Algemene subsidieverordening Blaricum 2024 Toelichting
Tekst van het document
Toelichting ALGEMENE TOELICHTING BIJ DE ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING BLARICUM 2024 AANLEIDING De laatst door de gemeenteraad vastgestelde Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011 wordt met de vaststelling van deze Algemene subsidieverordening Blaricum 2024 (hierna ASV) geactualiseerd. De geactualiseerde ASV is grotendeels opgesteld conform de laatste update uit 2019 van de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG. Het college stelt de nadere regelgeving op (subsidieregeling). ALGEMEEN In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) staat dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een wettelijk voorschrift. Deze eis komt voort uit de wens van de wetgever, dat de rechtszekerheid van de subsidieaanvrager en subsidieontvanger voldoende is gewaarborgd. Voor gemeenten betekent dit, dat de subsidieverstrekking moet zijn gebaseerd op een verordening van de raad (artikel 4:23, lid 1 Awb). Deze verordening moet de bestanddelen van het proces van subsidieverstrekking bevatten. De ASV beschrijft het subsidieproces en legt vast welke bevoegdheden het college heeft. Alle algemene regels over subsidieverstrekking zijn in de ASV opgenomen: indieningstermijnen, gegevens die moeten worden verstrekt, algemene weigeringsgronden en verplichtingen die voor alle subsidieontvangers gelden. Ook de reikwijdte van de verordening is opgenomen.
De Awb kent in titel 4.2 een uitgebreide regeling voor subsidieverstrekking door bestuursorganen. Bij het opstellen van de geactualiseerde verordening is nadrukkelijk gekeken naar wat al in de Awb is geregeld om zo dubbelingen zoveel mogelijk te voorkomen. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING Artikel 1. Begripsomschrijvingen In dit artikel zijn een aantal definities opgenomen. Deze definities gelden niet alleen voor deze verordening, maar ook voor de hierop te baseren regelingen. Deze definities zullen dus niet nogmaals in de verschillende subsidieregelingen opgenomen hoeven te worden. Ook kan hier niet van worden afgeweken. Onder het begrip ‘Europees steunkader’ vallen in ieder geval zowel de in dit artikel benoemde algemene groepsvrijstellingsverordeningen als de in dit artikel benoemde de-minimisverordeningen. Er is geen definitie opgenomen van subsidie. Wat onder een subsidie moet worden verstaan, is omschreven in artikel 4:21 van de Awb. Artikel 2. Reikwijdte verordening Eerste lid Het eerste lid regelt dat deze verordening van toepassing is op alle subsidies die het college verleent op de in dit lid genoemde beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen en subsidies waar, overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag voor nodig is.
Uitzonderingen op de wettelijke grondslag Er zijn vier uitzonderingen op het vereiste van een wettelijk voorschrift, op grond van het derde lid van artikel 4:23 Awb, geldt dit niet voor: a. de spoedeisende subsidieverstrekking (tijdelijk, vooruitlopend op de vaststelling van een wettelijk voorschrift); b. de Europese subsidies; c. de subsidieverstrekking op grond van een begrotingspost (in de begroting of in de toelichting bij de begroting dient de subsidieontvanger en het bedrag dat ten hoogste kan worden vastgesteld te zijn opgenomen); d. de subsidieverstrekking in een incidenteel geval (voor uitzonderlijke gevallen, als er in beginsel slechts eenmalig subsidie zal worden toegekend);
1
De ASV is ook niet van toepassing op subsidies die door het college worden verstrekt op grond van bijzondere subsidieverordeningen. De regels uit deze bijzondere subsidieverordeningen hebben voorrang boven de regels uit de ASV. Onderstaand een overzicht van deze bijzondere subsidieverordeningen: Blaricum 1. Verordening materiële en financiële gelijkstelling onderwijs gemeente Blaricum 2015; 2. Subsidieverordening dorpsvernieuwing Blaricum 2015; 3. Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs gemeente Blaricum 2015; Tweede lid In het tweede lid is opgenomen dat het college een subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid van de Awb kan verstrekken, indien de raad voor een dergelijke subsidie in de begroting financiële middelen heeft gereserveerd. Derde Lid Ten aanzien van subsidies waarvoor overeenkomstig artikel 4:23, derde lid, van de Awb geen wettelijke grondslag nodig is (zoals bijvoorbeeld incidentele subsidies) is de ASV in beginsel niet van toepassing. Het tweede deel van het derde lid geeft het college de bevoegdheid om de ASV (deels) van toepassing te verklaren als daartoe aanleiding bestaat. Artikel 3. Subsidieregelingen In artikel 3 krijgt het college de bevoegdheid om in nadere regels, hier en verder subsidieregeling genoemd, de te subsidiëren activiteiten te bepalen.
Voor zover het college iets wenst te regelen met betrekking tot de doelgroepen die voor subsidie in aanmerking komen, de berekening van de subsidie, het subsidieplafond, de verdeelregels voor het beschikbare budget en de wijze van uitbetalen, dient dit dan eveneens in de subsidieregeling te gebeuren. Artikel 4. Staatssteunregels Europese regelgeving ten aanzien van staatssteun is niet van toepassing, indien de subsidie aan burgers wordt verstrekt. Ook is geen sprake van staatssteun als de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verleend, geen ondernemingsactiviteiten zijn. Zo is een subsidie aan een amateursportvereniging geen staatssteun. Als de gesubsidieerde activiteiten wel als ondernemingsactiviteiten kunnen worden aangemerkt, is er sprake van staatssteun als de subsidie niet open staat voor alle ondernemingen, die deze activiteit uitoefenen. Er moet sprake zijn van een selectief voordeel, wil men kunnen spreken van staatssteun. Staatssteun is toegestaan als deze valt binnen een van de vrijstellingsverordeningen van de Europese staatssteunregels. Zo is er een de-minimis vrijstellingsverordening, die bijdragen aan een onderneming tot een bepaalde hoogte vrijstelt. Valt de subsidie niet binnen de reikwijdte van één van de vrijstellingsverordeningen voor staatssteun, dan is hiervoor eerst toestemming van de Europese Commissie nodig.
De steunverlening moet dan vooraf door de Europese Commissie worden genotificeerd. Voor meer informatie over de staatssteunregels kan een gemeente terecht bij het kenniscentrum Europa Decentraal. In de voorliggende geactualiseerde subsidieverordening is artikel 4, over de toepassing van de staatssteunregels overgenomen uit de model-ASV van de VNG. Om subsidies onder een Europees steunkader te brengen moet de subsidie op het toepasselijke steunkader worden toegesneden. Daarbij kan het nodig zijn dat er afgeweken wordt van de ASV, of dat deze aangevuld wordt. Het eerste lid maakt het college daartoe bevoegd. Het tweede en derde lid zijn een uitvloeisel van de eis van de Europese Commissie dat in subsidieregelingen en -beschikkingen die gebruik maken van het Europees steunkader, het toepasselijke kader expliciet wordt vermeld. Als sprake is van steun die valt onder een Europees steunkader, kunnen uiteraard alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor subsidie in aanmerking komen voor zover die voldoen aan de eisen en voorwaarden van het betreffende steunkader (lid 4). Net zo goed als dat bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, ondernemingen alleen in aanmerking komen als de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader (lid 5).
2
Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud Het college kan binnen de kaders van de door de raad vastgestelde begroting subsidieplafonds vaststellen (lid 1); bij de bekendmaking daarvan wordt tevens de door hen bepaalde wijze van verdelen vermeld (eerste lid in combinatie met artikel 4:26, tweede lid, van de Awb). De wijze van verdelen kan ook worden bekendgemaakt door te verwijzen naar de subsidieregeling waarin de wijze van verdeling is vastgelegd. In dat laatste geval zal verwezen moeten worden naar een reeds geldende subsidieregeling. In andere gevallen zal geregeld (moeten) zijn dat óf de subsidieregeling en het subsidieplafond gelijktijdig in werking treden óf dat de subsidieregeling weliswaar voor het vaststellen van het subsidieplafond in werking treedt maar dat aanvragen pas ná het vaststellen van het subsidieplafond kunnen worden ingediend. Als dit niet (juist) geregeld is kan het subsidieplafond niet worden tegengeworpen aan aanvragers die hun aanvraag in hebben gediend voor bekendmaking (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Daarnaast wordt er, indien van toepassing, gewezen op de mogelijkheid het subsidieplafond te verlagen (tweede en derde lid, zie verder hieronder). De raad stelt uiteraard nog steeds de financiële kaders vast (in de begroting). Het is binnen die kaders dat het college vervolgens de subsidieplafonds kan vaststellen.
Het college, dat via artikel 2 de bevoegdheid gedelegeerd heeft gekregen om te besluiten over het verstrekken van subsidies, is verder verplicht – in lijn met de mogelijkheid van artikel 4:34, eerste lid, van de Awb – (in bepaalde gevallen) om bij het gebruik maken van deze gedelegeerde bevoegdheid een begrotingsvoorbehoud te maken (vierde lid). Verlaging subsidieplafond lid 2 en 3 De verlaging van een subsidieplafond heeft in beginsel geen gevolgen voor aanvragen die vóór bekendmaking van de verlaging zijn ingediend (artikel 4:27, tweede lid, van de Awb). Dat is anders als aan de drie voorwaarden genoemd in artikel 4:28 van de Awb is voldaan: 1) aanvragen voor de desbetreffende subsidie moeten worden ingediend voordat de begroting is vastgesteld of goedgekeurd, 2) de verlaging vloeit voort uit vaststelling van de begroting, en 3) de mogelijkheid van verlaging is aangekondigd bij de vaststelling van het oorspronkelijke subsidieplafond. Om te waarborgen dat het college alleen overgaat tot verlaging van subsidieplafonds als die verlaging ook daadwerkelijk kan worden gebruikt zijn het tweede en derde lid opgenomen.
Het komt er op neer dat een subsidieplafond alleen kan worden verlaagd als het oorspronkelijke subsidieplafond is vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld én de aanvragen voor de vaststelling van de begroting moesten zijn ingediend én er bovendien op de mogelijke verlaging wordt gewezen bij de bekendmaking van het plafond. Begrotingsvoorbehoud lid 4 Er wordt door het college gewerkt met een begrotingsvoorbehoud. Hierbij wordt de subsidie slechts verstrekt voor zover de raad de benodigde middelen heeft vastgesteld en de begroting is goedgekeurd door gedeputeerde staten. Het kan voorkomen dat subsidies worden verstrekt voordat de begroting is vastgesteld. In de beschikking wordt dan het voorbehoud van provinciale goedkeuring van de begroting opgenomen. Als een subsidie voor meer jaren wordt verstrekt wordt de subsidie voor 1 jaar verstrekt en voor de jaren daarna op basis van begrotingsvoorbehoud beschikbaar gesteld. Met andere woorden middelen worden pas verstrekt als er voldoende middelen in de goedgekeurde begroting zijn opgenomen. Op een begrotingsvoorbehoud moet het college binnen vier weken na de vaststelling of goedkeuring van de begroting een beroep doen, anders vervalt het voorbehoud (artikel 4:34 lid 4 en 5 Awb).
Tevens dient bij het eventueel intrekken en wijzigen van een subsidieverlening rekening te worden gehouden met artikel 4:50 en 4:51 Awb.
Artikel 6. Subsidiesoorten en bevoegdheid De algemene subsidieverordening kent twee subsidiesoorten: eenmalige subsidie en meerjarige subsidie. De meerjarige subsidie wordt vaak verleend voor voortdurende activiteiten van instellingen. De eenmalige subsidie is een subsidie die voor een eenmalige activiteit of een project wordt verleend.
3
Artikel 7. Aanvraag In artikel 4:29 Awb staat dat het subsidieproces begint met een aanvraag. Zowel natuurlijke personen als rechtspersonen dienen schriftelijk een subsidieaanvraag in bij het college waarbij gebruik wordt gemaakt van het aanvraagformulier. Met ‘schriftelijk’ is meer bedoeld dan ‘op papier geschreven’. Zo kan een aanvraag ook digitaal worden gedaan, mits de digitale weg open is gesteld. In het tweede en derde lid is bepaald welke stukken en gegevens bij de aanvraag in elk geval overgelegd dienen te worden. Op het aanvraagformulier staat vermeld welke gegevens bij het college aangeleverd dienen te worden voordat een subsidie in behandeling wordt genomen. Tevens worden meer formele eisen gesteld aan instellingen, die voor de eerste maal subsidie aanvragen. Het college kan besluiten hiervan af te wijken (vierde lid); bijvoorbeeld door voor aanvragen om bepaalde subsidies meer/minder of andere gegevens en bescheiden te verlangen. Ook kan bij subsidieregeling worden afgeweken van artikel 7 (vijfde lid). Bij een subsidie aan een onderneming moet voorkomen worden dat subsidie wordt verleend die niet in overeenstemming is met de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna VWEU). Daarom zijn een tweetal aanvraagvereisten opgenomen die specifiek voor ondernemingen gelden.
Ten eerste, om ontoelaatbare cumulatie te voorkomen wordt een overzicht gevraagd van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die al zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd (tweede lid, onderdeel d). Een subsidie kan namelijk ook uit een garantie, lening, korting op de grondprijs, etc. bestaan. Ten tweede, om subsidie onder de de-minimisverordening te kunnen verlenen moet de onderneming om een de-minimisverklaring gevraagd worden (tweede lid, onderdeel d). Op basis van een ingeleverde de-minimisverklaring dient het college te controleren of verlenen van de subsidie in overeenstemming is met de de-minimisverordening. Artikel 8. Indexering Indien aangevraagd kan het college een indexering toe passen. Ieder jaar kan het college op aanvraag besluiten om wel of niet een indexering toe te passen. Indien er wel geïndexeerd wordt stelt het college vast op welke wijze er wordt geïndexeerd. Het college kan nadere richtlijnen vaststellen over de te hanteren compensatiemethodiek. Artikel 9. Aanvraagtermijn Hier worden de termijnen genoemd, waarbinnen aanvragen voor subsidie moeten zijn ingediend bij het college. In dit artikel wordt een uiterste indiendatum genoemd voor meerjarige en eenmalige subsidies. Artikel 10.
Beslistermijn Hier worden de termijnen gegeven waarbinnen het college gehouden is te beslissen op een aanvraag voor subsidie. In de Awb staan geen strikte beslistermijnen op een aanvraag om subsidie. Bij subsidieregeling kan het college besluiten af te wijken van de beslistermijnen die vastgesteld zijn in het eerste en tweede lid (derde lid). In artikel 21 van de ASV (Hardheidsclausule) is een Algemene Bevoegdheid opgenomen om andere termijnen te hanteren als een gestelde termijn voor een subsidieaanvrager of –ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de te dienen belangen. Artikel 11. Inhoud beschikking verlening Het college geeft in het besluit tot verlening van de subsidie aan waarvoor subsidie wordt verleend en op welke wijze de verantwoording van de ontvangen subsidies dient plaats te vinden. Hiermee wordt bereikt dat het voor degene, aan wie de subsidie is toegekend, van meet af aan duidelijk is aan welke voorwaarden en administratieve eisen hij dient te voldoen. In het tweede lid van artikel 11 is de mogelijkheid opgenomen dat het college bij de subsidieverlening de voorwaarde opneemt dat ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst wordt gesloten. Tevens is met dit artikel geregeld dat het college de ontvanger verplichtingen kan opleggen.
4
Artikel 12. Weigeringsgronden In het eerste lid worden de algemeen geldende weigeringsgronden van de artikelen 4:25, tweede lid, en 4:35 van de Awb, met nadere verplichte gronden aangevuld. Ondanks dat er sprake is van staatssteun is het soms mogelijk om steun te verstrekken op basis van een vrijstellingsverordening, waardoor het college kan volstaan met een lichte kennisgevingsprocedure. Als dat niet mogelijk is, kan goedkeuring van de Europese Commissie gevraagd worden via een formele aanmelding. Als de Europese Commissie de steun echter niet goedkeurt, dan moet het college overgaan tot weigering (vandaar de verplichte weigeringsgrond in het eerste lid, onder a). Wat betreft de verplichte weigeringsgrond opgenomen onder b dient het volgende opgemerkt te worden. Bepaalde Europese steunkaders verbieden – als er een bevel tot terugvordering uitstaat – alleen het verlenen van staatsteun onder de betreffende verordening; niet het verlenen van subsidies in het algemeen. Door de in het eerste lid, onder b, gekozen formulering van de weigeringsgrond in combinatie met het verplichtende karakter komt het in de ASV echter neer op een – op zichzelf verdedigbare – verbreding van de weigeringsgrond tot het verlenen van subsidies in het algemeen (als er een bevel tot terugvordering uitstaat).
In het tweede lid is een absolute weigeringsgrond opgenomen voor die gevallen dat overgaan tot subsidieverstrekking strijdigheid op zou leveren met een Europees steunkader omdat er dan subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het toepasselijke steunkader of omdat de betreffende subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het toepasselijke steunkader. Een onderneming wordt naar oordeel van de Europese Commissie beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij, zonder overheidsingrijpen, op korte of middellange termijn vrijwel zeker gedoemd is te verdwijnen. Meer informatie over dit begrip is te vinden in paragraaf 2.2 van de Richtsnoeren [van de Europese Commissie] voor reddings- en herstructureringssteun aan niet-financiële ondernemingen in moeilijkheden (2014/C 249/01). Dat er sprake moet zijn van een stimulerend effect houdt in beginsel in dat de begunstigde aanvrager door de steun in staat wordt gesteld activiteiten of projecten uit te voeren die zij anders – zonder de steun – niet had uitgevoerd. Ook houdt het in beginsel in dat de steun niet mag worden verleend voordat de activiteit wordt gestart. In het derde lid zijn nog enkele facultatieve weigeringsgronden opgenomen. Het college kan in deze gevallen weigeren, maar is daartoe niet verplicht.
Onderdelen a, c, d, e en f, spreken voor zichzelf. Onderdeel b geeft de mogelijkheid de subsidie te weigeren als de aanvrager over voldoende eigen middelen beschikt. Onder g is een weigeringsgrond opgenomen waarmee het college een aanvraag kan weigeren als subsidieverstrekking niet is toegestaan dan nadat deze overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het VWEU (de meldingsprocedure) is goedgekeurd door de Europese Commissie. Het gaat hier om subsidieverstrekking die in beginsel niet ongeoorloofd is vanwege strijdigheid met de toepasselijke cumulatieregels of overschrijding van het toegestane bedrag aan de-minimissteun. In deze gevallen kan het college óf weigeren de subsidie te verstrekken óf de subsidie melden bij de Europese Commissie om langs deze weg goedkeuring te verkrijgen. Als de Europese Commissie besluit de voorgenomen subsidieverstrekking niet goed te keuren, dan zal het college de aanvraag alsnog weigeren (zie het eerste lid, onder a). Een subsidie die is of kan worden goedgekeurd kan uiteraard ook op een andere grond worden geweigerd. Onderdeel h geeft het college de bevoegdheid in een subsidieregeling nog andere weigeringsgronden op te nemen, bijvoorbeeld weigeringsgronden die specifiek met de te subsidiëren activiteiten samenhangen.
5
Artikel 13. Algemene verplichtingen subsidieontvanger Dit artikel bevat een meldingsplicht (eerste lid) die is bedoeld als tegenhanger van het geven van meer vertrouwen in de vorm van onder andere: het niet standaard verantwoording afleggen bij subsidies tot en met € 5.000 en bevoorschotting. De subsidieontvanger is verplicht tijdig (zonder nodeloos tijdsverloop) te melden bij de gemeente als het aannemelijk is dat de gesubsidieerde activiteit niet, niet tijdig, niet geheel of niet volgens alle daaraan verbonden verplichtingen zal worden verricht. In dat geval zal de subsidie lager of op nihil worden vastgesteld of zullen nadere afspraken worden gemaakt over het aanpassen van de verplichtingen, bijvoorbeeld het geven van meer tijd voor de uitvoering van de activiteiten. Bij het niet voldoen aan deze meldingsplicht kan, indien dat achteraf mocht blijken, met toepassing van artikel 4:49 Awb alsnog de subsidievaststelling worden ingetrokken. Tevens dient de subsidieontvanger toestemming te vragen (derde lid) aan het college voor handelingen zoals opgenomen in artikel 4:71, lid 1 Awb. Artikel 14.
Inrichting administratie Dit artikel bevat een plicht voor de subsidieontvanger om de administratie zodanig in te richten dat inzicht kan worden geboden en een bewaarplicht voor de administratieve gegevens gedurende ten minste vijf jaren na afloop van de ontvangst van de vaststelling van de subsidie. Artikel 15. Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen Dit artikel bevat een bevoegdheidsgrondslag voor het college om aan de subsidie bepaalde ’bijzondere‘ verplichtingen te verbinden, in aanvulling op wat reeds mogelijk is op grond van de Awb (zie artikel 4:37 van de Awb). In het eerste lid van artikel 15 is de mogelijkheid opgenomen om bij subsidies, hoger dan € 5000 die zijn verleend voor activiteiten die meer dan één jaar in beslag nemen, de verplichting op te leggen om een (jaarlijkse) tussentijdse verantwoording aan te leveren. Hierbij dient het college vooraf te bepalen welke vereisten worden gesteld aan de tussentijdse, inhoudelijke en financiële verantwoording. Wat betreft het tweede en derde lid wordt het creëren van deze mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden geboden door de artikelen 4:38 (voor zover het betreft verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie) en 4:39 van de Awb (voor zover het betreft verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie).
In beginsel dient de verordening hiervoor een uitdrukkelijke grondslag te bieden, of – in het geval van verplichtingen die strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie – de verleningsbeschikking. Het tweede lid ziet toe op de verplichtingen die verband houden met de verwezenlijking van het doel van de subsidie. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan eisen inzake de deskundigheid van de personen die de te subsidiëren activiteit uit zullen voeren. Het derde lid maakt het mogelijk om verplichtingen op te leggen die niet strekken tot verwezenlijking van het eigenlijke doel van de gesubsidieerde activiteit. Het betreft echter geen vrijbrief, deze verplichtingen moeten wel enig verband houden met de gesubsidieerde activiteit. Het kan bijvoorbeeld gaan om het opleggen van de verplichting om een extra inspanning te leveren om een bepaalde doelgroep te betrekken bij de gesubsidieerde activiteiten of om de activiteiten op de meest milieuvriendelijke manier uit te oefenen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met het opleggen van oneigenlijke subsidieverplichtingen terughoudendheid dient te worden betracht (Kamerstukken II 1993/94, 23 700, nr. 3, p. 66). Als het college van deze aanvullende mogelijkheid gebruik maakt moet dat duidelijk gemotiveerd worden.
6
Artikel 16. Vergoeding vermogensvorming In artikel 4:41 van de Awb is bepaald dat in bepaalde gevallen de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan het bestuursorgaan. Het gaat daarbij om de volgende gevallen: - als de subsidieontvanger voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen vervreemdt of bezwaart of de bestemming daarvan wijzigt; - als de subsidieontvanger een schadevergoeding ontvangt voor verlies of beschadiging van voor de gesubsidieerde activiteiten gebruikte of bestemde goederen; - als de gesubsidieerde activiteiten geheel of gedeeltelijk worden beëindigd; - als de subsidieverlening of de subsidievaststelling wordt ingetrokken of de subsidie wordt beëindigd, of - de rechtspersoon die de subsidie ontving wordt ontbonden. Deze vergoedingsplicht echter geldt alleen als hierin is voorzien in de verordening of subsidieregeling, of – als deze ontbreken – in de subsidiebeschikking. Daarbij moet zijn bepaald hoe de hoogte van de vergoeding wordt berekend (dit hoeft geen volledige compensatie te betreffen). In de praktijk zal dit alleen aan de orde zijn bij rechtspersonen die jaarlijks subsidie ontvangen, maar het is ook mogelijk in andere gevallen. Artikel 17. Reservevorming Het vormen van een egalisatiereserve is gebaseerd op artikel 4:72 van de Awb.
Een egalisatiereserve is een reserve van de subsidie-ontvanger waaraan als bestemming het dekken van exploitatierisico’s is verbonden. De reserve wordt gevormd om tot een gelijkmatige verdeling van lasten te komen. Op grond van artikel 4:58 van de Awb is artikel 4:72 alleen van toepassing op per kalender- of boekjaar verstrekte subsidie aan een rechtspersoon en bovendien enkel als dat in de ASV, een subsidieregeling of bij de subsidieverlening is bepaald. De verplichting een egalisatiereserve te vormen als bedoeld in het eerste lid kan dus enkel aan rechtspersonen worden opgelegd, voor per kalender- of boekjaar verstrekte subsidies. Eerste lid Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt en die meer dan € 50.000 bedraagt bepalen dat de subsidieontvanger een egalisatiereserve dient te vormen (eerste lid). In dat geval komt het verschil tussen het vastgestelde subsidiebedrag en de kosten van de activiteiten waarvoor subsidie werd verleend ten gunste of ten laste van de egalisatiereserve. De reserve wordt dus gevormd uit exploitatieoverschotten om eventuele toekomstige tekorten op te vangen.
Omdat de egalisatiereserve dient om tekorten in het ene jaar te compenseren met overschotten in het andere jaar, heeft de toepassing van de egalisatiereserve alleen zin bij subsidies die in een reeks van jaren achter elkaar worden verstrekt. Tweede lid Naast een door het college opgelegde verplichting op grond van het eerste lid, kan op grond van het tweede lid elke subsidieontvanger het college schriftelijk verzoeken een egalisatiereserve op te mogen bouwen. Derde lid Het college kan bij een verleningsbeschikking voor een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt en die meer dan € 50.000 bedraagt bepalen dat de subsidieontvanger een bestemmingsreserve dient te vormen. Een bestemmingsreserve is een reserve waar een bepaalde bestemming aan is gegeven. Vierde lid Naast een door het college opgelegde verplichting op grond van het derde lid, kan op grond van het vierde lid elke subsidieontvanger het college schriftelijk verzoeken een bestemmingsreserve te mogen vormen.
7
Vijfde lid Indien de bestemmingsreserve niet volledig wordt besteed of niet binnen de gestelde termijn wordt gebruikt, dient het overblijvende bedrag of de gehele reserve opgenomen te worden in de egalisatiereserve of kan het college op verzoek toestemming verlenen het overblijvende bedrag of de gehele reserve te gebruiken voor een andere bestemming. Zesde lid Bij de subsidievaststelling wordt de egalisatiereserve hierop in mindering gebracht voor zover de toevoeging aan de reserve een bedrag gelijk of groter is dan 5% van het voor dat jaar vastgestelde subsidiebedrag. Als blijkt dat de jaarlijkse toevoeging structureel is, kan het toe te kennen subsidiebedrag worden verlaagd. Artikel 18. Wijze van subsidieverstrekking en verantwoording van subsidies tot en met € 5.000 Kenmerkend voor subsidies tot en met € 5.000 is dat deze op basis van vertrouwen worden verleend en direct kunnen worden vastgesteld. De bewijsstukken van de prestatie worden dan direct met de aanvraag meegestuurd. Ook als de activiteiten nog niet hebben plaatsgevonden. Er geldt wel een actieve meldingsplicht voor de subsidieontvanger bij niet nakoming van de voorwaarden (zie artikel 13 ASV). Het toepassen van directe vaststelling is afhankelijk van de aard van de subsidie. Steekproefsgewijze controle is mogelijk maar kan alleen in bijzondere gevallen, zoals fraude, tot terugvordering leiden.
Een subsidie tot en met € 5.000 kan ook eerst worden verleend voorafgaand aan de activiteit en na afloop daarvan ambtshalve worden vastgesteld. Hierbij wordt in de subsidiebeschikking vermeld wanneer de gesubsidieerde activiteiten moeten zijn verricht. De subsidie wordt vervolgens, binnen 13 weken na de datum waarop de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld. Door middel van het systeem ambtshalve vaststelling wordt de subsidie niet bij verstrekking reeds vastgesteld. De subsidieontvanger dient, desgevraagd, op een door het college in de beschikking aangegeven wijze aan te tonen, bijvoorbeeld door middel van een foto, persbericht, etc., dat de activiteiten, waarvoor subsidie is verleend zijn uitgevoerd. Door gebruik van ambtshalve vaststelling is het mogelijk om verstrekte subsidies tot en met 5.000 euro (steekproefsgewijs) te controleren. Artikel 19. Verantwoording subsidies tussen € 5.000 en € 10.000 In dit artikel staat aangegeven op welke wijze de subsidieontvanger een verleende subsidie, tussen € 5.000 en € 10.000 euro, aan het college dient te verantwoorden. De verantwoording is hierbij gebaseerd op een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor subsidie is verleend zijn verricht en dat aan de in de subsidiebeschikking opgenomen verplichtingen is voldaan.
Met betrekking tot het inhoudelijk verslag kan vooraf bij de subsidieverlening al zijn aangegeven op welke manieren het aantonen kan plaatsvinden. Er kunnen daarbij verschillende instrumenten worden gebruikt, zoals bestuurs- en activiteitenverslagen, een managementverklaring, een deskundigenverklaring of andere bewijsstukken (bijvoorbeeld een publicatie), enz. Het verslag kan ook bestaan uit een algemeen jaarverslag van een rechtspersoon. Naast verantwoording door middel van een inhoudelijk verslag kan het college bepalen dat bepaalde categorieën van subsidie, dan wel subsidieontvangers, niet tot verantwoording van de aan hun verleende subsidie hoeven over te gaan. Te denken valt daarbij aan subsidies van een beperkte omvang of subsidies, die aan een vertrouwde ontvanger worden verstrekt, dan wel subsidies die voor een doel worden aangewend, dat nadere verantwoording van de besteding van het geld overbodig maakt. Voorts kan het college, overeenkomstig het vierde lid, in een subsidieregeling aangeven andere bewijsmiddelen te verlangen dan een inhoudelijk verslag.
8
Artikel 20. Verantwoording subsidies vanaf € 10.000 Bij subsidies vanaf € 10.000 euro wordt uitgegaan van de traditionele afrekening van subsidies; op basis van gerealiseerde kosten en baten. De vaststelling van de subsidie vindt plaats op basis van uitgevoerde activiteiten en gerealiseerde kosten. Op grond van het tweede lid onder d., dient bij een subsidie tot en met € 50.000, bij de aanvraag tot vaststelling een bestuursverklaring conform het door het college vastgestelde Model Bestuursverklaring subsidieverantwoording Blaricum te worden gevoegd. In deze verklaring verklaart het bestuur dat de subsidie getrouw en rechtmatig is besteed. Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient ter verantwoording een accountantsverklaring aan het college te worden verstrekt. Het derde lid biedt de basis voor het college om te bepalen dat er ook andere, of minder gegevens gevraagd kunnen worden. Het vierde lid biedt de basis om in een subsidieregeling te bepalen dat er ook andere gegevens gevraagd kunnen worden. Artikel 21. Subsidievaststelling Het eerste lid bevat – overeenkomstig artikel 4:13 van de Awb – de termijn waarbinnen de beschikking gegeven dient te worden; wel bestaat de mogelijkheid tot verdagen (tweede lid). Het merendeel van de aanvragen zal binnen deze beslistermijn kunnen worden afgehandeld. Meer ingewikkelde aanvragen vergen soms meer tijd.
De verdaging van de beslistermijn biedt dan uitkomst. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet binnen de in artikel 19 en 20 van de ASV gestelde termijnen is ontvangen gaat het college 8 weken na een eenmalig schriftelijk rappel over tot ambtshalve vaststelling. Bij subsidieregeling kan het college categorieën subsidieontvangers aanwijzen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld, zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. Artikel 22. Betaling en bevoorschotting Indien er subsidie wordt verstrekt, mag ervan worden uitgegaan dat de subsidieontvanger de subsidie nodig heeft om de activiteiten daadwerkelijk uit te kunnen voeren. Dat rechtvaardigt het verstrekken van voorschotten. Bevoorschotting is alleen mogelijk nadat de subsidie is verleend en niet direct is vastgesteld. Voorschotten worden automatisch (ambtshalve) verstrekt volgens het in de verleningsbeschikking opgenomen bevoorschottingsritme. De bevoorschottingsbeschikking wordt ambtshalve gegeven op het moment van de verleningsbeschikking. De subsidieaanvrager hoeft geen aanvra(a)g(en) voor bevoorschotting in te dienen of tussentijdse overzichten van prestaties of uitgaven te overleggen.
Omdat de bevoorschotting mede afhankelijk is van de aard van de te subsidiëren activiteit is er voor gekozen om de termijnen, waarop de (automatische) bevoorschotting plaats vindt, niet in de verordening te noemen. Indien in de verleningsbeschikking niet anders is bepaald, vindt betaling van het voorschot binnen zes weken na verzending van de verleningsbeschikking plaats. Zie artikel 4:87, lid 1 Awb. Artikel 23. Hardheidsclausule Deze hardheidsclausule is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen vasthouden aan bij of krachtens de verordening gestelde termijnen of aan een artikel in de ASV wegens bijzondere omstandigheden onevenredig kan zijn tot de daarmee te dienen belangen.
9