Bijlage 7 bij motivering - Quickscan natuur
Tekst van het document
Quickscan Natuur Leegstraat e.o. te Winssen Oriënterend onderzoek natuur in het kader van de Omgevingswet
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2025-0304
Datum:
6 maart 2025
Samensteller:
ir. L. Bezemer
Collegiale toets:
ing. M. Smit
Opdrachtgever:
Buro Waalbrug
Contactpersoon:
J. Langbroek
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud Samenvatting
4
1 Inleiding
5
1.1
Planlocatie
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
8
2 Methode
9
2.1
Uitvoering onderzoek
9
2.2
Houdbaarheid en toepassing
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Specifieke zorgplicht Soorten
14
3.3
Gebiedsbescherming
15
3.4
Houtopstanden
16
3.5
Natuurinclusiviteit
16
4 Conclusie en vervolg
17
4.1
Conclusie
17
4.2
Effecten
17
4.3
Vervolgstappen
17
4.4
Maatregelen
17
Samenvatting Aan de Leegstraat e.o. te Winssen is een agrarisch perceel met paardenweiden en boomgaard gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande inrichting op de planlocatie te verwijderen ten behoeve van de realisatie van woningen. De beoogde ruimtelijke ingreep is getoetst aan het onderdeel Natuur onder de Omgevingswet. Er wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur. In onderstaande tabellen wordt weergegeven welke functies en effecten zijn beoordeeld, en welke vervolgstappen en maatregelen worden geadviseerd. Soortgroep
Bescherming
Mogelijke functie
Planten
n.v.t.
Grondgebonden zoogdieren
n.v.t.
Vleermuizen
n.v.t.
Amfibieën
n.v.t.
Reptielen
n.v.t.
Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (jaarrond beschermd) Vogels (algemeen en categorie 2)
n.v.t.
Vervolgstap (H4.3)
n.v.t. n.v.t. n.v.t.
Vleermuizen algemeen
Potentie
Onderbouwing
Massawinterverblijfplaats (gewone dwergvleermuis) Essentiele vliegroute
Nee
Geen hoge bebouwing met bufferend vermogen
Nee
Geen aantasting van lijnvormige structuren
Essentieel foerageergebied
Nee
Geen aantasting van houtopstanden met struweel en oppervlaktewater
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Vervolgstap (H4.3)
Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Groene ontwikkelingszone Beschermingszone natte landnatuur Ganzenrustgebied Weidevogelgebied
1,3 km 1,3 km 1,3 km 1,6 km 1,3 km 6,8 km
Stikstof Geen Geen Geen Geen Geen
Stikstofonderzoek
Vervolgstap (H4.3)
Houtopstanden
Onderdeel
Uitzondering
Eenheid van >1000 m2 Bomenrij van >20 bomen
Afwezig Afwezig
n.v.t. n.v.t.
Zorgplicht
Effecten
Maatregel (H4.4)
Algemene zorgplicht Specifieke zorgplicht soorten Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden Specifieke zorgplicht houtopstanden
Ja Ja Ja n.v.t.
Algemene maatregelen Specifieke maatregelen Stikstofonderzoek
4
1 Inleiding Aan de Leegstraat e.o. te Winssen is een agrarisch perceel met paardenweiden en een fruitboomgaard gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de aanwezige elementen op de planlocatie te verwijderen ten behoeve van de realisatie van 5 woningen. Het vigerende plan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal beleid. Onderzoeksdoelen • Voldoet de wijziging van het omgevingsplan aan de eis dat voldaan moet worden aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (Omgevingswet art.
4.2)? • Welke beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van beschermde houtopstanden? • Dienen er vervolgstappen in het kader van natuurwetgeving en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Leegstraat e.o. te Winssen.
5
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Leegstraat e.o. te Winssen (figuur 1.2). De planlocatie kan verdeeld worden in vier deelgebieden. Deelgebied A betreft een aantal paardenweiden, bestaande uit begraasd grasland waar enkele houten schuilhutten staan en houten hekwerken de verschillende weiden begrenzen. Deelgebied B bestaat uit een laagstam-perenboomgaard. Hier staan een aantal rijen perenbomen met houten begeleidende structuren. Deelgebied C bestaat uit een perceel dat tot voor kort werkt gebruikt voor de teelt van aardbeien op stellingen, en inmiddels een kaal akkerperceel begroeid met gras betreft. Deelgebied D betreft de toegangsweg. Deze bestaat deels uit een puinweg en deels uit betonplaten. Tussen de toegangsweg en de paardenweiden is een aardhoop aanwezig in deelgebied D. Deelgebieden B en C betreffen slechts een deel van de bestaande boomgaard en akker, de noordelijke delen behoren niet tot de planlocatie. Ten zuiden van de toegangsweg is een bomenrij van zwarte elzen aanwezig, en ten zuidoosten van de paardenweiden is een sloot aanwezig langs de weg. Deze elementen blijven behouden. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn enkele foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Leegstraat e.o. te Winssen en is verdeeld in vier deelgebieden (A t/m D). De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het buitengebied van Winssen. Hier wisselen boerenerven, woonhuizen, weilanden, boomgaarden en agrarische percelen elkaar af. De wijde omgeving heeft een vergelijkbaar karakter, met hoofdzakelijk boomgaarden en agrarische percelen. Ten westen van de planlocatie zijn twee grote zandwinplassen gelegen, waarvan de dichtstbijzijnde actief gebruikt wordt. Op een afstand van circa 1,8 km ten oosten van de planlocatie ligt de A50 en op een afstand van circa 2 km ten noorden van de planlocatie stroomt de rivier de Waal.
6
Figuur 1.3 De planlocatie kan verdeeld worden in vier deelgebieden. Daartoe behoren enkele paardenweiden (A), een perenboomgaard (B), een ongebruikte akker (C) en de toegangsweg (D)
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
7
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het verwijderen van de bestaande terreininrichting en de realisatie van 5 woningen waarvan 1 vrijstaand en twee 2-onder-1-kappers en een bijgebouw. Daarbij wordt een deel van de fruitbomen teruggeplaatst in het zuidoostelijk deel van de planlocatie. Het vigerende plan voorziet niet in deze beoogde ruimtelijke ingreep, waardoor een planwijziging benodigd is. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • kappen en/of verplaatsen van fruitbomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalburg).
8
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent de relevante vakgebieden met betrekking tot natuurwet- en regelgeving. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten, gebieden en houtopstanden. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Omgevingswet en de provinciale omgevingsverordening. Zie voor het juridisch kader bijlage 2 van dit rapport.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 19 februari 2025 en is uitgevoerd door ir. L. Bezemer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren: droog, 6/8 bewolkt, 1 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna, bovenop het bekende algemene verspreidingsbeeld van beschermde soorten. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). De NDFF wordt geraadpleegd voorafgaand aan het uitvoeren van het veldbezoek en gedurende het rapporteren. Tijdens de zoekopdracht in de NDFF wordt hierbij een zoekgebied met straal van circa 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. De meest recente datum van raadpleging in de NDFF is d.d.
4 maart 2025. In het kader van de Omgevingswet is door BIJ12 de Beschermde Soorten Indicator (BeSI) ontwikkeld. De indicator geeft per locatie de te verwachten soorten en effecten op verblijfplaatsen en leefgebied. Tot dusver blijken de resultaten van de BeSI ontoereikend, er wordt geen volledig beeld van de te verwachten soorten en effecten verkregen. Blom Ecologie volgt de ontwikkeling van de BeSI nauwgezet en zal de indicator toepassen indien de BeSI toereikend is. Momenteel biedt de NDFF het meest complete inzicht in de verspreiding van soorten. Ten behoeve van voorliggende quickscan is de BeSI niet geraadpleegd.
2.2 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Een quickscan Natuur heeft een houdbaarheid van drie jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen (Omgevingsregeling artikel 7.197j lid 2b).
9
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2020-2025). De planlocatie bestaat uit vier deelgebieden. Deelgebied A betreft een aantal paardenweiden. Hier is begraasd grasland met houten afscheidingen aanwezig. Op het grasland en rondom de afscheidingen groeien soorten als akkervergeet-mij-nietje, grote brandnetel, herderstasje, herik, kleine veldkers, kruipende boterbloem, paarse dovenetel en veldzuring tussen het gras. Deelgebied B betreft de boomgaard bestaande uit rijen perenbomen. Het gras tussen de rijen wordt regelmatig gemaaid, en tussen de bomen groeien onder andere: fluitenkruid, grote brandnetel, kleefkruid, paardenbloem, paarse dovenetel, speerdistel, vogelmuur en witte dovenetel. Deelgebied C bestaat uit een voormalige akker welke is ingezaaid met gras.
Hier groeien tussen de beginnende graspollen wilde planten zoals kleine veldkers, klein kruiskruid, kluwenhoornbloem, veldzuring en vogelmuur. Langs de toegangsweg in deelgebied D groeien kleine, solitaire exemplaren van de soorten die in de andere deelgebieden voorkomen. Over het algemeen kan de planlocatie gezien worden als een voedselrijk, begraasd- of gemaaid grasland. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Er is geen bebouwing aanwezig. Los van de fruitbomen in de boomgaard is één solitaire berk aanwezig in de paardenweiden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, voor zover deze zichtbaar zijn gedurende de winterperiode. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied.
Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, das, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, muskusrat, ree, rosse woelmuis, schaap, steenmarter, veldmuis, vos, wezel en woelrat (NDFF 2020-2025). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, das, steenmarter en wezel. De bever is een sterk aan watergebonden soort die langs allerlei watertypen voorkomt. Daarbij is de aanwezigheid van een goed ontwikkelde en bereikbare houtige en kruidige vegetatie op de oevers belangrijk. Verblijfplaatsen bestaan uit holen in de oevers of zelfgemaakte burchten. De dichtstbijzijnde waarneming van de soort is bekend op een afstand van circa 200 m ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Op de planlocatie zijn geen sporen of verblijfplaatsen van de bever aangetroffen gedurende het veldbezoek. De sloot ten zuidoosten van de planlocatie heeft gemaaide oevers met een steil profiel en bevat weinig tot geen vegetatie. Hier is geen geschikt leefgebied voor de bever aanwezig. Derhalve zijn negatieve effecten op de soort uitgesloten. De das is een soort van kleinschalige landschappen waar bosjes, houtwallen, weilanden en agrarische percelen elkaar afwisselen.
Hier maakt de soort burchten en holen op de hogere delen in goed vergraafbare grond. De dichtstbijzijnde waarneming van de das is bekend op een afstand van circa 300 10
m ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF, 20202-2025). De graslanden en boomgaard op de planlocatie zijn potentieel geschikt als foerageergebied voor de das. Op de planlocatie zijn geen sporen zoals pootafdrukken, neusputjes, graafsporen of andere tekenen van aanwezigheid aangetroffen gedurende het veldbezoek. De planlocatie is gelegen tussen bewoonde huizen en drukke agrarische bedrijven, en de percelen worden regelmatig gemaaid en/of beweid waardoor er een hoge mate van menselijke verstoring aanwezig is. Bovendien zijn er in de omgeving talloze vergelijkbare percelen aanwezig die beter geschikt zijn als foerageergebied voor de das. Derhalve is de aanwezigheid van een verblijfplaats of essentieel foerageergebied van de das op de planlocatie uitgesloten. De steenmarter is een weinig kieskeurige soort die ook steeds vaker in stedelijk gebied voorkomt. De voorkeurshabitat betreft kleinschalige landschappen met een afwisseling van boerenerven, bosjes, houtwallen en graslanden. Verblijfplaatsen bevinden zich voornamelijk in bebouwing, maar ook boomholten, rommelhoekjes, stenenstapels en takkenhopen zijn geschikt. De dichtstbijzijnde waarneming van de soort is bekend op een afstand van circa 750 m ten zuiden van de planlocatie (NDFF, 2020-2025).
Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig, en zijn ook geen andere structuurelementen die mogelijk geschikt zijn als verblijfplaats voor de steenmarter aanwezig. De boomgaard en randen van de paardenweiden zijn mogelijk geschikt als foerageergebied voor de steenmarter. In de directe omgeving zijn talloze vergelijkbare percelen aanwezig die als (tijdelijke) uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. In de beoogde situatie komen onder andere een groene heg als (erf)afscheiding en een deel van de boomgaard terug, welke geschikt zijn als foerageergebied voor de steenmarter. In de beoogde situatie wordt de planlocatie daardoor mogelijk geschikter als leefgebied dan in de huidige situatie. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de steenmarter uitgesloten. De wezel is een soort van kleinschalige landschappen met voldoende structuurelementen. Deze kleine marterachtige is erg kwetsbaar voor predatie, en leeft daardoor een verborgen leven waarbij veel dekking gebruikt wordt. Belangrijke elementen in het leefgebied zijn houtwallen, bosjes, bosschages, dichte braamstruwelen en ruige bermen of oevers waarin gefoerageerd wordt. Verblijfplaatsen bestaan uit holen van andere dieren, takkenhopen, houtstapels en dichte struwelen. De dichtstbijzijnde waarneming van de wezel is bekend op een afstand van circa 1 km ten noordoosten van de planlocatie (NDFF, 2020-2025).
De groenstructuren op de planlocatie zijn vrij open en bevatten weinig dekking. Alleen de boomgaard en ruigere randen van de paardenweiden bieden de wezel mogelijk geschikt foerageergebied. Er zijn echter geen structuurelementen aanwezig die als mogelijke verblijfplaats voor de wezel kunnen functioneren. In de directe omgeving zijn talloze vergelijkbare percelen aanwezig die als (tijdelijke) uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. In de beoogde situatie komen onder andere een groene heg als (erf)afscheiding en een deel van de boomgaard terug, welke geschikt zijn als foerageergebied voor de wezel. In de beoogde situatie wordt de planlocatie daardoor mogelijk geschikter als leefgebied dan in de huidige situatie. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de wezel uitgesloten. Door voornoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de vrijstelling van de provinciale Omgevingsverordening vallen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis (NDFF 2020-2025). Onder de Habitatrichtlijn zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd (Bal art. 11.46). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de specifieke zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H4.3).
11
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. De te kappen perenbomen zijn niet van voldoende formaat om geschikt te zijn als vleermuisverblijfplaats. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er is geen bebouwing aanwezig op de planlocatie, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen op voorhand uitgesloten kan worden. Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Met name de boomgaard met rijen perenbomen is mogelijk geschikt als foerageergebied en vliegroute. De open weilanden zijn niet geschikt als vliegroute, en slechts beperkt geschikt als foerageergebied. In de beoogde ontwikkeling komen verschillende groenelementen, waaronder een groene erfafscheiding en verschillende stukken met bomen terug. Deze elementen, evenals de te realiseren woningen, bieden vleermuizen in de beoogde situatie geschikt foerageergebied en vliegroutes.
In de omgeving zijn verschillende groene elementen, woningen en andere structuren aanwezig die als (tijdelijke) uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. Zo bieden de bomenlaan langs de Leegstraat en ten zuiden van de planlocatie vleermuizen geschikte vliegroutes, en bieden de aanliggende percelen met woningen, tuinen en boomgaarden vleermuizen geschikt foerageergebied. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden geen essentiële foerageergebieden en vliegroutes aangetast. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en rugstreeppad (NDFF 20202025). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander en rugstreeppad. De kamsalamander is een soort van bosrijke leefgebieden en uiterwaarden met veel houtwallen en struweel. Daar worden als voortplantingswater visvrije, stilstaande wateren met een goed ontwikkelde onderwatervegetatie gebruikt. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de soort zijn bekend op een afstand van circa 1,4 km ten oosten van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De planlocatie betreft weilanden en een perenboomgaard. Op de planlocatie zelf zijn geen oppervlaktewateren aanwezig.
De sloot langs de oostrand van de planlocatie is vrij ondiep en niet visvrij, wat deze ongeschikt maakt als voortplantingswater voor de kamsalamander. Ook is op de planlocatie geen landhabitat zoals struweel, houtwallen of andere structuurelementen aanwezig. Gezien het bovenstaande is het voorkomen van de kamsalamander op de planlocatie uitgesloten. De rugstreeppad is een echte pionierssoort van kale zandvlakten met weinig vegetatie. Hier gebruikt de soort tijdelijke wateren met weinig tot geen vegetatie voor de voortplanting. Als verblijfplaats graaft de rugstreeppad zich in onder structuurelementen in een zandige bodem. De dichtstbijzijnde waarnemingen van de soort zijn bekend van de zandwinnings-terreinen, op een afstand van circa 1,2 km ten westen van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). De planlocatie bestaat uit een boomgaard en weilanden zonder oppervlaktewater. De aanwezige aardhoop bestaat uit kleigrond, en bied de rugstreeppad geen vergraafbare grond. In de huidige situatie is hier geen leefgebied voor de rugstreeppad aanwezig. Wel bestaat de kans dat gedurende de werkzaamheden geschikt leefgebied voor de soort ontstaat. Derhalve dienen maatregelen getroffen te worden om kolonisatie door de rugstreeppad gedurende de werkzaamheden te voorkomen (zie H4.3). Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen.
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2020-2025). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
12
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote modderkruiper (NDFF 2020-2025). De grote modderkruiper komt voor in ondiepe wateren met een dikke modderlaag en uitbundige groei van waterplanten. Voortplanting vindt plaats in de ondiepere, snel opwarmende delen met waterplanten of andere structuurelementen. Overwintering gebeurt in de diepere delen, ingegraven in de modder. De dichtstbijzijnde waarneming van de soort is beken op een afstand van circa 1,3 km ten zuidwesten van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Op de planlocatie zijn geen watergangen aanwezig en worden geen watergangen gedempt. De sloot ten zuidoosten van de planlocatie blijft onaangetast. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de grote modderkruiper uitgesloten. Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de grote vos (NDFF 2020-2025).
De grote vos is een zwervende dagvlinder van vochtige bossen en boomgaarden. Als waardplant worden met name iep, populier en zoete kers gebruikt, maar ook verschillende wilgensoorten zijn geschikt. De dichtstbijzijnde waarneming van de grote vos is bekend op een afstand van circa 1,6 km ten zuidoosten van de planlocatie (NDFF, 2020-2025). Op de planlocatie zijn geen waardplanten van de grote vos aanwezig. Ook is deze niet gelegen in een vochtig bos. Een deel van de perenbomen uit de boomgaard komt bovendien terug in de beoogde situatie. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de grote vos uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen, voor zover deze plantensoorten gedurende de winterperiode zichtbaar zijn. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, huismus, houtduif, kauw, koolmees, merel, pimpelmees en winterkoning.
Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2020-2025). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties De gierzwaluw en huismus zijn voor de nestlocaties afhankelijk van gebouwen. Op de planlocatie zijn geen gebouwen aanwezig, waardoor het wegnemen van nestlocaties van deze soorten op voorhand uitgesloten kan worden. De huismus is gedurende het veldbezoek wel waargenomen in de omgeving, en de planlocatie is dan ook mogelijk geschikt als foerageergebied voor de soort. In de beoogde ingreep komen huizen met tuinen en omliggende groenstructuren terug, welke eveneens foerageergebied voor de huismus zullen bieden. Het foerageergebied op de planlocatie bestaat enkel uit grasland en fruitbomen. Er zijn geen structuren zoals groenblijvende heggen of heesters in de nabije omgeving aanwezig. Dergelijke structuren zijn op de nabijgelegen erven wel veelvuldig aanwezig, en in de nabije omgeving is ruim voldoende foerageergebied voor de soort aanwezig. Derhalve is er geen sprake van essentieel foerageergebied voor de huismus op de planlocatie. Gezien het bovenstaande zijn negatieve effecten op de gierzwaluw en huismus uitgesloten.
13
Er is geen bebouwing aanwezig, waardoor de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in bebouwing uitgesloten kan worden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van nestlocaties en vaste rustplaatsen van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De verschillende groenstructuren op de planlocatie zijn wel geschikt als foerageergebied voor roofvogels. In de beoogde ingreep gaat echter maar een deel van de akker en boomgaard verloren, en komen tuinen en groenstructuren terug. Bovendien is er in de omgeving ruim voldoende foerageergebied aanwezig in de vorm van akkers, weilanden, boomgaarden en natuurgebiedjes welke als (tijdelijke) uitwijkmogelijkheid kunnen dienen. Derhalve zijn negatieve effecten op roofvogels en uilen uitgesloten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - vogels met jaarrond beschermde nesten als onvoldoende alternatieven voorhanden zijn. De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.
De verschillende groenstructuren vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van alle algemene soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en vogels met jaarrond beschermde nesten als onvoldoende alternatieven voorhanden zijn worden de sloopwerkzaamheden bij voorkeur opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Exoten Er geldt een Europees verbod op bezit, handel, kweek, transport en import van schadelijke exotische planten en dieren onder de Unielijst. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek en de bureaustudie (NDFF 2019-2024) geen soorten aangetroffen die vallen onder de Unielijst Exoten. Tevens zijn er geen exoten aangetroffen welke niet zijn opgenomen onder de Unielijst Exoten waar maatregelen of vervolgstappen voor geadviseerd worden.
3.2 Specifieke zorgplicht Soorten Binnen een straal van 100 m zijn geen waarnemingen bekend van Vrl art. 4.2 en bijlage 1-soorten, Rode Lijst-soorten, Hrl bijlage II, IV en V soorten en nationaal beschermde soorten (NDFF 2020-2025). Tijdens het veldbezoek is er onderzoek gedaan naar aanwijzingen van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit verricht wordt of in de directe omgeving van de locatie. Tijdens het veldbezoek zijn geen soorten aangetroffen welke vallen onder de Specifieke zorgplicht. Er is geen sprake van nadelige effecten op soorten van de Habitatrichtlijn en Rode Lijst ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Gezien het bovenstaande zijn er geen preventieve maatregelen benodigd.
14
3.3 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,3 km ligt het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (figuur 3.1).
Figuur 3.1 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,3 km tot het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ (bron: nationaal Georegister PDOK). De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 5 woningen en bijbehorend het verwijderen van een boomgaard en paardenweiden. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Gezien de relatief korte afstand (1,3 km) tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken’ en de grootte van de ontwikkeling, wordt geadviseerd om een stikstofonderzoek met de AERIUS Calculator uit te voeren. Kaderrichtlijn water De planlocatie ligt niet in een Kaderrichtlijn water-lichaam.
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,3 km liggen het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 6,8 km ligt Weidevogelgebied (geen kaartweergave). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 1,3 km van de planlocatie (geen kaartweergave). Op een afstand van circa 1,6 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur (geen kaartweergave). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
15
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,3 km tot het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl).
3.4 Houtopstanden Houtopstanden In de beoogde ingreep wordt een boomgaard van meer dan 1000m² verwijderd. Boomgaarden vallen echter onder vrijstelling c: ‘bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld’. De planlocatie valt buiten de aanwijzing voor beschermde houtopstanden en is geen oude bosgroeiplaats zoals aangewezen op de Omgevingsverordening van provincie Gelderland. Ten aanzien van de specifieke zorgplicht houtopstanden hoeven er geen maatregelen getroffen te worden. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
3.5 Natuurinclusiviteit Een robuuste natuur draagt bij aan een aangename en klimaatbestendige leefomgeving. Binnen de beoogde ontwikkeling is mogelijk ruimte om enkele maatregelen te treffen ten gunste van inheemse natuur: -
-
In de nieuwe bebouwing kunnen inbouwstenen voor broedvogels (gierzwaluw, huismus, huiszwaluw) of vleermuizen toegepast worden. In de groene erfafscheiding kunnen inheemse bomen en struweelvormers zoals brem, gewone vogelkers, hulst, hondsroos, meidoorn, sleedoorn, taxus, wilde kardinaalsmuts en wilde liguster gebruikt worden. In de groene erfafscheiding kunnen structuurelementen zoals takkenhopen, stenenstapels of specifieke marterhopen toegepast worden. De watergang langs de oostzijde kan voorzien worden van een natuurlijke oever door deze flauwer uit te graven en te voorzien van inheemse oeverplanten zoals gele lis, lisdodde en vele andere soorten. 16
4 Conclusie en vervolg 4.1
Conclusie In de beoogde realisatie van vijf woningen aan de Leegstraat e.o. te Winssen is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het kader van de Omgevingswet onderdeel natuur.
4.2 Effecten De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming en houtopstanden. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een stikstofonderzoek door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, rugstreeppad en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
4.3 Vervolgstappen Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan door een stikstofonderzoek uit te voeren middels de AERIUS Calculator.
4.4 Maatregelen Algemene zorgplicht Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht). Specifieke zorgplicht • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de te verlaten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli).
Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. • Voor rugstreeppad dient het terrein gedurende de ontwikkeling ongeschikt gehouden te worden (bijv. aanbrengen puinbed, voorkomen ontstaan puinhopen, egaliseren terrein e.d.) en/of ontoegankelijk gemaakt te worden voor de soort gedurende de bouwwerkzaamheden. Het ontoegankelijk maken dient bij voorkeur voor de migratie- en voortplantingsperiode plaats te 17
vinden. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden kunnen vervullen. Zie voor meer instructies bijlage 4.
18
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017-2024) Kennisdocument Bever (Castor fiber) (2017) Kennisdocument Das (Meles meles) (2017) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) (2024) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) (2017) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) (2023) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis) (2021) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) (2017) Kennisdocument Kleine marterachtigen (Bunzing – Hermelijn - Wezel) (2024) Kennisdocument Rugstreeppad (Epidalea calamita) (2017) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) (2024) Geraadpleegde websites atlas.bij12.nl bij12.nl gldanders.planoview.nl nationaalgeoregister.nl ndff.nl ravon.nl verspreidingsatlas.nl vleermuisprotocol.nl vlinderstichting.nl wetten.overheid.nl wilde-planten.nl zoogdiervereniging.nl Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4
Fotografische impressie Juridisch kader Vervolgstappen soortenbescherming Ecologie rugstreeppad
19
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Leegstraat e.o. te Winssen en bestaat uit weilanden en een perenboomgaard. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van 5 woningen.
Figuur 2
De watergang ten zuidoosten van de planlocatie.
20
Bijlage 2 Juridische kaders Zorgplicht De zorgplichten zijn in de omgevingswet opgedeeld in de algemene zorgplicht en de specifieke zorgplicht. Hierbij kan de specifieke zorgplicht verder opgedeeld worden in de Specifieke zorgplicht Natura 2000 (art. 11.6 Bal), Specifieke zorgplicht houtopstanden (art. 11.116 Bal) en Specifieke zorgplicht soorten (art 11.27 Bal). De Specifieke zorgplicht Natura 2000 en Specifieke zorgplicht houtopstanden worden bij de betreffende hoofdstukken beschreven. Algemene zorgplicht Voor iedereen geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht, waarin wordt voorgeschreven dat een ieder voldoende zorg draagt voor de fysieke leefomgeving (Ow art. 1.6). De Omgevingswet heeft als oogmerk bescherming en verbetering van het leefmilieu (Ow art. 1.3). Hiertoe worden de volgende onderdelen nagestreefd: het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften. Bij activiteiten met nadelige gevolgen moeten maatregelen genomen worden om die gevolgen te voorkomen, de gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, of de activiteit heroverwegen (Ow art. 1.7).
Specifieke zorgplicht soorten De Specifieke zorgplicht soorten heeft betrekking op het beschermen van specifieke planten- en diersoorten en is gericht op het behoud van biodiversiteit. Degene die een activiteit verricht is verplicht: 1. Alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. 2. Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. 3. Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Hiervoor moet er voorafgaand aan de te verrichten activiteit, worden nagegaan of er op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van de locatie aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van: -
-
“van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten, genoemd in bijlage I bij de vogelrichtlijn, en niet in de bijlage genoemde, geregeld in Nederland voorkomende trekvogelsoorten als bedoeld in artikel 4 tweede lid van die richtlijn. van nature in Nederland in het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlage II, IV en V bij de habitatrichtlijn; dieren of planten van soorten, genoemd in bijlage IX of in de rode lijsten, bedoeld in artikel 2.19, vierde lid, onder a, onder 4°, van de wet; en voor die soorten belangrijke leefgebieden of natuurlijke habitats;”
De aanwezigheid van de bovenstaande soorten wordt met behulp rapporten, naslagwerken en de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en tijdens veldbezoeken bepaald. In de NDFF wordt een zoekgebied met straal van circa 100 m aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Bij de aanwezigheid van een of meerdere soorten worden de mogelijk negatieve gevolgen van de beoogde realisatie beoordeeld. Hierbij wordt beoordeeld op de soorten en hun nest, voortplantingsplaats, rustplaats, eieren en standplaats. Mocht er aanwijzing zijn op nadelige gevolgen voor de soorten dan zijn er passende preventieve maatregelen benodigd om de nadelige gevolgen te voorkomen en dienen deze gemonitord te worden. Mochten er toch nadelige gevolgen optreden, dient
21
de activiteit gestaakt te worden of passende herstelmaatregelen getroffen worden als staken van de activiteit redelijkerwijs niet meer mogelijk is.
Flora- en fauna activiteit De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Bal art. 11.37), Habitatrichtlijnsoorten (Bal art. 11.46) en Andere soorten (Bal art. 11.54). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna activiteit te verrichten (Ow art. 5.1 lid 2). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Opzettelijk verstoren als bedoeld onder de Habitatrichtlijn wordt gedefinieerd als: “elke opzettelijke verstoring die van invloed kan zijn op de overlevingskansen, het voortplantingssucces of het voortplantingsvermogen van een beschermde soort, of die leidt tot een verkleining van het leefgebied of tot verplaatsing of verdringing van de soort”. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt de plicht tot een vergunning flora- en fauna activiteit conform de bepalingen in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (art. 8.74 lid j, lid k en lid l). Vogelrichtlijn (Bal art. 11.37) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn; b.
het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld onder a, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels; c. het rapen en onder zich hebben van eieren van vogels als bedoeld onder a; of d. het opzettelijk storen van vogels als bedoeld onder a. 2. Het verbod geldt niet, als: a. het verrichten van die activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de artikelen 9, eerste en tweede lid, en 13 van de vogelrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Het verbod op het opzettelijk storen van vogels, bedoeld in het eerste lid, onder d, geldt niet, als het storen niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de vogelsoort. Habitatrichtlijn (Bal art. 11.46) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a.
het in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onder a, bij de habitatrichtlijn, bijlage II bij het verdrag van Bern of bijlage I bij het verdrag van Bonn; b. het opzettelijk verstoren van dieren als bedoeld onder a; c. het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren als bedoeld onder a; d. het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld onder a; en e. het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b, bij de habitatrichtlijn of bijlage I bij het verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied. 2. Het verbod geldt niet als: a. het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan artikel 16, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of b. de activiteit uitvoering geeft aan:
22
1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder
b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. 3) Onder de soorten, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden niet begrepen de soorten, bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Andere soorten (Bal art. 11.54) 1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor: a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; b. het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren als bedoeld onder a; en c. het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B. 2. Het verbod geldt niet als: a. het gaat om het doden of vangen van de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis, of om het beschadigen of vernielen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden; b.
het verrichten van de activiteit op grond van een andere wet is toegestaan en is voldaan aan de eisen die zijn opgenomen artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving; of c. de activiteit deel uitmaakt van: 1) een instandhoudingsmaatregel als bedoeld in de artikelen 3, eerste lid en tweede lid, onder b, c en d, en 4, eerste lid, eerste zin, en tweede lid, van de vogelrichtlijn of artikel 6, eerste lid, van de habitatrichtlijn; of 2) een passende maatregel als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de habitatrichtlijn. Gedragscode Verschillende partijen hebben de mogelijkheid om gebruik te maken van een gedragscode. De gedragscode Stadswerk geldt voor soortenbescherming. Deze gedragscode kan ingezet worden voor zowel bestendig beheer & onderhoud als voor ruimtelijke ontwikkelingen. Voor het gebruik van de gedragscode is het noodzakelijk om inzichtelijk te hebben of beschermde soorten aan- of afwezig zijn en wat de gebiedsfuncties van het leefgebied zijn. Indien de beoogde activiteiten en gevolgen voor beschermde soorten binnen de reikwijdte van de gedragscode vallen, kan de gedragscode van toepassing worden verklaard op de activiteit en hoeft voor de activiteit niet een losse omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit te worden verkregen.
Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift. Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn.
23
Tabel 4.1
Vogelsoorten onder categorie 1: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 2: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, tenzij is aangetoond dat er voor de betreffende soort voldoende alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen.
Vogelsoorten onder categorie 1 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Nachtzwaluw Oeverzwaluw Patrijs Raaf Ruigpootuil Spreeuw Tapuit Torenvalk Tureluur Veldleeuwerik
Velduil Wulp Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 2 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Draaihals Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger
Groene Specht Grote bonte specht Grutto Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Kortsnavelboomkruiper Kwartel Middelste bonte specht
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Bal art. 11.54 kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten (Bkl 8.74l). Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Ow afdeling 1.3). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 4.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
24
Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij alle mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Bij de afwezigheid van significant negatieve effecten maar mogelijke kans op verslechtering moeten voor de Specifieke zorgplicht Natura 2000gebieden (art. 11.6 Bal) stappen voor de algemene bescherming ondernomen worden. De beoordeling van de Specifieke zorgplicht Natura 2000-gebieden zal derhalve in de voortoets beschreven worden. Kaderrichtlijn water Voor Kaderrichtlijn water (KRW)-waterlichamen zijn doelen vastgesteld voor een goede ecologischeen chemische toestand. Deze doelen zijn vastgesteld in het Besluit kwaliteit leefomgeving en het Nationaal Water Programma 2022-2027.
Activiteiten in of nabij KRW-waterlichamen mogen niet leiden tot (tijdelijke of permanente) negatieve effecten op deze doelen of verslechtering van de ecologischeof chemische kwaliteit. Indien niet op voorhand uitgesloten kan worden of een activiteit leidt tot verslechtering of negatieve effecten dient dit nader middels een KRW-toets beoordeeld te worden. In de Beleidsregel toetsingskader waterkwaliteit is uitgewerkt hoe deze toetsing in de rijkswateren precies plaatsvindt. Dit toetsingskader bevat een algemene toetsing van de effecten van een activiteit op de chemische en de ecologische toestand van relevante oppervlaktewaterlichamen. Uit deze KRWtoets zal blijken of de beoogde activiteit; i) niet leidt tot negatieve effecten, ii) niet leidt tot negatieve effecten en toegestaan is mits er maatregelen worden getroffen of iii) leidt tot negatieve effecten en niet is toegestaan. Voor een aantal activiteiten geldt een vrijstelling. Ecologische kwetsbare gebieden: • Meren: Wanneer de ingreep invloed heeft op het gebied van het waterlichaam liggend tussen 3.0 meter onder het zomerpeil en 0.5 meter boven het zomerpeil. Dijken en andere onnatuurlijke typen van beschoeiing/infrastructuur zijn daarbij uitgezonderd voor verdere toetsing.
• Rivieren: Wanneer de ingreep invloed heeft in het permanent of niet-permanente watervoerende gebied tussen de dijken, dat tenminste 50 dagen per jaar is geïnundeerd, ongeacht of het in verbinding staat met het zomerbed van de rivier. Daarmee zijn bebouwing en infrastructuur in beginsel uitgezonderd van verdere toetsing. Voor de Maaswaterlichamen en getijdenrivieren vindt (mogelijk) nadere specificatie plaats. • Kust- en overgangswateren: Wanneer de ingreep invloed heeft op het gebied buiten de vaargeulen. Uitgezonderd zijn nieuwe activiteiten in of op bestaande infrastructuurwerken, zoals dijken of dammen of wegen. Voor kunstmatige wateren die zijn getypeerd als overgangswater/meren (met name enkele kanalen en/of havengebieden) prevaleert onderstaande vuistregel. • Kanalen en/of havengebieden: Wanneer door een ingreep een verandering optreedt van het type oever, bijvoorbeeld wanneer een stortstenen oever wordt vervangen door een kade , of als de ingreep invloed heeft op aangelegde KRW-maatregelen of ondiepe gebieden. Nieuwe activiteiten met alleen effecten in diepe delen (>3m), zoals in vaargeulen en/of in of op kades zijn uitgezonderd van uitgebreide toetsing. Vrijstellingen (vergunningsvrije activiteiten): Van toepassing op alle wateren behalve de Noordzee (a - l): a.
Het voor een periode van ten hoogste zes maanden plaatsen en opslaan van bouwwerken, bouwborden, materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uitvoeren in, op, boven, over of onder een oppervlaktewaterlichaam of een bijbehorend kunstwerk. b. Evenementen die niet langer duren dan drie maanden.
25
c. Het plaatsen van een in- of uitstroomvoorziening, mits de in- of uitstroomsnelheid maximaal 0,15 m/sec bedraagt, het niet tot schade aan vissen kan leiden en geen belemmering vormt voor de vismigratie. d. Het plaatsen van een steiger, vlonder of aanmeervoorziening, inclusief de bijbehorende voorzieningen, voor zover deze gelegen zijn buiten de vaarweg en bestemd zijn voor nietbedrijfsmatig gebruik, dan wel naar aard en omvang vergelijkbaar overig gebruik. e. Het plaatsen van informatieborden, informatiezuilen, reclameborden, reclamezuilen, sport- en speeltoestellen, gedenktekens, kunstobjecten of in aard en omvang hiermee vergelijkbare objecten, waarvoor geen of een beperkte fundering vereist is. f. Terreinophogingen van minder dan 50 m3 per kadastraal perceel. g. Het plaatsen van visfuiken of visnetten, mits deze niet geplaatst worden in de onmiddellijke nabijheid van een vispassage of nevengeul. h. Het uitvoeren van onderhoud en vervanging van bestaande objecten door objecten van vergelijkbare aard en omvang en op dezelfde locatie. i. Het op het maaiveldniveau aanbrengen van verhardingen en recreatieve voorzieningen, niet zijnde een bouwwerk. j. Het plaatsen van kabels en leidingen mits: • Deze geen intrinsiek gevaarlijke stoffen transporteren.
• Deze niet parallel of als kruising in de veiligheidszone liggen van een primaire of secundaire waterkering, een kunstwerk of een vaarweg. • Deze niet aangelegd worden door een boring, waarbij lagen met verschillende stijghoogtes worden doorkruist. k. Onderzoeken die niet langer duren dan zes maanden. l. Andere activiteiten die vanwege de aard, beperkte omvang of korte duur naar het oordeel van de beheerder geen nadelige invloed hebben op het waterstaatkundige beheer. Onderdelen d, e en g zijn niet van toepassing op kanalen. Van toepassing op de Noordzee (m - q): m. Het in de periode van 1 april tot 1 oktober plaatsen van bouwborden en het opslaan van materiaal en materieel om een werk of onderhoud te kunnen uit voeren in, op, boven, over of onder de Noordzee. n. Evenementen die niet langer duren dan drie maanden. o. Het maken van zandbanketten op het strand ten behoeve van niet-permanente bebouwing mits deze maximaal NAP + 6 m hoog zijn en niet breder zijn dan 25 meter dwars op de kust gemeten boven op het banket vanaf het duinfront. p. Het oprichten en in stand houden van niet-permanente bebouwing in de periode van 1 april tot 1 oktober. q. Het verplaatsen van zand op het strand, anders dan bedoeld in onderdeel o, tot een hoeveelheid van maximaal 20 m3 per strekkende meter.