CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 8 - Q&A raadswebinar PlanMER

Raadsvergadering 20 december 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Inzageperiode concept-NRD Regionale Energiestrategie 2.01.775 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Arnhem Nijmegen Regionale Energie Strategie Vragen en Antwoorden bij de raadswebinars PlanMER RES | 5 en 9 september 2022 Vraag I Zijn de gebruikte slides later voor ons beschikbaar? Worden ook windalternatieven als de Windcatcher bekeken, als alternatief op de klassieke drie blads turbines? Bedankt voor de sessie Waar vind ik de slides? Enig inzicht in hoeveel mensen hebben deelgenomen? Antwoord: De slides zijn vanaf vrijdag 9/9 beschikbaar via ibabs. Windalternatieven als de windcatcher worden niet bekeken in het planMER. Het uitgangspunt zijn windconcepten die op land voor 1 januari 2025 vergund kunnen worden. We verwachten daar een realistische inschatting van te geven door de milieueffecten te onderzoeken voor drieblads-windturbines met een bandbreedte van minimaal 3,6 MW en maximaal 7,0 MW. Op maandag hebben 15 personen deelgenomen aan de sessie en hebben 8 personen de presentatie later teruggekeken. Op donderdag hebben 17 personen deelgenomen aan de sessie en hebben 2 personen de presentatie later teruggekeken. 42 geregistreerde deelnemers in totaal.

Vraag II Hoe kan het dat initiatieven die worden genomen op wind ongemak geeft bij de REAS tafel. Immers onder het adagium "alle beetjes helpen'' kan dat als contraproductief worden gezien. Effect van alle daarvoor geschikte daken van zonnepanelen voorzien, wordt niet onderzocht op z'n effect van de 1,62 Tw. Er wordt nu uitgegaan van 0,49 Tw, vraag is of het niet in de PlanMER hoort wat het effect zou zijn als alle daarvoor geschikte daken productief zijn voor zonne-energie. Door het hanteren van de 1 km zon voor de Veluwe met de Wespendief, wordt er de facto voorgesorteerd op windmolens in het rivierengebied buiten de weidevogelgebieden. De uitkomst kan ik met die gegevens al uittekenen. Vraag is hoe nuttig is dan de PlanMER nog. Antwoord: Windinitiatieven leveren op de RES tafel op zichzelf geen ongemak op. Er ontstaat bestuurlijk ongemak op het moment dat windinitiatieven zich bij de provincie aandienen buiten de vastgestelde zoekgebieden in de RES 1.0. Dit ongemak ontstaat op dit moment omdat het windbeleid van de provincie meer ruimte laat voor windenergie dan de RES zoekgebieden en projecten. In de RES 1.0 is afgesproken dat nieuwe windinitiatieven buiten de RES zoekgebieden op de RES tafel besproken worden.

De provincie heeft een windladder vastgesteld waarmee zij aangeeft ook de windinitiatieven die zich bij de provincie aandienen op de RES tafel te zullen bespreken en werkt aan de aanpassing van de windvisie. De planMER helpt dadelijk het gesprek te voeren over nieuwe initiatieven die zich aandienen.

De ontwikkeling van zon-op-dak kent geen milieueffecten die op planMER niveau relevant zijn. Een onderzoek naar de potentie van zon op alle daarvoor geschikte daken in de regio, is een ander onderzoek Het feit dat binnen 1 km van de Veluwe en in weidevogelgebieden geen windturbines kunnen worden gerealiseerd, zijn wezenlijke (eerste) uitkomsten van het planMER onderzoek en onderstrepen in die zin het nut ervan. Dit wordt straks aangevuld met onderzoeken naar de milieueffecten van de verschillende alternatieven, waarbij meer dan alleen de wespendief en de weidevogelgebieden worden onderzocht. Hiermee brengen we in beeld welke gebieden geschikt, geschikt te maken zijn en niet geschikt zijn voor grootschalige opwek van elektriciteit en (op hoofdlijnen) voor warmtebronnen.

Vraag III Is er een overzicht van wat harde belemmeringen en zachte belemmeringen zijn? Dank. Ik ben vooral op zoek naar ook wat je kunt zien als grijs. Als er bijvoorbeeld iets als hard wordt genoemd in bepaalde onderzoeken, maar nog niet als dusdanig in de wet is verwerkt, hoe ga je daar dan mee om? Ik moet dan denken aan laag frequent geluid waarover eerder aandacht was in de media en vanuit tno, maar toen nog geen norm of regel voor was. Is de uitspraak van de rvs en het feit dat er nu geen normen zijn, een risico voor het behalen van de opwekdoelstellingen komende jaren? Liggen projecten stil hierdoor? Worden er naast publicatie in dagbladen, meer acties ondernomen om mensen op te roepen tot zienswijze? En daarmee mogelijk meer betrokkenheid creeeren? Antwoord: Een overzicht van harde- en zachte belemmeringen wordt opgenomen in de Notitie reikwijdte en detailniveau. De 'grijze' gebieden waar u naar verwijst betreffen (voor wind) de vijf typen belemmeringen die tijdens de webinar zijn besproken, met daarbij een beschrijving van hoe hiermee wordt omgegaan. Laagfrequent geluid is een zorg die vaker naar voren komt bij windparkontwikkelingen. Dit type geluid is vaak al verdisconteert in de geluidsnorm van 47 dB uit het Activiteitenbesluit. Dit is een van de normen waarop in het planMER wordt getoetst.

Op dit moment geldt dat er op projectniveau momenteel extra onderzoek nodig. Het is aan gemeenten en initiatiefnemers om zelf passende normen te bepalen en deze te onderbouwen. Dat vraagt wat extra onderzoekslast in projecten, maar projecten liggen hierdoor niet stil. Een voorbeeld is het windpark in Beuningen, waar eigen passende normen zijn ontwikkeld. Naast de publicatie van de kennisgeving in lokale weekbladen, vindt er op 3 november een webinar plaats met bewoners als doelgroep. Ook wordt een infographic bij de NRD gevoegd om de relatief technische en juridische informatie in de NRD toegankelijker te maken. Het staat gemeenten daarnaast vrij om ook zelf extra acties te ondernemen om op te roepen tot zienswijzen.

Vraag IV Goedenavond Dank voor de presentatie tot dusver. Wat de RES 2.0 betreft heb ik de volgende vraag. Als deze niet of niet volledig beantwoord kunnen worden binnen de presentatie, heb ik daarvoor alle begrip. Bij de RES 1.0 (de basis voor de RES 2.0) heeft energieopslag geen aanzienlijke rol gespeeld; Om een stabiele stroomvoorziening te realiseren voor de maatschappij, is het noodzakelijk dat er zowel voorzien kan worden in de basislast op het electriciteitsnet als in de pieklast die met name in de avond plaats vindt. De variabiliteit van wind en zonne-energie maakt dat zij in het dragen van deze twee lasten op het electriciteitsnet, ondersteund moeten worden met een aanvullende energiebron die op afroep kan worden ingeschakeld, als hun energie-aanbod tijdelijk niet aan de vraag naar stroom kan voldoen. Deze aanvullende energiebron kan worden gerealiseerd middels piek centrales draaiend op fossiele brandstof, maar ook vanuit een energieopslag geladen met eerder opgewekte wind en zonne-energie. Aardgas is met het oog op recente ontwikkelingen, geen houdbare methode meer om te voorzien in een dergelijke aanvullende energiebron. Waarom lijkt er weinig tot geen aandacht te zijn binnen de RES 2.0, voor het enige duurzame alternatief? Antwoord: De RES 2.0 zal zich richten op duurzame elektriciteitsopwekking, warmte en bijbehorende infrastructuur.

Nu de RES 1.0 is vastgesteld ligt de focus op: ^ Het borgen van de RES in het omgevingsbeleid - o.a. door het onderbouwen van de RES 1.0 en de regionale energieopgave met een milieueffectonderzoek: het planMER, het verder uitwerken van de zoekgebieden en het vergunnen en realiseren van projectenen ^ Het verder uitwerken van de regionale structuur warmte: de RSW die in RES 1.0 is benoemd. ^ Integraal programmeren van de infrastructuur. Bij het integraal programmeren gaat het o.a. over programmeren en prioriteren van nieuwe energieverbruikers en opwekkers en over oplossingen zoals opslag ^ Monitoring van de voortgang. Binnen het planMER wordt op hoofdlijnen onderzocht waar duurzame warmtebronnen als geothermie, aquathermie, WKO's en biomassa mogelijk zijn. De opslag en conversie van energie kent milieueffecten op projectniveau, waardoor het in dit milieueffectonderzoek niet wordt meegenomen. In het uitwerken van de regionale structuur warmte, zullen opslag en conversie van energie wel worden meegenomen. Het is ook onderdeel van integraal programmeren.

Vraag V Geachte heer/mevrouw, Graag zou ik n.a.v. de presentatie een vraag stellen: Er werd gesproken over zogenaamde "harde & zachte milieubelemmeringen". Er werd aangegeven dat v.w.b. GNN en Natura 2000 die belemmeringen "zacht" zijn, enerzijds vanwege alternatieve locaties die de doorslag kunnen geven, maar ook dat "dit kan gaan schuiven". Ik vroeg me af of met alternatieven de A van de ADC-toets wordt bedoeld? En wat wordt bedoeld met "schuiven"? Wat gaat er precies schuiven als gevolg waarvan?

Geachte heer/mevrouw, Er schoot mij nog een vraag te binnen: wordt bij de inrichting van grootschalige zonnevelden alleen getoetst aan functiecombinaties of ook aan de mate waarin of welke typen harde structuren rond/nabij een zonnepark worden toegepast in de inrichting (denk aan type hekken). Antwoord: Voor Natura 200 gebied wordt met alternatieven wordt inderdaad de A van de ADC-toets bedoeld. Voor GNN is in de provinciale verordening een beperktere alternatieventoets bedoeld (zie onder andere toelichting artikel 1a.3). Op dit moment is het lastig om projecten in GNN en Natura 2000 gebieden te vergunnen vanwege het feit dat er alternatieven en alternatieve locaties beter geschikt zijn. Over tijd kan het zo zijn dat die alternatieven-toets anders uitvalt en dat alternatieven en alternatieve locaties niet langer beter geschikt zijn. Dat wordt bedoeld met'dit kan gaan schuiven' en het bepaalt waarom deze gebieden als zachte belemmeringen worden opgenomen: het is lastig om hier projecten te vergunnen, maar daarmee niet geheel uitgesloten (en dus als zachte belemmering toegepast). Bij grootschalige zonnevelden wordt inderdaad getoetst op de combinatie met andere functies. Er wordt niet getoetst op typen harde structuren rond/nabij een zonnepark. Dat detailniveau past niet bij een regionaal milieueffectonderzoek.

Evengoed zal hier op projectniveau aandacht voor moeten zijn bij de vergunningverlening.

Vraag VI Beste presenteerders, onderzoekers, 1. Waarom komt er geen 5e alternatief: nl het optimale alternatief, wat een compilatie zou kunnen zijn van de beste elementen uit de 4 alternatieven/varianten/hoeken van het speelveld (het meest milieu enz. vriendelijke alternatief)? 2.

Hoe zit het met de wanverhouding tussen zon en wind en wordt er in de Reikwijdte en Detailniveau nog een poging gedaan om deze wanverhouding enigszins recht te trekken?

Antwoord: In het planMER verkennen we 'de hoeken van het speelveld'. Vanuit natuur, landschap, leefomgeving en energiesysteem wordt op die manier duidelijk wat — qua milieueffecten — goede en minder goede gebieden zijn voor de ontwikkeling van wind- en zonprojecten. Deze inzichten dienen als basis voor het gesprek over de RES 2.0. Je zou kunnen stellen dat er in het RES 2.0 proces wordt toegewerkt naar deze optimale variant. In dat gesprek kunnen ook andere zaken dan sec de milieueffecten worden meegenomen en kan breder worden gekeken dan de technisch-objectieve benadering die centraal staat in het planMER. De 'wanverhouding' tussen zon en wind is een van de aanleidingen voor het planMER en staat ook als zodanig benoemd in de NRD. Feit blijft wel dat het planMER enkel analyseert. Er is dus geen sprake van een beleidsdocument en er gaat zodoende ook geen poging vanuit om de wanverhouding recht te trekken. Dat is onderdeel van het gesprek voor de RES 2.0.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=ec643a3d-a02e-475d-93ec-e24182111f29