CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

G. Brief van B&W beantwoording vragen controle op meldingen grondbank

Commissie Ruimte 25 mei 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Ingekomen stukken en mededelingen19.917 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

13

Gemeente

* Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING OVERWEGINGEN EN TOETSING 3.1

PROCEDURELE ASPECTEN

3.1.1

Gegevens aanvrager

Op 11 november 2011 hebben wij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ontvangen. Het betreft een verzoek van de inrichting Grond- en Baggerdepot Beuningen gelegen aan De Steeg in de gemeente Beuningen van Grondbank GMG BV.

3.1.2

Projectbeschrijving

Het betreft een revisievergunning voor grond- en baggerdepot Beuningen. De aard van de inrichting betreft een tijdelijke opslag en samenvoegdepot van grond en het rijpen/ontwateren van baggerspecie met als doel om deze buiten de inrichting nuttig en functioneel toe te passen conform het Besluit Bodemkwaliteit. Een uitgebreide projectomschrijving is opgenomen in de aanvraag om vergunning. Gelet op bovenstaande omschrijving wordt vergunning gevraagd voor de volgende in de Wabo omschreven milieu-activiteiten: « Het in ontvangst nemen van vrachten grond en baggerspecie, aangevoerd in vrachtwagens en wegen van de ontvangen vrachten; » Het “in depot zetten” van grond met een shovel of kraan; « Keuren van de grond; « Incidenteel uitzeven van bodemvreemd materiaal; » Opladen van grond in vrachtwagens ten behoeve van nuttige;

3.1.3

Huidige vergunning situatie

Eerder zijn de volgende omgevingsvergunnin gen verleend: Wm-veranderingsvergunning MPM15936 20 juli 2009 Wm-veranderingsvergunning MPM9559 8 april 2008 Wm-veranderingsvergunning MPM4934 8 maart 2006 Wm Melding 8.19 12 mei 2005 MPM4391 Wm-revisievergunning MPM798 26 aug. 2004

3.1.4

Provincie Gelderland Provincie Gelderland Provincie Gelderland Provincie Gelderland Provincie Gelderland

Bevoegd gezag

Gelet op bovenstaande projectbeschrijving, alsmede op het bepaalde in hoofdstuk 3 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de daarbij horende bijlage is de gemeente het bevoegd gezag om de integrale omgevingsvergunning te verlenen of (gedeeltelijk) te weigeren. Daarbij zijn wij er procedureel en inhoudelijk voor verantwoordelijk dat in ons besluit alle aspecten aan de orde komen met betrekking tot de fysieke leefomgeving, zoals milieu. Verder dienen wij ervoor zorg te dragen dat de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften op elkaar zijn afgestemd.

3.1.5 Volledigheid van de aanvraag en opschorting procedure Na ontvangst van de aanvraag hebben wij deze getoetst op volledigheid. Wij zijn van oordeel dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen van de activiteit op de fysieke leefomgeving. De aanvraag is dan ook in behandeling genomen op 16 juli en 6 september 2012 zijn nog aanvullende gegevens ontvangen, vooral betreffende de milieuaspecten geur en AO/IC. Met het aanleveren van de aanvullende gegevens werd duidelijk dat de wettelijke termijn van 6 maanden zou worden overschreden. Met wederzijds goedvinden is besloten de procedure voort te zetten. De aanvraag heeft betrekking op de activiteit: milieu

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

14

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING 3.1.6 Procedure (uitgebreid) Deze beschikking is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als beschreven in paragraaf 3.3 van de Wabo. Gelet hierop zijn wij niet verplicht om van de aanvraag kennis te geven in een of meer dag-, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op andere geschikte wijze, tenzij bij de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag een milieueffectrapport (MER) moet worden gemaakt. Nu deze uitzonderingsgrond zich niet voordoet hebben wij geen kennis gegeven van de aanvraag in dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad.

3.1.7 Zienswijzen Wij hebben van het ontwerp van de beschikking kermis gegeven via een bekendmaking op de gemeentelijke website. Daarna heeft het ontwerp tussen 21 november 2013 en 2 januari 2014 ter inzage gelegen. Wij hebben een ieder in de gelegenheid gesteld om zienswijzen naar voren te brengen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.

3.1.8 Adviezen In de Wabo en het Bor worden bestuursorganen vanwege hun specifieke deskundigheid of betrokkenheid aangewezen als adviseur. Gelet op het bepaalde in artikel 2.26 Wabo, alsmede de artikelen 6.1 tot en met 6.5 van het Bor, hebben wij de aanvraag ter advies aan de volgende instanties/bestuursorganen gezonden: Het dagelijks bestuur van het Waterschap Rivierenland; Het college van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Beuningen; Knooppunt Arnhem - Nijmegen Naar aanleiding hiervan hebben wij op 7 september 2012 advies ontvangen van Waterschap Rivierenland. Dit advies luidt alsvolgt: indien het baggerdepot in oppervlak afneemt kan de huidige Waterwetvergunning gehandhaafd blijven.

3.2

SAMENHANG MET OVERIGE WET- EN REGELGEVING

3.2.1 Activiteitenbesluit In Algemene maatregelen van bestuur (AMvB's) kunnen voor bepaalde activiteiten direct werkende eisen worden gesteld. Deze eisen mogen niet in de omgevingsvergunning worden opgenomen. In de omgevingsvergunning kan alleen van de AMvB worden afgeweken voor zover dat in de AMvB is aangegeven. In bijlage 1 onder B of C van het Bor wordt aangegeven of voor een inrichting een vergunningplicht geldt. Op type C inrichtingen kunnen bepaalde artikelen uit het Activiteitenbesluit van toepassing zijn. Dit betekent dat bepaalde voorschriften uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Ministeriële regeling een rechtstreekse werking hebben en niet in de vergunning mogen worden opgenomen. De voorschriften die in deze beschikking zijn opgenomen zijn die voorschriften voor aspecten en activiteiten die niet zijn geregeld in het Activiteitenbesluit en de bijbehorende Ministeriële regeling.

Voor de aangevraagde activiteiten houdt dit in dat - voor zover deze betrekking hebben op de genoemde (deel)activiteiten - moet worden voldaan aan de volgende artikelen uit het Activiteitenbesluit en de bijbehorende ministeriële regeling: Paragraaf 2.9.1 Verwaarloosbaar bodemrisico realiseren; Paragraaf 2.9.2 Goede werking van de bodem beschermende voorzieningen; Paragraaf 2.11.3 Na beëindiging van de inrichting bodemonderzoek uitvoeren Paragraaf 2.11.4 Onderzoek uit 2.11.3 uit laten voeren door een instelling die beschikt over een erkenning op grond van het Bbk; Paragraaf 2.11.5 Bij eventueel vervuiling, bodemkwaliteit herstellen; Paragraaf 3.1.3 Lozen van hemelwater niet afkomstig van bodem beschermende voorziening; Paragraaf 3.3.2 Het wassen van motorvoertuigen of carrosserie-onderdelen van daar; Paragraaf 3.3.6 Opslaan en overslaan van goederen; hoofdstuk 1, afdelingen 2.1 tot en met 2.4 en 2.10 van hoofdstuk 2 en hoofdstuk 6 (overgangsbepalingen), voor zover dit betrekking heeft op de activiteiten of deelactiviteiten van de inrichting, zoals voomoemd opgenomen.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

15

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING Gezien de rechtstreekse werking van het Activiteitenbesluit kunnen in de vergunning uitsluitend en voor zover het Activiteitenbesluit daarin voorziet aanvullende maatvoorschriften worden opgenomen ten aanzien van deze activiteiten. De voorschriften uit het Activiteitenbesluit voldoen voor deze situatie.

3.2.2

Coördinatie met de Waterwet

Gelet op artikel 3.21 Wabo dienen wij in te gaan op de invloed die de samenhang tussen de omgevingsvergunning enerzijds en de Watervergunning anderzijds heeft gehad op de Ínhoud van de omgevingsvergunning. Hierover merken wij het volgende op: omdat het baggerdepot in oppervlakte afneemt kan de huidige WVO vergunning gehandhaafd blijven.

3.2.3

M.e.r.- (beoordelings)plicht niet relevant

De in de aanvraag beschreven voorgenomen veranderingen vallen niet onder Bijlage C noch in bijlage D van het Besluit milieueffectrapportage 1994 (verder Besluit m.e.r.). In de provinciale milieuverordening zijn geen aanvullende activiteiten opgenomen waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Voor de aangevraagde activiteit(en) geldt geen m.e.r.-plicht of m.e.r. beoordelingsplicht.

3.3 Natuurbeschermingswet 3.3.1 Het blijkt dat de emissies van N02 en NH3 door het vrachtverkeer van en naar de TOP en Geluidswal Beuningen een aanvullende invloed hebben op de achtergrond concentraties maar hierdoor worden geen grenswaarden overschreden. Om die reden is er geen vergunningplicht.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

16

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING TOETSINGSKADER 4.1

INLEIDING

De aanvraag heeft betrekking op het veranderen van de inrichting en het na die verandering in werking hebben van de inrichting als bedoeld in artikel 2.6, lid 1 Wabo. De Wabo omschrijft in artikel 2.14 het milieu hygiënische toetsingskader van de aanvraag. Een toetsing aan deze aspecten heeft plaatsgevonden. Toetsing oprichten, veranderen of revisie Gelet op artikel 2.14, lid 1 onder a hebben wij de volgende aspecten betrokken bij de beslissing op de aanvraag: 1. de bestaande toestand van het milieu, voor zover de inrichting daarvoor gevolgen kan veroorzaken; 2. de gevolgen voor het milieu, mede in hun onderlinge samenhang bezien, die de inrichting kan veroorzaken, mede gezien de technische kenmerken en de geografische ligging daarvan; 3. de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu; 4. de mogelijkheden tot bescherming van het milieu, door de nadelige gevolgen voor het milieu, die de inrichting kan veroorzaken, te voorkomen, of zoveel mogelijk te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen; 5.

het systeem van met elkaar samenhangende technische, administratieve en organisatorische maatregelen om de gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, te monitoren, te beheersen en, voor zover het nadelige gevolgen betreft, te verminderen, dat degene die de inrichting drijft, met betrekking tot de inrichting toepast, alsmede het milieubeleid dat hij met betrekking tot de inrichting voert. Wij beperken ons tot die onderdelen van het toetsingskader die ook daadwerkelijk op onze beslissing van invloed (kunnen) zijn. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, onder b, l0 van de Wabo moeten wij bij de beslissing op de aanvraag eveneens rekening houden met het voor ons geldende milieubeleidsplan, in dit geval het Gelders Milieu Plan 4 2010-2012 (GMP4), dat als ondertitel heeft "Verantwoordelijkheid voor een duurzame leefomgeving". Provinciale Staten hebben dit plan op 30 juni 2010 vastgesteld. Op 1 september 2010 is het in werking getreden. Het GMP4 continueert het beleid van het GMP-3. Doel van dat beleid is het realiseren van een basiskwaliteit voor de leefomgeving voor de Gelderse burger en de Gelderse natuur. Met "basiskwaliteit" wordt bedoeld dat de risico’s voor mens en natuur op het vlak van gezondheid en veiligheid vallen binnen een acceptabele grens. De "basiskwaliteit" is vastgelegd in de wetgeving, met grenswaarden voor stoffen en effecten.

Soms is maximaal toelaatbaar risico (MTR) de grenswaarde, soms wordt de waarde op een andere wijze uitgedrukt. De "basiskwaliteit" is de Gelderse stap in de richting van duurzaamheid. De keuze voor "basiskwaliteit" als inzet heeft tot gevolg dat gebiedsgericht wordt gewerkt aan het verbeteren van de (lokale) milieukwaliteit. Kortom evenals in het GMP-3 is de milieusituatie van de leefomgeving het uitgangspunt. Speerpunten van het nieuwe beleid zijn het terugdringen of voorkomen van de vervuiling of belasting van het milieu door het verkeer en vervoer, de bedrijvigheid, de landbouw en het wonen. De doelstellingen van het beleid zijn verder uitgewerkt in verschillende milieuthema's te weten lucht (incl. geur), geluid, bodem, externe veiligheid, natuur en biodiversiteit, klimaat en verantwoordelijkheid voor een duurzame ontwikkeling. Het GMP-4 kent geen specifiek afvalbeheerbeleid in aanvulling op het Landelijk Afvalbeheerplan. Ingevolge artikel 2.14, eerste lid, onder b, 20 van de Wabo moeten wij bij de beslissing op deze aanvraag rekening houden met het bepaalde in artikel 10.14 van de Wm. Volgens dit artikel moet rekening worden gehouden met het geldende afvalbeheersplan voor wat betreft het beheer van

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

17

Gemeente

* Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING afvalstoffen. De wijze waarop rekening is gehouden met het LAP is verder uitgewerkt in het hoofdstuk Afvalstoffen. Vanuit het toetsingskader dat betrekking heeft op het veranderen en in werking hebben van de gehele inrichting na die verandering zijn er geen redenen om de omgevingsvergunning te weigeren.

4.2

BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN fBBTÌ

4.2.1

Algemeen

In het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu moeten aan de vergunning voorschriften worden verbonden, die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken (BBT) worden toegepast. Bij de bepaling van BBT moeten wij in zijn algemeenheid de in de artikel 5.4 lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vermelde aspecten betrekken, rekening houdend met de voorzienbare kosten en baten van maatregelen en met het voorzorg- en het preventiebeginsel. In het bijzonder moeten wij bij de bepaling van BBT rekening houden met artikel 9.2 van de Regeling omgevingsrecht (Mor) en bijbehorende bijlage 1 uit deze regeling.

4.2.2

Concrete bepaling beste beschikbare technieken

Bij het bepalen van de beste beschikbare technieken is rekening gehouden met de volgende van toepassing zijnde Nederlandse informatiedocumenten: 1. NRB: Nederlandse richtlijn bodembescherming; 2. Circulaire energie in de milieuvergunningen; 3. NeR: Nederlandse emissierichtlijn, onderdeel lucht; Er is verder geen andere specifieke literatuur van toepassing. Met betrekking tot de aspecten voor de bepaling van BBT als genoemd in artikel 5.4 lid 3 van het Besluit Omgevingsrecht (Bor), merken wij het volgende op:

Toepassen van technieken die weinig afvalstoffen veroorzaken. De aangevraagde activiteiten betreffen de opslag, overslag en bewerking van afvalstoffen, die van buiten de inrichting afkomstig zijn. Deze afvalstoffen worden gereed gemaakt om weer als product te kunnen worden gebruikt. Uit de aanvraag komt naar voren dat maar een zeer beperkte hoeveelheid restafval overblijft. Deze rest afvalstoffen wordt afgevoerd naar een erkende verwerker of naar een inrichting die zorg draagt voor een nuttige toepassing.

Ontwikkeling van technieken voor de terugwinning en het opnieuw gebruiken van de bij de processen in de inrichting uitgestoten en gebruikte stoffen en van afvalstoffen. De aangevraagde activiteiten betreffen de opslag, overslag en bewerking van afvalstoffen, die van buiten de inrichting afkomstig zijn. Deze afvalstoffen worden gereed gemaakt om weer als product te kunnen worden gebruikt. Uit de aanvraag komt naar voren dat maar een zeer beperkte hoeveelheid restafval overblijft. Deze rest afvalstoffen wordt afgevoerd naar een erkende verwerker of naar een inrichting die zorg draagt voor een nuttige toepassing.

Vergelijkbare processen, apparaten of wijzen van bedrijfsvoering die met succes in de praktijk zijn beproefd en de ontwikkeling daarvan. Binnen de inrichting worden voor de aangevraagde activiteiten de thans best beschikbare technieken toegepast, die ook bij vergelijkbare inrichtingen worden toegepast

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

18

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING Vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis. De inrichtingshouder dient op de hoogte te zijn van de ontwikkelingen met betrekking tot BBT die nog niet in andere richtlijnen zijn gedocumenteerd. Vooruitgang van de techniek en de ontwikkeling van de wetenschappelijke kennis moet door een, door de directie, daartoe aangewezen persoon nauwlettend in de gaten worden gehouden.

Aard, effecten en omvang van de betrokken emissies. Voor de aard, effecten en omvang van de van toepassing zijnde emissies wordt verwezen naar de overwegingen in de verschillende beschouwde milieuthema’s in deze verklaring van geen bedenkingen.

Data waarop de installaties in de inrichting in gebruik zijn of worden genomen. De date van in van ingebruikneming van installaties is een factor welke medebepalend is voor het antwoord op de vraag in hoeverre de installaties (nog) aan BBT voldoen. Ze geven ook een indicatie over de aanpassingen, die eventueel noodzakelijk zijn, en de termijn waarop deze aanpassingen zouden moeten worden gerealiseerd. Het moment van invoeren van een nieuwe techniek kan voorts worden bepaald door zaken als leverbaarheid van technieken e.d. Voor de aangevraagde activiteiten worden materieel (shovel, kraan en vrachtauto’s ingezet die gangbaar zijn voor de betreffende activiteiten.

De tijd die nodig is om een betere techniek toe te gaan passen. Voor de aangevraagde activiteiten zijn op dit moment geen betere technieken aan de orde.

Het verbruik en de aard van de grondstoffen, met inbegrip van water, en de energie-efficiëntie. Gezien de aangevraagde activiteiten is er geen noodzaak is om hier specifieke maatregelen voor op te nemen.

Noodzaak om het algemene effect van de emissies op en de risico's voor het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken. Bij de uitwerking van de milieuthema’s komen deze aspecten aan de orde.

Noodzaak ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor het milieu te beperken. Gezien de aangevraagde activiteiten is er geen noodzaak om specifieke maatregelen te treffen ten aanzien van ongevallen.

4.2.3

Conclusies BBT

De inrichting voldoet - met inachtneming van de aan dit besluit gehechte voorschriften - aan de beste beschikbare technieken (BBT) ter voorkoming van emissies naar de lucht, de bodem, het water, geluidemissies, afvalpreventie en externe veiligheid. Voor de overwegingen per milieuthema wordt verwezen naar de desbetreffende paragraaf.

4.3

AFVALSTOFFEN

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

19

Gemeente

LEUNINGEN

OMGEVINGSVERGUNNING 4.3.1 Overwegingen voor afvalverwerkers Het kader voor de toetsing doelmatig beheer van afvalstoffen Op grond van artikel 2.14 van de Wabo kan de omgevingsvergunning in het belang van de bescherming van het milieu worden geweigerd. Onderdeel van het begrip "bescherming van het milieu" is de zorg voor het doelmatig beheer van afvalstoffen. In artikel 1.1 van de Wm is aangegeven wat moet worden verstaan onder het doelmatig beheer van afvalstoffen. Op grond hiervan moeten wij rekening houden met het geldende afvalbeheersplan dan wel het bepaalde in de artikelen 10.4 en 10.5 van de Wm (artikel 10.14 van de Wm). In het bedoelde afvalbeheersplan (het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021, hierna aangeduid als het LAP) is het afvalstoffenbeleid neergelegd . Op grond van de Wm dient het LAP als toetsingskader voor het beslissen op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover deze betrekking heeft op afvalbeheer. De hoofdlijnen van het beleid zijn vastgelegd in het LAP. De doelstellingen van het LAP geven invulling aan de prioriteitsvolgorde in de afvalhiërarchie zoals die in artikel 10.4 van de Wm is opgenomen en als volgt is samen te vatten: » het stimuleren van preventie van afvalstoffen; « het stimuleren van hergebruik/nuttige toepassing van afvalstoffen; » recycling; » andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; * veilige verwijdering.

» Storten. Bij de vaststelling van het LAP is ook rekening gehouden met de in artikel 10.5 van de Wm vermelde aspecten van doelmatig afvalbeheer. Bijlage 4 bij het LAP bevat een invulling van het beleid voor specifieke afvalstoffen. In het LAP is aangegeven op welke wijze het bevoegd gezag bij het beoordelen van een vergunningaanvraag voor het inzamelen, bewaren en be- en verwerken van afvalstoffen rekening moeten houden met een aantal algemene bepalingen aangaande het LAP. De minimumstandaard geeft de meest laagwaardige wijze van be- en verwerking van de betreffende afvalstoffen, waarvoor nog vergunning verleent mag worden. Als de minimumstandaard bestaat uit verschillende be- en verwerkingshandelingen bij diverse inrichtingen kan voor de afzonderlijke bewerkingsstappen een vergunning worden verleend.

Afvalstro(o)m(en) waarvoor in bijlage 4 van het LAP een sectorplan is opgenomen: toetsing van de aangevraagde activiteiten In de onderstaande tabellen zijn de afvalstoffen die door Grondbank GMG worden aangevraagd, met bijbehorende code en status volgens de Regeling Eural, weergegeven. In verband met de doelmatigheidsbeoordeling bevatten onderstaande tabellen in de laatste kolom tevens een verwijzing naar de van toepassing zijnde sectorplannen van het Landelijk Afvalbeheerplan 2009-2021 (LAP 2).

Tabel; Organische afvalstoffen Afvalstof

Euralcode

02 01 Afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw jacht en visserÿ slib van wassen en schoonmaken slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden zoetwater boorgruis en -afval Bodemas, slakken en ketelstof

02 01 01 02 03 01 01 05 04 10-01 01

Sectorplan LAP

03 03 23-24

Tabel: Minerale afvalstoffen Afvalstof

Euralcode

17 05 grond, stenen en baggerspecie

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

20

Sectorplan LAP

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING Mengsel van beton, stenen, tegels of keramische producten zonder gevaarlijke stoffen Bitumineuze mengsels zonder teer* Organisch en anorganisch verontreinigde grond Grond en stenen die geen gevaarlijke stoffen bevatten Baggerslib en slib van het schonen van sloten dat geen gevaarlijke stoffen bevat Spoorwegballast zonder gevaarlijke stoffen Vast afval van primaire filtratie en roostergoed Waterzuiveringsslib** Onthardingsslib Afgewerkte actieve kool Minerale stoffen (bv zand en steen) niet zijnde grond Veegvuil

17 01 07

29

17 03 02 17 05 03 c 17 05 04 c 17 05 06 c 17 05 08 19 09 01 19 09 02 19 09 03 19 09 04 19 12 09 20 03 03

33 39 39 40 29 17 17 17 25 29 9

* alleen asfalt als bitumineuze mengsels zonder teer ** alleen drinkwaterslib

4.3.2

Sectorplannen 3, 9, 17, 23, 24, 25, 29, 39

De afvalstoffen uit de sectorplannen 3, 9,17, 23, 24, 25, 29, 39 zijn getoetst. Bij deze beoordeling is voor alle afvalstoffen de minimum standaard nuttige toepassing/nuttig hergebruik. Hiermee wordt voldaan aan het gestelde in de aanvraag.

4.3.3

Sectorplan 40: Baggerspecie

Sectorplan 40 valt buiten de reikwijdte van het LAP. De voorwaarden voor nuttige toepassing van baggerspecie zijn opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Daarnaast dient in vergunningen te worden opgenomen dat baggerspecie met een hoog gehalte aan zand niet mag worden gestort. Derhalve hebben wij de verwerking van deze afvalstroom getoetst aan de algemene doelmatigheidscriteria van artikel 10.4 van de Wm. Ingevolge deze artikelen dienen de volgende aspecten te worden getoetst: 1. de voorkeursvolgorde zoals vermeld in artikel 10.4 Wm; 2. het beheer van afvalstoffen moet op een efficiënte en effectieve wijze geschieden; 3. effectief toezicht op het beheer van afvalstoffen dient mogelijk te zijn. Ad 1 Voorkeursvolgorde Het vergunningenbeleid kan prikkels geven voor een hoogwaardige en efficiënte verwijdering van afvalstoffen. Artikel 10.4 van de Wm noemt de volgende voorkeursvolgorde: a) preventie; b) voorbereiding voor hergebruik; c) recycling; d) andere nuttige toepassing, waaronder energieterugwinning; e) veilige verwijdering. In de voorschriften zal worden opgenomen dat met het oog op hergebruik de baggerspecie gescheiden in aparte compartimenten moet worden opgeslagen.

Voorts is in de aanvraag aangegeven dat de baggerspecie na natuurlijke droging of verwerking door middel van zandscheiding wordt hergebruikt als bouwstof dan wel extern wordt gereinigd of wordt afgevoerd naar een vergunninghouder waar deze afvalstof wordt verwijderd. Gelet op het voorgaande wordt aan de in de Wm geformuleerde voorkeursvolgorde voldaan. Ad 2 Effectief en efficiënt beheer De opslag en ontwatering van baggerslib zorgt er voor dat de te ontwateren specie geschikt wordt gemaakt voor hergebruik als bouwstof. Bij ons zijn geen efficiëntere en effectievere wijzen van beheer bekend. Door het verlenen van deze vergunning zal geen verstoring van de bestaande beheersstructuur optreden. De gevraagde activiteiten dragen in voldoende mate bij aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

21

a Beuningen

Gemeente

OMGEVINGSVERGUNNING Besluit Bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit biedt het beleidskader voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de bodem en in het oppervlaktewater. In de aanvraag is de toetsing aan het Besluit Bodemkwaliteit op hoofdlijnen uitgewerkt. Aan deze vergunning wordt een voorschrift gekoppeld waarin gescheiden opslag van materiaalstromen nader wordt uitgewerkt en voorgeschreven.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

22

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING Uitsluitend opslaan In het LAP is aangegeven dat voor het uitsluitend opslaan van afvalstoffen in beginsel een vergunning kan worden verleend. Twee afvalstromen worden hiervan uitgezonderd, te weten: Afvalmunitie, vuurwerkafval en overig explosief afval; Dierlijke bijproducten. Deze afvalstromen worden niet aangevraagd. Ingevolge het Besluit stortplaatsen en stortverboden afvalstoffen wordt de opslag van afvalstoffen voorafgaand aan verwijdering gezien als storten indien de tijdsduur van 1 jaar wordt overschreden. Indien de opslag voorafgaat aan nuttige toepassing van de afvalstoffen is deze termijn drie jaar. In de aanvraag is aangegeven dat schone (achtergrondwaarde) en verontreinigde grond (klasse wonen en klasse industrie) zullen worden opgeslagen. Voor het opslaan van deze afvalstoffen beschikt de aanvrager wel over de benodigde voorzieningen Voor het uitsluitend opslaan van de hiervoor vermelde afvalstoffen kan een vergunning worden verleend omdat deze afvalstromen niet behoren tot de in het LAP genoemde uitzonderingen. In de vergunning is vastgelegd dat de termijn van opslag voorafgaand aan verwijdering maximaal 1 jaar is en de termijn van opslag voorafgaand aan nuttige toepassing maximaal 3 jaar is.

BeVverwerking In de aanvraag is voor grond de volgende be- Z en verwerkingsmethode beschreven. Incidenteel (maximaal 12x per jaar) kan het voorkomend dat uit een partijbodem vreemd materiaal wordt verwijderd met behulp van een mobiele zeefínstallatie. Het zeefresidu wordt naar een erkende verwerker afgevoerd. Het beleid voor grond is neergelegd in sectorplan 39 en is gericht op nuttige toepassing betreffende grond geschikt voor hergebruik (euralcode 17.05.04). In het sectorplan is hiertoe een minimumstandaard opgenomen. De activiteiten zijn gericht op het weer nuttig toepassen van grond. Volgens het bij de aanvraag gevoegde A 8c V beleid wordt volgens het kwaliteitshandboek BRL 9335/7511 gewerkt. Voorts wordt volgens de regels van het Bbk bemonsterd bij inname. In samenhang met het gestelde in de aanvraag en de in de vergunning opgenomen voorschriften wordt voldaan aan de minimumstandaard.

Conclusie doelmatígheidsbeoordeling De eventuele bewerking van de aangevraagde afvalstoffen ten behoeve van hergebruik dan wel nuttige toepassing is overeenkomstig de minimumstandaard. Gelet hierop is het in het belang van een doelmatig beheer van afvalstoffen om de gevraagde vergunning voor het bewaren en beVverwerken van afvalstoffen te verlenen.

Samenvoegen In de aanvraag wordt verzocht het samenvoegen van partijen grond van vergelijkbare milieu hygiënische kwaliteit, als uitzondering hierop toe te staan. Het samenvoegen van grond van vergelijkbare milieu hygiënische kwaliteit conform de BRL 9335 is toegestaan. In de onderhavige situatie is sprake van een BRL 9335 erkende instelling. Het samenvoegen van grond van vergelijkbare kwaliteit is vergunbaar.

Mengen van afvalstoffen Afvalstoffen moeten met het oog op hergebruik en nuttige toepassing over het algemeen na het ontstaan zoveel mogelijk gescheiden worden gehouden van andere afvalstoffen. Verder is het ongewenst dat in aťval gecumuleerde milieugevaarlijke stoffen door wegmenging ongecontroleerd in het milieu verspreid raken. Onder bepaalde condities kunnen verschillende afvalstromen echter net zo goed of soms zelfs beter samengesteld worden verwerkt. Het samenvoegen van qua aard, samenstelling en concentraties niet met elkaar vergelijkbare (verschillende) afvalstoffen alsmede het samenvoegen van afvalstoffen en niet-afvalstoffen wordt mengen genoemd. Mengen is niet toegestaan tenzij dat expliciet en gespecificeerd is aangevraagd en vastgelegd in de vergunning. Op basis van het gestelde in de aanvraag hebben wij de doelmatigheid van het mengen van de

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

23

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING afvalstromen beoordeeld. Grondbank GMG mengt enkel afvalstoffen van dezelfde klasse of aard conform het AV-beleid AO/IC. De afvalstoffen worden samengevoegd (gemengd) voor een voldoende partij grootte Het mengen van de afvalstoffen vormt geen belemmering voor het be-Zverwerken van de betreffende afvalstoffen volgens een techniek die ten minste even hoogwaardig is als de minimumstandaard. De omgevingsvergunning kan hiervoor worden verleend. Het mengen van afvalstoffen dient specifiek in de omgevingsvergunning/voorschriften vermeld te worden. Hiervoor hebben wij voorschriften aan deze vergunning verbonden.

AV-beleid en AO/IC In het LAP is aangegeven dat een inrichting dat afvalstoffen accepteert over een adequaat acceptatie- en verwerkingsbeleid (AV-beleid) en een systeem voor administratieve organisatie en interne controle (AO/IC) moet beschikken. In het AV-beleid moet zijn aangegeven op welke wijze binnen de inrichting acceptatie en verwerking van afvalstoffen plaatsvinden In de AO/IC is vastgelegd hoe door technische, administratieve en organisatorische maatregelen de relevante processen binnen een inrichting kunnen worden beheerst en geborgd om de risico's binnen de bedrijfsvoering te minimaliseren. Bij de aanvraag is een beschrijving van het AV-beleid en de AO/IC gevoegd. Daarin is per afvalstof aangegeven op welke wijze acceptatie en verwerking plaats zullen vinden. Hierbij is rekening gehouden met de specifieke bedrijfssituatie. Het beschreven AV-beleid en de AO/IC voldoen aan de randvoorwaarden zoals die in het LAP zijn beschreven. Op basis van het gestelde in de aanvraag kunnen wij met dit AV-beleid en de AO/IC wel instemmen.

Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC Wijzigingen in het AV-beleid en/of de AO/IC moeten schriftelijk aan ons te worden voorgelegd. Als bevoegd gezag zullen wij vervolgens bezien welke procedure in relatie tot de aard van de wijziging is vereist.

Registratie Naast de voorschriften voortvloeiend uit het AV-beleid en de AO/IC zijn geen extra registratievoorschriften in de vergunning opgenomen. Mede gezien de verplichtingen ingevolge de Wet milieubeheer (artikel 5.8 van het Bor en de artikelen 10.38 en 10.40 van de Wm) en de verplichtingen ingevolge het Besluit melden bedrijfsafvalstoffen en gevaarlijke afvalstoffen en de daarbij behorende Regeling, worden voldoende en juiste gegevens geregistreerd om handhaving mogelijk te maken.

Conclusie Gelet op het bovenstaande zijn wij van mening dat de aangevraagde afvalstoffen in overeenstemming zijn met het geldende afvalbeheersplan en daarmee bijdragen aan een doelmatig beheer van afvalstoffen.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

24

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING 4.4

AFVALWATER

4.4.1 Het kader voor de bescherming tegen verontreiniging door de lozing van afvalwater. Grondbank GMG loost niet-verontreinigd hemelwater afkomstig van verhard oppervlak rechtstreeks op oppervlaktewater. Al het bedrijfsafvalwater (perculaatwater baggerdepots wat ontstaat binnen de inrichting wordt via een verzamelput rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewater. Voor beide lozingen is Waterschap Rivierenland het bevoegd gezag. Een aanpassing van de Waterwet-vergunning is niet nodig omdat de bovengenoemde afvalstromen daarin al zijn opgenomen. Wij hebben alleen voorschriften opgenomen ter bescherming van de riolering.

4.4.2

Beoordeling en conclusie

De in de aanvraag vermelde maatregelen ter voorkoming en beperking van lozing van afvalstoffen, verontreinigende of schadelijke stoffen, zullen naar verwachting leiden tot een acceptabel lozingsniveau, dat in overeenstemming is met genoemde doelstellingen.

4.5

BODEM

4.5.1

Het kader voor de bescherming van de bodem

Het (nationale) preventieve bodembescherming beleid is vastgelegd in de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB) bedrijfsmatige activiteiten. Het ministerie van VROM heeft de NRB in overleg met vergunningverleners, onderzoeksinstellingen en bedrijfsleven opgesteld. Deze richtlijn is ontwikkeld om vergunningvoorschriften te uniformeren en harmoniseren. Met de NRB kunnen (voorgenomen) bodem beschermende maatregelen en voorzieningen binnen inrichtingen worden beoordeeld en kan de besluitvorming met betrekking tot een optimale bodembescherming strategie worden gestuurd. De NRB beperkt zich tot de normale bedrijfsvoering en voorzienbare incidenten. Bodembescherming in situaties van calamiteiten wordt in NRB-kader niet behandeld. Een eventuele calamiteitenopvang echter wel. Het uitgangspunt van de als BBT-document aangewezen NRB is dat door een doelmatige combinatie van maatregelen en vloeistofdichte voorzieningen een verwaarloosbaar risico wordt gerealiseerd. Alleen in een aantal bestaande situaties kan conform de NRB onder voorwaarden volstaan worden met een aanvaardbaar bodemrisico.

4.5.2

De potentieel bodembedreigende activiteiten

Bij de aanvraag is geen specifiek bodemrisicodocument gevoegd. In de aanvraag zijn wel gegevens opgenomen die betrekking hebben op de aanwezigheid van bodembedreigende activiteiten en de te nemen maatregelen. Op basis hiervan hebben wij de aanvraag beoordeeld Binnen de inrichting vinden de volgende potentieel bodembedreigende activiteiten plaats: bouwstoffen die voldoen aan de maximale samenstellingswaarden en emissiewaarden voor vormgegeven en niet vormgegeven bouwstoffen; grond die voldoet aan de achtergrondwaarden voor de kwaliteitsklasse wonen; grond die voldoet aan de achtergrondwaarden voor de kwaliteitsklasse industrie Bij de toetsing van de activiteiten aan de NRB is het van belang welke activiteiten als bodembedreigend moeten worden beschouwd.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

25

Gemeente

LEUNINGEN

OMGEVINGSVERGUNNING 4.5.3

Licht verontreinigde bouwstoffen

Bouwstoffen die voldoen aan het generieke toetsingskader, mogen op grond van het Besluit bodemkwaliteit vrij worden toegepast. Dat wil zeggen toepassing zonder dat isolatie-, beheer- en controlemaatregelen worden toegepast en om die reden niet aangemerkt als een bodembedreigende activiteit. Voor deze opslag zijn daarom dan ook geen bodembeschermende voorzieningen nodig.

4.5.4

Niet- en licht verontreinigde grond

Grond die voldoet aan de achtergrondwaarden komt overeen met niet-verontreinigde grond. Grond met de kwaliteit wonen en industrie betreft licht verontreinigde grond. Doel van de acceptatie en opslag van grond is om de gebruiksmogelijkheden van deze grond vast te stellen (als dat nog niet gebeurd is), zodat deze grond conform het Besluit bodemkwaliteit kan worden toegepast. Niet-verontreinigde grond kan geen respectievelijke kleine verhoogde gehalte aan (an) organische stoffen bevatten, waardoor het risico op uitloging van de betreffende stof zeer klein is. In licht verontreinigde grond is het gehalte aan (an)organische stoffen zodanig laag dat het risico op uitloging/uitspoeling van de betreffende stoffen gering is. De opslag van grond met een samenstelling tot aan de achtergrondwaarden of behorende tot de klasse wonen of industrie kan zonder bodem beschermende voorzieningen plaatsvinden en wordt op grond van het bovenstaande niet aangemerkt als een bodembedreigende activiteit. Voor deze opslag zijn geen bodem beschermende voorzieningen nodig.

4.5.5 De in de aanvraag opgenomen maatregelen en voorzieningen ter bescherming van de bodem In de aanvraag zijn de volgende maatregelen en voorzieningen opgenomen om bodemverontreiniging te voorkomen:

4.5.6 Voorzieningen Baggerspeciedepot Er zijn geen nieuwe baggerspeciedepots aangevraagd in het kader van deze revisievergunning. De bestaande baggerdepots zijn in het kader van de vergunning van 26 augustus 2004 goed bevonden op grond van de kwaliteit van de grond van baggerspecie en de eigenschappen van de grond en het voorgestelde voorzieningen pakket. Er is geen reden dit nu anders te beoordelen.

4.5.7

Voorzieningen gronddepot categorie wonen en industrie

Categorie wonen en industrie grond voldoen aan de uitloognormen die, van toepassing in werk, worden gesteld volgens het Bbk. Grond en bouwstoffen worden in dat kader beoordeeld.

4.5.8

BBT

Met het voorschrijven van het bovenstaande voorzieningenniveau voor grond, baggerspecie en bouwstoffen wordt een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt en wordt voldaan aan de beste beschikbare technieken (BBT).

4.5.9

Beoordeling en conclusie

Wij hebben de aanvraag beoordeeld. Uit het document blijkt dat voor alle bodembedreigende locaties het verwaarloosbaar bodemrisico wordt behaald.

4.5.10 Bodembelastingonderzoek Het preventieve bodembescherming beleid gaat er van uit dat (zelfs) een verwaarloosbaar bodemrisico nooit volledig uitsluit dat een belasting van de bodem optreedt. Om die reden is altijd bodembelastingonderzoek noodzakelijk. Het bodembelastingonderzoek richt zich op de afzonderlijke activiteiten en de aldaar gebruikte stoffen. Bodembelastingonderzoek bestaat uit het vastleggen van de nulsituatie bodemkwaliteit voorafgaand aan, of zo spoedig mogelijk na, de start van de betreffende activiteit(en) en een vergelijkbaar eindsituatie bodemonderzoek na het beëindigen van de betreffende activiteit. Het nulsituatie onderzoek moet ten minste duidelijkheid verstrekken over:

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

26

Gemeente

LEUNINGEN

OMGEVINGSVERGUNNING 1.

de locatie van bemonsteringspunten rekening houdend met de mobiliteit van de gebruikte stoffen en de lokale grondwaterstroming; 2. de wijze waarop de betreffende stoffen moeten worden gedetecteerd, bemonsterd en geanalyseerd; 3. de bodemkwaliteit ter plaatse van bemonsteringslocaties. De door middel van nulsituatie onderzoek vastgelegde bodemkwaliteit geldt als uitgangspunt bij de beoordeling of ten gevolge van de betreffende activiteiten bodembelasting heeft plaatsgevonden en of bodemherstel nodig is. Voor het bodemonderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit moeten zijn uitgevoerd door een erkende instantie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit. Voor de inrichting zijn zoals in de aanvraag staat vermeld meerdere nulsituatie bodemonderzoeken uitgevoerd. Onderstaand een overzicht._________________ ___________________ ________________ 1.Verkennend Bodemonderzoek 9807.01/V01 Willems Milieutechniek juli 1998 2.Verkennend Bodemonderzoek Enviroplan P-043984/R01 26-10-2004 3.Verkennend Bodemonderzoek Oranįewoud 114249.050 17-12-2004 4.Verkennend Bodemonderzoek Ecobrain 062081 11-04-2006 5.Verkennend Bodemonderzoek Oranjewoud 174951 27-06-2007 De voor dit onderzoek noodzakelijke werkzaamheden als vermeld in de Regeling bodemkwaliteit zijn uitgevoerd door erkende instanties als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit.

Hiermee is de kwaliteit van het bodemonderzoek geborgd en zijn de resultaten betrouwbaar. Daarnaast is de inrichting voor wat het grond en baggerdepot betreft uitgebreid. Bij een deel van deze uitbreiding, de kadastrale percelen Ewijk E430 en E431 heeft in het verleden geen nulsituatie bodemonderzoek plaatsgevonden. Alle omliggende onderzoeken wijzen uit dat de bodem ter plekke schoon is, waardoor het zeer aannemelijk is dat dit ook voor deze percelen geldt. Dit blijkt tevens uit de bodemkaart van de gemeente Beuningen. Omdat het uiteindelijk de bedoeling is de geluidswal geheel over deze percelen aan te leggen is het niet doelmatig om een nul situatieonderzoek uit te voeren. De geluidswal krijgt namelijk in de eindsituatie een specifieke afdeklaag conform het Besluit bodemkwaliteit. Wij stemmen hiermee in. Het bovenstaande geeft ons geen aanleiding tot het stellen van nadere maatregelen of eisen en beschouwen wij daarom als nulsituatie onderzoek. De voorschriften met betrekking tot het bodembelastingsonderzoek naar de eindsituatie en de herstelplicht bij geconstateerde verontreiniging, zijn op grond van artikel 5.9 onder c van het Bor gesteld en blijven van kracht nadat de onderhavige vergunning vervalt of wordt ingetrokken. De basis hiervoor is artikel 5.9 onder c van het Bor.

In dit artikel wordt gesteld dat voorschriften van kracht kunnen blijven nadat een vergunning haar gelding heeft verloren. 4.6

ENERGIE

4.6.1 Energie relevant Uit de aanvraag blijkt dat sprake is van een zeer beperkt jaarlijks energiegebruik door de inrichting. In het landelijke beleid zoals vastgelegd in de circulaire "Energie in de milieuvergunning" worden inrichtingen met een jaarlijks verbruik van minimaal 25.000 m3 aan aardgasequivalenten of een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minimaal 50.000 kWh elektriciteit namelijk als energierelevant bestempeld. Dit betekent dat moet worden getoetst of de inrichting de beste beschikbare technieken (BBT) toepast om tot een verantwoord zuinig energiegebruik te komen. De inrichting gebruikt een beperkte hoeveelheid energie. De hoeveelheden zijn zodanig klein dat de inrichting als niet energierelevant wordt aangemerkt. In de vergunning zijn daarom geen voorschriften ter bevordering van het zuinig gebruik van energie opgenomen.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

27

Gemeente

LEUNINGEN

OMGEVINGSVERGUNNING 4.7

EXTERNE VEILIGHEID

4.7.1

Algemeen

Binnen de inrichting zijn geen gevaarlijke stoffen of brandbare stoffen met hoge vuurbelasting en/of toxische verbrandingsproducten aanwezig. Het aspect externe veiligheid is voor deze inrichting niet relevant en daarom zijn in deze vergunning geen specifieke voorschriften opgenomen. Er zijn enkel voorschriften opgenomen van algemene aard, te noemen eisen aan brandblusmiddelen en actuele plattegrond van de inrichting.

4.7.2

(Intern) bedrijfsnoodplan (calamiteitenplan)

In de arbowetgeving is het hebben van een noodplan geregeld. Op basis van artikel 2.5 c van het Arbobesluit is een bedrijf verplicht een noodplan te hebben. Op basis van dit artikel is het bedrijf ook verplicht o.a. hulpverleningsinstanties in te lichten over het noodplan indien gewenst door deze instanties (er moet dus zelf om gevraagd worden). In artikel 2.0 c van de arboregeling is geregeld wat er tenminste in het noodplan moet zijn opgenomen (verwezen wordt naar bijlage II van de regeling). Gezien het voorgaande worden ten aanzien van een (intern) bedrijfsnoodplan geen voorschriften aan deze vergunning verbonden.

4.7.3

Besluit brandveilig gebruik bouwwerken (Gebruiksbesluit)

Het Gebruiksbesluit regelt het brandveilig gebruik van bouwwerken, het brandveilig opslaan van brandbare niet-milieugevaarlijke stoffen, het brandveilig opslaan van kleine hoeveelheden brand- en milieugevaarlijke stoffen en de aanwezigheid, controle en onderhoud van brandbestrijdingssystemen voor de hiervoor bedoelde situaties. Voor voomoemde situaties zijn daarom geen voorschriften in deze vergunning opgenomen.

4.7.4

Beoordeling en conclusie

Ten aanzien van de risico’s als gevolg van de activiteiten zijn wij van mening dat wanneer binnen de inrichting conform de aan deze vergunning verbonden voorschriften en andere wettelijke regels gewerkt wordt, er geen sprake is van onaanvaardbare risico’s voor de omgeving ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen en dat de "rest” risico's in voldoende mate worden beheerst.

4.8

GELUID EN TRILLINGEN

4.8.1

Algemeen

De bedrijfsactiviteiten van de onderhavige inrichting hebben tot gevolg dat geluid wordt geproduceerd. Deze geluidsemissie wordt vooral bepaald door aan- en afvoer met vrachtwagens, door een mobiele kraan, een shovel, een mobiele zeefinstallatie en een bandenwasinstallatie. De door deze inrichting veroorzaakte geluidsbelasting in de omgeving is in kaart gebracht in een akoestisch rapport van adviesbureau De Haan, kenmerk H.98.142-04, 28 oktober 2011, (Akoestisch onderzoek Grondbank GMG; Grond en baggerdepot locatie Beuningen). Het geluid wordt beoordeeld op basis van de representatieve bedrijfssituatie (de geluidsemissie die de inrichting onder normale omstandigheden veroorzaakt). Beoordeeld worden de geluidsbelasting, de maximale geluidsniveaus en de indirecte hinder als gevolg van het in werking zijn van de inrichting aan de hand van de handreiking industrielawaai en vergunningverlening.

4.8.2

Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau

In het kader van de beoordeling of de inrichting niet op ontoelaatbare wijze geluidshinder teweegbrengt is de berekende geluidsbelasting getoetst aan de in de handreiking industrielawaai en vergunningverlening genoemde richtwaarde van 40 dB(A) voor de dag periode. Er zijn na de oprichting van de inrichting vier woningen gerealiseerd aan de Steeg. Het betreft hier bedrijfsgebonden woningen gelegen op het planmatig gezoneerde bedrijventerrein Schoenakker te Beuningen. Voor de beoordeling hiervan wordt ook aansluiting gezocht bij de handreiking industrielawaai en vergunningverlening geldende richtwaarden ten aanzien van bedrijfsgebonden industrieterreinen van 55 dB(A) voor de dagperiode.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

28

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING De inrichting ligt in de gemeente Beuningen. Gemeente Beuningen heeft geen beleid ten aanzien van industrielawaai vastgesteld. Uit het akoestisch rapport blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de richtwaarde de handreiking industrielawaai en vergunningverlening. Ook tijdens de incidentele bedrijfssituatie (inzet zeefinstallatie) wordt aan de richtwaarde voldaan.

4.8.3

Maximaal geluidsniveau (LAmax)

De handreiking industrielawaai en vergunningverlening geeft aan dat de LAmax moet voldoet aan de vigerende richtwaarde van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau -ï 10 dB(A). Uit het akoestisch rapport blijkt dat tijdens de representatieve bedrijfssituatie aan de richtwaarde wordt voldaan. Ook tijdens de incidentele bedrijfssituatie (inzet zeefinstallatie) wordt voldaan aan de richtwaarde. Voor (bedrijfs)woningen op een gezoneerd industrieterrein geeft de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening een richtwaarde van 70 dB(A). De geluidsbelasting van inrichting bij deze woning bedraagt ten hoogste 63 dB(A). Aan de richtwaarde wordt voldaan. De maximale geluidsniveaus hebben wij in een voorschrift vastgelegd.

4.8.4

Indirecte Hinder

Het geluid van het verkeer van en naar de inrichting over de openbare weg is beoordeeld volgens de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheeť' d.d. 29 februari 1996. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A) en de grenswaarde 65 dB(A). Een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde moet zo mogelijk worden voorkomen door het treffen van maatregelen. De voorkeursgrenswaarde voor de geluidsbelasting is 50 dB(A). Deze waarde mag alleen worden overschreden als in de geluidsgevoelige ruimten van woningen een geluidsbelasting van 35 dB(A) etmaalwaarde gewaarborgd is. Indien het verkeer van en naar de inrichting zich qua rijsnelheid en stopgedrag niet meer onderscheidt van het overige verkeer is het opgenomen in het heersend verkeersbeeld en valt het buiten de reikwijdte van de omgevingsvergunning. Uit het akoestisch rapport blijkt dat het equivalente geluidsniveau veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting bij de woningen langs dit traject niet meer bedraagt dan 49 dB(A). Aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan.

4.8.5

Conclusies

Wij hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin grenswaarden zijn gesteld op beoordelingspunten bij woningen van derden. De geluidsbelasting op deze punten is overeenkomstig de bij de aangevraagde activiteiten gewenste geluidsruimte.

4.8.6

Trillingen

Gezien de aard van de activiteiten en de afstand tot de dichtstbijzijnde trilling gevoelige bestemmingen is trillinghinder niet te verwachten. Een onderzoek naar trillingen achten wij daarom niet nodig. Ook achten wij het daarom niet nodig hierover voorschriften op te nemen.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

29

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING 4.9

GEUR

4.9.1 Landelijk beleid Het landelijk beleid is opgenomen in de Herziende Nota Stankbeleid (1994). Deze nota is aangepast en nader toegelicht in een brief van de minister van VROM (d.d. 30 juni 1995). Deze brief is als bijlage 4.4 in de NeR opgenomen. In genoemde brief stelt de minister dat de doelstelling van het stankbeleid zoals in 1989 geformuleerd in het Nationaal Milieubeleidsplan onveranderd blijft: in het jaar 2000 maximaal 120Zo gehinderde door stank in Nederland en voor het jaar 2010 geen ernstige hinder. Als algemene doelstelling wordt in deze brief genoemd het zoveel mogelijk beperken van bestaande hinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Het is aan het bevoegd gezag om in vergunningprocedures invulling aan deze doelstelling te geven en te bepalen welke mate van hinder als acceptabel wordt beschouwd. Als leidraad voor het afwegingsproces dat daarbij doorlopen wordt is de hindersystematiek Geur ontwikkeld. Deze hindersystematiek, die is vastgelegd in hoofdstuk 3.6 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR), benoemt de verschillende aspecten die in het afwegingsproces moeten worden meegenomen om te komen tot een zorgvuldige bepaling van het acceptabel hinderniveau. De NeR is in de Regeling omgevingsrecht (bijlage 1, tabel 2) opgenomen als BBT document.

Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (beste beschikbare techniek). Voor een aantal branches is in de NeR een bijzondere regeling opgenomen. Het bevoegd gezag stelt op basis van een afweging van alle relevante factoren het acceptabele hinderniveau vast.

4.9.2

Provinciaal beleid

Beleidsregels Geur Het provinciaal geurbeleid is vastgelegd in de "Beleidsregels geur in milieuvergunningen Gelderland 2009", d.d. 27 april 2009, nummer 2009/74, Provinciaal Blad 28 april 2009. In deze beleidsregels geven wij in algemene zin aan in welke gevallen wel en in welke gevallen niet tot vergunningverlening wordt overgegaan. Uitgangspunt is de hindersystematiek uit de NeR. De Beleidsregels Geur worden toegepast wanneer in de NeR geen Bijzondere regeling is opgenomen, dan wel wanneer de Bijzondere regeling geen norm geeft. In de gevallen dat geurhinder een relevant milieugevolg is en er geen Bijzondere regeling uit de NeR van toepassing is of de Bijzondere Regeling geen norm geeft wordt overeenkomstig de Beleidsregels Geur het acceptabel geurhinderniveau vastgesteld.

4.9.3

Toetsingskader

De activiteiten, waar de vergunningaanvraag betrekking op heeft, zijn beoordeeld overeenkomstig de hindersystematiek voor geur zoals beschreven in hoofdstuk 3.6 van de NeR. Op basis daarvan concluderen wij dat de opslag en het rijpen van baggerspecie leidt tot geuremissie en om die reden een relevant milieuaspect is.

4.9.4

Bijzondere regelingen geur

In de NeR zijn voor diverse bedrijfstakken bijzondere regelingen opgenomen. In deze bijzondere regelingen zijn op basis van bedrijfstakstudies concrete maatregelpakketten en/of acceptabele hinderniveaus vastgesteld. De wijze waarop met bijzondere regelingen moet worden omgegaan is beschreven in de hindersystematiek. Voor de overige bedrijven is het aan het bevoegd gezag om aan de hand van de hindersystematiek te komen tot een afweging van het acceptabel geurhinderniveau. De inrichting behoort niet tot één van de branches waarvoor een bijzondere regeling is vastgesteld. Dat betekent dat volgens de hindersystematiek van de NeR getoetst moet worden aan het eigen geurbeleid “Gelderse beleidsregels voor geur in milieuvergunningen” van 17 september 2002 (provinciaal Blad 2002/77) en geactualiseerd op 27 april 2009 (provinciaal blad 2009/74) en de algemene eisen van de NeR.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

30

Gemeente

Beuningen

OMGEVINGSVERGUNNING 4.9.5

Geuronderzoekrapportage

Bij de aanvulling op de vergunningaanvraag is het geuronderzoeksrapport d.d. 6 september 2012, kenmerk H.98.142.05, Onderzoek geur Grondbank GMG Gronden baggerdepot Beuningen van advies bureau De Haan gevoegd. Binnen de inrichting zijn de geurbronnen ten opzichte van de bestaande vergunning afgenomen. Het aantal baggerdepots met ongerijpte bagger is met 1.5 ha afgenomen.

Beoordeling geurhindersituatie 4.9.6 Acceptabel geurhinderniveau Het acceptabele geurhinderniveau bepalen wij met inachtneming van artikel 10 van de Beleidsregels Geur. De volgende afwegingen zijn van belang om tot deze bepaling te komen. De dichtstbijzijnde maatgevende omliggende woningen zijn gelegen aan De Steeg nummers, 7,11,12,13 en 15 en aan de Koningsstraat 29 en 30. Aan deze woningen hebben wij, overeenkomstig de definitie van de Beleidsregels Geur, een beschermingsniveau toegekend, namelijk Wonen/buitengebied. Vervolgens beoordelen wij de hedonische waarde (aangenaamheid van geur) van de geuremissie. Hiervoor hebben wij gebruik gemaakt van het bij de aanvraag gevoegde geuronderzoek van advies bureau De Haan. De aard van de geur bij een geurconcentratie van 1.5 - 5.0 OUEym3, uitgaande van een hedonische waarde van H-2, wordt ervaren als hinderlijk. Dit overeenkomstig artikel 8 van de Beleidsregels geur. Uit de aanvraag blijkt dat er binnen de inrichting sprake is van kortdurende of sterk fluctuerende bronnen. Gelet op de aanwezigheid van de bronnen geven wij toepassing aan artikel 10 van de Beleidsregels Geur. Wij toetsen de geuremissie aan de 95, 98, 99.5, 99.9, en 99.99 percentielwaarden. Tot slot kijken wij naar de relevante geurbronnen en bepalen aan de hand daarvan de berekende waarde aan de richt- of grenswaarde.

Omschrijving aangevraagde situatie Binnen de inrichting zijn de volgende bestaande geurbronnen aanwezig: * Stationaire geuremissie die vrijkomt uit de opgeslagen, ongerijpte bagger; * Dynamische geuremissie die vrijkomt tijdens het lossen van de vrachtwagens. In het geurrapport zijn een drietal scenario’s uitgewerkt.

Ligging van de inrichting en geurgevoelige objecten in de omgeving: De dichtstbijzijnde maatgevende omliggende woningen zijn gelegen aan De Steeg nummers, 7,11,12,13 en 15 en aan de Koningsstraat 29 en 30. Aan deze woningen hebben wij, overeenkomstig de definitie van de Beleidsregels Geur, een beschermingsniveau toegekend, namelijk Wonen/buitengebied.

BBT afweging De geurreducerende maatregelen die binnen de inrichting zijn/worden getroffen, worden wel beschouwd als de beste beschikbare technieken. Good housekeeping Verspreiding van geurende stoffen op het terrein voorkomen Voorkomen van incidentele geuremissies Gelet op het bij de aanvraag gevoegde geuronderzoek d.d. 6 september 2012 van bureau De Haan wordt de in artikel 10 van de Beleidsregels Geur genoemde richtwaarde (0.5) overschreden. Op grond van artikel 5, tweede lid, stellen wij daarom het acceptabele geurhinderniveau vast op de grenswaarde (1.5) of zoveel lager als haalbaar is. De aanvrager heeft aangetoond dat aan deze waarde voldaan kan worden.

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

31

Beuningen

Gemeente

OMGEVINGSVERGUNNING 4.9.7 Conclusie Gezien bovenstaande overwegingen zijn wij van mening dat aangevraagde activiteiten wel vergunbaar zijn. De activiteiten voldoen aan het van toepassing zijnde toetsingskader en de beste beschikbare technieken worden toegepast. We hebben aan de vergunning voorschriften verbonden, waarin de maximaal toelaatbare geuremissie en geurimissie is vastgesteld, als mede de wijze van meten van de geurimissie.

4.10

LUCHT

4.10.1 Toetsen aan luchtkwaliteitseisen In deze paragraaf worden de concentraties van N02 en PM 10 aan de grenswaarden getoetst. Hier is voor gekozen omdat de achtergrondconcentratie van N02 en PM10 landelijk gezien kritisch zijn in de directe nabijheid van het project Z de inrichting én één bron behorend tot de inrichting N02 en PM10 uitstoten. Op grond van de Regeling omgevingsrecht, bijlage 1, Aanwijzing BBT documenten zijn voor de processen binnen de inrichting het volgende document relevant voor het bepalen van BBT: Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR).

4.10.2 Luchtkwaliteitsonderzoek In de bestaande vergunning van 2005 zijn geen voorschriften opgenomen ten aanzien van de zwevende delen PM10 en stikstofdioxide (N02). In 2005 is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Hierbij waren de verkeersbewegingen voor de toets op de luchtkwaliteit relevant. Voor de toets is het rekenmodel CAR II, versie 4.0 gehanteerd. Voor de hierboven genoemde zwevende delen is de dag- en jaargemiddelde concentratie voor de járen 2006 en 2010 onderzocht. Hierbij uitgaande van maximaal 310 vrachtwagenbewegingen per dag. Conclusie van dit luchtkwaliteitsonderzoeksrapport was dat voor zowel PM 10 als N02 de grenswaarden niet werden overschreden. Op basis van deze revisievergunning wordt de totale capaciteit van de inrichting kleiner waardoor het aantal vrachtwagen bewegingen wordt teruggebracht tot maximaal 112 per dag met een gemiddelde van 24 vrachtwagens per dag. Daarnaast wordt de inrichting qua oppervlakte kleiner.

4.10.3 Conclusies Op basis van de bovenstaande gegevens en op basis van de ligging nabij het knooppunt Ewijk (A50/A73) is het zeer waarschijnlijk te veronderstellen dat de berekende emissies van N02 en PM 10 sinds 2005 is afgenomen. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de grenswaarden die gesteld worden in de artikel 7 lid I van het Besluit Luchtkwaliteit. Om die reden achten wij het niet noodzakelijk een nieuw luchtkwaliteitsonderzoek uit te laten voeren. Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen wij vergunning verlenen, aangezien de concentratie in de buitenlucht van de in bijlage 2 van de Wm genoemde luchtverontreinigende stoffen (inclusief eventuele lokale bronnen in de omgeving van de inrichting), vermeerderd met de immissie ten gevolge van de activiteiten binnen de inrichting (inclusief voertuigbewegingen van en naar de inrichting), lager wordt verwacht dan de grenswaarden, zoals vermeld in bijlage 2 van de Wm. Dit blijkt uit de berekeningen van de luchtkwaliteitsonderzoek in 2005 die is uitgevoerd en de toelichting die is gegeven in bijlage 7 van de aanvraag.

4.10.4 Stuifgevoelige stoffen Als gevolg van transportbewegingen (vrachtwagens) binnen de inrichting komen emissies vrij. Op grond van de NeR zijn de geëmitteerde stoffen ingedeeld in de volgende stofcategorieën: 54 licht stuifgevoelig 55 nauwelijks of niet stuifgevoelig

Enkelvoudige vergunning uitgebreide voorbereidingsprocedure

32

Gemeente

leuningen

OMGEVINGSVERGUNNING Diffuse stofhinder kan, als gevolg van de aangevraagde activiteiten, optreden bij het in depot zetten, opslaan en afvoeren van grond en bouwstoffen. Op grond van par. 3.8.1 van de NeR, stofemissies van stuifgevoelige stoffen, zijn voorschriften opgenomen om stofverspreiding als gevolg van deze op- en overslag zoveel mogelijk te beperken. In samenhang met de in de aanvraag genoemde voorzieningen wordt hiermee voldaan aan Bbt.

4.11

VERRUIMDE REIKWIJDTE

4.11.1 Preventie Een belangrijk onderdeel van de Wabo is de 'verruimde reikwijdte'. Dit betekent onder meer dat de aspecten watergebruik en vervoer in de omgevingsvergunning moeten worden meegenomen. Daarvoor zijn in de Handreiking 'Wegen naar preventie voor bedrijven' handvatten gegeven. Op basis daarvan zijn in deze vergunning voomoemde aspecten beoordeeld, met inachtneming van de per aspect vastgestelde relevantiecriteria.

4.11.2 Waterverbruik De winning van drinkwater kost geld, grondstoffen en energie. Het zuinig gebruik van drinkwater vormt dan ook onderdeel van de verruimde reikwijdte in de Wabo. Het gebruik van drinkwater als proceswater moet zoveel mogelijk worden beperkt tot die processen waarvoor water van een bepaalde kwaliteit noodzakelijk is. Voor het onttrekken van grondwater is een ontheffing benodigd. Wij mogen dientengevolge in deze vergunning geen eisen stellen aan de winning van grondwater. De Wabo verplicht ons echter wel te toetsen of grondstoffen doelmatig worden gebruikt. We moeten voorkomen dat afvalwater ontstaat en als dat niet mogelijk is moeten we het doelmatig beheer van afvalwater bevorderen. Er is geen sprake van overschrijding van het relevantiecriterium zoals wij die voor het drinkwaterverbruik hebben gesteld. Het verbruik is zelfs laag. Wij zijn daarom van mening dat het in deze situatie niet nodig is om voorschriften met betrekking tot beperking van het drinkwaterverbruik in de vergunning op te nemen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=0ff21a46-e588-4e67-83d6-94ab94103f79