1 januari 2023 wordt bevroren. Het is na 1 januari 2023 bijvoorbeeld niet meer mogelijk om het bestemmingsplan te wijzigen, ook niet op ondergeschikte punten. Daarvoor zal voor de gehele locatie een nieuw omgevingsplan moeten worden vastgesteld waarin het 'oude' bestemmingsplan in zijn geheel worden vervangen (artikel 2.26 Ow). Hiervoor hoeft niet het hele omgevingsplan al te zijn opgesteld, het kan ook een deelvaststelling zijn van het omgevingsplan. Conclusie De Omgevingswet is niet van toepassing op voorliggend bestemmingsplan, dit gaat namelijk voor de inwerkingtreding, voorzien op 1 januari 2023, in procedure. Daarom wordt het bestemmingsplan niet getoetst aan de Omgevingswet.
3.1.2
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 11 september 2020 is de Nationale omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR). De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. De NOVI beschrijft een toekomstperspectief met ambities. Daarnaast beschrijft de NOVI nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in 4 prioriteiten: 1 ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2 een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3 sterke en gezonde steden en regio’s; 4 een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Voor deze 4 prioriteiten zijn beleidskeuzes gemaakt aan de hand van 3 afwegingsprincipes: - een combinatie van functies gaat voor enkelvoudige functies; - de kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; - het voorkomen van afwentelen op toekomstige generaties. In de NOVI zijn nationale belangen geformuleerd waar de overheid op in wil zetten.
Nationaal belang 2 uit de NOVI is relevant voor voorgenomen ontwikkeling, realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit: hierbij gaat het onder andere om de kwaliteit van natuur en landschap en de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving. De revitalisatie van De Dode Hond ziet op het combineren van functies, in dit geval beleving van de fysieke leefomgeving door middel van recreatie en bescherming van de natuurwaarden, en past daarmee binnen dit nationale belang. Conclusie De NOVI legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in het NOVI.
17 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
3.1.3
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening bevestigt in juridische zin de kaderstellende uitspraken uit de NOVI ten aanzien van de daarin genoemde nationale belangen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan de versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening in werking getreden. Het Barro is één van de uitvoeringsinstrumenten die kunnen worden ingezet om het Rijksbeleid in het beleid van lagere overheden te laten implementeren. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn onder andere de ecologische hoofdstructuur, elektriciteitsvoorziening, toekomstige uitbreiding hoofd(spoor)wegennet, veiligheid rond Rijksvaarwegen, verstedelijking in het IJsselmeer, bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament en toekomstige rivierverruiming van de Maastakken. In artikel 2.12.2 van het Barro is opgenomen dat een bestemmingsplan geen landaanwinning mogelijk kan maken in IJsselmeergebied. Dit geldt echter niet bij een totale oppervlakte van ten hoogste 5 ha per gemeente, ten behoeve van natuurontwikkeling, of andere bestemmingen dan natuurontwikkeling aansluitend op de bestaande bebouwing (artikel 2.12.2, sub 2, lid f Barro).
Sinds de inwerkingtreding van het Barro heeft de gemeente Blaricum 0 ha van haar toegestane hoeveelheid gebruikt. Het geplande oppervlakte van de vooroevers in het kader van voorliggend plan bedraagt circa 9.850 m2 (0,99 ha) voor de oostelijke vooroever, 4.350 m2 (0,44 ha) voor de zuidwestelijke vooroever, en 3.277 m2 (0,33 ha) voor de stortstenen bekleding en vallen binnen de bestemming natuur. Het planvoornemen, dat opgeteld een ruimtebeslag heeft van in totaal 1,76 ha, past derhalve binnen de wettelijk toegestane 5 ha. Conclusie De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in het Barro.
3.1.4
Ladder voor duurzame verstedelijking
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe laddersystematiek geldt. Deze regeling staat beschreven in artikel 3.1.6 Bro. Het bevoegd gezag moet voldoen aan een motiveringsvereiste als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt via een bestemmingsplan, uitwerkings- of wijzigingsplan, of een omgevingsvergunning. Zo bevat een dergelijk plan een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het plan een ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. De laddertoets moet worden uitgevoerd wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is in het Bro gedefinieerd als een ‘ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Mede aan de hand van jurisprudentie is duidelijk welke ontwikkelingen al dan niet worden aangemerkt als (nieuwe) stedelijke ontwikkeling.
Het voornemen dat voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt, valt niet onder een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling. betreft geen ontwikkeling Jurisprudentie (nieuwe) stedelijke ontwikkeling De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 28 juni 2017 een overzichtsuitspraak (zaaknummer 201608869/1) gedaan over de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking. De uitspraak bevat de hoofdlijnen van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over de eisen
18 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
waaraan een bestemmingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, moet voldoen. De overwegingen 1 tot en met 12.8 van deze uitspraak bieden een overzicht op hoofdlijnen van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak over de ladder voor duurzame verstedelijking. Link naar overzichtsuitspraak: https://www.raadvanstate.nl/@107931/201608869-1-r3/. Volgens de uitspraak vallen onder andere een hotel, een zorgvoorziening, een long stay parkeerplaats ten behoeve van een goederenwegvervoerbedrijf en een mestvergistingsinstallatie met een capaciteit van max. 36.000 ton mest per jaar onder ‘andere stedelijke voorziening’. Hier valt voorliggend voornemen niet onder. Conclusie Het voornemen dat voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt, valt niet onder een (nieuwe) stedelijke ontwikkeling en hoeft niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.1.5
Nationaal Waterplan (NWP)
De hoofddoelstelling voor waterbeheer in Nederland is vastgelegd in het Nationaal Waterplan (NWP). Het Nationaal Waterplan 2016-2021 vormt het kader voor de regionale waterplannen en de beheerplannen. Er is geen formele hiërarchie tussen deze plannen, maar op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel) kan bij het vaststellen van een regionaal waterplan of een beheerplan niet zomaar worden afgeweken van het Nationaal Waterplan. De looptijd van het Nationaal Waterplan 2016-2021 is van 22 december 2015 tot 22 december 2021. Het Nationaal Waterplan (en alle andere plannen op grond van de Waterwet) worden elke 6 jaar herzien. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 zijn verwerkt: - hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid; - gewenste ontwikkelingen, de werking en de bescherming van de watersystemen in Nederland; - benodigde maatregelen en ontwikkelingen; - beheerplannen voor de stroomgebieden; - beheerplannen voor de gebieden met overstromingsrisico; - mariene strategie; - beleidsnota Noordzee; - functies van de Rijkswateren. Het Nationaal Waterplan kent een beschouwing van waterkwaliteit, waterveiligheid en zoetwater met daarnaast een gebiedsgerichte uitwerking. Als gevolg van klimaatverandering krijgen we te maken met langere perioden van droogte en hevigere neerslag.
In het Nationaal Waterplan wordt de ambitie uitgesproken om Nederland in 2050 zo goed mogelijk waterrobuust en klimaatbestendig in te richten. Hierbij is klimaatbestendig en waterrobuust beleid en handelen uiterlijk in 2021 het uitgangspunt. Voor voorliggend bestemmingsplan is de watertoets uitgevoerd, waarbij is gekeken naar de invloed op watersysteem, -peil, -kwaliteit en afwatering door het voornemen (paragraaf 4.6). Gebleken is dat dit niet of nauwelijks invloed heeft op de genoemde aspecten. Daarmee is voldaan aan het Nationaal Waterplan. Conclusie Het Nationaal Waterplan legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in het Nationaal Waterplan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie Noord-Holland 2050
De Omgevingswet schrijft voor dat iedere provincie een omgevingsvisie vast stelt. De omgevingsvisie komt in de plaats van structuurvisies, verkeers- en vervoersplannen, delen van de natuurvisie en milieubeleidsplannen. In de omgevingsvisie legt de provincie haar ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving voor de lange termijn vast. De provincie stelt 1 omgevingsvisie voor het hele grondgebied vast.
19 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
De Omgevingsvisie heeft als hoofdambitie dat er een balans is tussen economische groei en leefbaarheid. Er zijn randvoorwaarden opgesteld voor: - garantie basiskwaliteit leefomgeving en waar mogelijk verbetering; - omgang met klimaatverandering; - passend ontwikkelen en behouden van (karakteristieke) landschappen; - zo veel mogelijk natuurinclusief ontwikkelen passend bij de context; - geclusterd ruimtelijk economische ontwikkelingen rond infrastructuur; - rekening houden bij ontwikkelen met de ondergrond. Gooi en Vechtstreek is een regio waarbinnen hoge kwaliteit van leven en zorg centraal staat. Topografisch bekeken wisselen verstedelijkte delen zich af met bovenregionale landschappen zoals de Randmeren waarbinnen De Dode Hond gelegen is. Generieke kritische succesfactoren zijn voldoende samenwerking tussen alle partijen en vertaling van inzichten in uitvoeringsprogramma’s om gebiedsspecifieke invulling te geven aan de leefomgevingskwaliteit gekoppeld aan gewenste ontwikkelingen, bereidheid om bij alle nieuwe ruimtelijke (her)ontwikkelingen rekening te houden met de grenzen van het watersysteem, goede bereikbaarheid van natuur- en recreatiegebieden via groenblauwe verbindingen in belang van het welzijn en de gezondheid van onze inwoners en bezoekers, en voldoende ruimte voor nieuwe duurzame technologische ontwikkelingen.
Wel is het belangrijk dat ontwikkelingen en beheer passend zijn bij de waarden van het landschap en ecologische kwaliteiten. Waterbeheer, natuurbeheer en recreatie moeten in samenhang worden aangepakt. Hoe het planvoornemen zich verhoudt tot de natuurwaarden in het gebied en welke maatregelen getroffen zullen worden om natuur en ecologie te beschermen wordt nader toegelicht in paragraaf 4.2 van onderhavig rapport. Er is geen sprake van direct of indirect negatief effect op Natura 2000. Oppervlakteverlies van NNN wordt gecompenseerd. Op basis daarvan kan in ieder geval geconcludeerd worden dat het aspect natuur het voornemen niet in de weg staat. Conclusie De Omgevingsvisie legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in de Omgevingsvisie.
3.2.2
Omgevingsverordening NH2020
De Omgevingsverordening NH2020 is vastgesteld op 22 oktober 2020 door Provinciale Staten. De verordening geldt voor het gehele grondgebied van de provincie Noord-Holland en bevat regels voor de inrichting van de fysieke leefomgeving. De regels zijn een juridische vertaling van de doelstellingen uit de omgevingsvisie van de provincie. NNN Zoals in paragraaf 3.2.1 is beschreven is in de Omgevingsvisie2050 is opgenomen dat ontwikkelingen en beheer passend zijn bij de waarden van het landschap en ecologische kwaliteiten. Eén van de regimes uit de omgevingsverordening om landelijk gebied te beschermen is het Natuurnetwerk Nederland (NNN), waarmee een passend beschermingsniveau is geborgd (in artikel 6.43 van de omgevingsverordening). Het NNN is gericht op behoud en bescherming van de wezenlijke kenmerken en waarden van natuur en landschap. Het eiland De Dode Hond ligt in het NNN-gebied De Kampen, Huizerhoef en De Dode Hond (zie afbeelding 3.1).
20 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Afbeelding 3.1 Ligging en begrenzing NNN-gebied De Kampen, Huizerhoef en De Dode Hond
In bijlage 5 van de Omgevingsverordening 2020 is het document ‘De Kampen, Huizerhoef en De Dode Hond’ opgenomen, waarin de wezenlijke kenmerken en waarden zijn vastgelegd. Hierin staat dat De Dode Hond een beperkte recreatiefunctie heeft. Er is een wandelpad aanwezig om het eiland dat beperkt toegankelijk is (deze is namelijk afgesloten in het broedseizoen), er kunnen boten aanleggen en er mag worden overnacht. Als potentiële waarden is opgenomen dat het eiland ontoegankelijk wordt gemaakt voor recreatie. Dit bevestigt de keuze voor het ruime bestemmingsplangebied en het wegbestemmen van de recreatiefunctie. Uit artikel 6.43 van de omgevingsverordening blijkt dat: - een bestemmingsplan strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden; - bij het stellen van de regels van een bestemmingsplan moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen; - een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het Natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden.
In afwijking hiervan kan een bestemmingsplan nieuwe activiteiten mogelijk maken, indien: · er sprake is van een groot openbaar belang; · er geen reële alternatieven zijn; · de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd. In paragraaf 4.2 is onderbouwd dat voldaan wordt aan artikel 6.43 van de Omgevingsverordening. Er is sprake van een (gering) oppervlakteverlies van circa 10-20 m2. Dit (geringe) oppervlakteverlies zorgt niet voor een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeheertypen op het eiland De Dode Hond. Het oppervlakteverlies wordt, overeenkomstig artikel 6.43 gecompenseerd op aan te leggen westelijke vooroever. Conclusie De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in de Omgevingsverordening.
21 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
3.2.3
Natuurbeheerplan 2021
Het Natuurbeheerplan is onderdeel van het Programma Natuurontwikkeling (PNO). Dit PNO is een nadere uitwerking van de ambities en doelstellingen zoals die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie op het gebied van biodiversiteit. Met het PNO wordt de samenhang tussen verwerving, inrichting en beheer van natuur tot uitdrukking gebracht. Bij de uitvoering van het beheer van de natuur en het landschap zijn veel partijen betrokken. De provincie stelt de kaders voor het beheer door het vaststellen van een Natuurbeheerplan. Op basis van het Natuurbeheerplan kunnen beheerders bij de provincie een subsidie aanvragen voor de uitvoering van dit beheer. Het Natuurbeheerplan bevat de natuurdoelen met betrekking tot natuur, het Natuur Netwerk Nederland (NNN) en de doelen en begrenzing van de zoekgebieden voor agrarisch natuur- en waterbeheer. Het Natuurbeheerplan bestaat uit 3 kaarten: beheertypenkaart, ambitiekaart en de vaarlandtoeslagkaart. De beheertypenkaart geeft alle beheerwaardige natuur- en landschapswaarden weer. Elk beheertype kent een beschrijving van, onder andere, de kenmerkende natuur- en landschapswaarden en eisen die aan het beheer gesteld worden. De ambitiekaart geeft de natuurgebieden weer waar de ambitie bestaat om het huidige gebruik of het beheer te veranderen.
Op de vaarlandtoeslagkaart staat alleen vaarland met de volgende natuurtypen: moerassen, voedselarme venen en vochtige heiden, vochtige schraalgraslanden, rijke graslanden en akkers en vogelgraslanden. Voor De Dode Hond geldt het volgende: Het oplichtende deel (zie afbeelding 3.2) heeft als beheertype kruiden- en faunarijk grasland. De rest (het overgrote deel) van het eiland heeft als beheertype Haagbeuken- Essenbos.
Afbeelding 3.2 Natuurtypen en landschapstypen (bron: geoapps.noord-holland.nl/GeoWebP/index.html?viewer=nbp)
In paragraaf 4.2 is onderbouwd dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor het voornemen. Er is sprake van een (gering) oppervlakteverlies van circa 10-20 m2. Dit (geringe) oppervlakteverlies zorgt niet voor een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de natuurbeheertypen op het eiland De Dode Hond. Het oppervlakteverlies wordt gecompenseerd op de aan te leggen westelijke vooroever. Conclusie Het Natuurbeheerplan legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in het Natuurbeheerplan.
22 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
3.2.4
Visie waterrecreatie Noord-Holland 2030
De visie waterrecreatie Noord-Holland 2030 behelst een visie voor de langere termijn tot en met 2030, waarin de opgaven en ontwikkelingen op het gebied van waterrecreatie, en een langetermijnplanning en -sturing zijn vastgelegd. Er is ingespeeld op trends en ontwikkelingen, zoals klimaatverandering, digitalisering, gezondheidsbewustzijn, vergrijzing, de trek naar de stad, toenemend internationaal toerisme en de waardering van lokale en duurzame initiatieven. De visie richt zich met name op de ambities en opgaven op een hoger (regionaal) schaalniveau. Deze worden thematisch en gebiedsgericht uitgewerkt. Goede verbindingen in het vaarnetwerk en de mogelijkheid tot het varen van rondjes zijn randvoorwaarden voor waterrecreatie. Een goed ontsloten routenetwerk is aantrekkelijk voor kansrijke verbindingen tussen water- en landrecreatie. De thematische opgaven omvatten overkoepelende ambities en opgaven die in de hele provincie Noord-Holland, dus in elk van de 4 regio’s, spelen. De thema’s zijn achtereenvolgens: Water is van ons allemaal, Water doet de economie stromen, en Water verbindt. Kenmerkend voor waterrecreatie in de wateren rondom Flevoland is de kust en de bijbehorende Randmeren. Hier zijn diverse (vaak grote) jachthavens gelegen. Ook biedt de kust goede mogelijkheden voor oeverrecreatie.
De grootste vaarwegbeheerders geven gezamenlijk uitvoering aan de beheeragenda, deze beheeragenda omvat de gezamenlijke opgaven op het gebied van veiligheid, duurzaamheid, taken en bevoegdheden, bediening, gezamenlijke programmering, voorzieningen en waterplanten. Bij deze uitwerking worden ook gemeenten, recreatieschappen, Coöperatie Gastvrije Randmeren en Plassenschap betrokken. Voor het Eemmeer bestaat de ambitie voor 2030 om waterrecreatie en natuur te combineren. Met de vooroevers worden aanlegplaatsen voor recreatievaartuigen gereconstrueerd en op de westelijke vooroever wordt natuur gerealiseerd. Hiermee worden de functies recreatie en natuur gecombineerd en wordt voldaan aan de Visie Waterrecreatie. Conclusie Het planvoornemen is in lijn met de Visie waterrecreatie Noord-Holland 2030. De visie staat de uitvoering van het planvoornemen niet in de weg.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Strategische Visie Blaricum Herijking
De strategische visie schetst een beeld van de ontwikkelingsrichting van Blaricum voor de komende 10 jaar. De gemeenteraad heeft de definitieve versie van de strategische visie op 26 januari 2021 vastgesteld. De visie laat zien wat de huidige en gewenste identiteit van Blaricum is en hoe de gemeente Blaricum er in 2030 uitziet. De visie is een herijking van de strategische visie 2010 en de hoofdlijnen hiervan zijn overgenomen in deze herijking. De volgende relevante ambities zijn in de visie geformuleerd: - voorzieningen en bedrijvigheid: aantrekkelijke recreatieve- en sportvoorzieningen; - groene en openbare ruimte: in stand houden waardevol open landschap en structuren, agrarische, natuur- en heidegebieden ondanks toenemende (regionale) druk van wonen-werken-vervoer. Wat betreft voorzieningen en bedrijvigheid is er in de gemeente voldoende ruimte voor cultuur, sport en recreatie. Verder zijn er tal van routes om fietsend, wandelend en varend te genieten van alles wat de natuur en het unieke landschap te bieden heeft. Op het gebied van groene en openbare ruimte staat natuurbehoud voorop. Natuurgebieden zijn daarbij ook steeds belangrijker voor recreatie en zijn daarom, waar mogelijk, toegankelijk en goed ontsloten. De vigerende functieaanduiding recreatie op De Dode Hond wordt verkleind, zodat hier enkel natuur mogelijk is.
Daarnaast wordt het eiland beter bereikbaar voor recreatie door de vooroevers en toegangsgeul. Het voornemen staat daarmee niet in de weg aan de ambities uit de Strategische Visie Blaricum Herijking.
23 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Conclusie De strategische visie legt geen beperkingen op ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling. De planvoornemens zijn in lijn met het beleid zoals opgenomen in de strategische Visie.
24 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
4 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN In het kader van gemeentelijke besluitvorming dient bij een bestemmingsplan door middel van een integrale ruimtelijke benadering nadrukkelijk rekening te worden gehouden met de consequenties van het plan voor de omgeving en omwonenden. Het bevoegd gezag is namelijk verantwoordelijk voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dit gebeurt in het kader van een ‘goede ruimtelijke ordening’. Het beginsel van een goede ruimtelijke ordening is van toepassing voor alle ruimtelijke ontwikkelingen. De effecten op de leefomgeving worden in dit hoofdstuk door middel van de bespreking van diverse omgevingsaspecten in beeld gebracht en afgewogen, en hiermee wordt de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond.
4.1
Vormvrije m.e.r.-beoordeling
Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
4.1.1
Toetsingskader
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is het gevolg van de uitspraak van het Europese hof over de manier waarop de EU-richtlijn in de Nederlandse regelgeving was geïmplementeerd. De essentie van die uitspraak is dat altijd de m.e.r. noodzakelijk is als belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten. De drempelwaarden in het Besluit m.e.r. (kolom 2 'gevallen' in de D-lijst) zijn gebaseerd op algemene kenmerken van een activiteit en een globale aanname dat bij gevallen onder de drempelwaarde geen belangrijke nadelige milieugevolgen zullen optreden. Dat hoeft echter niet altijd het geval te zijn. In bepaalde gevallen kan een activiteit met een kleinere omvang wel degelijk belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. De vormvrije m.e.r.-beoordeling is daarom bedoeld als waarborg dat in dergelijke gevallen de m.e.r.(-beoordelingsplicht) niet over het hoofd wordt gezien. Het ten onrechte niet doorlopen van een m.e.r. doet immers geen recht aan de bedoeling van m.e.r. en is een risico in de procedure. M.e.r.-beoordelingsplicht Als een besluit wordt voorbereid over activiteiten die voorkomen op de D-lijst uit de Bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage, is een m.e.r.-beoordeling nodig. In de D-lijst staat activiteit D10 over ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van jachthavens’.
De drempelwaarde is hierbij onder meer een oppervlakte van 10 ha of meer in een gevoelig gebied (zie tabel 4.1). Het project Revitalisering Dode Hond vindt plaats in een gevoelig gebied (Natura2000 en NNN), maar omvat minder dan 10 ha. In dat geval volstaat een vormvrije m.e.r.-beoordeling.
25 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Tabel 4.1 Uitsnede Onderdeel D. Activiteiten, plannen en besluiten waarvoor een plan-m.e.r. of een m.e.r.-beoordeling nodig is zoals beschreven in de artikelen 7.16 tot en met 7.20 van de Wet Milieubeheer
D 10
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Kolom 4
activiteiten
gevallen
plannen
besluiten
de aanleg, wijziging of uitbreiding van: a. skihellingen, skiliften, kabelspoorwegen en bijbehorende voorzieningen; b. jachthavens; c. vakantiedorpen en hotelcomplexen buiten stedelijke zones met bijbehorende voorzieningen; d. permanente kampeeren caravanterreinen; of e. themaparken
in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. 250.000 bezoekers of meer per jaar; 2°. een oppervlakte van 25 ha of meer; 3°. 100 ligplaatsen of meer; of 4°. een oppervlakte van 10 ha of meer in een gevoelig gebied
de structuurvisie, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Wet ruimtelijke ordening, en de plannen, bedoeld in de artikelen 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van die wet, de vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied, het reconstructieplan, bedoeld in artikel 11 van de Reconstructiewet concentratiegebieden en het plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden
de vaststelling van het inrichtingsplan, bedoeld in artikel 17 van de Wet inrichting landelijk gebied dan wel een plan bedoeld in artikel 18 van de Reconstructiewet concentratiegebieden dan wel bij het ontbreken daarvan het plan bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet ruimtelijke ordening dan wel bij het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet
4.1.2
Conclusie
De vormvrije m.e.r.-beoordeling is opgenomen in bijlage I. Hieruit volgt dat er geen belangrijke nadelige effecten op het milieu worden verwacht vanwege het voornemen. Daarom is het doorlopen van een procedure voor milieueffectrapportage niet noodzakelijk geacht.
4.2
Natuur
In de volgende paragrafen wordt ingegaan op de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het ontwerp vanuit het oogpunt van natuur. Er is een Quickscan Natuur uitgevoerd die is opgenomen in bijlage II. In de quickscan Natuur zijn de effecten van het plan op de natuurwaarden beschreven en beoordeeld
4.2.1
Toetsingskader
De Wet natuurbescherming regelt op hoofdlijnen 3 zaken: 1 bescherming van planten- en diersoorten; 2 bescherming van de in het kader van Europees natuurbeleid aangewezen Natura 2000-gebieden; 3 bescherming van bos en houtopstanden. Soortenbescherming Ten aanzien van soortenbescherming maakt de Wet natuurbescherming onderscheid in 3 categorieën: - vogels: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn; - habitatrichtlijnsoorten: dit zijn soorten uit bijlage IV van de Habitatrichtlijn, bijlage I en II van het Verdrag van Bern en bijlage II van het Verdrag van Bonn; - andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om een aantal zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten.
26 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
Voortplantingsplaatsen en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving zoals foerageergebieden of vliegroutes) van beschermde soorten uit de eerste en tweede categorie mogen niet (opzettelijk) verstoord of vernietigd worden. Daarnaast mag geen enkele beschermde soort (opzettelijk) worden gedood of verwond. Bij vogels zijn daarnaast de nesten van belang. Er zijn 5 categorieën broedvogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1-4) of waarvan de nesten beschermd zijn als er onvoldoende alternatieven zijn (categorie 5). De categorie ‘andere soorten’ gaat om soorten die niet onder de Habitatrichtlijn of Vogelrichtlijn vallen. Deze soorten worden beschermd vanwege de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren beschermd moeten worden. De overige soorten uit deze bijlage worden om ecologische redenen beschermd. Hiermee wordt door Nederland uitvoering gegeven aan het Biodiversiteitsverdrag om de staat van instandhouding van dier- en plantsoorten te garanderen. Omdat onder de categorie ‘andere soorten’ ook veel algemene soorten vallen, kan de provincie een lijst opstellen waarin een aantal soorten wordt vrijgesteld. Deze lijst vormt een bijlage bij de Omgevingsverordening NH2020. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing worden aangevraagd van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming.
Gebiedsbescherming Natura 2000 De minister van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Ten aanzien van gebiedsbescherming geldt dat de Wet natuurbescherming de bescherming van Natura 2000-gebieden regelt. Het beschermingsregime voor Natura 2000-gebieden nagenoeg gelijk blijft aan de bepalingen uit de voormalige Natuurbeschermingswet 1998. Voor beschermde natuurmonumenten geldt echter dat de beschermingsstatus van deze gebieden in de nieuwe wet is komen te vervallen. Toetsing aan (oude doelen van) beschermde natuurmonumenten is derhalve vanaf het moment van inwerkingtreding van de Wet natuurbescherming niet meer noodzakelijk. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland, de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS), zorgt voor een aaneengesloten netwerk van natuurgebieden en natuurontwikkelingsgebieden die met elkaar verbonden worden door ecologische verbindingszones. Houtopstanden Het omhakken of rooien van bossen is niet zomaar toegestaan in de Wet natuurbescherming.
Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: - alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen; - alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); - bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de 'bebouwde kom Boswet' bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de 'bebouwde kom Verkeerswet'. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd.
4.2.2
Resultaten
Soortenbescherming Door middel van een bureaustudie (raadplegen van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF)) en een veldbezoek in 2014 is de aanwezigheid van beschermde flora en fauna in of rondom het plangebied vastgesteld. De quickscan is te vinden in bijlage II. In tabel 4.2 worden de belangrijkste waarnemingen, effecten en conclusies toegelicht. Om de maatregelen uit de tabel te borgen wordt tijdens de uitvoering conform een ecologisch werkprotocol gewerkt.
27 | 55
Witteveen+Bos | 114638/22-007.584 | Definitief 044
In de volgende tabel zijn de bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten samengevat.
Tabel 4.2 Bevindingen en conclusies ten aanzien van de beschermde soorten Soortgroep
Beschermde soorten in het plangebied of directe omgeving aanwezig?
Kans op overtreding verboden Wnb?
Gevolgen?
Ontheffing aanvragen Wnb?
vaatplanten
nee
nee
geen, wel zorgplicht
nee
zoogdieren
ja, voorkomen van bijlage A soorten zoals egel, konijn, haas en vos is niet uit te sluiten
nee, vrijstelling binnen de provincie Noord-Holland
geen, wel zorgplicht
nee
ja, het incidenteel voorkomen van bever ter hoogte van het plangebied kan niet worden uitgesloten
nee, het plangebied vormt geen essentieel onderdeel van het leefgebied en er zijn voldoende uitwijkingsmogelijkheden aanwezig
geen, wel zorgplicht
nee
het voorkomen van eventuele passerende boommarters kan niet worden uitgesloten
ja, indien de werkzaamheden plaatsvinden in de kwetsbare periode van de boommarter
ja, om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd buiten de actieve periode van deze soort
nee, mits mitigerende maatregelen worden getroffen
ja, in en rond het plangebied zijn mogelijk bomen aanwezig die geschikte verblijfplaatsen bieden voor boombewonende vleermuissoorten zoals rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis
ja, indien door de geplande werkzaamheden verblijfplaatsen worden aangetast/verloren gaan of vleermuizen worden verstoord/gedood
ja, indien in het kader van de werkzaamheden bomen worden gekapt wordt, om inzicht te krijgen in de functie van het plangebied voor vleermuizen, aanbevolen vleermuisonderzoek conform het vleermuisprotocol 2017 uit te voeren gedurende het voorjaar, zomer en najaar
ja, als wordt geconstateerd dat binnen het plangebied functies voor vleermuizen aanwezig zijn, dient te worden onderzocht in welke mate de werkzaamheden hierop een effect hebben. Wanneer aantasting/ vernietiging/verstoring onvermijdbaar blijkt, is een ontheffing in kader van de Wnb nodig
ja, aanwezigheid van foerageergebied van verschillende vleermuissoorten in en nabij het plangebied is niet uit te sluiten
ja, indien door de geplande werkzaamheden foeragerende vleermuizen worden verstoord of gedood
ja, om verstoring te voorkomen dienen de werkzaamheden te worden uitgevoerd buiten de actieve periode van deze soorten