CConstaterende datblaricum
Koppel je AI →
Document · PDF

Algemene subsidieverordening Blaricum 2024 Bijlage Was&Wordt

Gemeenteraad 9 juli 2024, gemeente blaricumBij agendapunt: Subsidieverordening Algemene 2024 gemeente Blaricum8.107 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

WAS

WORDT

Algemene toelichting: Overwegingen De laatst vastgestelde Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011 wordt met de vaststelling van deze Algemene subsidieverordening Blaricum 2024 geactualiseerd. De leidraad bij deze actualisatie is de laatste update uit 2019 van de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG, waar nodig zijn de bepalingen van de model-ASV verwerkt. Bij deze actualisatie zijn tekstuele aanpassingen doorgevoerd en is de volgorde van de artikelen aangepast.

Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. Awb: Algemene wet bestuursrecht; b. gemeente: gemeente Blaricum;

Artikel 1. Begripsomschrijvingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: - raad: de gemeenteraad van Blaricum; - college: het college van burgemeester en wethouders van Blaricum; 1

c. raad: de gemeenteraad van Blaricum; d. college: college van burgemeester en wethouders van Blaricum; e. subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door de gemeente verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor geleverde goederen of diensten; f. subsidieplafond: het totale bedrag dat als subsidie in de door de gemeenteraad vastgestelde begroting is opgenomen; g. beleidsregel: een bij raadsbesluit vastgestelde, algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan; h. uitvoeringsregel: een beschrijving van een gesubsidieerde activiteit waarin nadere regels zijn opgenomen betreffende de verstrekking van de subsidie; i. kalenderjaar: het jaar waarop de subsidie betrekking heeft lopende van 1 januari tot en met 31 december; j. subsidietijdvak: de maximale periode waarover subsidie wordt verleend en die is vermeld in het subsidieverleningsbesluit; k. algemene reserve: een reserve voor het afdekken van algemene risico’s en onvoorzienbare, niet uitstelbare en onvermijdelijke uitgaven, voor zover daarvoor geen dekking kan worden gevonden binnen de exploitatie.

De algemene reserve dient als buffer voor eventuele rekeningtekorten en maakt onderdeel uit van het weerstandsvermogen; l. egalisatiereserve: een reserve om tot een gelijkmatige verdeling te komen van kosten en baten. Deze reserve wordt ingezet om toekomstige overschotten en tekorten op de exploitatie te verrekenen met deze reserve; m. bestemmingsreserve: een reserve waaraan een bepaalde bestemming is gegeven.

-

-

de-minimissteun: steun die wordt verstrekt op basis van Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op deminimissteun (PbEU L 352/1); Verordening (EU) nr. 2019/316 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 51 I/1); Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), of Verordening (EU) 2018/1923 van de Commissie van 7 december 2018 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun verleend aan diensten van algemeen economisch belang verrichtende ondernemingen (PbEU L 313/2); Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106, derde lid, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld, waaronder de Algemene groepsvrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr.

2017/1084 van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 156/1); de Landbouw vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 193/1); en de Visserij vrijstellingsverordening: Verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserijk- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 2

-

Artikel 2. Reikwijdte verordening 1. Deze verordening is van toepassing op de subsidiering van programma’s die zijn opgenomen in de programmabegroting, die jaarlijks wordt opgesteld. 2. De raad stelt om de vier jaar beleidsregels vast waarin per programma kaderstellend de inhoudelijke doelstellingen worden omschreven. 3. Het college stelt in uitvoeringsregels nadere regels vast betreffende de te subsidiëren activiteiten, de doelgroepen en de verdeling van de subsidie binnen de programma’s zoals bedoeld in het eerste lid.

107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU L 369/37); onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent; subsidieregeling: krachtens deze verordening door het college vastgestelde algemeen verbindende voorschriften; Verdrag: Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PbEU C 326/47); wet: de Algemene wet bestuursrecht.

Toelichting: Bij het opstellen van een gemeentelijke verordening is het uitgangspunt dat regels uit hogere wettelijke regelingen niet worden herhaald in een lagere regeling. Zo is de definitie van subsidie zoals opgenomen in de Algemene wet bestuursrecht niet opgenomen in de begripsomschrijvingen van de ASV, hetzelfde geldt voor de definities van beleidsregel, subsidieplafond en egalisatiereserve. In het nieuwe artikel 1 zijn de begripsomschrijvingen zoals opgenomen in de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG overgenomen. Artikel 2. Reikwijdte verordening 1. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies door het college op de volgende beleidsterreinen, met uitzondering van subsidies waarvoor bij afzonderlijke verordening een uitputtende regeling is getroffen, en subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is, als bedoeld in artikel 4;23, derde lid van de wet: a. algemeen bestuur; b. openbare orde en veiligheid; c. verkeer, vervoer en waterstaat; d. economische zaken; e. onderwijs; f. sport, recreatie en cultuur; g. sociaal domein; h. volksgezondheid; 3

Artikel 3. Bevoegdheid college 1. Het college is bevoegd om, op basis van de door de raad vastgestelde beleidsregels en de in de gemeentebegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond, subsidies te verstrekken. 2. Het college is bevoegd om voorwaarden aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden. 3. Het college kan met de subsidieontvanger een overeenkomst sluiten ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening. Toelichting: In de geactualiseerde ASV staat de bevoegdheid van het college deels in artikel 2 en deels in artikel 6, de mogelijkheid om voorwaarden op te nemen staat in artikel 11 en in artikel 15, het begrotingsvoorbehoud staat in artikel 5 lid 4 en de mogelijkheid om een overeenkomst te sluiten ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening staat in artikel 11 lid 2.

i. milieu en duurzaamheid; j. ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. 2. Het college kan een subsidie als bedoeld in artikel 4:23, derde lid van de wet, verstrekken, als de raad voor een dergelijke subsidie in de begroting financiële middelen heeft gereserveerd. 3. Ten aanzien van subsidies waarvoor geen wettelijke grondslag nodig is als bedoeld in artikel 4:23, derde lid van de wet, kan het college bepalen dat deze verordening geheel of gedeeltelijk van toepassing is. Toelichting: In het nieuwe artikel 2 is de formulering zoals opgenomen in de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG overgenomen. De oude formulering in lid 2 over het vaststellen van beleidsregels door de raad is niet correct, want volgens artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht is het bestuursorgaan wat de bevoegdheid uitoefent ook het bestuursorgaan wat de beleidsregels vaststelt, dus het college zou dan beleidsregels kunnen vaststellen, dit is een bevoegheid die volgt uit de wet en deze hoeft dus niet in de ASV te worden opgenomen. De uitvoeringsregels in lid 3 komen terug in Artikel 3 van de geactualiseerde ASV als subsidieregelingen. Artikel 3. Subsidieregelingen Het college kan bij subsidieregeling vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie.

Voor zover van toepassing, wordt hierin ook bepaald welke doelgroepen voor subsidie in aanmerking komen, hoe de subsidie wordt berekend en hoe de subsidiebedragen worden uitbetaald.

Toelichting: Het nieuwe artikel 3 is overgenomen uit de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG.

4

Artikel 4. Subsidiesoorten 1. Eenmalige subsidie: een subsidie die voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar wordt verleend voor een niet regelmatig terugkerende of incidentele activiteit. 2. Meerjarige subsidie: een subsidie die voor de duur van maximaal vier jaar wordt verleend voor een structurele of regelmatig terugkerende activiteit.

Artikel 6. Subsidiesoorten en bevoegdheid 1. Het college is bevoegd eenmalige en meerjarige subsidies te verstrekken. 2. Een eenmalige subsidie is een subsidie die wordt verleend: a. voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar; en b. voor incidentele of niet regelmatig terugkerende activiteiten. 3. Een meerjarige subsidie is een subsidie die wordt verleend: a. met een beschikking die jaarlijks kan worden afgegeven of met een beschikking die voor een periode van meerdere jaren kan worden afgegeven, waarbij voor deze periode een maximum van vier jaar geldt; en b. voor een structurele of regelmatig terugkerende activiteiten. Toelichting: In de geactualiseerde ASV is de tekst van het oude artikel 4 over de subsidiesoorten met een verduidelijking opgenomen in het nieuwe artikel 6 over subsidiesoorten en bevoegdheid. Artikel 4. Staatssteunregels 1. Voor zover dat voor het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling afwijken van deze verordening en deze aanvullen. 2. Bij subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling naar het desbetreffende steunkader. 3. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, verwijst de verleningsbeschikking naar de toepasselijke bepalingen van het steunkader. 4.

Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten voor vergoeding in aanmerking die voldoen aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 5. Bij subsidies waarop een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader.

5

Toelichting: Het nieuwe artikel 4 is overgenomen uit de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG. Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. De raad kan jaarlijks bij de vaststelling van de programmabegroting besluiten tot het instellen van subsidieplafond(s). 2. Het college stelt, met inachtneming van de door de raad vastgestelde programma’s en beleidsregels, nadere regels op omtrent de verdeling van het beschikbare bedrag. 3. Bij de bekendmaking van de subsidieplafonds wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. 4. Een subsidie ten laste van een begroting, die nog niet is vastgesteld, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld.

Artikel 5. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. Het college kan subsidieplafonds vaststellen. In dat geval bepaalt het college bij subsidieregeling de wijze van verdeling van de subsidie. 2. Het college kan een subsidieplafond verlagen als: a. het plafond wordt vastgesteld voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd; of b. de subsidieaanvragen waarop het subsidieplafond betrekking heeft, moeten worden ingediend voordat de begroting voor het betrokken jaar is vastgesteld of goedgekeurd. 3. Bij de bekendmaking van een subsidieplafond wordt gewezen op de mogelijkheid van verlaging en de gevolgen daarvan voor reeds ingediende aanvragen. 4. Een subsidie ten laste van een begroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Toelichting: Het nieuwe artikel 5 is overgenomen uit de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG. Hiermee wordt ook de tekst van de geactualiseerde ASV in overeenstemming gebracht met de praktijk waarbij het college in subsidieregelingen subsidieplafonds instelt (o.a. Subsidieregeling inwonersinitiatieven).

Uitgangspunt hierbij is dat de gemeenteraad op grond van artikel 189 van de gemeentewet het budgetrecht heeft en het college dus alleen subsidieplafonds kan instellen voor zover de raad daarvoor voldoende middelen op de begroting beschikbaar heeft gesteld. Toelichting:In de geactualiseerde ASV is de tekst van het oude artikel Artikel 6. Subsidiesoorten en bevoegdheid 4 over de subsidiesoorten met een kleine verduidelijking 1. Het college is bevoegd eenmalige en meerjarige subsidies te verstrekken. opgenomen in het nieuwe artikel 6 over subsidiesoorten en 2. Een eenmalige subsidie is een subsidie die wordt verleend: bevoegdheid. a. voor een van tevoren bepaalde tijd van maximaal vier jaar; en b. voor incidentele of niet regelmatig terugkerende activiteiten. 6

Artikel 6. Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag voor een meerjarige subsidie wordt gedaan uiterlijk 1 april in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, of de jaren waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. 2. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt gedaan uiterlijk 8 weken voorafgaand aan de dag waarop de activiteiten waarvoor de subsidie is bedoeld plaatsvinden. 3. Het college kan op verzoek van de aanvrager andere termijnen stellen voor het indienen van een subsidieaanvraag.

Artikel 7. Bij aanvraag in te dienen gegevens 1. De aanvraag voor een subsidie wordt schriftelijk ingediend bij het college met behulp van een aanvraagformulier. 2. Bij een aanvraag om subsidie overlegt de aanvrager de volgende gegevens in het Nederlands: a. een beschrijving van de activiteiten waar subsidie voor wordt aangevraagd; b. de doelstellingen en resultaten, die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen. In bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen en op door de gemeente vastgestelde beleidsregels; c. een begroting en dekkingsplan van de geraamde kosten van de activiteiten, waar de subsidie voor wordt aangevraagd. De begroting bevat een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven die zijn

3. Een meerjarige subsidie is een subsidie die wordt verleend: a. met een beschikking die jaarlijks kan worden afgegeven of met een beschikking die voor een periode van meerdere jaren kan worden afgegeven, waarbij voor deze periode een maximum van vier jaar geldt; en b. voor een structurele of regelmatig terugkerende activiteiten. Artikel 9. Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt ingediend uiterlijk 13 weken vóór de datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie bestemd is, plaatsvinden. 2. Een aanvraag voor een meerjarige subsidie wordt ingediend uiterlijk op 1 april van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de activiteiten waarvoor de subsidie bestemd is plaatsvinden. 3. Het college kan aanvragers van meerjarige subsidie die vóór de in het vorige lid genoemde datum uitstel vragen, uitstel van maximaal acht weken verlenen. Toelichting: In de geactualiseerde ASV zijn in artikel 9 de bepalingen over de aanvraagtermijn opgenomen. Artikel 7. Aanvraag 1. Een aanvraag wordt schriftelijk ingediend bij het college. Als het college hiervoor een aanvraagformulier heeft vastgesteld, gebruikt de aanvrager dat formulier. 2. Bij de aanvraag verstrekt de aanvrager de volgende gegevens: a. een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd; b.

de doelen en resultaten die met de activiteiten worden nagestreefd en hoe de activiteiten daaraan bijdragen; c. een begroting en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. De begroting bevat een overzicht van de geraamde inkomsten en uitgaven die zijn verbonden aan de activiteiten, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn gespecificeerd per activiteit of cluster activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties 7

verbonden met de activiteiten waarvoor subsidie wordt aangevraagd en waarbij de inkomsten en uitgaven zijn gespecificeerd per activiteit of per cluster activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij andere bestuursorganen of private organisaties of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; d. indien van toepassing bij een meerjarige subsidie, de stand van de algemene reserve op het moment van de aanvraag. 3. Indien een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid voor de eerste keer een meerjarige subsidie aanvraagt, voegt hij een exemplaar van de oprichtingsakte, de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar als bijlagen toe aan het aanvraagformulier. 4. Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van, de in het tweede en derde lid genoemde gegevens te verlangen, indien die voor het nemen van een beslissing op de aanvraag noodzakelijk, respectievelijk voldoende, zijn.

Artikel 8. Indexering 1. Een subsidie of subsidiecomponent kan jaarlijks, indien aangevraagd, worden bijgesteld op basis van een door het college vast te stellen indexering. 2. Het college kan nadere richtlijnen vaststellen over de te hanteren compensatiemethodiek voor de vaststelling van de in lid 1 bedoelde indexering. Artikel 9. Weigeringsgronden

of personen aangevraagde subsidies of vergoedingen voor diezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; d. als de aanvrager een onderneming is: - een opgave van subsidies, vergoedingen of tegemoetkomingen in welke vorm dan ook met staatsmiddelen bekostigd, die als zijn of zullen worden ontvangen voor de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd, - een verklaring als bedoeld in de verordening met betrekking tot deminimissteun (de-minimisverklaring); e. als het een subsidie betreft die per boekjaar aan een rechtspersoon wordt verstrekt, de stand van de egalisatiereserve of bestemmingsreserve(s) op het moment van de aanvraag. 3. Een rechtspersoon die voor de eerste keer een meerjarige subsidie aanvraagt, verstrekt ook: a. een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten; b. het jaarverslag, de jaarrekening of de balans van het voorgaande jaar. 4. Het college kan ook andere gegevens, dan die genoemd in dit artikel, verlangen als dat noodzakelijk is voor het nemen van een besluit op de aanvraag. 5. Het college kan bij subsidieregeling afwijken van het bepaalde in dit artikel. Toelichting: De tekst van artikel 7 is in de geactualiseerde ASV aangepast conform de tekst over de aanvraag zoals opgenomen in de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG Artikel 8. Indexering 1.

Een subsidie of subsidiecomponent kan jaarlijks, indien aangevraagd, worden bijgesteld op basis van een door het college vast te stellen indexering. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de te hanteren compensatiemethodiek voor de vaststelling van de in het vorige lid bedoelde indexering. Artikel 12. Weigeringsgronden 8

Het college kan een aanvraag voor subsidie weigeren indien: a. de activiteit van de aanvrager niet of niet in overwegende mate gericht is op de gemeente of haar ingezetenen of niet of nauwelijks ten goede komt aan de gemeente of haar ingezetenen; b. de aanvrager ook zonder subsidieverstrekking over voldoende gelden, hetzij uit eigen middelen, hetzij uit middelen van derden, kan beschikken om de activiteit uit te voeren; c. de aanvraag niet past binnen de programma’s van de gemeente; d. het beoogde doel of de voorgenomen activiteit al op een andere wijze in belangrijke mate is voorzien; e. de aanvraag niet is ontvangen binnen de in artikel 6 beschreven termijnen; f. de aanvrager in het kader van de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt; g. door de verstrekking van de subsidie het subsidieplafond wordt overschreden

1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de wet weigert het college de subsidie in ieder geval: a. als de Europese commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; of b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader; of b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als zij onvoldoende ten goede komt aan de gemeente of haar inwoners; b. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt aangevraagd; c.

de subsidieverstrekking niet past binnen de programma’s en het beleid van de gemeente; d. Indien in het beoogde doel of de voorgenomen activiteit al op een andere wijze in belangrijke mate is voorzien; e. als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; f. als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; g. als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld 9

dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; h. in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen. Toelichting: In de geactualiseerde ASV zijn in artikel 12 de weigeringsgronden opgenomen. De tekst van het nieuwe artikel 12 is deels overgenomen uit de Model Algemene Subsidieverordening van de VNG. Verder is de tekst van de in het oude artikel 9 onder b. opgenomen grond in het nieuwe artikel 12 onder b. aangepast en de in het oude artikel 9 onder e. en f. opgenomen gronden vallen in het nieuwe artikel 12 onder e. en f. De weigeringsgrond in het oude artikel 9 onder g. komt in artikel 12 terug onder h. omdat het college in subsidieregelingen een subsidieplafond kan vaststellen.

Artikel 10. Beslistermijn 1. Het college beslist op een eenmalige subsidieaanvraag binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag. 2. Het college maakt haar besluit kenbaar vóór 31 december van het jaar waarin de meerjarige subsidieaanvraag is ingediend.

Artikel 9. Aanvraagtermijn 1. Een aanvraag voor een eenmalige subsidie wordt ingediend uiterlijk 13 weken vóór de datum waarop de activiteiten waarvoor de subsidie bestemd is, plaatsvinden. 2. Een aanvraag voor een meerjarige subsidie wordt ingediend uiterlijk op 1 april van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de activiteiten waarvoor de subsidie bestemd is plaatsvinden. 3. Het college kan aan aanvragers van meerjarige subsidie die vóór de in het vorige lid genoemde datum uitstel vragen, uitstel van maximaal acht weken verlenen. Toelichting: In de geactualiseerde ASV zijn in artikel 9 de bepalingen over de aanvraagtermijn opgenomen (was in de oude ASV artikel 6). In het nieuwe artikel 9 is de termijn voor het indienen van een aanvraag voor een eenmalige subsidie op 13 weken gesteld (dit was voorheen 8 weken) zodat de termijn voor het indienen van een aanvraag even lang is als de beslistermijn. Daarnaast is in lid 3 voorzien in de mogelijkheid voor aanvragers van een meerjarige subsidie om uitstel te vragen. Artikel 10. Beslistermijn 1. Het college beslist op een aanvraag om een eenmalige subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag.

10

Artikel 11. Verlening subsidie 1. Bij besluit tot verlenen van subsidie bevat de subsidiebeschikking ten minste: a. een vermelding van de subsidiesoort, zoals beschreven in artikel 4; b. een omschrijving van de activiteit waarvoor subsidie wordt verleend; c. een omschrijving van het doel en de resultaten van de activiteit; d. het tijdvak waarop de subsidie betrekking heeft; e. een vermelding van de hoogte van het subsidiebedrag of het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, of indien van toepassing de wijze waarop het bedrag wordt bepaald; f. indien voorschotten worden verleend, een vermelding van het bedrag van het voorschot, de wijze waarop dit bedrag wordt bepaald, en de termijnen van de voorschotten; g. een datum waarop het subsidiebedrag of voorschot wordt uitgekeerd; h. indien subsidie ten laste komt van een begroting die niet is vastgesteld, een vermelding dat de subsidie wordt verleend indien er voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld; i. indien ambtshalve of niet direct vastgesteld, een beschrijving waarin staat aangegeven wanneer en op welke wijze een verzoek omtrent vaststelling bij het college wordt ingediend; j. indien direct vastgesteld, een vermelding dat de subsidie direct is vastgesteld.

2. Het college beslist op een aanvraag om een meerjarige subsidie vóór 31 december van het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarin de activiteiten plaatsvinden. 3. Het college kan bij subsidieregeling andere termijnen stellen. Toelichting: Artikel 10 is grotendeels gelijk gebleven er is een lid 3 toegevoegd met daarin opgenomen de mogelijkheid om bij subsidieregeling andere termijnen te stellen. Artikel 11. Inhoud beschikking verlening 1. De beschikking tot subsidieverlening vermeldt ten minste: a. de subsidiesoort als bedoeld in artikel 6 en indien van toepassing de subsidieregeling op grond waarvan de subsidie wordt verleend; b. een omschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verleend; c. een omschrijving van het doel en de resultaten van de activiteiten; d. het tijdvak waarop de subsidie betrekking heeft; e. de hoogte van het subsidiebedrag of het bedrag waarop de subsidie maximaal kan worden vastgesteld, of indien van toepassing de wijze waarop het bedrag wordt berekend; f. de termijn(en) van betaling of eventuele bevoorschotting; g. indien de subsidie ten last komt van een begroting die nog niet is vastgesteld, een vermelding dat de subsidie wordt verleend onder voorbehoud dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar worden gesteld; h.

indien de subsidie niet direct of ambtshalve wordt vastgesteld, wanneer en hoe een aanvraag tot vaststelling bij het college wordt ingediend; i. indien direct vastgesteld, de vermelding dat de subsidie direct is vastgesteld. 2. Het college kan bij de subsidieverlening de verplichting opnemen dat de subsidieontvanger meewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst als bedoeld in artikel 4:36 van de wet. 3. Het college kan aan de beschikking tot subsidieverlening verplichtingen verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie.

11

2. Het college kan bij subsidieverlening de voorwaarde opnemen dat de subsidieontvanger meewerkt aan de totstandkoming van een overeenkomst ter uitvoering van de beschikking tot subsidieverlening, waarop de uitvoering van de activiteiten en de verplichtingen die aan de subsidieverlening verbonden zijn, nader worden bepaald. 3. Het college is bevoegd verplichtingen aan de beschikking tot subsidieverlening te verbinden met betrekking tot het beheer en gebruik van de subsidie.

Artikel 12. Betaling en bevoorschotting 1. Indien een subsidie tot 5.000 euro direct is vastgesteld vindt de betaling van de gehele subsidie in één bedrag plaats. 2. Indien een subsidie tot 5.000 euro ambtshalve is vastgesteld wordt de subsidie 100% bevoorschot. 3. Het college kan besluiten om tot bevoorschotting van subsidie over te gaan.

Artikel 22. Betaling en bevoorschotting 1. Indien een subsidie tot en met € 5.000 direct is vastgesteld, vindt de betaling van de gehele subsidie in één keer plaats. 2. Het college kan bij subsidieverlening een voorschot geven. 3. Het college kan nadere regels vaststellen voor het verstrekken van voorschot en betaling. Toelichting: In de geactualiseerde ASV is in artikel 22 de wijze van betaling en bevoorschotting opgenomen. Artikel 12. Weigeringsgronden 1. Onverminderd de artikelen 4:25, tweede lid en 4:35 van de wet weigert het college de subsidie in ieder geval: a. als de Europese commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; of b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een Europees steunkader omdat: 12

Artikel 13. Meldingsplicht 1. De subsidieontvanger informeert het college zo spoedig mogelijk schriftelijk over: a. ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat de gesubsidieerde activiteiten niet of niet geheel worden verricht; b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; c. ontwikkelingen die er toe kunnen leiden dat aan de beschikking

a. subsidie verstrekt zou worden aan een aanvrager die een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende steunkader; of b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende steunkader. 3. Onverminderd de vorige leden kan het college de subsidie verder in ieder geval weigeren: a. als de te subsidiëren activiteiten niet of niet in overwegende mate gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen of als zij onvoldoende ten goede komt aan de gemeente of haar inwoners; b. als niet is aangetoond dat de subsidie noodzakelijk is voor het verrichten van de activiteiten waarvoor deze wordt aangevraagd; c. de subsidieverstrekking niet past binnen de programma’s en het beleid van de gemeente; d. Indien in het beoogde doel of de voorgenomen activiteit al op een andere wijze in belangrijke mate is voorzien; e. als de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; f. als de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift; g. als de subsidieverstrekking niet is toegestaan totdat de Europese Commissie met toepassing van artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie verenigbaar is met de interne markt; h. in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen.

Toelichting: De weigeringsgronden zijn deels overgenomen uit de modelverordening van de VNG. Artikel 13. Algemene verplichtingen subsidieontvanger 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht, of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen wordt voldaan, meldt de subsidieontvanger dat direct schriftelijk aan het college. 2. Een subsidieontvanger informeert het college direct schriftelijk over: a. beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de 13

tot subsidieverlening verbonden voorwaarden niet geheel of gedeeltelijk kunnen worden nagekomen; d. wijzigingen van de statuten voor zover het betreft de vorm van de rechtspersoon, de persoon van de bestuurder(s) en het doel van de rechtspersoon. 2. De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor handelingen als vermeld in artikel 4:71 van de Awb.

Artikel 14. Tussentijdse rapportage Bij subsidies, hoger dan 5.000 euro, welke verleend worden voor eenmalige activiteiten of die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording omtrent de verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan één keer per jaar gevraagd.

activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de gesubsidieerde rechtspersoon; b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhoudingen met derden: c. ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen; d. wijziging van de statuten voor zover dat betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon, de persoon van de bestuurder of bestuurders, en het doel van de rechtspersoon. 3. De subsidieontvanger behoeft de toestemming van het college voor de in artikel 4:71, eerste lid, van de wet genoemde handelingen. Toelichting: In de geactualiseerde ASV is de formulering van artikel 13 overgenomen uit de VNG modelverordening. Artikel 14 Inrichting administratie 1. De administratie van de subsidieontvanger dient zodanig te zijn ingericht, dat het college op elk moment inzicht kan worden geboden in de mate waarin de subsidieontvanger voldoet aan de aan de subsidieverlening verbonden verplichtingen. 2. De subsidieontvanger bewaart de administratieve gegevens ten minste tot vijf jaren zijn verstreken na de datum van ontvangst van het besluit tot vaststelling van de subsidie. Toelichting: in het nieuwe artikel 14 zijn verplichtingen opgenomen over de inrichting van de administratie van de subsidieontvanger.

Artikel 15 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 1. Bij subsidies hoger dan € 5.000 verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan het college de verplichting opleggen tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. Een dergelijke tussentijdse verantwoording wordt niet vaker dan een keer per jaar gevraagd.

14

2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan het college aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen opleggen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 3. Bij subsidieregeling kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidieverlening worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. Toelichting: In artikel 15 van de geactualiseerde ASV is deels de tekst van het “oude artikel 14” opgenomen. Verder zijn lid 2 en 3 toegevoegd die afkomstig zijn uit de VNG modelverordening. Artikel 16. Vergoeding vermogensvorming 1. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de wet. Daarbij wordt ook aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald. 2.

De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag waarmee de subsidie heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding tot de andere middelen die daaraan hebben bijgedragen. 3. Bij de berekening van de vergoeding gaat het college uit van de waarde van de eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het tijdstip waarop de vergoeding verschuldigd is. Bij verlies of beschadiging van eigendommen gaat het college uit van het bedrag dat als schadevergoeding door de subsidieontvanger is ontvangen. Indien het onroerende zaken betreft, wordt de waarde bepaald door één of drie onafhankelijke deskundigen.

15

Artikel 20. Reservevorming 1. Dit artikel is van toepassing op een meerjarige subsidie. 2. Indien er subsidie is verleend en de exploitatierekening over het betreffende jaar een batig saldo aangeeft, dient dit saldo te worden gereserveerd en in de balans worden opgenomen als “egalisatiereserve gemeente Blaricum”. 3. Bij de subsidievaststelling wordt de egalisatiereserve hierop in mindering gebracht voor zover de toevoeging van de reserve een bedrag gelijk of groter is dan 5% van het voor dat jaar vastgestelde subsidiebedrag. Indien blijkt dat de jaarlijkse toevoeging structureel is, kan het toe te kennen subsidiebedrag worden verlaagd. 4. Voor het instellen van een bestemmingsreserve is toestemming vereist van het college. Aan de toestemming wordt een termijn verbonden en kunnen nadere voorwaarden worden gesteld. 5. Voor zover de bestemmingsreserve hoger blijkt te zijn dan de werkelijke kosten na realisering van de bestemming, dan wel de reserve binnen de gestelde termijn niet wordt gebruikt, wordt het overblijvende bedrag respectievelijk de gehele reserve toegevoegd aan de egalisatiereserve. 6. Op grond van artikel 4:41 Awb is de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan indien de verstrekte subsidie heeft geleid tot vermogensvorming.

Artikel 15. Verantwoording subsidie tot 5.000 euro 1. Indien de subsidie minder bedraagt dan 5.000 euro kan het college naast directe vaststelling ook een ambtshalve vaststelling toepassen. Bij een ambtshalve vaststelling kan het college de

Toelichting: artikel 16 van de geactualiseerde ASV over vergoeding vermogensvorming bestaat deels uit de tekst van het “oude”artikel 20. Artikel 17. Reservevorming 1. Het college kan bij de subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger van een per kalenderjaar verstrekte subsidie van meer dan € 50.000 een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de wet vormt. 2. De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid, kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de wet van overeenkomstige toepassing. 3. Het college kan bij de subsidieverlening bepalen dat de subsidieontvanger van een per kalenderjaar verstrekte subsidie van meer dan € 50.000 een bestemmingsreserve vormt. 4. De ontvanger van een andere subsidie dan die bedoeld in het derde lid, kan het college verzoeken een bestemmingsreserve te mogen vormen. 5. Indien de bestemmingsreserve hoger blijkt te zijn dan de werkelijke kosten na realisering van de bestemming, of de reserve niet binnen de gestelde termijn wordt gebruikt: a. kan het college bepalen dat het overblijvende bedrag of de gehele reserve wordt toegevoegd aan de egalisatiereserve; of b. kan het college op verzoek toestemming verlenen het overblijvende bedrag of de gehele reserve te gebruiken voor een andere bestemming. 6.

Bij de subsidievaststelling wordt de egalisatiereserve hierop in mindering gebracht voor zover de toevoeging aan de reserve een bedrag gelijk of groter is dan 5% van het voor dat jaar vastgestelde subsidiebedrag. Indien blijkt dat de jaarlijkse toevoeging structureel is, kan het te verlenen subsidiebedrag worden verlaagd. Toelichting: artikel 17 van de geactualiseerde ASV over reservevorming is overgenomen uit de modelverordening van de VNG. Artikel 18. Wijze van subsidieverstrekking en verantwoording van subsidies tot en met € 5.000 1. Subsidies tot en met € 5.000 worden door het college: a. direct vastgesteld; of 16

aanvrager verplichten om op de door haar aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten, waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen.

Artikel 16. Verantwoording subsidies vanaf 5.000 tot 10.000 euro 1. Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 5.000 euro, maar minder dan 10.000 euro, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: a. bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na afloop van de activiteiten; b. bij een meerjarige subsidie, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en dat de in de subsidiebeschikking opgenomen doelstellingen zijn bereikt. 3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens, die voor de vaststelling van belang zijn, worden overgelegd.

Artikel 17. Verantwoording subsidies vanaf 10.000 euro

b. verleend en binnen 13 weken nadat de activiteiten moeten zijn verricht, ambtshalve vastgesteld, tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid. 2. Als bij verleningsbeschikking de subsidieaanvrager wordt verplicht om op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt, zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen zes weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt. 3. In geval van verlening van een subsidie van maximaal € 5.000 wordt een voorschot verstrekt ter hoogte van de verleende subsidie. Toelichting: De oude formulering uit artikel 15 is in het nieuwe artikel 18 aangepast: tot 5.000 euro is tot en met € 5.000 geworden. Daarnaast is de tekst overgenomen uit de modelverordening van de VNG. Artikel 19. Verantwoording van subsidies tussen € 5.000 en € 10.000 1. Bij subsidies van meer dan € 5.000 en ten hoogste € 10.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: a. bij een eenmalige subsidie: uiterlijk 13 weken na afloop van de activiteiten; b. bij een meerjarige subsidie: uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk vier maanden na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verleend. 2.

De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan de in dit artikel genoemde gegevens die voor de vaststelling van belang zijn, worden verstrekt. 4. Het college kan bij subsidieregeling bepalen dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. Artikel 20. Verantwoording van subsidies van meer dan € 10.000

17

1. Indien de subsidieverlening meer bedraagt dan 10.000 euro, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: a. bij een eenmalige subsidie, uiterlijk 13 weken na afloop van de activiteiten; b. bij een meerjarige subsidie, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk 4 maanden na het subsidietijdvak, waarvoor de subsidie is verleend. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat: a. een inhoudelijk verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en of de subsidiebeschikking opgenomen doelstellingen zijn bereikt; b. een overzicht van de activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening). Bij een meerjarige subsidie is in het financieel verslag of jaarrekening de bestemmings- en/of egalisatiereserve opgenomen. c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; d. een accountantsverklaring, bij een aanvraag boven de 25.000 euro. 3. Het college kan bepalen dat ook andere, of minder dan, de in dit artikel bedoelde gegevens, die voor de vaststelling van belang zijn, worden overlegd.

1. Bij subsidies van meer dan € 10.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in bij het college: a. bij een eenmalige subsidie: uiterlijk 13 weken na afloop van de activiteiten; b. bij een meerjarige subsidie: uiterlijk vóór 1 juni in het jaar na afloop van het kalenderjaar, respectievelijk vier maanden na het subsidietijdvak waarvoor de subsidie is verleend. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat: a. een inhoudelijk verslag waaruit blijkt dat de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan; b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag en jaarrekening). Bij een meerjarige subsidie is in het financieel verslag of jaarrekening de bestemmings- en egalisatiereserve opgenomen; c. een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; d. bij een subsidie tot en met € 50.000: een bestuursverklaring conform het door het college vastgestelde Model Bestuursverklaring subsidieverantwoording Blaricum; e. bij een subsidie van meer dan € 50.000: een accountantsverklaring. 3. Het college kan bepalen dat andere, of minder dan de in dit artikel genoemde gegevens die voor de vaststelling van belang zijn, worden verstrekt. 4. Het college kan bij subsidieregeling bepalen dat andere gegevens worden verstrekt.

Toelichting: In artikel 20 lid 2 onder d is voor subsidies tot en met € 50.000 een bestuursverklaring verplicht gesteld, dit is nieuw ten opzichte van de formulering in het “oude”artikel 17 waar bij een aanvraag boven de € 25.000 een accountantsverklaring verplicht werd gesteld. De grens van € 25.000 voor een accountantsverklaring werd als te streng beschouwd. In plaats van een accountantsverklaring wordt nu bij subsidies van meer dan € 10.000 tot € 50.000 een bestuursverklaring verplicht gesteld. Voor deze bestuursverklaring dient 18

Artikel 18. Subsidievaststelling 1. Het college stelt een subsidie die minder bedraagt dan 5.000 euro direct vast of ambtshalve. De ambtshalve vaststelling is binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn uitgevoerd. 2. Het college stelt binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. 3. Indien uit de aard van de subsidie, dan wel de verantwoording daarvan, volgt dat voor de beslissing op de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan de in het tweede lid genoemde termijn, dan bericht het college de subsidieontvanger daarvan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling. 4. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet binnen de in artikel 16 en 17 genoemde termijnen is ontvangen, gaat het college 8 weken na een eenmalig schriftelijk rappel over tot ambtshalve vaststelling. Toelichting: De subsidievaststelling van subsidies tot en met € 5.000,- staat in de geactualiseerde ASV in artikel 18. Artikel 19. Intrekken of wijziging subsidieverlening en –vaststelling Op grond van artikel 4:48, 4:49, 4:50 en 4:51 Awb kan het college een subsidieverlening en –vaststelling intrekken of ten nadele van de subsidieontvanger wijzigen. Artikel 20. Reservevorming 1. Dit artikel is van toepassing op een meerjarige subsidie. 2.

Indien er subsidie is verleend en de exploitatierekening over het betreffende jaar een batig saldo aangeeft, dient dit saldo te worden gereserveerd en in de balans worden opgenomen als “egalisatiereserve gemeente Blaricum”.

gebruik te worden gemaakt van het door het college vast te stellen Model Bestuursverklaring subsidieverantwoording Blaricum. De accountantsverklaring is in de geactualiseerde ASV verplicht bij subsidies van meer dan € 50.000. Artikel 21. Subsidievaststelling 1. Het college stelt binnen 26 weken na ontvangst van de aanvraag tot subsidievaststelling de subsidie vast. 2. Indien uit de aard van de subsidie volgt dat voor de vaststelling van de subsidie een langere termijn nodig is dan 26 weken, bericht het college dit zo spoedig mogelijk aan de subsidieontvanger na ontvangst van de aanvraag tot vaststelling. 3. Indien de aanvraag tot subsidievaststelling niet binnen de in artikel 19 en 20 gestelde termijnen is ontvangen, volgt eenmalig een schriftelijk rappel. Indien binnen acht weken na dit rappel nog geen aanvraag tot vaststelling is ontvangen, stelt het college de subsidie ambtshalve vast. 4. Bij subsidieregeling kunnen categorieën van subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld, zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend.

Toelichting: uitgangspunt is om in een verordening niet te herhalen wat al in de wet is opgenomen, artikel 19 is overbodig omdat het intrekken of wijzigen van subsidieverlening en –vaststelling in de Awb is geregeld. Toelichting: het “oude”artikel 20 over reservevorming komt in de geactualiseerde ASV deels terug in artikel 16 over vergoeding vermogensvorming en deels terug in artikel 17 over reservevorming.

19

3. Bij de subsidievaststelling wordt de egalisatiereserve hierop in mindering gebracht voor zover de toevoeging van de reserve een bedrag gelijk of groter is dan 5% van het voor dat jaar vastgestelde subsidiebedrag. Indien blijkt dat de jaarlijkse toevoeging structureel is, kan het toe te kennen subsidiebedrag worden verlaagd. 4. Voor het instellen van een bestemmingsreserve is toestemming vereist van het college. Aan de toestemming wordt een termijn verbonden en kunnen nadere voorwaarden worden gesteld. 5. Voor zover de bestemmingsreserve hoger blijkt te zijn dan de werkelijke kosten na realisering van de bestemming, dan wel de reserve binnen de gestelde termijn niet wordt gebruikt, wordt het overblijvende bedrag respectievelijk de gehele reserve toegevoegd aan de egalisatiereserve. 6. Op grond van artikel 4:41 Awb is de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd aan het bestuursorgaan indien de verstrekte subsidie heeft geleid tot vermogensvorming. Toelichting: het oude artikel 12 over betaling en bevoorschotting komt in de geactualiseerde ASV terug als artikel 22.

Artikel 21. Hardheidsclausule Het college kan, in bijzondere gevallen, een artikel of artikelen van deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken, met uitzondering van de artikelen 1, 2 en 3 voor zover van toepassing. Het van toepassing verklaren van dit artikel wordt gemotiveerd in het besluit.

Artikel 22. Betaling en bevoorschotting 1. Indien een subsidie tot en met € 5.000 direct is vastgesteld, vindt de betaling van de gehele subsidie in één keer plaats. 2. Het college kan bij subsidieverlening een voorschot geven. 3. Het college kan nadere regels vaststellen voor het verstrekken van voorschot en betaling. Artikel 23. Hardheidsclausule 1. Als een bij of krachtens de verordening gestelde termijn voor een subsidieaanvrager of –ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn in verhouding tot de te dienen belangen, kan het college een andere termijn vaststellen. 2. In bijzondere gevallen kan het college van één of meer artikelen van de verordening afwijken, als daaraan vasthouden voor de subsidieaanvrager of –ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen.

20

Toelichting: In lid 1 van het nieuwe artikel 23 is een Algemene bevoegdheid opgenomen om andere termijnen te hanteren. Vanwege deze algemene bevoegdheid zijn daar waar die bevoegdheid in de oude ASV in aparte artikelen was opgenomen, deze artikelen vervallen. Artikel 22. Intrekking De Algemene Subsidieverordening Blaricum 2008 t/m 2011 wordt ingetrokken. Artikel 23. Overgangsbepalingen Aanvragen om subsidie en verzoeken tot vaststelling die voor de dag volgend op de bekendmaking van de Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011 zijn ingediend worden afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Blaricum 2008 t/m 2011. Verzoeken tot subsidievaststelling die na de dag volgend op de bekendmaking van de Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011 zijn ingediend worden afgedaan volgens de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011.

Artikel 24. Overgangsbepalingen 1. De Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011 wordt ingetrokken. 2. Deze verordening treedt in werking op (datum). 3. Op aanvragen om subsidie en subsidievaststelling die zijn ingediend vóór de dag volgend op de bekendmaking van de Algemene Subsidieverordening Blaricum 2024, zijn de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011 van toepassing. 4. Geldige subsidieregelingen die zijn vastgesteld op grond van de Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011 blijven van kracht. 5. De Nota Beleidsregels en Uitvoeringsregels 2012-2015 voor maatschappelijke ontwikkeling gemeente Blaricum, blijven van kracht. Toelichting: De Nota Beleidsregels en Uitvoeringsregels 2012-2015 voor maatschappelijke ontwikkeling gemeente Blaricum blijft van kracht omdat deze nog niet is geactualiseerd.

Artikel 24. Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de dag volgend op haar bekendmaking. Artikel 25. Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Algemene Subsidieverordening Blaricum 2011.

Artikel 25 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Algemene Subsidieverordening Blaricum 2024.

21

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14380456/1