Vragen en beantwoording toelichtende vragen ingekomen stuk BN&M - Evaluatierapport regionale samenwerking GMR ID 6767
Tekst van het document
EEN VRAAG STELLEN
Zaak 879997
Ik wil de volgende vraag stellen: ☐ Schriftelijke vraag (art. 39 RvO) Schriftelijke beantwoording binnen 30 dagen.
☐ Technische vraag Indienen uiterlijk 16:00 uur de dag voorafgaand aan de commissie- of raadsvergadering. Politieke vragen worden niet schriftelijk beantwoord, maar kunnen door de indiener worden gesteld tijdens de commissievergaderingen.
☐ Vragenronde (Raadsvergadering) Indienen uiterlijk 16:00 uur de dag voorafgaand aan de raadsvergadering, tenzij een actualiteit plaatsvindt, blijkend uit de argumentatie.
☒ Toelichtende vraag ingekomen stukken (Raadsvergadering) Indienen uiterlijk 16:00 uur de dag voorafgaand aan de raadsvergadering.
☐ Rondvraag (Commissievergadering) Indienen uiterlijk 16:00 uur de dag voorafgaand aan de commissievergadering.
Onderwerp: RISEM ID 6767 | Aanbiedingsbrief DB evaluatierapport regionale samenwerking GMR Aanleiding:
De evaluatie van de Groene Metropoolregio 2022-2026 en de aanbiedingsbrief van het dagelijks
bestuur d.d. 25 februari 2026 roepen vragen op over de positie van de gemeenteraad in de regionale samenwerking. De brief erkent zelf dat gemeenteraden onvoldoende betrokken zijn geweest, dat
transparantie heeft ontbroken en dat regionaal commitment vaak al is gecreëerd voordat de raad in
positie was om kaders te stellen. Nu de samenwerking verschuift van planvorming naar uitvoering en de druk op gemeentelijke organisaties toeneemt, wil de fractie van BN&M van het college weten hoe het zijn informatie- en verantwoordingsplicht richting de raad concreet invult en welke keuzes het college maakt over de rol en inzet van de gemeente Beuningen in de komende bestuursperiode.
Vraag: Vragen over de inhoud van de aanbiedingsbrief van DB De GMR erkent in haar aanbiedingsbrief zelf dat de uitvoeringsfase meer doekracht vraagt en dat
kleinere gemeenten hierin specifiek ondersteund en ontzorgd moeten worden. De vraag is politiek relevant omdat de raad moet kunnen beoordelen of het college hier een realistisch en uitvoerbaar
beeld bij heeft. Het risico is immers dat de GMR regionaal beleid vaststelt, maar de uitvoeringsdruk eenzijdig neerkomt bij gemeentelijke organisaties die daar niet op zijn ingericht. Als dat zo is, dan heeft de raad een kaderstellende verantwoordelijkheid om daar grenzen aan te stellen of extra middelen voor te reserveren.
Vraag 1 bij punt 1: Van beleid naar uitvoering
Op welke wijze zorgt het college ervoor dat de gemeente Beuningen de overgang van de planfase naar de uitvoeringsfase daadwerkelijk aankan, en welke concrete afspraken zijn of worden gemaakt om te voorkomen dat de uitvoering bij kleinere gemeenten blijft hangen door gebrek aan capaciteit of middelen?
Pagina 1 van 5
De aanbiedingsbrief benoemt expliciet het spanningsveld tussen de bevoegdheden van de raad en de
regionale samenwerking. Belangrijk is dat de brief stelt dat regionale betrokkenheid proactief en actief moet zijn, terwijl regionaal commitment steeds meer bepalend is voor wat lokaal nog mogelijk is. Dat
raakt direct aan de vraag wie in de gemeente Beuningen over regionale ambities besluit. Als het college regionaal commitments aangaat zonder dat de raad dat kader heeft gesteld, dan is de democratische legitimiteit in het geding. De raad moet weten hoe het college deze grens trekt en bewaakt. Vraag 2 bij punt 5: Actieve deelname aan de regio
Welke politieke keuze ligt ten grondslag aan de mate van actieve deelname van de gemeente
Beuningen aan de regionale samenwerking, en hoe zorgt het college ervoor dat deze keuze gedragen wordt door de gemeenteraad en niet uitsluitend door het college zelf wordt bepaald?
De aanbiedingsbrief erkent dat gemeenteraden onvoldoende betrokken zijn geweest en dat dit heeft geleid tot het gevoel van gebrek aan transparantie. Tegelijk maakt de brief duidelijk dat de enige
effectieve route voor raadsleden via het eigen college loopt, via tijdig agenderen en zienswijzen. Dat
maakt het college de spil in het democratisch proces rond regionale samenwerking. De vraag is politiek bepalend omdat de raad hiermee direct raakt aan haar eigen functioneren: als het college die
informatieplicht niet goed invult, verliest de raad feitelijk haar greep op wat er regionaal besloten wordt. Dat is een structureel legitimiteitsrisico.
Vraag 3 bij punt 6: Betrokkenheid gemeenteraden
Hoe geeft het college concreet invulling aan haar rol als schakel tussen de gemeenteraad en de GMR,
en welke stappen neemt het college om te zorgen dat de raad tijdig en volledig geïnformeerd is zodat
zij haar kaderstellende en controlerende rol ook bij regionale besluitvorming effectief kan uitoefenen? Vragen over de inhoud van het evaluatierapport regionale samenwerking GMR Het evaluatierapport is opgesteld door de eigen organisatie, besproken in het eigen algemeen bestuur en aangeboden aan de colleges. De beschrijving is positief van toon en bevat geen onafhankelijk
extern oordeel over de bereikte resultaten. De tussentijdse evaluatie uit 2023 is weliswaar extern
uitgevoerd (door Nathalie Hugenholtz), maar de eindverantwoording over de gehele bestuursperiode is
intern. De vraag is of dat voldoende is voor een geloofwaardig oordeel over vijf jaar samenwerking met een oplopende inwonerbijdrage.
Vraag 4: Onafhankelijkheid van de evaluatie
In hoeverre is deze evaluatie werkelijk onafhankelijk, en welke stappen heeft het college gezet om te voorkomen dat de GMR feitelijk haar eigen functioneren heeft beoordeeld?
Het rapport somt in bijlage 1 tientallen producten op per opgave, maar een heldere koppeling naar het hoger liggende doel ontbreekt. De integratietafel is ingevoerd als hulpconstruct, maar het
evaluatierapport beschrijft niet systematisch of de som van alle producten ook de beoogde
maatschappelijke verandering dichterbij brengt. De stoplichtmonitor is pas in 2025 voor het eerst opgeleverd. De vraag raakt aan democratische verantwoording: de raad betaalt mee via de inwonerbijdrage en mag weten of het geld bijdraagt aan het werkelijke doel. Vraag 5: Integrale resultaatsbewaking over de vijf opgaven
Op welke wijze wordt bewaakt dat de losse producten en activiteiten van de vijf opgaven samen
daadwerkelijk bijdragen aan het overkoepelende doel van de regio, en wie is eindverantwoordelijk als dat niet het geval blijkt?
Pagina 2 van 5
De verstedelijkingsstrategie is mede opgebouwd uit gemeentelijke omgevingsvisies, waaronder die van
de gemeente Beuningen. De evaluatie beschrijft een reeks opgeleverde producten, maar zegt niets over de vraag of deze nieuwe inzichten hebben opgeleverd die aanpassing van de strategie rechtvaardigen
of zelfs vragen. Als gemeenteraad wil je weten of de strategie nog klopt, of dat er aanpassingen nodig zijn die mogelijk consequenties hebben voor de lokale omgevingsvisie. Vraag 6: Concrete aanpassingen op de verstedelijkingsstrategie
Welke concrete aanpassingen op de verstedelijkingsstrategie vloeien voort uit de resultaten van de vijf opgaven, en hoe worden deze teruggelegd bij de gemeenteraad die destijds met de Omgevingsvisie van de gemeente Beuningen als bouwsteen hebben ingestemd?
Het regioarrangement is in 2023 vastgesteld als regionaal ruimtelijk kader. Vier jaar uitvoering zou moeten hebben geleid tot scherper inzicht in wat werkt en wat niet. De evaluatie beschrijft geen
heroverweging van het arrangement zelf. Dat roept de vraag op of het een levend document is of een
archiefdocument. Voor de gemeente Beuningen is dit relevant, want het arrangement raakt direct aan ruimtelijke keuzes over wonen, natuur en mobiliteit.
Vraag 7: Vernieuwende inzichten over het regioarrangement
Hebben de resultaten van de afgelopen bestuursperiode vernieuwende inzichten opgeleverd over de opzet en het gebruik van het regioarrangement "Meer landschap, meer stad", en zo ja, welke consequenties verbindt het college daaraan voor de koers van de gemeente?
De evaluatie meldt dat de planfase grotendeels is afgerond en de focus nu op uitvoering ligt. Tegelijk constateert het rapport zelf dat de circulaire bouwdoelen nog niet zijn gehaald en dat het ongeduld over resultaten aanwezig is. De vraag is wat de uitvoeringsfase concreet oplevert voor de gemeente
Beuningen zelf, niet voor de regio in abstracte zin. Dat is een politieke verantwoordingsvraag richting de eigen inwoners.
Vraag 8: Concrete opbrengst "Meer landschap, meer stad"
Wat levert de overstap naar de uitvoeringsfase nu aantoonbaar en meetbaar op voor "meer landschap" en "meer stad" in de gemeente Beuningen, en op welke manier legt het college hierover verantwoording af aan de gemeenteraad?
Ondertekening: Datum indiening
:
5-5-2026
Fractie
:
Beuningen Nu en Morgen
Naam indiener
:
Robin Arians
Pagina 3 van 5
ANTWOORD OP DE VRAAG Antwoord door bestuursadvies: Datum: 12-5-2026 Vraag 1 bij punt 1: Van beleid naar uitvoering
De overgang van planvorming naar uitvoering een groter beroep doet op de gemeentelijke
organisatie. Maar ook denkkracht kost tijd, en voor de uitvoeringsfase geldt dat de benodigde inzet vooral anders wordt ingevuld.
Vanuit de netwerkdirectie van gemeentesecretarissen is dit onderwerp ook besproken met de GMR. Daarbij is afgesproken dat de GMR concreter uitwerkt welke capaciteit voor welke werkzaamheden
nodig is. Dit nemen wij ook mee in onze zienswijzebrieven aan de GMR. Daarnaast biedt de GMR de gemeenten extra capaciteit aan ter ondersteuning; wij beoordelen steeds zorgvuldig of en in welke vorm dat voor Beuningen van meerwaarde is.
Tegelijkertijd krijgt de regionale samenwerking steeds meer vorm, zowel in collectief
opdrachtgeverschap als binnen subregionale samenwerkingen. Dat helpt bij de uitvoeringsfase. Het college gaat daarbij geen commitments aan zonder dat de raad daarvoor de kaders heeft gesteld. Het kader blijft voor ons de door de raad vastgestelde regionale agenda en andere door de raad vastgestelde kaders, zoals het RegioArrangement. Vraag 2 bij punt 5: Actieve deelname aan de regio
De deelname van Beuningen aan de regionale samenwerking is gezamenlijk door raad en college
vastgelegd via deelname aan de vijf opgaven binnen de GMR. Daar ligt de politieke afweging aan ten grondslag dat regionale samenwerking noodzakelijk is om opgaven die gemeenten niet meer afzonderlijk kunnen oplossen, gezamenlijk te kunnen aanpakken.
De maatschappelijke en economische vraagstukken waar gemeenten voor staan, spelen in
toenemende mate op regionale schaal en houden zich niet aan gemeentegrenzen. Regionale
samenwerking is daarmee in de praktijk geen vrijblijvende keuze, maar een noodzaak. En alle onderwerpen waarvoor lokale besluitvorming nodig is, worden aan uw raad voorgelegd.
Het college informeert de raad via lokale bijeenkomsten. Daarnaast worden de gemeenteraden ook
regionaal geïnformeerd door de GMR, onder meer via bijeenkomsten, rapportages en nieuwsbrieven. En de RAC is hierin ook een belangrijk gremium.
Vraag 3 bij punt 6: Betrokkenheid gemeenteraden
Het college vervult de rol van schakel tussen de gemeenteraad en de GMR door tijdig te signaleren welke regionale ontwikkelingen lokaal relevant zijn en vice versa, en door de raad daarover te informeren zodat zij haar kaderstellende en controlerende rol kan blijven uitoefenen.
Uitgangspunt daarbij is dat regionale samenwerking noodzakelijk is, maar dat lokale democratische besluitvorming leidend blijft waar lokale keuzes of gevolgen aan de orde zijn. Relevante regionale onderwerpen worden daarom via lokale bijeenkomsten, zienswijzen en, waar nodig, formele besluitvorming aan de raad voorgelegd.
Vraag 4 – Onafhankelijkheid van de evaluatie
De evaluatie is niet opgesteld door een extern bureau, maar is een bestuurlijke evaluatie binnen de governance van de GMR. De opdracht is vastgesteld door het Algemeen Bestuur en de evaluatie is
gebaseerd op de eigen producten, ervaringen en resultaten van de samenwerking. Eerder is in 2023 al een externe kwalitatieve evaluatie uitgevoerd.
De huidige evaluatie is daarmee vooral te zien als een overdrachtsdocument over de afgelopen bestuursperiode. Bij de totstandkoming zijn het algemeen bestuur, dagelijks bestuur en de
Pagina 4 van 5
bestuurlijke overleggen betrokken. Van het beeld dat de GMR uitsluitend haar eigen functioneren beoordeelt, is daarom geen sprake in de enge zin, maar het is wel een evaluatie binnen de eigen samenwerkingsstructuur. Dat past bij de aard van een gemeenschappelijke regeling, mits de verschillende bestuurslagen hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Vraag 5 – Integrale resultaatsbewaking over de vijf opgaven
De GMR is verantwoordelijk voor het bewaken van de overkoepelende doelen van de regionale
samenwerking. De samenhang tussen losse producten en activiteiten en het hogere doel wordt
bewaakt via de gekozen governance: de bestuurlijke opgaveteams, de ambtelijke afstemming, de bestuurlijke platforms en de reguliere rapportages.
De wisselwerking tussen regionaal en lokaal functioneert daarbij in de praktijk goed, juist omdat de governance duidelijk is ingericht. Wanneer regionaal beleid gevolgen heeft voor lokaal beleid, bijvoorbeeld bij een aanpassing van de omgevingsvisie, wordt dat aan de raad voorgelegd. Omgekeerd worden lokale onderwerpen met regionale betekenis, bijvoorbeeld rond de verstedelijkingsstrategie, geagendeerd in de ambtelijke en bestuurlijke overleggen. Vraag 6 bij punt 6 – Concrete aanpassingen op de verstedelijkingsstrategie
Er is op dit moment geen aanleiding om het RegioArrangement te heroverwegen. Als kader is het
werkend en in gebruik. Gemeenten, waaronder Beuningen, werken nu vooral aan het concretiseren en realiseren van de afspraken die daaruit voortvloeien, bijvoorbeeld binnen de Zuidflank, het Regionaal Programma Werklocaties en de Regionale Energiestrategie. Als de uitvoering of de
resultaten aanleiding geven tot aanpassing van de verstedelijkingsstrategie, dan wordt dat uiteraard aan de raad voorgelegd.
Vraag 7 – Vernieuwende inzichten over het regioarrangement
Tot op heden is er geen aanleiding voor een gewijzigde opzet of gewijzigd gebruik van het
RegioArrangement. Dat de doelen nog niet volledig zijn behaald, is juist; aan die doelen wordt momenteel gewerkt. Het gaat daarbij onder meer om woningbouw, mobiliteit, natuur, landschappelijke kwaliteit en circulaire bouwdoelen.
Wanneer doelen worden gerealiseerd of wanneer nieuwe inzichten aanleiding geven tot bijstelling, wordt de raad daarover geïnformeerd.
Vraag 8 – Concrete opbrengst “Meer landschap, meer stad”
De overstap naar de uitvoeringsfase levert op dat meer wordt ingezoomd op de betekenis voor
Beuningen en dat de samenwerking met andere gemeenten, de provincie en het waterschap verder vorm krijgt. Daarmee wordt de regionale samenwerking concreter en meer gericht op realisatie.
De GMR informeert de gemeenten via nieuwsbrieven en kwartaalrapportages en legt verantwoording af aan de gemeenten via de P&C cyclus. Het college informeert uw raad periodiek, onder meer via
informatiebijeenkomsten en relevante stukken zoals uitvoeringsagenda’s en voortgangsrapportages.
Met vriendelijke groet,
burgemeester en wethouders
{{esl:Signer1:Capture:size(200,50)}}
Dyanne Kocken secretaris
{{esl:Signer2:Capture:size(200,50)}}
Daphne Bergman burgemeester
Pagina 5 van 5