Bijlage 9 Onderzoek Externe veiligheid
Tekst van het document
Auteurs Hans Kerkvliet MSc.
Opdrachtgever Gemeente Beuningen
Windpark Beuningen Onderzoek Externe Veiligheid t.b.v. combiMER
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. combiMER Datum 4-12-2020
Versie 1.0
OPZET
HK
Bosch & Van Rijn Groenmarktstraat 56 3521 AV Utrecht Tel: Mail: Web:
030-677 6466 info@boschenvanrijn.nl www.boschenvanrijn.nl
© Bosch & Van Rijn 2020 Behoudens hetgeen met de opdrachtgever is overeengekomen, mag in dit rapport vervatte informatie niet aan derden worden bekendgemaakt. Bosch & Van Rijn BV is niet aansprakelijk voor schade door het gebruik van deze informatie
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Inhoudsopgave H OOFDSTUK 1
INLEIDING
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Inleiding Alternatieven projectMER Beoordelingscriteria MER Leeswijzer
4 4 6 6
H OOFDSTUK 2 H OOFDSTUK 3
RISICO-INVENTARISATIE BEOORDELINGSKADER
7 9
(Beperkt) kwetsbare objecten Risicovolle installaties Buisleidingen Hoogspanningsinfrastructuur Infrastructuur
10 10 11 12 12
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
H OOFDSTUK 4
RISICOANALYSE
14
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
(Beperkt) kwetsbare objecten Risicovolle installaties Buisleidingen Hoogspanningsinfrastructuur Wegen
15 17 23 26 29
H OOFDSTUK 5
VOORKEURSALTERNATIEF
33
Beschrijving voorkeursalternatief Te onderzoeken windturbinetype Rekenmethode Risicoanalyse
34 35 35 36
CONCLUSIE
46
(beperkt) Kwetsbare objecten Risicovolle installaties Buisleidingen Hoogspanningsinfrastructuur Infrastructuur
47 47 48 48 48
BIJLAGEN INRICHTINGSALTERNATIEVEN RISICOCONTOUREN EN WERPAFSTANDEN BEREKENING WERPAFSTAND (BEPERKT) KWETSBARE OBJECTEN
50 51 55 76 78
5.1 5.2 5.3 5.4
H OOFDSTUK 6 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5
H OOFDSTUK 7 BIJLAGE A BIJLAGE B BIJLAGE C BIJLAGE D
Externe veiligheidsonderzoek
2
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Hoofdstuk 1 Inleiding
Externe veiligheidsonderzoek
3
3
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
1.1
Inleiding Bosch & Van Rijn heeft een Kwantitatieve Risicoanalyse uitgevoerd naar de externe veiligheidsrisico’s voor windpark Beuningen in gemeente Beuningen als gevolg van drie alternatieven en het voorkeursalternatief ten behoeve van een milieueffectrapportage (MER) Deze studie volgt de beoordelingscriteria zoals opgenomen in de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van WP Beuningen. Daarnaast worden de externe veiligheidsrisico’s vanwege de windturbines getoetst aan de normen en adviesafstanden zoals beschreven in Hoofdstuk 3. Dit document dient ter ondersteuning van zowel het MER als de vergunningaanvraag.
1.2
Alternatieven projectMER Het (project)MER beschouwt drie alternatieven, die verschillen in het aantal windturbines, afmetingen en windturbinelocaties. In onderstaande figuren zijn de inrichtingen weergegeven en de gehanteerde windturbinetypes staan in onderstaande tabel.
Externe veiligheidsonderzoek
4
4
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 1
De inrichtingsalternatieven
Ten behoeve van het externe veiligheidsonderzoek zijn verschillende windturbines gebruikt. Voor Alternatief 1, 2 en 3 zijn voor de te plaatsen windturbines referentieturbines bepaald om de effecten te bepalen. In voorliggend onderzoek wordt de faalcasuïstiek uit het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Moldile IV Windturbines (versie oktober 2020) toegepast en geen fabrikant specifieke eigenschappen. Hiermee wordt de worst-case situatie gegeven door de maximaal mogelijke afmetingen en maximale werpafstand, ongeacht de fabrikant. In Tabel 1 staan de afmetingen van deze windturbines.
Externe veiligheidsonderzoek
5
5
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Tabel 1
Samenvatting van de alternatieven Alternatief Type A1 A2 A3
ReferentieWTB 1 ReferentieWTB 2 ReferentieWTB 3
Aantal
Rotor 4 6 8
m 160 140 120
Ashoogte m 165 140 120
Bijlage A toont de inrichtingsalternatieven in meer detail.
1.3
Beoordelingscriteria MER In de milieueffectrapportage waar dit onderzoek een bijlage van is wordt het milieueffect externe veiligheid beoordeeld aan de hand van de volgende criteria: ➢ ➢ ➢ ➢
Gevaarlijke stoffen (installaties, buisleidingen en vervoer); Kwetsbare objecten; (Beperkt) Kwetsbare objecten; Risico’s m.b.t. infrastructuur (wegen)
In onderhavig kwantitatieve risicoanalyse worden alle beoordelingscriteria voor het projectMER onderzocht.
1.4
Leeswijzer In Hoofdstuk 2 worden de externe veiligheidsrisico’s van de windturbines beschreven. Verder zal in dit hoofdstuk worden ingegaan op de risico’s in de omgeving en de relevante objecten in het risicogebied. Hoofdstuk 3 bevat het toetsingskader voor de beoordeling van de (toename) van de externe veiligheidsrisico’s. Hierbij wordt alleen ingegaan op de relevante aspecten in het plangebied. In Hoofdstuk 4 worden de risico’s van de windturbines op de relevante objecten geanalyseerd. Indien nodig zullen er ook berekeningen worden opgenomen om tot conclusies te komen. Hoofdstuk 5 beschrijft de effecten van het voorkeursalternatief. Hoofdstuk 6 bevat de conclusies waarin de berekende waarden worden getoetst aan het in Hoofdstuk 3 beschreven beoordelingskader.
Externe veiligheidsonderzoek
6
6
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Hoofdstuk 2 Risico-inventarisatie
Externe veiligheidsonderzoek
7
7
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Risico’s van een windturbine voor de omgeving bestaan uit 3 typen falen: 1. 2. 3.
het afbreken van (een gedeelte van) een windturbineblad, het omvallen van een windturbine door mastbreuk, het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor.
Het afbreken van een windturbineblad vormt een risico binnen de straal van de maximale werpafstand. Hierbij worden twee scenario´s onderscheiden; werpafstand bij nominaal toerental en de werpafstand bij overtoeren. Het omvallen van een windturbine vormt een risico binnen een straal van de maximale valafstand van de windturbine (tiphoogte). Het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor vormt een risico binnen een afstand van de wieklengte. Op basis van de afmetingen van de MER-alternatieven is een shortlist opgesteld met gangbare windturbinetypes. Voor deze gangbare windturbinetypes zijn op basis van generieke faalfrequenties (Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines (versie oktober 2020), het kogelbaanmodel Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines (versie oktober 2020) en parameters van de specifieke windturbinetypes de werpafstanden en risicocontouren berekend (Bijlage C). De grootste werpafstand uit de shortlist wordt overgenomen ten behoeve van de referentiewindturbine. Hieruit volgen de volgende afstanden: Tabel 2
Risicocontouren en maximale werpafstanden van onderzochte windturbinetype
Alt.
Wtb type
Ashoogte (m)
A1 A2 A3
Ref. WTB 1 Ref. WTB 2 Ref. WTB 3
165 140 120
Risicocontouren (m) 10-5 10-6 80 70 60
205 172 179
Max. werpafstand (m) Bij nominaal toerental
Bij overtoeren
205 172 179
527 438 481
De windturbines kunnen een risicoverhogend effect hebben op nabijgelegen gebouwen, installaties en infrastructuur. Voor windpark Beuningen zijn de volgende onderwerpen relevant: ❖ ❖ ❖ ❖ ❖
(Beperkt) kwetsbare objecten Risicovolle installaties Buisleidingen Hoogspanningsinfrastructuur Infrastructuur
NB. Voor windturbines geldt dat het groepsrisico, vanuit het activiteitenbesluit, geen beoordelingskader is voor windturbines. Hierdoor hoeft er niet worden ingegaan op het groepsrisico in onderhavig document. Indien een windturbine een risico verhogend effect heeft op een risicovolle installatie, is het mogelijk dat het groepsrisico van de installatie om hoog gaat. Indien dit gebeurd moet er wel getoetst worden aan het groepsrisico.
Externe veiligheidsonderzoek
8
8
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Hoofdstuk 3 Beoordelingskader
Externe veiligheidsonderzoek
9
9
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
3.1
(Beperkt) kwetsbare objecten De normstelling omtrent windturbines en objecten waar personen verblijven volgt uit het Activiteitenbesluit: 1.
Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar. Het plaatsgebonden risico voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar.
2.
Zie Bijlage D voor de definities kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Op de 10-6 contour heeft een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, een kans op overlijden van één keer in de miljoen jaar als rechtstreeks gevolg van een falende windturbine. Op de 10-5 contour is deze kans één keer in de honderdduizend jaar.
3.2
Risicovolle installaties Indien de windturbines niet substantieel bijdragen aan een verhoging van de risico’s van de inrichting zullen de voor de inrichting geldende risicoafstanden niet significant wijzigen. Dat betekent dat toetsing aan de afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten ook na plaatsing van de windturbines niet tot belemmeringen leidt. Om dit te toetsen kan in eerste instantie naar de toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting worden gekeken. Indien deze toename een bepaalde richtwaarde niet overschrijdt is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze richtwaarde wordt volgens het Handreiking Risicozonering Windturbines1 10% gehanteerd. Indien de toename deze richtwaarde overschrijdt, is plaatsing niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het BEVI en Bevb: -
1
De grenswaarde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor kwetsbare objecten is 10-6 per jaar. De richtwaarde, bedoeld in artikel 4, tweede lid, voor beperkt kwetsbare objecten is 10-5 per jaar.
Handreiking Risicozonering Windturbines, 2020.
Externe veiligheidsonderzoek
10
10
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Artikel 4 Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen 1. Het bevoegd gezag neemt bij de beslissing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 1°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht de grenswaarde, genoemd in artikel 6, eerste lid, in acht. 2. Het bevoegd gezag houdt bij de beslissing op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid rekening met de richtwaarde, genoemd in artikel 6, tweede lid. Artikel 6 Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen 1. De grenswaarde, bedoeld in artikel 4, eerste lid, voor al dan niet geprojecteerde kwetsbare objecten is 10 –6per jaar. 2. De richtwaarde, bedoeld in artikel 4, tweede lid, voor al dan niet geprojecteerde beperkt kwetsbare objecten is 10 –5 per jaar.
3.3
Buisleidingen Voor gasleidingen hanteert Gasunie N.V. een adviesafstand waarbuiten geen substantiële negatieve invloed van een windturbine is te verwachten. Deze afstand is de hoogste waarde van de maximale werpafstand bij nominaal toerental of masthoogte + 1/3de wieklengte. (bron: Het beleid van Gasunie Transport Services inzake het veilig plaatsen van windturbines bij haar gasinfrastructuur – 31-07-2015). Bij in acht nemen van bovenstaande afstanden zal voor ondergrondse leidingen de plaatsing van de windturbines niet leiden tot een (significante) verhoging van de faalkans van de gasinfrastructuur, waardoor ook het risico voor de omgeving door de aanwezigheid van de gasinfrastructuur niet (significant) zal toenemen en de transport- en leveringszekerheid van het aardgas niet (significant) worden aangetast. Als er aan bovenstaande afstanden niet kan worden voldaan dan is plaatsing van de windturbines voor Gasunie2 slechts acceptabel als: -
-
Er géén 10-6 per jaar contour ontstaat die bij Besluit externe veiligheid buisleidingen(Bevb)-transportleidingen tot buiten de belemmeringenstrook reikt en bij Bevi-inrichten tot buiten het hekwerk reikt als die 10-6 per jaar contour vóór plaatsing van de windturbines ook niet buiten de belemmeringstrook resp. het hekwerk reikte. Dat betekent dat voor situaties waar het PR niveau binnen de belemmeringstrook resp. het hekwerk lager is dan 10-6 per jaar, het PR wel mag toenemen tot maximaal 10-6 per jaar3; De PR 10-6 per jaar contour niet groter wordt als die vóór de plaatsing van de windturbines al wel buiten de belemmeringenstrook resp. het hekwerk reikte;
2
Bron: Het beleid van Gasunie Transport Services inzake het veilig plaatsen van windturbines bij haar gasinfrastructuur – 31-07-2015. 3 PR: persoonsgebonden risico.
Externe veiligheidsonderzoek
11
11
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
-
De frequentie dat een inrichting die onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer valt door een onderdeel van de windturbines wordt getroffen lager is dan: o 5x10-6 per jaar voor meet- en regelstations en exportstations; o 2,5x10-4 per jaar voor gasontvangstations.
Naast bestaande buisleidingen is er ook de structuurvisie buisleidingen opgesteld voor toekomstige ontwikkelingen. In de stroken aangewezen in de structuurvisie buisleidingen moet ruimte worden geboden om in de toekomst buisleidingen te plaatsen op de betreffende locatie. Windturbines zouden een probleem kunnen vormen voor toekomstige buisleidingen. Daarom mogen windturbines niet worden geplaatst binnen de buisleidingenstrook zoals aangewezen in de structuurvisie.
3.4
Hoogspanningsinfrastructuur Er bestaat geen wettelijke kader voor de invloed van windturbines op hoogspanningsleidingen. TenneT heeft in het Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW2020) een adviesafstand opgenomen voor het transportnetwerk van 110kV tot en met 380kV. Deze adviesafstand is gelijk aan de maximale werpafstand bij nominaal toerental of indien deze groter is, de ashoogte + 1/2 rotordiameter. Dit betreft echter geen wettelijke grenswaarde. Wanneer er niet wordt voldaan aan de afstandseis, vraagt TenneT om met hen in overleg te treden. TenneT zal op basis van het concrete geval bepalen welk risico voor de betreffende asset op dat moment aanvaard kan worden. Als eerste richtlijn kan gebruikt worden dat windturbine(s) de kans op falen van de verbinding met 10% mag verhogen. Deze additionele faalkans wordt gerelateerd aan de al aanwezige faalkans van de verbinding tussen de aangrenzende verdeel- of transformatorstations. Aangezien er geen standaard faalfrequentie van een hoogspanningsverbinding bestaat, dient in alle gevallen overleg en afstemming met TenneT plaats te vinden.
3.5
Infrastructuur Rijkswegen Voor Rijkswegen zijn generieke afstanden berekend waarbuiten er geen ontoelaatbare risico’s voor passanten plaatsvinden. Het document “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” staan de minimale afstanden tot Rijkswegen gegeven: “Langs rijkswegen wordt plaatsing van windturbines toegestaan bij een afstand van ten minste 30m uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60m, ten minste de halve diameter”. Voor de overige openbare wegen bestaan geen genormeerde afstanden, waardoor kleinere afstanden mogelijk zijn. In de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s” staan de richtlijnen gegeven (zie kaders):
Externe veiligheidsonderzoek
12
12
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
“Individuele passantenrisico (IPR) Voor het risico voor de passant is een risicomaat gekozen die aansluit bij de individuele beleving van de passant, namelijk de overlijdenskans per passant per jaar. Hierbij wordt de passant gevolgd gedurende zijn bezigheden in de nabijheid van het windturbinepark. De initiatiefnemer die een of meerdere windturbines wil plaatsen dient aan te tonen dat het maximale toelaatbare Individueel Passanten Risico IPR niet wordt overschreden op de infrastructuur in de nabijheid van de turbine. De grens is vastgesteld van honderdzestig kilometer per uur. Een generiek IPR van 10-6 wordt aangehouden voor alle infrastructuur waarop de wettelijk toelaatbare snelheden de honderdzestig kilometer per uur niet overschrijden, en een generiek IPR van 10-7 op infrastructuur waarop wettelijk toelaatbare snelheden boven de honderdzestig kilometer per uur bestaan. Maatschappelijk risico (MR) Er zijn verschillenden maten te kiezen voor het maatschappelijk risico. Rijkswaterstaat en ProRail hanteren het criterium dat er jaarlijks niet meer dan 2*10-3 passanten mogen overlijden. In het externe-veiligheidsbeleid voor stationaire installaties of vervoersactiviteiten wordt uitgegaan van groepsrisicocurven of FN-curven. Groepsrisicocurves hebben alleen betekenis voor ’kleine-kans-groot-gevolg’-ongevallen met slachtofferaantallen groter dan 10 per ongeval. Uit studies ref.
[2, 4, 5, 6] blijkt dat bij windturbineparken in de nabijheid van rijkswegen altijd ruimschoots aan de groepsrisiconorm wordt voldaan.”
Externe veiligheidsonderzoek
13
13
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Hoofdstuk 4 Risicoanalyse
Externe veiligheidsonderzoek
14
14
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
4.1
(Beperkt) kwetsbare objecten De berekende 10-5 en 10-6 contouren zijn weergegeven op kaart. Per windturbinelocatie is nagegaan of (geprojecteerde) kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn. Voor de gebouwen binnen de 10-6 contour is nagegaan of er sprake is van een kwetsbaar object (BAG, risicokaart.nl / luchtfoto). In onderstaande figuren zijn de risicocontouren van de verschillende alternatieven te vinden. Deze zijn tevens weergegeven in Bijlage B.
4.1.1
Alternatief 1
Figuur 2
Risicocontouren rond de windturbines (Alternatief 1)
Er bevinden zich geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten of kwetsbare objecten binnen respectievelijk de 10-5 en 10-6 contour.
Externe veiligheidsonderzoek
15
15
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
4.1.2
Alternatief 2
Figuur 3
Risicocontouren rond de windturbines (Alternatief 2)
Er bevinden zich geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten of kwetsbare objecten binnen respectievelijk de 10-5 en 10-6 contour.
4.1.3
Alternatief 3 Op basis van onderstaande figuur is op te maken dat zich geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten binnen respectievelijk de 10-5 en 10-6contour bevinden.
Externe veiligheidsonderzoek
16
16
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 4
Risicocontouren rond de windturbines (Alternatief 3)
4.2
Risicovolle installaties De berekende maximale werpstanden (bij overtoeren) zijn ingetekend op de kaart en voor de locatie is nagegaan of binnen deze maximale werpafstanden risicovolle installaties aanwezig zijn.
Externe veiligheidsonderzoek
17
17
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
4.2.1
Alternatief 1
Figuur 5
Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties.
Op basis van de ingetekende werpafstanden, aangeleverde informatie door de omgevingsdienst en risicokaart.nl zijn de risicovolle installaties bepaald welke zich binnen de maximale werpafstanden bevinden. Tabel 3
Risicovolle installaties binnen maximale werpafstand van geplande turbines van Alternatief 1
Windturbine
Installatie
Windturbine 2 Windturbine 3 Windturbine 3
Propaantank 8223 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
Afstand tot installatie (m) 473 373 421
Doordat de afstanden groter zijn dan de tiphoogte heeft alleen het scenario wiekbreuk een risico verhogend effect. NB. In het gebied bevindt zich een gasontvangststation. Dit station ligt buiten de werpafstand bij overtoeren en wordt daarom niet beschouwd in onderhavig onderzoek
Externe veiligheidsonderzoek
18
18
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
4.2.2
Alternatief 2
Figuur 6
Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties
Op basis van de ingetekende werpafstanden, aangeleverde informatie door de omgevingsdienst en risicokaart.nl zijn de risicovolle installaties bepaald welke zich binnen de maximale werpafstanden bevinden. Tabel 4
Risicovolle installaties binnen maximale werpafstand van geplande turbines van Alternatief 2
Windturbine
Installatie
Windturbine 1 Windturbine 3 Windturbine 5 Windturbine 5
Propaantank 1 Propaantank 8223 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
Afstand tot installatie (m) 327 353 389 429
Doordat de afstanden groter zijn dan de tiphoogte heeft alleen het scenario wiekbreuk een risico verhogend effect. NB. In het gebied bevindt zich een gasontvangststation. Dit station ligt buiten de werpafstand bij overtoeren en wordt daarom niet beschouwd in onderhavig onderzoek
Externe veiligheidsonderzoek
19
19
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
4.2.3
Alternatief 3
Figuur 7
Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties
Op basis van de ingetekende werpafstanden, aangeleverde informatie door de opdrachtgever en risicokaart.nl zijn de risicovolle installaties bepaald welke zich binnen de maximale werpafstanden bevinden. Tabel 5
Risicovolle installaties binnen maximale werpafstand van geplande turbines van Alternatief 3
Windturbine
Installatie
Windturbine 1 Windturbine 2 Windturbine 3 Windturbine 5 Windturbine 5 Windturbine 6 Windturbine 6
Propaantank 1 Propaantank 1 Propaantank 8223 Propaantank 2 Propaantank 5m3 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
Afstand tot installatie (m) 335 353 290 371 420 411
Doordat de afstanden groter zijn dan de tiphoogte heeft alleen het scenario wiekbreuk een risico verhogend effect. NB. In het gebied bevindt zich een gasontvangststation. Dit station ligt buiten de werpafstand bij overtoeren en wordt daarom niet beschouwd in onderhavig onderzoek
Externe veiligheidsonderzoek
20
20
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
4.2.4
Trefkansberekeningen Rekenmethode wiekbreuk (Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid – Module IV – Windturbines (versie oktober 2020) Om de trefkans van een object met hoogte h, breedte b, en diepte d te berekenen wordt uitgegaan van een geprojecteerd grondoppervlak: De kans dat het zwaartepunt van de wiek in het geprojecteerde oppervlak terecht komt is: 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑡
Waarin: Pzwpt = trefkans van het zwaartepunt van het blad (berekend volgens HRW 2014). Apt = (b+h)·(d+h) Het object kan direct door het zwaartepunt worden getroffen, maar het is ook mogelijk dat het zwaartepunt van het blad binnen een afstand van 2/3 Lb (lengte afgebroken blad) inslaat. In dit geval kan het object nog door het blad worden geraakt aangezien het zwaartepunt zich op ongeveer 1/3 van het blad bevindt. Deze kans loopt van 0,0 naar 1,0 van de buitenrand van de 2/3 Lb strook tot het object. De kans dat het zwaartepunt in de strook met breedte 2/3 Lb rondom de tank terechtkomt is: 𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 +
𝜋 3
2
∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) )
Om de totale trefkans te bereken dat een installatie wordt getroffen door een blad worden de twee bovenstaande parameters bij elkaar opgeteld: 𝑷𝒐 = 𝑷𝒐𝒅 + 𝑷𝒐𝒊
4.2.5
Resultaten trefkansen risicovolle installaties Via de bovenstaande methoden zijn de trefkansen berekend voor de risicovolle installaties van de drie alternatieven waarbij de trefkans van de installatie de som is van de scenario’s van falende windturbines. De resultaten worden weergeven in onderstaande tabellen.
Tabel 6
Trefkansen risicovolle installaties Alternatief 1
Installatie Propaantank 8223 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
Externe veiligheidsonderzoek
Totale trefkans 1,06*10-08 9,81*10-09 9,40*10-09
21
21
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Tabel 7
Trefkansen risicovolle installaties Alternatief 2
Installatie Propaantank 1 Propaantank 8223 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
Tabel 8
1,08*10-08 1,09*10-08 1,22*10-08 2,34*10-08
Trefkansen risicovolle installaties Alternatief 3
Installatie Propaantank 1 Propaantank 8223 Propaantank 2 Propaantank 5m3 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
4.2.6
Totale trefkans
Totale trefkans 1,45*10-08 6,51*10-09 7,62*10-09 6,44*10-09 7,12*10-09 6,71*10-09
Faalkansverhoging De berekende trefkans van de alternatieven wordt vergeleken met de intrinsieke faalkans van de risicovolle installatie (faalkansen van alle catastrofale scenario’s bij elkaar opgeteld). De intrinsieke faalkans wordt als volgt onderbouwd:
Tabel 9
Onderbouwing intrinsieke faalkansen van risicovolle objecten (Bron: Handleiding Risicoberekeningen BEVI) Object Faalkans scenario`s (weergegeven tussen haakjes) Opslagtanks gevaarlijke stoffen De mogelijke catastrofale scenario`s zijn het vrijkomen van de gehele inhoud (5*10-6) en het vrijkomen van de gehele inhoud in 10 min. in een continue en constante stroom (5*10-6).
Onderstaande tabel bevat de vergelijking van de trefkans van de windturbines met de intrinsieke faalkans van de installatie:
Externe veiligheidsonderzoek
22
22
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Tabel 10
Verhoging faalkans van risicovolle installaties
Alternatief
Installatie
Alternatief 1 Alternatief 1 Alternatief 1 Alternatief 2 Alternatief 2 Alternatief 2 Alternatief 2 Alternatief 3 Alternatief 3 Alternatief 3 Alternatief 3 Alternatief 3 Alternatief 3
Propaantank 8223 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3 Propaantank 1 Propaantank 8223 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3 Propaantank 1 Propaantank 8223 Propaantank 2 Propaantank 5m3 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
4.3
Intr. Faalkans 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5
Trefkans 1,06*10-08 9,81*10-09 9,40*10-09 1,08*10-08 1,09*10-08 1,22*10-08 2,34*10-08 1,45*10-08 6,51*10-09 7,62*10-09 6,44*10-09 7,12*10-09 6,71*10-09
Verhoging faalkans 0,11% 0,10% 0,09% 0,11% 0,11% 0,12% 0,23% 0,15% 0,07% 0,08% 0,06% 0,07% 0,07%
Buisleidingen Vanwege de aanwezigheid van buisleidingen in het plangebied is er geanalyseerd of de alternatieven voldoen aan de adviesafstand van Gasunie. Indien er niet wordt voldaan aan de adviesafstand van Gasunie worden de risico’s gekwantificeerd waarbij de trefkansberekeningen worden uitgevoerd volgens het Rekenvoorschrift Omgevingsveiligheid Module IV – Windturbines (Versie oktober 2020).
4.3.1
Alternatief 1 Voor Alternatief 1 geldt dat er geen leidingen zijn gelegen binnen de adviesafstanden van Gasunie. Tevens bevinden de windturbines zich buiten de leidingstrook zoals aangewezen in de structuurvisie Buisleidingen. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Externe veiligheidsonderzoek
23
23
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 8
Buisleidingen en adviesafstanden Gasunie
4.3.2
Alternatief 2 Voor Alternatief 2 geldt dat er geen leidingen zijn gelegen binnen de adviesafstanden van Gasunie. Tevens bevinden de windturbines zich buiten de leidingstrook zoals aangewezen in de structuurvisie Buisleidingen. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Externe veiligheidsonderzoek
24
24
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 9
Buisleidingen en adviesafstanden Gasunie
4.3.3
Alternatief 3 Voor Alternatief 3 geldt dat er geen leidingen zijn gelegen binnen de adviesafstanden van Gasunie. Tevens bevinden de windturbines zich buiten de leidingstrook zoals aangewezen in de structuurvisie Buisleidingen. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Externe veiligheidsonderzoek
25
25
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 10
Buisleidingen en adviesafstanden Gasunie
4.4
Hoogspanningsinfrastructuur Voor het plangebied is nagegaan of er zich hoogspanningsinfrastructuur in buurt van de windturbines bevindt. Indien dit het geval is wordt er gekeken of er wordt voldaan aan de afstandseis van TenneT (maximale werpafstand bij nominaal toerental of tiphoogte).
4.4.1
Alternatief 1 Voor Alternatief 1 geldt dat hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de adviesafstanden van TenneT. Wanneer dit ook het geval is bij het voorkeursalternatief moet er in overleg worden getreden met TenneT en een trefkansberekening worden uitgevoerd.
Externe veiligheidsonderzoek
26
26
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 11
Hoogspanningsinfrastructuur
4.4.2
Alternatief 2 Voor Alternatief 2 geldt dat er geen hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de adviesafstanden van TenneT. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Externe veiligheidsonderzoek
27
27
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 12
Hoogspanningsinfrastructuur
4.4.3
Alternatief 3 Voor Alternatief 3 geldt dat er geen hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de adviesafstanden van TenneT. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Externe veiligheidsonderzoek
28
28
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 13
Hoogspanningsinfrastructuur
4.5
Wegen Voor de alternatieven is nagegaan of een windturbine over een (openbare) weg draait. Indien er geen overdraai plaatsvindt wordt er voldaan aan de in paragraaf 3.5 genoemde beleidsregel. Wanneer er niet wordt voldaan aan de beleidsregel moet er voor het VKA een trefkansberekening worden uitgevoerd.
4.5.1
Alternatief 1 Uit onderstaande figuur blijkt dat er geen overdraai plaatsvindt over een openbare weg. Hiermee wordt er voldaan aan de beleidsregel.
Externe veiligheidsonderzoek
29
29
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 14
Wieklengte en wegen in het plangebied - Alternatief 1
4.5.2
Alternatief 2 Uit onderstaande figuur blijkt dat er overdraai plaatsvindt over een openbare weg. Hiermee wordt er niet voldaan aan de beleidsregel.
Externe veiligheidsonderzoek
30
30
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 15
Wieklengte en wegen in het plangebied - Alternatief 2
4.5.3
Alternatief 3 Uit onderstaande figuur blijkt dat er geen overdraai plaatsvindt over een openbare weg. Hiermee wordt er voldaan aan de beleidsregel.
Externe veiligheidsonderzoek
31
31
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 16
Wieklengte en wegen in het plangebied - Alternatief 3
Externe veiligheidsonderzoek
32
32
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Hoofdstuk 5 Voorkeursalternatief
Externe veiligheidsonderzoek
33
33
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
5.1
Beschrijving voorkeursalternatief Mede op basis van het MER is een voorkeursalternatief (VKA) gedefinieerd. Van het VKA liggen de windturbinelocaties vast, maar er is een bandbreedte in ashoogte en rotordiameter. Voor wat betreft de afmetingen is deze bandbreedte als volgt opgespannen: ➢ Ashoogte: ➢ Rotordiameter: ➢ Tiphoogte:
minimaal 140 meter, maximaal 170 meter; minimaal 150 meter, maximaal 180 meter; maximaal 245 meter;
In dit hoofdstuk is de bovengrens van de bandbreedte doorberekend, omdat de bovengrens het hoogste risico verhogend effect heeft op nabijgelegen gebouwen installaties en infrastructuur. Figuur 17
Windturbinelocaties van het Voorkeursalternatief (VKA) voor Windpark Beuningen
Externe veiligheidsonderzoek
34
34
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
De coördinaten van de windturbines staan gegeven in onderstaande tabel: Tabel 11
Coördinaten van het voorkeursalternatief van WP Beuningen.
Windturbine 1 2 3 4 5
5.2
X
Y
175.324 175..797 177.247 178.146 179.060
430.942 430.681 429.618 429.318 429.016
Te onderzoeken windturbinetype Om de externe veiligheidsrisico’s van de bandbreedte goed in beeld te brengen worden de effecten doorgerekend voor de grootst mogelijke windturbine afmetingen. Dit, aangezien de meeste externe risico’s een direct gevolg zijn van de afmetingen. Hiertoe is een referentiewindturbine bepaald met de juiste afmetingen en zijn de werpafstanden gebaseerd op de Handleiding Omgevingsveiligheid Module IV – Versie Oktober 2020. Risicocontouren (m) Ashoogte
Max. werpafstand (m)
Rotordiameter
10-5
10-6
Bij nominaal toerental
Bij overtoeren
180
90
208
207
540
155
In de risicoanalyse wordt de referentiewindturbine in het vervolg aangeduid als ‘bovengrens’. NB. De maximale werpafstand schaalt niet 1-op-1 met de afmetingen van een windturbine. Het kan daarom zo zijn dat een uiteindelijk te realiseren type een grotere werpafstand heeft dan de hierboven genoemde variant. Omdat de meeste aspecten betreffende externe veiligheid wel schalen met de afmetingen is er voor gekozen om de bandbreedte te definiëren aan de hand van afmetingen. Voor aspecten waar de maximale werpafstand een belangrijke rol speelt is hier verder aandacht aan besteed.
5.3
Rekenmethode Voor de berekeningen is aangesloten bij de rekenmethode voor de MER-alternatieven.
Externe veiligheidsonderzoek
35
35
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
5.4
Risicoanalyse
5.4.1
(beperkt) Kwetsbare objecten
Figuur 18
Risicocontouren rond de windturbines (bovengrens VKA)
Uit bovenstaande figuur is op te maken dat er zich geen (geprojecteerde) kwetsbare objecten zich bevinden binnen de 10-5-contour. Tevens bevinden zich geen kwetsbare objecten binnen de 10-6-contour. Hiermee wordt er voldaan aan de eisen uit het Activiteitenbesluit.
5.4.2
Risicovolle installatie De berekende maximale werpafstanden (bij overtoeren) zijn ingetekend op de kaart en voor de locatie is nagegaan of binnen deze maximale werpafstanden risicovolle installaties aanwezig zijn.
Externe veiligheidsonderzoek
36
36
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 19
Maximale werpafstand bij overtoeren van de windturbines en risicovolle installaties
Op basis van de ingetekende werpafstanden, aangeleverde informatie door de opdrachtgever en risicokaart.nl zijn de risicovolle installaties bepaald welke zich binnen de maximale werpafstanden bevinden. Tabel 12
Risicovolle installaties binnen maximale werpafstand van het Voorkeursalternatief
Windturbine
Installatie
Windturbine 1 Windturbine 2 Windturbine 3 Windturbine 3 Windturbine 4 Windturbine 4
Propaantank 1 Propaantank 1 Propaantank 2 Propaantank 5m3 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
Afstand tot installatie (m) 232 463 241 322 403 366
Doordat bij 2 risicovolle installaties de afstand kleiner is dan de tiphoogte heeft naast het scenario wiekbreuk ook het scenario mastbreuk een risico verhogend effect. NB. In het gebied bevindt zich een gasontvangststation. Dit station ligt buiten de werpafstand bij overtoeren en wordt daarom niet beschouwd in onderhavig onderzoek
Externe veiligheidsonderzoek
37
37
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
5.4.2.1
Trefkansberekeningen
Rekenmethode wiekbreuk (Handboek Risicozonering Windturbines) Om de trefkans van een object met hoogte h, breedte b, en diepte d te berekenen wordt uitgegaan van een geprojecteerd grondoppervlak: De kans dat het zwaartepunt van de wiek in het geprojecteerde oppervlak terecht komt is: 𝑃𝑜𝑑 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ∙ 𝐴𝑝𝑡
Waarin: Pzwpt = trefkans van het zwaartepunt van het blad (berekend volgens HRW 2014). Apt = (b+h)·(d+h) Het object kan direct door het zwaartepunt worden getroffen, maar het is ook mogelijk dat het zwaartepunt van het blad binnen een afstand van 2/3 Lb (lengte afgebroken blad) inslaat. In dit geval kan het object nog door het blad worden geraakt aangezien het zwaartepunt zich op ongeveer 1/3 van het blad bevindt. Deze kans loopt van 0,0 naar 1,0 van de buitenrand van de 2/3 Lb strook tot het object. De kans dat het zwaartepunt in de strook met breedte 2/3 Lb rondom de tank terechtkomt is: 𝑃𝑜𝑖 = 𝑃𝑧𝑤𝑝𝑡 ((2𝑏 + 2𝑑) ∙ 1⁄3 ∙ 𝐿𝑏 +
𝜋 3
2
∙ (2⁄3 ∙ 𝐿𝑏 ) )
Om de totale trefkans te bereken dat een installatie wordt getroffen door een blad worden de twee bovenstaande parameters bij elkaar opgeteld: 𝑷𝒐 = 𝑷𝒐𝒅 + 𝑷𝒐𝒊 Rekenmethode mastbreuk De trefkans van een object door mastbreuk van een windturbine is afhankelijk van verschillende parameters. Ten eerste van de generieke faalkans van de mast. Indien de mast niet verstevigd is, is dit standaard 1.3*10-4. Ten tweede is de faalkans afhankelijk van de hoek waarbij de hoek wordt vastgesteld door de grenzen waarbij het rotoroppervlak het object net niet raakt. De kans dat de windturbine richting het object (Ko) valt wanneer de mastbreuk zich voordoet is dan: 𝐾𝑜 = (
𝐻𝑜𝑒𝑘 ) 360
Externe veiligheidsonderzoek
38
38
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
De kans dat het scenario zich voordoet en dat een object geraakt wordt kan dan berekend worden via de onderstaande formule: 𝐾𝑔 = 𝐾𝑜 ∗ 𝑓𝑎𝑎𝑙𝑘𝑎𝑛𝑠 𝑚𝑎𝑠𝑡
Totale faalkans De totale trefkans van de windturbine op een object is de som van de bovenstaande scenario`s. De totale trefkans (Ttk) op een object kan dan berekend worden via de volgende formule: 𝑇𝑡𝑘 = 𝑃𝑜 + 𝐾𝑔 5.4.2.2
Resultaten trefkansen risicovolle installaties
Via de bovenstaande methoden zijn de trefkansen berekend voor de risicovolle installaties van het VKA waarbij de trefkans van de installatie de som is van de scenario’s van falende windturbines. De resultaten worden weergeven in onderstaande tabellen. Tabel 13
Trefkansen risicovolle installaties VKA
Installatie Propaantank 1 Propaantank 2 Propaantank 5m3 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
5.4.2.3
Totale trefkans 1,81*10-05 1,63*10-05 1,35*10-08 1,10*10-08 1,18*10-08
Faalkansverhoging
De berekende trefkans van het VKA wordt vergeleken met de intrinsieke faalkans van de risicovolle installatie (faalkansen van alle catastrofale scenario’s bij elkaar opgeteld). De intrinsieke faalkans wordt als volgt onderbouwd: Tabel 14
Onderbouwing intrinsieke faalkansen van risicovolle objecten (Bron: Handleiding Risicoberekeningen BEVI) Object Faalkans scenario`s (weergegeven tussen haakjes) Opslagtanks gevaarlijke stoffen De mogelijke catastrofale scenario`s zijn het vrijkomen van de gehele inhoud (5*10-6) en het vrijkomen van de gehele inhoud in 10 min. in een continue en constante stroom (5*10-6).
Onderstaande tabel bevat de vergelijking van de trefkans van de windturbines met de intrinsieke faalkans van de installatie:
Externe veiligheidsonderzoek
39
39
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Tabel 15
Verhoging faalkans van risicovolle installaties
Alternatief
Installatie
Bovengrens Bovengrens Bovengrens Bovengrens Bovengrens
Propaantank 1 Propaantank 2 Propaantank 5m3 Propaantank 2,7m3 Propaantank 1,6m3
5.4.3
Intr. Faalkans 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5 1,00*10-5
Trefkans 1,81*10-05 1,63*10-05 1,35*10-08 1,10*10-08 1,18*10-08
Verhoging faalkans 180,87% 162,69% 0,13% 0,11% 0,12%
Buisleidingen Vanwege de aanwezigheid van buisleidingen in het plangebied is er geanalyseerd of de bovengrens voldoet aan de adviesafstand van Gasunie. Indien er niet wordt voldaan aan de adviesafstand van Gasunie worden de risico’s gekwantificeerd waarbij de trefkansberekeningen worden uitgevoerd volgens het Handleiding Omgevingsveiligheid Module IV: Specifieke rekenvoorschriften voor activiteiten D.1 en E.1. 2019.
Figuur 20
Buisleidingen en adviesafstanden Gasunie
Uit bovenstaande figuur blijkt dat er bij windturbine 5 niet wordt voldaan aan de adviesafstand van Gasunie. De werpafstand bij nominaal toerental reikt over de buisleiding (afstand windturbine tot buisleiding: 196m).
Externe veiligheidsonderzoek
40
40
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Echter, de berekening voor de werpafstand bij nominaal toerental is uitgevoerd voor een worst-case windturbine. Hieronder wordt voor bestaande windturbinetypes met gegevens van de fabrikant de werpafstand bij nominaal toerental berekend: Type Enercon E160 Nordex N163 Siemens SWT6.0-170 Vestas V162
Ashoogte
Rotordiameter 165 163,5 160 164
Werpafstand bij nominaal toerental 160 163 170 162
150 145 146 187
Uit bovenstaande tabel blijkt dat bij de commercieel beschikbare windturbinetypes binnen de bandbreedte ruimschoots wordt voldaan aan de adviesafstand van Gasunie. Hierdoor is het mogelijk om te concluderen dat het aspect Buisleidingen de realisatie van Windpark Beuningen niet in de weg staat. Voor de buisleidingenstrook zoals aangewezen in de structuurvisie buisleidingen geldt dat de strook zich bevindt buiten de adviesafstanden van Gasunie.
Externe veiligheidsonderzoek
41
41
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
5.4.4
Hoogspanningsinfrastructuur Voor het plangebied is nagegaan of er zich hoogspanningsinfrastructuur in buurt van de windturbines bevindt. Indien dit het geval is wordt er gekeken of er wordt voldaan aan de afstandseis van TenneT (maximale werpafstand bij nominaal toerental of tiphoogte).
Figuur 21
Tiphoogte en hoogspanningsinfrastructuur
Voor de bovengrens geldt dat er geen hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen de werpafstand bij nominaal toerental of de valafstand. Er zijn derhalve geen aandachtspunten.
Externe veiligheidsonderzoek
42
42
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
5.4.5
Wegen Uit onderstaande figuur blijkt dat twee windturbines over een openbare weg draaien. WTB 4 draait over de Steeg en WTB 2 draait over de Betenalaan. Doordat er overdraai plaatsvindt wordt de kans berekend dat een persoon wordt geraakt door een afgebroken wiek, mast en/of gondel. Hierbij gaan we uit van een worstcase benadering. De trefkans wordt berekend voor de windturbine die het dichtstbij een openbare weg staat en deze trefkans wordt als representatief beschouwd voor de andere windturbine.
Figuur 22
Overdraai van de windturbines over openbare wegen
Trefkansberekening Mastbreuk De kans dat de weg wordt getroffen door een onderdeel van een omvallende windturbine wordt gelijk verondersteld aan de kans dat een gedeelte van onderstaand cirkelsegment in aanraking komt met de leidingstrook, hetgeen is geïllustreerd in de figuren hieronder(Handleiding Omgevingsveiligheid, Versie oktober 2019).
Externe veiligheidsonderzoek
43
43
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Figuur 23
Windturbine als cirkelsegment.
Turbine in aanraking met weg.
De trefkans is als volgt: Kop 1
Weg
Afstand tot weg (m)
Hoek (β) Graden
Mastbreuk frequentie (per jaar)
Trefkans weg
38
270
1,3*10-04
9,75*10-05
Steeg
De kans dat een passant wordt getroffen kan worden berekend door de trefkans te vermenigvuldigen met de verblijfsfactor: 𝜏=
0,3 1 𝑣𝑜 365 ∙ 24 ∙ 3600
𝑣𝑜 = 𝑠𝑛𝑒𝑙ℎ𝑒𝑖𝑑 𝑣𝑎𝑛 𝑑𝑒 𝑝𝑎𝑠𝑠𝑎𝑛𝑡(m/s Ten behoeve van deze berekening gaan we uit van de worst case scenario, wat inhoudt dat de passant met de laagste snelheid de langste verblijftijd heeft. Een voetganger gaat gemiddeld 5 km/uur (1,4 meter per seconde) Kop 1
Afstand tot weg (m)
Hoek (β) Graden
Mastbreuk frequentie (per jaar)
Trefkans weg
Verblijfstijd passant
38
270
1,3*10-04
9,75*10-05
6,79*10-09
Trefkans per passage 6,62*10-13
Trefkans passant is: Steeg: 6,62*10-13 per passage
Externe veiligheidsonderzoek
44
44
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Wiekbreuk De kans dat een persoon wordt geraakt als gevolg van een afgebroken wiek wordt als volgt berekend: 𝑃 = 1,5 ∙ 𝐴𝑐 ∙ 𝑝𝑧𝑤𝑝𝑡 𝐴𝑐 = 𝑘𝑟𝑖𝑡𝑖𝑒𝑘 𝑜𝑝𝑝𝑒𝑟𝑣𝑙𝑎𝑘𝑡𝑒 𝑤𝑖𝑒𝑘 𝑝𝑧𝑤𝑝𝑡−𝑆𝑡𝑒𝑒𝑔 = 𝑡𝑟𝑒𝑓𝑘𝑎𝑛𝑠 𝑧𝑤𝑎𝑎𝑟𝑡𝑒𝑝𝑢𝑛𝑡 𝑤𝑖𝑒𝑘
= =
385,33 m2 1,43*10-08
𝑃 − 𝑆𝑡𝑒𝑒𝑔 = 8,27*10-06 De kans dat een passant wordt getroffen kan worden berekend door de trefkans te vermenigvuldigen met de verblijfsfactor: 𝜏=
1 1 𝑣𝑜 365 ∙ 24 ∙ 3600
Trefkans passant op Steeg is: 1,88*10-12 per passage Gondelafworp Voor het berekenen van personen en objecten ten gevolge van het afvallen van een gondel met rotor of alleen een rotor kan dezelfde aanpak worden gevolgd als mastbreuk. De masthoogte wordt voor deze berekening nul verondersteld. Het risicogebied blijft dan beperkt tot een gebied rondom de toren dat gelijk is aan de rotordiameter. Daarmee is de trefkans van de weg gelijk aan de kans dat het scenario zich voordoet: 4,0*10-5 per jaar. De kans dat een passant wordt getroffen kan worden berekend door de trefkans te vermenigvuldigen met de verblijfsfactor: 𝜏=
0,3 1 𝑣𝑜 365 ∙ 24 ∙ 3600
Trefkans passant is: 2,72*10-13 per passage. Conclusie passantenrisico De totale raakkans per passage voor de dichtstbijzijnde windturbine is: Mastbreuk: Wiekbreuk: Gondelafworp: Totaal:
6,62*10-13 per passage 1,88*10-12 per passage 2,72*10-13 per passage 2,81*10-12 per passage
Echter is alleen de raakkans van de dichtstbijzijnde turbine berekend, maar als reeds vermeld draaien er twee turbines over. Om conservatief te zijn wordt voor de andere turbine dezelfde trefkans per passage aangehouden. Dit leidt tot een totale trefkans van: 5,62*10-12 per passage.
Externe veiligheidsonderzoek
45
45
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Hoofdstuk 6 Conclusie
Externe veiligheidsonderzoek
46
46
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
6.1
(beperkt) Kwetsbare objecten Er bevinden zich geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen de 10-5 en 10-6 contouren. Hiermee wordt er voldaan aan de veiligheidseisen uit het activiteitenbesluit.
6.2
Risicovolle installaties Indien de windturbines niet substantieel bijdragen aan een hoger risico van de inrichting zullen de voor de inrichting geldende afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten en de Groepsrisico ook na plaatsing van de windturbines van kracht blijven. Om dit te toetsten kan in eerste instantie naar de toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting gekeken worden. Indien deze toename een bepaalde richtwaarde niet overschrijdt dan is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze richtwaarde wordt volgens het Handreiking Risicozonering Windturbines4 10% gehanteerd. Paragraaf 4.2.6. bevat de vergelijking van de trefkans van de windturbines van de 3 alternatieven met de intrinsieke faalkans van de installaties. Uit deze vergelijking volgt dat bij de alternatieven de maximale faalkansverhoging 0,13% is. Dit is ver onder de toetsingswaarde van 10%. Dit betekent dat de risico’s van de windturbines, gelet op de afstand tot risicovolle inrichtingen, niet leiden tot een toename van de initiële faalkans van deze installaties van meer dan 10%. Paragraaf 5.4.2. bevat de vergelijking van de trefkans van de windturbines van de bovengrens met de intrinsieke faalkans van de installaties.
Uit deze vergelijking volgt dat bij twee installaties de toetsingswaarde van 10% wordt overschreden. Echter zijn de twee installaties propaantanks met een inhoud kleiner dan 13m3. Voor deze installaties gelden er veiligheidsafstanden (geen QRA plicht), waarbij de nieuw te plaatsen windturbines geen invloed hebben op de geldende afstanden. Hierdoor hoeft er geen aanvullend onderzoek plaats te vinden.
4
Handreiking Risicozonering Windturbines (HRW 2020)
Externe veiligheidsonderzoek
47
47
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
6.3
Buisleidingen Bij de alternatieven geldt dat de leidingen die gevaarlijke stoffen transporteren zich bevinden buiten de wieklengte + 1/3de wieklengte of werpafstand bij nominaal toerental. Hiermee wordt er voldaan aan de adviesafstand van Gasunie. Verder bevinden de windturbines zich buiten de leidingstrook zoals aangewezen in de structuurvisie buisleidingen. Hiermee wordt er voldaan aan het toetsingskader zoals beschreven in paragraaf 3.3. Voor het voorkeursalternatief geldt dat de buisleiding zich bevindt binnen de werpafstand bij nominaal toerental, maar buiten de wieklengte + 1/3de wieklengte. Omdat de berekening is uitgevoerd met een worst-case windturbinetype, is de werpafstand bij nominaal toerental ook berekend voor alle commercieel beschikbare windturbinetypes binnen de bandbreedte. Hieruit blijkt dat de commercieel beschikbare windturbinetypes ruimschoots voldoen aan de adviesafstand van Gasunie. Hierdoor is het mogelijk om te concluderen dat het aspect Buisleidingen de realisatie van Windpark Beuningen niet in de weg staat, omdat de commercieel beschikbare windturbinetypes voldoen aan de adviesafstand. Verder geldt dat de leidingstrook zoals aangewezen in de structuurvisie buisleidingen zich bevindt buiten de adviesafstand van Gasunie. Hiermee vormen de windturbines geen hindernis voor nieuwe buisleidingen.
6.4
Hoogspanningsinfrastructuur Bij alternatief 1 geldt dat hoogspanningsinfrastructuur is gelegen binnen tiphoogte afstand van de windturbine. Hiermee voldoet Alternatief 1 niet aan de adviesafstanden van TenneT. Voor Alternatief 2, 3 en het voorkeursalternatief geldt dat hoogspanningsinfrastructuur zich bevindt buiten de werpafstand bij nominaal toerental en tiphoogte. Hiermee voldoen Alternatief 2, 3 en het voorkeursalternatief aan de adviesafstanden van TenneT.
6.5
Infrastructuur Bij Alternatief 1 en 3 geldt dat er geen overdraai plaatsvindt over openbare wegen. Hierdoor wordt er voldaan aan de beleidsregel “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken”. Bij Alternatief 2 en het voorkeursalternatief geldt dat er overdraai plaatsvindt over openbare wegen. Hiermee wordt er niet voldaan aan de beleidsregel “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken”. Doordat er voor het voorkeursalternatief niet wordt voldaan aan de beleidsregel is de trefkans berekend en deze is: Bovengrens: 5,62*10-12 per passage
Externe veiligheidsonderzoek
48
48
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Bij de bovengrens wordt aan het IPR voldaan zolang één passant niet meer dan 177.935 keer per jaar de windturbine passeert. Dit komt overeen met 487 passages per dag, gedurende een heel jaar, door een en dezelfde persoon. Tevens wordt aan het MR (2*10-03) voldaan zolang niet meer dan 355.871.886 passanten per jaar de windturbines passeren. Gelet op de aard van de weg is het niet realistisch dat het IPR of het MR wordt overschreven.
Externe veiligheidsonderzoek
49
49
Windpark Beuningen Externe veiligheidsonderzoek t.b.v. het combi-MER
Hoofdstuk 7 Bijlagen
Externe veiligheidsonderzoek
50
50
Bijlage A Inrichtingsalternatieven In onderstaande figuren worden de alternatieven weergegeven. Tevens is een tabel opgenomen met de coördinaten.
51 Bijlagen
52
Bijlagen
52
53
Bijlagen
53
Omschrijving X Y Alternatief 1 179315,7 428736,8 Alternatief 1 178100,4 429349,6 Alternatief 1 176950,9 429927,5 Alternatief 1 175832,3 430493,1 Alternatief 2 175782,4 430700,4 Alternatief 2 176400 430406,6 Alternatief 2 176989,2 430028,4 Alternatief 2 175218,3 431016,4 Alternatief 2 178109,3 429367,4 Alternatief 2 179303,9 428717,5 Alternatief 3 179133,5 429094,5 Alternatief 3 179505,5 428991,4 Alternatief 3 177208,5 429651,4 Alternatief 3 178141,3 429370,6 Alternatief 3 175213,7 431022,7 Alternatief 3 175767,8 430731,2 Alternatief 3 176400 430406,6 Alternatief 3 176989,2 430028,4 VKA 175324 430942 VKA 175797 430681 VKA 177247 429618 VKA 178146 429318 VKA 179060 429016
54 Bijlagen
Bijlage B
Risicocontouren en werpafstanden
55 Bijlagen
56
Bijlagen
56
57
Bijlagen
57
58
Bijlagen
58
59
Bijlagen
59
60
Bijlagen
60
61
Bijlagen
61
62
Bijlagen
62
63
Bijlagen
63
64
Bijlagen
64
65
Bijlagen
65
66
Bijlagen
66
23
67
Bijlagen
67
68
Bijlagen
68
69
Bijlagen
69
70
Bijlagen
70
71
Bijlagen
71
72
Bijlagen
72
73
Bijlagen
73
74
Bijlagen
74
75
Bijlagen
75
Bijlage C Berekening werpafstand
76 Bijlagen
77 Bijlagen
Bijlage D
(beperkt) Kwetsbare objecten
Kwetsbare objecten
a) woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen of woonwagens als bedoeld in onderdeel b, onder a;
b) gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten, zoals: 1. ziekenhuizen, bejaardenhuizen en verpleeghuizen; 2. scholen, of 3. gebouwen of gedeelten daarvan, bestemd voor dagopvang van minderjarigen;
c)
gebouwen waarin doorgaans grote aantallen personen gedurende een groot gedeelte van de dag aanwezig zijn, waartoe in ieder geval behoren: 1. kantoorgebouwen en hotels met een bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2 per object, of 2. complexen waarin meer dan 5 winkels zijn gevestigd en waarvan het gezamenlijk bruto vloeroppervlak meer dan 1000 m2 bedraagt en winkels met een totaal bruto vloeroppervlak van meer dan 2000 m 2 per winkel, voorzover in die complexen of in die winkels een supermarkt, hypermarkt of warenhuis is gevestigd, en
d) kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 per-
sonen gedurende meerdere aaneengesloten dagen; Beperkt kwetsbare objecten
a)
1°.verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen of woonwagens per hectare, en 2°.dienst- en bedrijfswoningen van derden;
b) kantoorgebouwen, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder c, vallen; c)
hotels en restaurants, voorzover zij niet kwetsbare objecten, onder c, vallen;
d) winkels, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder c, vallen; e)
sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen;
f)
kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder d, vallen;
g)
bedrijfsgebouwen, voorzover zij niet onder kwetsbare objecten, onder c, vallen;
h) objecten die met de onder a tot en met e en g genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voorzover die objecten geen kwetsbare objecten zijn, en;
i)
objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleiding apparatuur, voorzover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval;
78 Bijlagen