CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Transitievisie Warmte Beuningen

Informatiebijeenkomst 24 september 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Voortgang gemeentelijke warmtetransitie en warmtenet ontwikkeling (19:30 - 20:30 uur)13.769 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Plan van aanpak Transitievisie Warmte Beuningen In 2021 wordt de TVW voor de gemeente Beuningen opgesteld. De TVW is een verkenning van de mogelijke route naar een aardgasvrije gemeente in 2050. Het is nadrukkelijk een verkenning aangezien er ten aanzien van de warmtetransitie nog veel onzekerheden zijn. De technische ontwikkelingen volgen elkaar snel op, het Rijk is nog bezig met het opstellen van de zogenoemde Warmtewet (treedt naar verwachting in werking in 2022) en de financiële gevolgen zijn nog zeer onduidelijk. Het is het belangrijk te onthouden dat de TVW niet in beton is gegoten. Het is een visie: de inhoud kan worden aangepast als er nieuwe kennis en inzichten beschikbaar zijn, of als meningen over de inhoud veranderen. Het is de bedoeling de visie elke 5 jaar te actualiseren.

De TVW wordt opgesteld door Royal HaskoningDHV. Het proces is opgeknipt in twee stappen: Eerst wordt inzichtelijk gemaakt wat de technisch-inhoudelijke mogelijkheden zijn en wordt de basis voor de volgorde waarop de buurten in de gemeente Beuningen van het aardgas af kunnen, opgesteld. Als tweede stap wordt een communicatie- en participatieplan opgesteld. In dit plan wordt bepaald hoe de gemeente over de TVW wil communiceren en wordt vooruitgeblikt op de participatie binnen de wijkuitvoeringsplannen.

Uitgangspunten Voordat de gemeente de TVW kan opstellen, moeten de uitgangspunten helder zijn. De voorlopige uitgangspunten staan in deze startnotitie en worden door de gemeenteraad eind 2021 vastgesteld.

Uitgangspunten van de gemeente Beuningen De voorlopige uitgangspunten sluiten aan bij de landelijke leidraad Transitievisie Warmte en zijn verrijkt met inzichten van beleidsmedewerkers.

1. Samen werken aan een aardgasvrije gemeente We verduurzamen onze warmtevoorziening niet alleen, dat doen we samen met onze partners en inwoners. De warmtetransitie heeft namelijk invloed op alle inwoners en bedrijven die actief zijn in onze gemeente. De warmtetransitie is een zaak van alle betrokkenen, de gemeente heeft een regierol in het proces. 2. Een betaalbare en betrouwbare warmtevoorziening Iedereen moet kunnen rekenen op een betaalbare en betrouwbare warmtevoorziening. Nu en in toekomst. We kiezen daarom voor oplossingen waarvan we weten dat ze werken en toekomstbestendig zijn. Onze keuzes voor oplossingen baseren wij daarnaast in beginsel op de laagste maatschappelijke kosten. 3. Onze transitie is lokaal en gebiedsgericht Elk gebied is anders. Zo verschillen de woningdichtheid, het isolatieniveau, de kansen en de behoeften in de warmtetransitie van buurt tot buurt. We werken daarom lokaal en gebiedsgericht, zodat we beter kunnen inspelen op lokale ontwikkelingen en initiatieven. Door maatwerk te leveren creëren we focus??? en kunnen we de transitie (kosten)efficiënter uitvoeren. Daarnaast willen we lokale kansen, zoals beschikbare warmtebronnen in onze gemeente, zo goed mogelijk benutten. We kijken welke bijdrage de ARN kan leveren.

4. Onze aanpak is flexibel en lerend Er zijn nog veel onzekerheden in de transitie van aardgas naar duurzame warmtebronnen. De komende jaren wordt er meer bekend over nieuwe regels, nieuw beleid en financieringsmogelijkheden. Daarnaast staan ook technologische ontwikkelingen niet stil. We zijn daarom flexibel in onze aanpak en proberen zoveel mogelijk te leren van anderen en van eigen ervaringen. Wij sluiten op voorhand geen opties uit die substantieel kunnen bijdragen aan de warmtetransitie.

5. Een realistisch en planbare transitie We streven naar een realistische en planbare transitie, die rekening houdt met de uitvoerbaarheid en de beschikbare arbeidscapaciteit en die ook financieel haalbaar is.

Wat doet de gemeente 1. Informeren over proces en maatregelen De gemeente geeft informatie over het proces en de maatregelen van de warmtetransitie. Dit doet de gemeente onder andere via verschillende communicatiekanalen waaronder de eigen websites, social media, lokale media, het Loket Duurzaam Wonen Plus of door aan te sluiten bij duurzaamheidscampagnes. Maar ook door het organiseren van informatiebijeenkomsten. Doel is om alle betrokken partijen duidelijkheid te geven over de warmtetransitie, bewustwording te creëren en om hen te stimuleren actie te ondernemen. 2. Vormgeven en borgen van de participatie De gemeente zorgt als regisseur in de warmtetransitie dat de betrokken partijen kunnen participeren bij het opstellen van de uitvoeringsplannen op wijk-, buurt- of straatniveau. Doel is om voldoende draagvlak te creëren bij de betrokken partijen voor de te nemen maatregelen. 3. Faciliteren samenwerking sleutelpartijen De gemeente faciliteert de samenwerking tussen de sleutelpartijen in de gemeente. Dit doet zij door netbeheerders, woningcorporaties en andere georganiseerde belanghebbenden met elkaar in contact te brengen rondom specifieke vraagstukken of gebieden. Daarnaast biedt de gemeente waar mogelijk ondersteuning aan deze sleutelpartijen. Doel is om het proces van de warmtetransitie te versnellen. 4.

Onderzoeken en aanjagen collectieve oplossingen De gemeente pakt een belangrijke rol bij de aanleg van collectieve oplossingen zoals warmtenetten. Dit doet zij door onderzoek uit te voeren naar de mogelijkheden voor collectieve oplossingen met lokale warmtebronnen. Afhankelijk van de onderzoeksuitkomsten bepaalt de gemeente haar rol voor het vervolg. Doel is om de kosten van de te kiezen oplossing voor warmte zo laag mogelijk te houden. 5. Ontsluiten en benutten van koppelkansen De gemeente onderzoekt, daar waar zij een leidende rol heeft, samen met betrokkenen de kansen om werk met werk te maken. Denk aan het mogelijk maken van nieuwbouwlocaties, renovatie of vernieuwing van het maatschappelijk vastgoed of van de openbare ruimte. Doel is om de efficiëntie van de warmtetransitie te vergroten. 6. Afstemming en aansluiting bij landelijke en regionale processen De gemeente zorgt voor afstemming en aansluiting bij het landelijke Klimaatakkoord en de Regionale Energie Strategie (RES). Dit doet zij door onder meer de lokale voortgang te monitoren en de Transitievisie Warmte tenminste elke 5 jaar bij te stellen (als dat nodig is).

Verdieping: Toelichting op gebruikte energie-eenheden 1 GigaJoule (GJ) = 1.000 Megajoule (MJ) 1 TeraJoule (TJ) = 1.000 GJ 1 TJ elektrisch dat is 1 TJ elektriciteit 1 TJ thermisch dat is 1 TJ thermisch, dat is warmte of koude. 1 kiloWattuur (kWh) elektriciteit wordt omgerekend naar 1 TJ energie door met 3,6 te vermenigvuldigen en te delen door 1 miljoen. 1 TJ is gelijk aan 277.778 kWh. 1 kWh is gelijk aan 3,6 MJ. 1 kubieke meter (m3) aardgas wordt omgerekend naar 1 TJ energie door met 31,65 te vermenigvuldigen (onderste verbrandingswaarde) en te delen door 1 miljoen. 1 TJ is gelijk aan 31.595 m3 aardgas. 1 m3 aardgas is gelijk aan 31,65 MJ.

Verdieping: Conclusies MARN-haalbaarheidsstudie Wanneer we naar de resultaten van de haalbaarheidsstudie kijken, zien we dat het nader onderzoeken van de potentie van het collectieve systeem voor alle vier de onderzochte scenario's zinvol is. De belangrijkste argumenten hiervoor zijn: »

» »

De bronkeuze is duurzamer dan het huidige systeem (verwacht 66% minder CO2-uitstoot in 2050) en biedt kansen om in de toekomst verder te verduurzamen door middel van de inzet van duurzame gassen; Op basis van de doorgerekende business cases is er geen voorkeursscenario aan te wijzen; De financiële analyse laat zien dat alle scenario's bij een gebruikelijke winsteis (gem. 6,75%) na 30 jaar een negatief projectresultaat laten zien. Bij verlaging van de winsteis of het vragen van een aansluitbijdrage van de woningeigenaren kan het project winstgevend kan zijn vanaf ongeveer 30 jaar.

Belangrijke inzichten, aandachtspunten en adviezen hierbij zijn: »

» » »

»

»

»

»

»

Deze haalbaarheidsstudie geeft een eerste indicatie van de haalbaarheid van een collectief warmtenet op basis van restwarmte van de ARN-afvalverwerkingscentrale. De scenario's zijn onderling goed te vergelijken, maar moeten verder uitgewerkt worden om de onzekerheid te reduceren. In vergelijking met andere bronnen is de ARN-afvalwerkingscentrale op basis van de geleverde kentallen een erg goedkope warmtebron. Verdere uitbreiding van het net in Nijmegen is buiten de scope van deze studie gelaten. Alleen de huidige plannen rondom Dukenburg zijn meegenomen. Aangezien het vermogen van de (nog niet gecontracteerde) warmtebron van de ARNafvalverwerkingscentrale beperkt is, zal een deel (30-50%) van de warmtevraag nog steeds met een andere warmtebron (zoals aardgas) moeten worden voorzien. Er zijn hoge kosten gemoeid met de aanleg van het netwerk. Het is bekend dat een langere transportafstand tussen de bron en de afname ongunstig is. Uit deze studie blijkt echter ook dat (de efficiëntie van) het distributienet grote invloed heeft op de business case. We raden aan om hier een verdiepend onderzoek naar te doen, om de kosten voor het volledige netwerk beter in te kunnen schatten. Ook de warmtevraag bepaalt in grote mate de haalbaarheid van de business case. Indien de warmtevraag de komende jaren meer gaat afnemen dan verwacht, zal dit ongunstig zijn voor de business case.

Dit is een belangrijk (exploitatie)risico. Vanwege de nieuwe Warmtewet is uitgegaan van een relatief hoge deelname (80%). Indien dit percentage lager wordt, kan dit een zeer ongunstig effect hebben op de business case. Draagvlak peilen en draagvlak creëren is daarom een cruciaal onderdeel van een succesvolle business case. In deze studie is er geen diepgravend onderzoek gedaan naar de leveringszekerheid van de ARN. De directie van de ARN heeft aangegeven hier geen problemen mee te verwachten. Het is echter wel van belang in deze afweging mee te nemen dat de inzet van afval om energie uit te leveren, steeds vaker onderwerp in het publieke debat is. Bovendien zijn er scenario's denkbaar waarin het aanbod van afval af zal nemen in de toekomst. Naast warmte kan de ARN-afvalverwerkingscentrale ook elektriciteit en groene gassen (o.a. waterstof uit elektriciteit) produceren. In deze studie is een leverings-scenario aangenomen. Onderzoek naar de strategisch beste 'bron-configuratie' voor de ARN kan wenselijk zijn, maar is op basis van politieke - en daarmee financiële - onzekerheid uitdagend.

Verdieping: hoe werken de oplossingen? Er zijn verschillende manieren waarop huizen en gebouwen kunnen worden verwarmd zonder aardgas te gebruiken. Bijvoorbeeld door een warmtepomp, warmtenet of groen gas. Warmtenetten noemen we een collectieve oplossing. In dat geval kan een hele straat, buurt of wijk gebruik maken van dezelfde oplossing. Andere oplossingen zijn individueel; deze bevinden zich in de woningen en gebouwen zelf. Denk bijvoorbeeld aan het kiezen voor een warmtepomp. Individuele oplossingen maken wel gebruik van algemene infrastructuur. Warmtepompen benutten het elektriciteitsnet en noemen wij daarom ook wel all electric, of volledig elektrisch. Groen gas of waterstof stroomt door het gasnet. We noemen dit daarom hernieuwbare gassen. In tegenstelling tot aardgas zijn deze gassen duurzaam op te wekken. Tot slot is een combinatie mogelijk tussen het gasnet en elektriciteitsnet. Dit noemen wij een hybride oplosing. Meestal bestaat dit uit een combinatie van een elektrische warmtepomp en een CV-ketel op gas. All electric, hybride en warmtenetten met lage temperatuur warmtebronnen maken gebruik van warmtepompen om warmte op een bruikbare temperatuur te leveren. Dit kost elektriciteit, waardoor extra zon- en windenergie nodig is. Ook moet het elektriciteitsnetwerk deze extra vraag aan kunnen. Dit kan betekenen dat het netwerk hiervoor verzwaard moet worden.

Dit kan een belangrijk aandachtspunt zijn bij de ontwikkeling. Hieronder beschrijven wij de verschillende duurzame oplossingen en warmtebronnen. Wilt u hier meer over weten, dan verwijzen wij u naar het Expertise Centrum Warmte.

Warmtenet (collectief) Een warmtenet is een netwerk van leidingen onder de grond waar warm water doorheen stroomt. Dit wordt ook wel stadsverwarming genoemd. Er zijn verschillende warmtebronnen die voor warm water kunnen zorgen. Mogelijke warmtebronnen zijn restwarmte, biomassa, geothermie (aardwarmte) of aquathermie (warmte uit oppervlaktewater, afvalwater of leidingwater).

Figuur 1 - Afbeelding van een warmtenet

Restwarmte (in combinatie met een warmtenet) Restwarmte komt vrij bij een productieproces en wordt vervolgens via een warmtenet getransporteerd naar de gebouwen. Restwarmte is warmte die over is en niet meer binnen het bedrijf zelf kan worden gebruikt.

Figuur 2 - Afbeelding van een warmtenet i.c.m. restwarmte

Zonthermie (in combinatie met een warmtenet) Zonthermie is het winnen van zonnewarmte. Via zonnecollectoren op daken of zelfs zonneweides kan extra duurzame warmte opgewekt worden voor het netwerk. Omdat deze warmte vooral in de zomer beschikbaar komt, combineert dit goed met een Warmte-Koude-Opslag. Zo kan de energie opgeslagen

worden en in de winter worden gebruikt. Op dit moment is zonthermie vooral een mogelijke aanvulling op andere warmtebronnen.

Figuur 3 - Afbeelding van een warmtenet i.c.m. zonthermie

Geothermie (in combinatie met een warmtenet) Geothermie, ook vaak 'aardwarmte' genoemd, maakt gebruik van warmte uit de grond. Bij warmtewinning van het maaiveld tot 500 meter diepte spreken we over bodemenergie. Geothermie is de benutting van warmte uit de ondergrond vanaf 500 meter en dieper. Om het warme water te kunnen winnen, moeten er twee putten worden geboord: een productieput en een injectieput. Het boren van een put is kostbaar (een enkele boring kost al gauw 2 tot 5 miljoen euro). Minder diep boren kan in sommige gevallen (ondiepe geothermie), maar levert ook minder warmte. Gezien de hoge kosten is er ook een aanzienlijke warmteafzet nodig om de investering terug te verdienen. Dit maakt dat je moeilijk stapsgewijs een warmtenet kan laten groeien. Het is vaak een grote, kostbare operatie. Naast de schaal van deze projecten speelt ook de geschiktheid van de ondergrond een belangrijke rol. Door middel van metingen (seismiek) aan het aardoppervlakte krijgen we een beeld van de ondergrond. De kenmerken en mogelijkheden van de put worden pas echt bekend na een proefboring. Op dit moment heeft een geothermieproject alleen kans van slagen als er ook een aanzienlijke zekerheid is over de warmteopbrengst (bodem) en warmte-afname. Als één van deze twee onzeker lijkt, dan zijn de risico's en benodigde risicopremies voor geothermie te hoog.

productieput

injectieput

Figuur4 - Afbeelding van een warmtenet i.c.m. geothermie

Aquathermie (in combinatie met een warmtenet) Oppervlaktewater en afvalwater zijn twee warmtebronnen die steeds vaker worden gebruikt voor warmtenetten. Deze bronnen en dan met name het oppervlaktewater (rivieren, meren) zijn in Nederland altijd en veelvuldig aanwezig waardoor de continuïteit voor de lange termijn is gegarandeerd. Ook drinkwater(leidingen) wordt als mogelijke warmtebron gezien. Aquathermie levert, vanwege de relatief lage watertemperatuur, een lage temperatuur voor de verwarming van gebouwen. Er is daarom een warmtepomp nodig om de warmte naar een bruikbare temperatuur te brengen. Dit kan ook betekenen dat het elektriciteitsnetwerk verzwaard moet worden.

Warmte uit oppervlaktewater Een aquathermie-systeem dat gebruikt maakt van warmte uit oppervlaktewater, wordt ook wel TEO genoemd: Thermische Energie uit Oppervlaktewater. In dit systeem wordt warmte onttrokken uit het water. In de praktijk zijn er vaak regels/randvoorwaarden voor het onttrekken van warmte uit de wateren, waardoor de bron (met name in de koudere periode) niet optimaal benut kan worden. Dit maakt dat TEO vaak gecombineerd wordt met een Warmte-Koude Opslag (WKO) of een warmtebuffer.

Figuur 5 - Afbeelding van een warmtenet i.c.m. TEO

Warmte uit afvalwater Een aquathermie-systeem dat gebruikt maakt van warmte uit afvalwater wordt ook wel TEA genoemd: Thermische Energie uit Afvalwater. In dit systeem wordt warmte onttrokken uit rioleringsbuizen of uit afvalwater bij een waterzuiveringsinstallatie. In veel gevallen is de temperatuur van de bron (effluent water) hoger dan bij oppervlaktewater. Ook zijn er minder temperatuurschommelingen dan bij oppervlaktewater.

Figuur 6 - Afbeelding van een warmtenet i.c.m. TEA

Warmte uit drinkwater Eén van de vormen van aquathermie is TED; Thermische Energie uit Drinkwater. Warmtewinning uit drinkwater kan een interessante optie zijn vanwege de constante beschikbaarheid van de warmte. Het

uitwisselen van warmte met drinkwater is iets eenvoudiger dan bij vuil rioolwater. Omdat het leidingwater een lage temperatuur heeft, wordt het gecombineerd met een warmtepomp.

y//////

Figuur 7 - Afbeelding van een warmtenet i.c.m. TED

Warmte koude Opslag (WKO, in combinatie met een warmtenet) Een Warmte Koude Opslag (WKO) is geen echte warmtebron, maar een buffer in de bodem om warmte en koude gedurende het jaar in op te slaan. Warmte die in de zomer beschikbaar is, kan in de bodem opgeslagen worden. Denk bijvoorbeeld aan de opgewarmde Ringvaart (aquathermie) of zonnewarmte (zonthermie). Warm water (15 - 250C) wordt via een put in een doorlatende zandsteenlaag gepompt, op enkele tientallen tot honderden meters diepte. In de winter, wanneer deze warmte nodig is, wordt deze weer opgepompt. Meestal wordt een warmtepomp gebruikt om de temperatuur van het water daarna nog verder te verhogen, zodat het gebruikt kan worden om gebouwen te verwarmen. Hetzelfde proces gebeurt andersom in de winter. Koud water (7 - 12"C) wordt in de winter in de bodem opgeslagen en in de zomer gebruikt wanneer er een koelvraag is. Het koude water wordt dan weer opgepompt en gebruikt om gebouwen te koelen. Vooral in combinatie met lage temperatuur warmtebronnen zoals aquathermie en zonthermie is een WKO vaak een belangrijke component in het warmtesysteem. Voor de toepassing van deze vorm van energieopslag in de bodem is in het algemeen een vergunning Grondwaterwet vereist. Daarin wordt o.a. vastgelegd dat er (voldoende) energiebalans in de bodem moet zijn.

Dit is niet toegestaan in uitsluitingsgebieden zoals grondwaterbeschermingsgebieden.

Warmtepompen (individueel) Een warmtepomp kan worden gezien als een elektrisch en energiezuinig alternatief voor de traditionele CV-ketel. De oplossing wordt ook wel all electric genoemd, omdat er alleen gebruik wordt gemaakt van elektriciteit. Een warmtepomp onttrekt warmte uit de bodem (bodemwarmtepomp) of de buitenlucht (luchtwarmtepomp) en verwarmt dit verder. Met één deel elektriciteit maakt een warmtepomp twee tot zes delen warmte. De warmtepomp is dus een zeer efficiënte techniek.

Voor een luchtwarmtepomp is een buitenunit nodig. Dit is een ventilatorkast aan de buitenkant van de woning, net als bij een traditionele airco. Dit heeft invloed op de uitstraling van de woning. De ventilator maakt ook geluid, wat soms als hinderlijk ervaren kan worden. De plek van een buitenunit moet daarom zorgvuldig uitgezocht worden, zie ook de website van milieucentraal. Ook kunnen er maatregelen genomen worden om de geluidsproductie te verminderen, zoals het plaatsen van een isolerende omkasting op de ventilator.

z—1

Figuur 8 - Afbeelding van een woning met een luchtwarmtepomp

Een bodemwarmtepomp is een warmtepompsysteem dat de bodem als warmtebron gebruikt. De warmtepomp maakt gebruik van een zogenaamde 'bodemwarmtewisselaar' om warmte aan de bodem te onttrekken. Dit worden ook wel bodemlussen genoemd. Het is een efficiënte en prettige manier van verwarmen. Hiervoor is wel vooraf een hogere investering nodig dan bij een luchtwarmtepomp. De ondergrond moet ter plaatse van het gebouw wel geschikt zijn. Daarnaast is het soms niet toegestaan om bodemlussen te plaatsen. Dit is bijvoorbeeld het geval in grondwaterbeschermingsgebieden.

Figuur 9 - Afbeelding van een woning met een bodemwarmtepomp

Een warmtepomp levert warmte op tussen 30 - 50 0C. Dat is aanzienlijk lager dan de circa 80 0C van een HR-ketel. Daarom is het nodig om een gebouw te isoleren tot minimaal schillabel B. Verder is een lagetemperatuur-afgiftesysteem nodig, zoals vloerverwarming en/of lage temperatuur radiatoren/convectoren. De duurzaamheid van de warmtepomp is afhankelijk van de elektriciteit die wordt gebruikt. Voor een duurzame oplossing is ook duurzame elektriciteit nodig. Lokale opwek (bijvoorbeeld zonnepanelen) draagt bij aan een duurzaam systeem. Een bodemwarmtepomp kan een huis ook efficiënt koelen, met een zeer laag energiegebruik. Hierdoor is een traditionele airconditioner, die doorgaans erg veel energie verbruikt, onnodig. Lucht-waterwarmtepompen kunnen ook koelen, maar verbruiken hiervoor meer energie dan een bodemwarmtepomp. Warmtepompen kunnen worden ingezet voor een 'all-electric strategie', maar ook voor een hybride systeem, waarbij deels nog (hernieuwbaar) gas wordt gebruikt.

All-electric warmtepompen Bij de strategie 'all-electric' wordt per gebouw een elektrische warmtepomp ingezet voor verwarming en warm tapwater. De gebouwen hebben bij deze strategie geen gasaansluiting meer nodig. Deze strategie kan per woning/gebouw worden uitgevoerd, maar ook als collectief systeem, in bijvoorbeeld een appartementencomplex. Als een hele buurt overstapt op elektrische oplossingen kan het nodig zijn om het elektriciteitsnetwerk te verzwaren.

Hybride warmtepompen met groen gas Een hybride warmtepomp is een warmtepomp die op elektriciteit werkt in combinatie met een HRketel op gas. De elektrische warmtepomp levert de basislast van de warmtevraag. Als de warmtepomp niet voldoende warmte kan leveren, bijvoorbeeld in de winter of bij warm tapwater verbruik, neemt de HR-ketel het over. De warmtepomp zal het grootste gedeelte van de warmtevraag gedurende het jaar invullen.

Om dit systeem efficiënt te kunnen toepassen, moeten de gebouwen tot minimaal schillabel D worden geïsoleerd, maar bij voorkeur natuurlijk nog beter. Dit zorgt namelijk voor minder verbruik. In het begin kan van aardgas gebruik gemaakt blijven worden. Vanwege de inzet van de efficiënte warmtepomp en de isolatiemaatregelen is al veel minder aardgas nodig en daalt de CO2-uitstoot van het gebouw flink. Als op termijn hernieuwbare gassen, zoals groen gas of waterstof, beschikbaar komen, kan hierop overgestapt worden. De oplossing wordt dan helemaal zonder uitstoot van CO2. Overstappen op een hybride oplossing kan een tussenstap zijn naar een volledig all electric warmtepomp. Inzet van hybride warmtepompen is daarom bijna altijd een goede (tussen)stap voor gebouwen die geen gebruik kunnen maken van warmtenetten. Dit geldt zeker voor oudere gebouwen die moeilijk in een keer naar all electric kunnen gaan.

Figuur 10 - Afbeelding van een woning met een hybride warmtepomp

Duurzame gassen Waterstof is een techniek die nog volop in ontwikkeling is. Waterstof is eigenlijk geen energiebron, maar een energiedrager. Er is dus (ergens anders opgewekte) wind- of zonne-energie nodig om waterstof te produceren. Hierbij gaat ook relatief veel energie verloren. Een efficiënte warmtepomp levert in vergelijking veel meer warmte op voor dezelfde hoeveelheid elektriciteit. Daarom lijkt het niet waarschijnlijk dat waterstof veel gebruikt gaat worden voor het verwarmen van huizen. Aangezien het voorlopig ook maar beperkt beschikbaar is, wordt waterstof vooral ingezet voor de industrie en voor transport. Voor die sectoren bestaat namelijk geen andere oplossing. Voor meer informatie, zie de website van het Expertise Centrum Warmte. Biogas Biogas is gas dat vrijkomt bij vergisting van organisch materiaal, zoals mest en groenafval. Groen gas is biogas dat is opgewaardeerd naar aardgaskwaliteit. Voor gebruik in woningen is groen gas eenvoudiger te gebruiken dan biogas, omdat het dezelfde eigenschappen als aardgas heeft. Hierdoor hoeven de installaties en apparatuur in woningen en gebouwen niet te worden aangepast. Bij biogas zou dat wel moeten gebeuren.

Groen gas Groen gas kan overal worden toegepast waar op dit moment ook aardgas gebruikt wordt. Maar op dit moment is de beschikbaarheid van biogas erg klein. Er zal nu en in de toekomst niet genoeg biomassa beschikbaar zijn om alle buurten in Nederland met groen gas te verwarmen. Er moet dus gekozen worden waar groen gas het beste ingezet kan worden. Het doel is daarom om groen gas alleen in te zetten in buurten waar de andere aardgasvrije strategieën veel duurder of technisch niet haalbaar zijn.

ļ----- 1

Figuur 11 - Afbeelding van een woning met duurzaam gas

Verdieping: Hoe is de WAT-kaart bepaald? De WAT-kaart geeft per buurt of wijk de mogelijke technische oplossingsrichtingen weer, op basis van de kennis en inzichten van nu. In de WAT-kaart komt informatie uit verschillende bronnen samen: landelijke gegevens en lokale gegevens van de gemeente, netbeheerder, woningcorporatie, waterschap en andere betrokkenen. De basis voor deze kaart is de Startanalyse. Dit is een energiemodel van het Planbureau voor de Leefomgeving (Vesta MAIS 5.0 model). De belangrijkste technische oplossingsrichtingen zijn hierin doorgerekend. Hierbij is rekening gehouden met de lokaal beschikbare warmtebronnen en de lokale opbouw van de warmtevraag. Dit model is als startpunt gebruikt voor de WAT-kaart van Beuningen. Voor het opstellen van de WATkaart is begonnen met de mogelijke oplossingen met de laagste maatschappelijke kosten. Dit zijn oplossingen die de minste kosten met zich meebrengen voor de hele maatschappij. Hoe deze kosten over de maatschappij verdeeld worden, is nu nog niet aan te geven. We weten dus nog niet wie welk deel van de kosten moet betalen. Dit komt omdat de regering dit nog niet bepaald heeft. We kunnen nu dus nog niet zeggen wat de gevolgen zijn voor uw/ieders energierekening. De uitkomsten van de Startanalyse zijn uitgebreid met lokale informatie en eerdere studies (zoals de Impactscan aardgasloze woningen gemeente Beuningen, 2019).

De beschikbare (rest)warmtebronnen zijn aangepast op basis van de Regionale Structuur Warmte voor de RES Arnhem-Nijmegen. Daar is namelijk onderzocht welke (rest)warmtebronnen er in gemeente Beuningen beschikbaar zijn. Dit is gebruikt voor een nieuwe doorrekening van de Startanalyse. Dit betekent dat de nieuwe dataset met restwarmtebronnen gebruikt is om met behulp van het rekenmodel van de Startanalyse nieuwe uitkomsten voor gemeente Beuningen te maken. Na de nieuwe doorrekening van de Startanalyse zijn deze uitkomsten beoordeeld door de betrokken stakeholders. Hiervoor zijn de gemeente, netbeheerder Liander, Waterschap en woningcorporatie Woonwaarts gesproken. Daarna is hen gevraagd een enquête in te vullen. De volgende informatie is per buurt in kaart gebracht: »

Bestaande plannen voor duurzame energiesystemen;

»

Bewonerscollectieven rond energie of energiecoöperaties;

»

Geplande onderhoudswerkzaamheden aan riolering, wegen, drinkwaternet, gasnet, en elektriciteitsnet;

»

De capaciteit van het elektriciteitsnetwerk;

»

De economische afschrijving van het gasnetwerk;

»

Sloop- en nieuwbouwplannen;

»

Grote renovatieplannen voor woningen;

»

Grote werkzaamheden rond ruimtelijke inrichting, openbaar groen, klimaatadaptatie en watersysteem.

Met deze lokale informatie krijgen wij een beter beeld van de mogelijke warmteoplossingen en waar koppelkansen ontstaan. Koppelkansen zijn kansen die ontstaan doordat werk met andere werk

gecombineerd kan worden. Denk bijvoorbeeld aan het aanleggen van een warmtenet, wanneer de straat open moet omdat de riolering vervangen wordt.

Startanalyse PBL

Analyse

Concept

WAT-kaart

Toetsen met stakeholders en gemeente

WAT-kaart

Vergelijking met andere modellen

Daarnaast zijn zes controles uitgevoerd op de modeluitkomsten. Hiermee controleren wij de modeluitkomsten. Er is gekeken naar:

»

»

»

»

»

»

Beschikbaarheid: Is het waarschijnlijk dat de oplossing met de laagste maatschappelijke kosten ook daadwerkelijk beschikbaar komt in deze buurt? Strategieën die gebruik maken van b.v. groen gas, restwarmte of geothermie scoren lager op dit aspect, omdat het niet zeker is dat deze duurzame energiebronnen ook daadwerkelijk lokaal ingezet kunnen worden. Warmtevraag: In hoeverre komt de gemodelleerde warmtevraag van een buurt overeen met het werkelijke warmteverbruik in de afgelopen jaren? Bij een grote afwijking is het vertrouwen in de modeluitkomsten lager. Isolatie: Zijn de woningen geschikt voor oplossingen die warmte leveren op lage temperatuur (all electric, lage temperatuur-warmtenet)? Hiervoor is gekeken naar de bouwjaren. Als er veel oude woningen in de buurt staan, is het uitdagender deze strategie te realiseren, en is de robuustheid lager. Bij veel nieuwere woningen geldt het omgekeerde. Warmtevraagdichtheid: Sluit de warmtevraag aan bij de strategie? Als de warmtevraagdichtheid hoog is ^l.OOOGJ/ha), zijn warmtenetten kansrijker. Als de warmtedichtheid laag is (cl.000 GJ/ha) zijn individuele oplossingen kansrijker. Wanneer de voorkeursstrategie overeenkomt met de warmtevraagdichtheid, is de robuustheid hoger. Elektriciteitsnet: Kan het elektriciteitsnet de nodige extra elektriciteitsvraag aan? Sommige oplossingen vragen veel extra elektriciteit.

Als de oplossing relatief weinig verzwaring van het lokale elektriciteitsnetwerk vergt, is de robuustheid hoger. Sloop en nieuwbouw: De modeluitkomsten zijn gebaseerd op de huidige bebouwing. Als er significante sloop- of nieuwbouwplannen in de buurt zijn, kan dit invloed hebben op de best passende strategie. In dat geval is de robuustheid van de uitkomsten lager.

Deze controles geven een indicatie of er aandachtspunten zijn bij de modeluitkomsten. Dit is gebruikt bij het interpreteren van de resultaten. Alles resultaten zijn gebundeld, en op overzichtelijke manier weergegeven in interactieve dashboards, zowel op gebouw-, buurt- als gemeenteniveau. Deze dashboards hielpen bij het vaststellen van warmteoplossingen die het meest geschikt zijn en de kansen te identificeren waar gestart kan worden met de transitie richting aardgasvrij.

Verdieping: Warmtebronnen in en rondom Beuningen De beschikbare warmtebronnen in Beuningen zijn te bekijken via deze atlas: http:ZZrhk.maps.arcgis.comZappsZMinimalGallervZindex.html?app^65f26148fc784f12b37ddc3e8fa0ad5a In deze atlas zijn de lokale warmtebronnen in de gemeente Beuningen opgenomen, zoals die nu bekend zijn. De beschikbaarheid van deze warmtebronnen is meegenomen bij de uitwerking van de Transitievisie Warmte.

Verdieping: Het platform SETuP Royal HaskoningDHV heeft het platform SETuP ontwikkeld met als doel betrokkenen een helder en onderbouwd beeld te geven van de mogelijkheden, kansen en uitdagingen in de gemeente. Dit vormt een vertrekpunt voor dialoog met betrokkenen en het maken van keuzes. Zo kan een gemeente tot een breed gedragen Transitievisie Warmte komen. SETuP staat voor Smart Energy Transition Platform. In het platform is de veelheid aan beschikbare data gebundeld, zodat het op systematische wijze geanalyseerd kon worden. Het gaat dan om de warmtevraag, geplande werkzaamheden, initiatieven in de wijk en de uitkomsten van warmtemodellen (de Startanalyse door het Vesta MAIS model van PBL). Het platform gebruikt daarnaast een aantal publieke databronnen. Dit zijn: »

Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), voor gegevens over gebouwen (bouwjaar, gebruiksdoeleinde);

»

Database voor energielabels;

»

Verschillende gegevens van Centraal Bureau Statistiek;

»

De uitkomsten van de Startanalyse van het Planbureau voor de Leefomgeving.

Gedurende het project hebben we het platform aangevuld met lokale data. We hebben gegevens verzameld over onder andere lokale warmtebronnen, het gasnetwerk, het elektriciteitsnetwerk, plannen voor duurzame warmtesystemen, bewonersinitiatieven, renovatieplannen van woningcorporatie, sloop- en nieuwbouwplannen, werkzaamheden voor klimaatadaptatie en aan de infrastructuur (wegen, riolering, waternet, watersysteem). We hebben deze resultaten gebundeld, zodat we deze op een overzichtelijke manier konden weergeven in interactieve dashboards, zowel op gebouw-, buurt- als gemeenteniveau. Deze dashboards hielpen bij het vaststellen van warmteoplossingen die het meest geschikt zijn en om de kansen te identificeren waar gestart kan worden met de transitie richting aardgasvrij. De uitkomsten van de met SETuP uitgevoerde analyse dienden als startpunt voor een dialoog met alle betrokken professionele partijen. Door de veelheid aan informatie overzichtelijk weer te geven heeft het de betrokken partijen geholpen om gezamenlijk tot inzichten te komen en zo samen keuzes te maken. In werksessies zijn de voorlopige uitkomsten besproken en getoetst met de ambtelijke adviseurs en ketenpartners (netbeheerder, woningcorporatie, en het waterschap). Deze werkwijze hielp om tot gedeelde inzichten te komen over de warmtevoorziening van de toekomst.

Voor zowel de gemeente als geheel als voor de individuele wijken. Daarmee heeft het bijgedragen aan een begrijpelijke, goed onderbouwde Transitievisie Warmte.

Verdieping: CBS-buurtindeling gemeente Beuningen -

Beuningen Buitengebied Noord

-

Beuningen Buitengebied Zuid

-

Beuningse Plas

-

Beuningen Centrum

-

Beuningen Centrum Oost

-

Beuningen De Haaghe

-

Beuningen Duivenkamp

-

Beuningen de Linde

-

Beuningen Hoeve-1

-

Beuningen Hoeve-2

-

Beuningen Hoeve-3

-

Beuningen Schoenaker

-

Beuningen Aalsterveld

-

Beuningen Olden Tempel

-

Beuningen Blanckenburgh

-

Beuningen Viermorgen

-

Beuningen Tinnegieter

-

Beuningen De Balmerd

-

Beuningen Heuve-1

-

Beuningen Heuve-2

-

Beuningen Heuve-3

-

Beuningen Heuve-4

-

Beuningen Beuningse Plas

-

Ewijk Buitengebied Noord-1

-

Ewijk Buitengebied Zuid-1

-

Ewijk Buitengebied Zuid-2

-

Ewijk Centrum

-

Ewijk Vording-2

-

Ewijk Vording-3

-

Ewijk Veluwestraat

-

Weurt Buitengebied Noord

-

Weurt Buitengebied Zuid

-

Weurt Noord

-

Weurt Zuid

-

De Sluis

-

Winssen Buitengebied Noord

-

Winssen Buitengebied Zuid-1

-

Winssen Buitengebied Zuid-2

-

Winssen Centrum

- Winssen De Bongerd

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=1c8313b6-c82c-40c0-a6e3-aee82253c414