CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 6 bij toelichting 5 Verkennend archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 28 februari 2023, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel bestemmingsplan Kennedysingel - Notaris Stephanus Roesstraat Winssen12.112 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

'M*.* I

«TÃŗ W JU»*

Transect-rapport 3806 Winssen, Kennedysingel 84 - Notaris Stephanus Roesstraat 27 Gemeente Beuningen (GD)

•Mm

ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

ADVIES

Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase

«

Overijsselhaven 127 3433PH Nieuwegein

transect

T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl

Colofon Auteur

I. Korver rMA ä J. Rap MA

Versie

Versie 1.1

Projectnummer

21070106

Rapportnummer

Transect-rapport 2260

Datum Opdrachtgever

04-01-2022 Buro Waalburg Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Onderzoeksmelding

5148347100

Bevoegde overheid

Gemeente Beuningen

Status van de rapportage

Nog niet goedgekeurd

Beheer en plaats documentatie

Transect b.v., Nieuwegein

Omslagafbeelding

Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek. Fotograaf: C. Brühl (10-01-2022)

Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior KNA Prospector

Datum 18-02-2022

Paraaf

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK V ADVIES

Samenvatting In opdracht van Buro Waalbrug heeft Transect b.v. in januari 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Kennedysingel 84 - Notaris Stephanus Roesstraat 27 in Winssen (gemeente Beuningen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de beoogde bestemmingsplanwijziging om de realisatie van woningen mogelijk te maken. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom het plangebied. Om de gespecificeerde archeologische verwachting te toetsen, en waar mogelijk bij te stellen, is een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase uitgevoerd in het plangebied.

Conclusie ^

Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Naar verwachting ligt het plangebied in en langs een geul van een oude meandergordel van de Waal, die actief is geweest tot 500 n. Chr. Ná het inactief worden van de meandergordel zou het plangebied bewoonbaar kunnen zijn geweest. Langs de geul is een weg aangelegd en werd erlangs gewoond in de Nieuwe tijd. Op basis van historische kaarten bestaat in elk geval de verwachting dat nog resten van funderingen uit de late 18e of vroege 19e eeuw aan te treffen zijn in het plangebied, maar mogelijk zijn ook oudere resten van bewoning en terreininrichting aan te treffen. Deze resten kunnen aanwezig zijn in zowel oeverafzettingen van de Waal als in historische ophooglagen.

^

Uit het veldonderzoek is gebleken dat sprake is van zowel historische ophooglagen als intacte oeverafzettingen. Tot een diepte van 40-50 cm -Mv is sprake van de moderne bouwvoor in de top van ophooglagen. Deze ophooglagen zijn historisch van aard, gezien de aanwezigheid van stukken puin uit de 18e en 19e eeuw. Deze ophooglagen zijn aangetroffen tot een diepte van 100­ 130 cm -Mv (7,5-7,8 m +NAP) en kunnen resten bevatten uit de periode Late Middeleeuwen Nieuwe tijd. Daarnaast zijn vanaf de onderzijde van deze ophooglagen intacte oeverafzettingen aangetroffen waarin sprake kan zijn van archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. Gezien de intactheid van deze afzettingen is sprake van een hoge verwachting. Deze oeverafzettingen zijn aanwezig tot een diepte van 180-275 cm -Mv (6,1-7,1 m +NAP).

Advies In het plangebied bestaat het voornemen de bestaande bebouwing te slopen en nieuwe woningen te realiseren. Bij de voorgenomen grondroerende werkzaamheden kan het archeologisch relevante niveau en de eventueel hierin aanwezige resten verstoord raken. Daarom adviseren wij om na afloop van de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing een aanvullend karterend en waarderend onderzoek uit te voeren in het plangebied (circa 2850 m2). Dit onderzoek kan gezien de verwachte aanwezigheid van zowel funderingsresten als archeologische grondsporen waarschijnlijk het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd conform een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), waarin de onderzoeksmethodiek en de omgang met eventuele resten beschreven wordt. Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Beuningen) een besluit over de daadwerkelijke omgang met eventuele archeologische waarden binnen het plangebied.

Inhoud 1.

Aanleiding..............................................................................................................................................6

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek.....................................................................7

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied............................................................................8

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik...................................................................10

5.

Beleidskader....................................................................................................................................... 11

6.

Landschap, geomorfologie en bodem........................................................................................... 12

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden............................................................... 15

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen .................................................... 18

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting..............................................................................24

10.

Resultaten veldonderzoek.............................................................................................................. 27

11.

Beantwoording onderzoeksvragen .............................................................................................. 29

12.

Conclusie en advies...........................................................................................................................30

13.

Geraadpleegde bronnen ................................................................................................................ 31

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland................

34

Bijlage 2.

Archeologische beleidskaart, gemeente Beuningen............

35

Bijlage 3.

Paleo-geografische kaart, gemeente Beuningen..................

37

Bijlage 4.

Archeologische verwachtingenkaart, gemeente Beuningen

39

Bijlage 5.

Stroomgordels.............................................................................

41

Bijlage 6.

Geomorfologie............................................................................

42

Bijlage 7.

Maaiveldhoogte..........................................................................

43

Bijlage 8.

Maaiveldhoogte, detail..............................................................

44

Bijlage 9.

Bodem...........................................................................................

45

Bijlage 10. Archeologische waarden en onderzoeken.............................

46

Bijlage 11.

Boorpuntenkaart.........................................................................

47

Bijlage 12.

Foto's van boringen....................................................................

48

Bijlage 13.

Boorbeschrijvingen.....................................................................

49

1.

Aanleiding

In opdracht van Buro Waalbrug heeft Transect b.v. 1 in januari 2022 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Kennedysingel 84 - Notaris Stephanus Roesstraat 27 in Winssen (gemeente Beuningen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de beoogde bestemmingsplanwijziging om de realisatie van woningen mogelijk te maken. Volgens het vigerende bestemmingsplan 'Kern Winssen' uit 2013 geldt voor het plangebied een Waarde - Archeologie 2. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 2650 m2) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Korver, 2022).

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm 'BRL SIKB 4000', versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: 'KNA Protocol 4001 Programma van Eisen', 'KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven' en 'Protocol 4004 Opgraven', en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

transect

6

2.

Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek

Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Aan de hand van beschikbare informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik binnen en rondom de plangebieden, wordt de kans bepaald dat binnen de plangebieden archeologische resten liggen. Hiertoe is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) en bekende onderzoeken en vondsten zijn opgenomen. n. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit historische kaarten. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbare geologisch-geomorfologische kaarten geraadpleegd. Deze informatie is aangevuld met relevante informatie uit relevante achtergrondliteratuur. Daarnaast is informatie aangevraagd bij stichting “Historisch Besef Beuningen" (05-01-2022) en de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (11-1-2022). De stichting had alleen geen informatie over het plangebied.

Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied. Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). De toegepaste methodiek in het veld wordt beschreven bij de beschrijving van de veldresultaten (Hoofdstuk 10). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie in de loop van de tekst en puntsgewijs in hoofdstuk 11, antwoord te geven op de volgende vragen: ^

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen?

^

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze?

^

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend

^

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te

substraat)? differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in de plangebieden worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de - verwachte - aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

transect

7

3.

Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied

Plaats

Winssen

Toponiem

Kennedysingel 84 - Notaris Stephanus Roesstraat 27

Gemeente

Beuningen

Provincie

Gelderland

Kaartblad

39H

Perceelnummers

WSN02, sectie B, nummers 158, 2487, 2706

Centrumcoördinaat

177.276 Z 432.414

Oppervlakte

Circa 2650 m2

Binnen het archeologisch onderzoek is onderscheid gemaakt tussen het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen de bodemingrepen worden uitgevoerd. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied in een straal van circa 500 m. Dit onderzoeksgebied wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de landschappelijke, archeologische en (cultuur)historische situatie in het plangebied. Het plangebied bevindt zich aan de Kennedysingel 84 - Notaris Stephanus Roesstraat 27 in Winssen (gemeente Beuningen). De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1. Het omvat een gebied van 2650 m2 waarbinnen in de toekomst veertien nieuwe woningen worden gerealiseerd. Kadastraal gezien behoort het plangebied tot perceel WSN02, sectie B, nummers 158, 2487, 2706. In het oosten grenst het plangebied aan de Notaris Stephanus Roesstraat, in het noorden grenst het plangebied aan de Kennedysingel, de overige grenzen worden gevormd door de perceelsgrenzen van de aangrenzende kavels. Ten tijde van het onderzoek is het plangebied bebouwd met een kantoor (680 m2) en de rest van het gebied is of verhard met parkeervakken of in gebruik als grasveld.

transect

8

177000

177500

(SSTOtrSiafo*

ļ İL® *a@fW

LSŬ. ^ .„..iV'-'v-i.

‘

f’H'ÿĵţì.

Winssen Hòçge

«j? Ìm-»»«V“A

.~C; ft*—*m«ļ

KARMíW

I ľMsm*wţŭ|

177000

177500

Legenda plangebied

200 m •Winssen

transect

Figuur 1. Ligging van de plangebieden op een topografische kaart. Bron topografische kaart: PDOK.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

9

4.

Planvorming en consequenties toekomstig gebruik

Kader

Wijziging bestemmingsplan

Oppervlakte verstoringen

2650 m2

Planvorming

Nieuwbouw: 14 woningen

Omvang verstoringen

Sloop bestaand kantoorgebouw; bouw nieuwbouwwoningen en huisaansluitingen.

Bodemverstorende werkzaamheden

Graaf- en bouwwerkzaamheden

Verstoringsdiepte

Nog onbekend; waarschijnlijk 50 - 130 cm -Mv

De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door een beoogde bestemmingsplanwijziging die de realisatie van woningen mogelijk moet maken. Er zijn nog geen concrete bouwtekeningen beschikbaar, waaraan de omvang en diepte van de verstoring ten behoeve van de nieuwbouw kan worden vastgesteld. Wel is bekend dat er maximaal veertien huizen gerealiseerd worden in verschillende categorieën. De bouw en de aanleg van de funderingen en huisaansluitingen zal leiden tot bodemverstoringen, die een aantasting van eventuele archeologische waarden in het gebied tot gevolg kunnen hebben. Om onevenredige aantasting van deze waarden te voorkomen, wordt in het kader van de wijziging van het bestemmingsplan op deze locatie een archeologisch onderzoek uitgevoerd om zowel de waarden in het gebied juridisch-planologisch te beschermen als de herontwikkeling van het gebied mogelijk te maken. De werkzaamheden zullen geen invloed hebben op het grondwaterpeil, aangezien het gebied al grotendeels verhard is. De woningen zijn bestemd voor privégebruik.

transect

10

5.

Beleidskader

Onderzoekskader

Bestemmingsplanwijziging

Beleidskader

Bestemmingsplan Kern Winssen (2013)

Onderzoeksgrenzen

> 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv

In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Met ingang van juli 2016 is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die naar verwachting in 2022 of 2023 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Beuningen inzake het plangebied staat verwoord in het bestemmingsplan “Kern Winssen, 2013" en is gebaseerd op de archeologische beleidskaart van de gemeente Beuningen. De ligging van het plangebied op deze kaart is weergegeven in bijlage 2. Op deze kaart is per zone vastgelegd welke archeologische beleid binnen een gebied geldt.

Het plangebied ligt in een zone waarbij vrijstellingsgrenzen voor archeologisch onderzoek zijn gesteld voor bodemingrepen: Waarde - Archeologie - 2, bebouwde kom ^ 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv) Een plangebied met bodemingrepen die de gestelde grenzen overschrijden zal moeten worden onderzocht om de waarde van eventuele archeologische waarden vast te stellen. Omdat de voorgenomen ingrepen de voorgeschreven grenzen voor dit gebied overschrijdt, geldt voor het wijzigen van het huidige bestemmingsplan en de aanvraag van een omgevingsvergunning een archeologische onderzoeksplicht.

transect

11

Landschap, geomorfologie en bodem

6.

Archeo-regio

Midden-Nederlandse rivierengebied, stroomgebied van de Maas en de Rijn

Geomorfologie

Stroomrug; crevasserug

Maaiveldhoogte

8,4 m - 8,9 m +NAP

Bodem

Kalkhoudende ooivaaggrond

Grondwatertrap

VI

Landschap Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Maas en de Rijn (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, 50000 tot 15000 jaar geleden) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd (“vlechtend") patroon verspreid lagen. In deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheije (De Mulder e.a., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Op basis van een geologische boring, gezet op 425 m ten noordwesten van het plangebied, bevinden deze afzettingen in het plangebied zich op een diepte van circa 2,6 m -Mv (5,2 m +NAP; bron: www.dinoloket.nl, boring B39H2093; 176.969, 432.811 (RD)). Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte werd afgezet. Hierdoor konden op grote schaal rivierduinen ontstaan (Berendsen en Stouthamer, 2001). Vanaf 15000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen onder invloed van een warmer wordend klimaat.

In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het B0lling- en Aller0d-interstadiaal, 15900 tot 15000 v. Chr. en 14800 tot 13400 v. Chr.). Gedurende deze periodes nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te meanderen en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd “Hochflutlehm" afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf 9700 v. Chr., in het Holoceen, zette de warmere klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door deze stabilisatie traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei, die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden.

Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting van zand plaats (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen en Stouthamer, 2001). De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Berendsen en Stouthamer (2001) vermoeden dat de terrassenkruising rond 4000 v. Chr. in de omgeving van Winssen heeft gelegen. Daarna raakten de

transect

12

Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon veenvorming optreden op de plekken die verder verwijderd van de rivier lagen. Uiteindelijk raakte het volledige laat-pleistocene dal opgevuld met holoceen sediment en konden rivieren buiten het oude rivierdal treden (de Formatie van Echteld).

Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van het rivierengebied van Cohen e.a. (2012) bevindt ten noorden van het plangebied zich de nog steeds watervoerende Waal. Deze rivier kent zijn oorsprong vanaf circa 200 v.Chr. en heeft actief sedimenten afgezet totdat deze bedijkt werd in de 11e en 12e eeuw. Ten oosten van het plangebied heeft tussen 210 v. Chr - 500 na Chr. een meandergordel van de Waal gestroomd (Cohen e.a., 2012; bijlage 5). Naar verwachting bevindt het plangebied zich op de oevers van deze rivier. Volgens de paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen zijn er in het plangebied komafzettingen aanwezig, die zijn afgedekt door oeverafzettingen van de Waal (bijlage 3). Op de geomorfologische kaart valt het plangebied in twee verschillende geomorfologische zones (bijlage 6). In de zuidelijke helft bevindt zich een stroomrug of stroomgordel (kaartcode 10B44), en in de noordelijke helft een crevasserug (kaartcode 10B47). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN; bijlage 7) is te zien dat de maaiveldhoogte binnen het plangebied 8,4 - 8,9 m +NAP is. De bebouwing langs de Notaris Stephanus Roesstraat is hoger gelegen dan de bebouwing ten westen ervan. Dit is ook het geval langs de Ingenieur van Stuivenbergweg. De maaiveldhoogte buiten het bebouwde gebied is lager gelegen op circa 7,6 m +NAP en loopt af richting het zuiden.

De maaiveldhoogte in het plangebied zelf loopt af naar van het zuidoosten naar het noordwesten van 8,9 naar 8,4 m +NAP (bijlage 8).

Lithologie en geologie Op basis van een boring die is gezet op 20 m ten oosten van het plangebied kan worden vastgesteld dat de ondergrond in de omgeving bestaat uit een pakket sterk zandige klei met dunne lagen sterk siltig zand tot 5,0 m -Mv (3,30 m +NAP; bron: www.dinoloket.nl, boring B39H2105; 177.277, 432.387 (RD)). De klei- en zandlagen zijn onderdeel van de Formatie van Echteld en betreft holocene rivierafzettingen. Hieronder bevindt zich naar verwachting zand als onderdeel van de terrasafzettingen van de Formatie van Kreftenheye (bron: www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen).

Bodem Op basis van de bodemkaart zijn in het plangebied kalkhoudende ooivaaggronden te verwachten (kaartcode Rd10A; bijlage 9). Ooivaaggronden ontstaan voornamelijk in rivierkleigronden. Ze zijn te herkennen aan een weinig donker gekleurde bovengrond met tot een aanzienlijke diepte een homogene kleur bruin of grijsbruin. Grijze vlekken komen pas beneden de 50 cm diepte voor. Daarnaast is de ondergrond niet slap. Door hoge biologische activiteit voor langdurige tijd is de homogenisatie van de bodem ontstaan. Dit betekent dat er geen wateroverlast is geweest en dat er geen regelmatige verstoringen hebben plaatsgevonden in de bodem (De Bakker, 1966).

Grondwatertrap De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem. Informatie hieromtrent is vanuit archeologische optiek met name relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele archeologische resten in het plangebied. In het plangebied is een grondwatertrap VI gekarteerd. Een grondwatertrap VI duidt over het algemeen op droge gronden waarbij de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich tussen de 40 en 80 cm -Mv bevindt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) onder de 120 cm -Mv aangetroffen wordt. Dit betekent dat eventuele (onverbrande) organische, archeologische resten niet bewaard zullen zijn gebleven

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

13

binnen de 120 cm -Mv. Onder de 40 cm -Mv zullen ze waarschijnlijk (geheel) gedegradeerd zijn door een schommelende waterstand. Anorganische resten kunnen daarentegen wel goed bewaard zijn gebleven.

transect

14

7.

Archeologische verwachtingen en bekende waarden

Wettelijk beschermde monumenten

Nee

AMK-terreinen (binnen 500 m)

Ja

Verwachting gemeentelijke kaart

Hoog (historische huislocatie)

Archeologische waarden (binnen 500 m)

Ja

Archeologische verwachtingen Op de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Beuningen ligt het plangebied in een zone waar een hoge archeologische verwachting geldt. Dit is gebaseerd op de ligging van het plangebied ter plaatse van een 'historische huislocatie'. Ook ligt het plangebied op de rand van een restgeul naar een rivieroeverwal, waarbij ook een hoge verwachting is voor watergerelateerde resten (Heunks en Van Hemmen, Gemeente Beuningen, 2007). Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status (AMK; bijlage 10).

Bekende archeologische waarden Binnen het plangebied heeft niet eerder archeologische onderzoek plaatsgevonden en zijn er geen vondstmeldingen gedaan. In de omgeving van het plangebied is wel een aantal vondstmeldingen gedaan en zijn er archeologische onderzoeken uitgevoerd. De archeologische gegevens worden hieronder besproken aan de hand van gegevens uit DANS-Easy en Archis. AMK-terrein 4605: Kasteel Poelhof De resten van dit kasteel bevinden zich op een afstand van circa 480 m ten zuiden van het plangebied. Het kasteel is hier gebouwd op een oude woongrond, die is aangetroffen bij veldkarteringen in 1948. Onbekend is of er nog funderingen van het kasteel in de ondergrond aanwezig zijn. Het kasteel staat ook wel bekend als “Het Spijker" of het “Huis te Winssen". De oude Heerlijkheid Winssen wordt reeds in historische bronnen genoemd in 1130 (bron: www.verhaaltussenmaasenwaal.nl2). Onderzoeken ^

15 m ten oosten van het plangebied, aan de Notaris Stephanus Roesstraat 16, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. In dit gebied is in het westen een geul tot minimaal 5,0 m -Mv (3,40 m +NAP) aangetroffen. In het oosten zijn beddingafzettingen onder een verstoringspakket van 110 cm dik aanwezig (7,50 m +NAP). Er zijn geen (intacte) archeologische lagen aanwezig (Lepage en Melman, 2019; onderzoeksmelding 4714535100).

^

125 m ten oosten van het plangebied, aan de Ingenieur van Stuivenbergweg, heeft een verkennend booronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2440273100). De ondergrond bestaat uit oeverafzettingen op beddingafzettingen. De top van de beddingafzettingen van de Waal ligt op circa 220 cm -Mv. In het midden en in het noorden ligt op de oeverafzettingen een omgewerkte en opgehoogde laag van 70 tot 120 cm dik. In het zuiden is de oorspronkelijke bodemopbouw verstoord tot minimaal 150 cm diep. (Hanemaaijer en Eimermann, 2014).

^

150 m ten zuidwesten van het plangebied heeft aan de Karmijn een verkennend booronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2099459100 en 2359006100). In het gebied bestaat de bodemopbouw uit oever- op komafzettingen. Op een diepte van 5.50-6.0 m +NAP is grof zand

2 Bron: https://www.verhaaltussenmaasenwaal.nl/stories/huis-te-winssen/.

transect

15

aangetroffen wat duidt op stroomrugafzettingen. In een aantal boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen (o.a. houtskool, puin, mortel en aardewerkscherven). Op basis van de vondsten is de verwachting dat er mogelijk archeologische waarden in het gebied aanwezig zijn uit de IJzertijd - Romeinse tijd tussen 110 cm en 150 cm -Mv (6,50 - 7,20 m +NAP). Ter hoogte van de boringen met archeologische indicatoren is een aanvullend booronderzoek uitgevoerd. In twee extra boringen werden ook archeologische indicatoren aangetroffen (Ras en Van Wilgen, 2006). ^

285 m ten westen heeft eveneens archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2228775100). Het onderzoeksrapport is niet openbaar raadpleegbaar, maar er wordt melding gemaakt dat in de boringen ijzerslak uit de Romeinse Tijd en aardewerkfragmenten uit de Vroege Middeleeuwen - Nieuwe Tijd zijn gevonden (Nillesen e.a., 2010). Er heeft tevens een proefsleuvenonderzoek in het plangebied plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2264009100). Er zijn enkele sporen en vondsten gedaan uit de Volle Middeleeuwen, die niet wijzen op een nederzettingsterrein maar in het context staan van een actief landbouw gebruik (Loopik en Claeys, 2010).

^

425 m ten zuiden van het plangebied aan de Plakstraat 5a is een opgraving uitgevoerd na de vondst van een oude woongrond bij een booronderzoek (onderzoeksmelding 2235051100 en 2231933100). De ondergrond is relatief hoger gelegen en bestaat uit oeverafzettingen van de Winssense stroomgordel. Op deze afzettingen bevindt zich de antropogene laag. Het gebied blijkt gebruikt als afvallocatie in de 10e - 12e eeuw. In een aantal afvalkuilen zijn aanwijzingen aangetroffen voor ijzer- en steenbewerking maar voornamelijk is eetafval aangetroffen. Het gebied ligt 50 m naast de locatie van kasteel Poelhof, en de vondsten kunnen gerelateerd worden aan de bewoning vóór de stichting van het kasteel (Corver, 2009).

^

475 m ten noordwesten van het plangebied, aan de Hendrik de Haardtstraat, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Bij dit onderzoek is vastgesteld dat er komafzettingen onder oeverafzettingen aanwezig zijn. In de basis van de oeverafzettingen zijn fosfaatvlekken waargenomen en kleine fragmenten metaalslak en baksteenspikkels. Dit wijst mogelijk op de aanwezigheid van een vindplaats in de oeverafzettingen. Deze vondsten zijn gedaan op circa 140 cm -Mv (6,10 m +NAP; Stiekema, 2006; onderzoeksmelding 2118355100).

^

350 m ten westen van het plangebied is in het kader van het uitgaven van waterbergingen een archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd. De ondergrond bestaat uit komafzettingen, waarin zich twee vegetatieniveaus hebben gevormd. In deze niveaus (op circa 92 172 Z circa 5,99 m +NAP en 59 - 113 cm -Mv Z circa 6,7 m +NAP) zijn archeologische vondsten uit de periode Bronstijd en Romeinse tijd aangetroffen. Deze worden afgedekt door oeverafzettingen en crevasseafzettingen. Ook is er een crevassegeul aanwezig die zich in de oeverafzettingen insnijdt. Archeologische resten uit de periode Vroege Middeleeuwen bevinden zich direct onder de moderne bouwvoor (circa 30 cm -Mv). De vindplaatsen uit de periode Bronstijd en Romeinse tijd zijn als niet behoudenswaardig benoemd (Hendriksen, 2019; onderzoeksmelding 4720115100). De vindplaats uit de Vroege Middeleeuwen is wel behoudenswaardig en deze is voorafgaand aan de werkzaamheden opgegraven (Hendriksen, 2019).

^

250 m ten zuiden van het plangebied is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van de aanleg van een nieuwe rotonde. Het onderzoek wees uit dat het plangebied op de Winssen stroomrug (6430 - 5105 BP; verwachte diepte: 2,0-3,0 m -Mv) lag en afgaande op de datering hiervan konden er vindplaatsen vanaf het Neolithicum verwacht worden. De focus ligt echter op de IJzertijd - Late Middeleeuwen. Er werden nederzettingsterreinen en/of bijbehorend begravingen/grafvelden verwacht, evenals de resten van een Romeinse weg (Vossen en Tolsma, 2009; onderzoeksmelding 2262146100).

^

270 m ten noordwesten van het plangebied heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden aan de kruising Leeghstraat - Kerkpad, bestaande uit boringen en proefsleuven. In dit gebied zijn twee vindplaatsen aanwezig; één uit de Romeinse Tijd en één uit de Volle Middeleeuwen. Deze

t

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

16

bevinden zich in de top van de crevasseafzettingen en worden gekenmerkt door sporen vondstmateriaal als keramiek (o.a. Terra Nigra-achtig en Pingsdorf) en dierlijk botmateriaal. Uit het booronderzoek was gebleken dat hier twee vegetatieniveaus in de ondergrond aanwezig zijn, maar door de grote hoeveelheid sporen heeft men het tweede niveau (de komafzettingen) maar op een beperkt gebied kunnen bereiken. Als archeologische indicator is hier houtskool aangetroffen (Melman, 2021a, onderzoeksmelding 5093915100; Eerste bevindingen, onderzoeksmelding 5120052100). ^

330 m ten noordwesten van het plangebied heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden aand de Jan Libottéstraat 8, bestaande uit boringen en proefsleuven. In het plangebied gold een hoge archeologische verwachting voor de IJzertijd - Late Middeleeuwen, en een middelhoge verwachting voor het Laat Paleolithicum - Bronstijd. In het plangebied bleken uit de boringen twee vegetatiehorizonten aanwezig te zijn in de bodem: de top van komafzettting (6,5 - 6,6 m +NAP), de top van de crevasseafzettingen (7,7 - 7,8 m +NAP) (Melman, 2021b; onderzoeksmelding 5093542100). Het proefsleuvenonderzoek wees uit dat er drie vegetatiehorizonten aanwezig zijn, die allen (op enkele zeer sporadische vondsten na) geen archeologische resten bevatten. In het plangebied is dan ook geen sprake van een vindplaats. Twee vegetatiehorizonten bevonden zich in de crevasseafzettingen, en één vegetatiehorizont bevindt zich in de top van de kom afzettingen (Eerste bevindingen; onderzoeksmelding 5118669100).

Vondsten ^

180 m ten noordoosten van het plangebied zijn met een metaaldetector (niet-archeologisch) twee speelpenningen uit Neurenberg uit de Midden Nieuwe Tijd gevonden (vondstmelding 2907255100).

^

Bij niet-archeologisch graafwerk is een boomstamput uit de Middeleeuwen aangetroffen, 400 m ten noordwesten (vondstmelding 3101281100). Over de vondstomstandigheden of een context is geen informatie beschikbaar.

^

450 m ten noordoosten van het langbied is een archeologische boring uitgevoerd op basis van een mogelijk ligging van een kapel uit de Middeleeuwen. Op 40 cm - Mv is een puinlaag aangetroffen, die mogelijk een restant van een fundering zou kunnen zijn (vondstmelding 3047222100).

^

140 m ten westen van het plangebied is een vondstmelding geregistreerd van fragmenten kogelpot

^

460 m ten noorden van het plangebied zijn twee vondstmeldingen bekend. Het betreft een oude

en handgevormd aardewerk uit de 13e - 14e eeuw (vondstmelding 2724770100). woongrond uit de Middeleeuwen. Aan het maaiveld zijn scherven uit de Vroege en Late Middeleeuwen opgeraapt. Ook is er een duidelijke verhoging aan het maaiveld zichtbaar, dat erop wijst dat er een oude woongrond op de stroomrug aanwezig is (vondstmelding 2814275100 en 3108726100). Samengevat valt uit de verschillende onderzoeken en vondstmeldingen in de omgeving van het plangebied af te leiden dat de ondergrond in het plangebied bestaat uit oeverafzettingen op beddingof komafzettingen. Het is niet duidelijk of ter hoogte van het plangebied kom- of beddingafzettingen aanwezig zijn. Vondsten gedaan in de omgeving van het plangebied wijzen op een gebruik van de oeverwal vanaf de IJzertijd tot in de Nieuwe Tijd.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

17

8.

Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen

Historische bebouwing

Ja, vanaf begin 19e, mogelijk voorgangers uit Late Middeleeuwen

Historisch gebruik

Boerderij(en) met erf, tuin en boomgaard

Huidig gebruik

Bedrijfsterrein

Bekende verstoringen

Bouw- en sloopwerkzaamheden (meerdere fasen)

Historische situatie De cultuurhistorische waarden in het plangebied zijn door verschillende elementen beïnvloed. Dit heeft gevolgen voor de verwachting voor de periodes Middeleeuwen - Nieuwe Tijd in het plangebied. Het plangebied ligt in de dorpskern van Winssen die in de 13e eeuw werd gesticht (Van Berkel en Samplonius, 2006). De dorpskern ligt vrij dicht tegen de Waaldijk aan. Dit is het gevolg van een dijkdoorbraak in de Late Middeleeuwen waarbij het noordelijke deel van het oorspronkelijke dorp verwoest is geweest en de dijk later langs de dorpskern is aangelegd (Schulte, 1982). Hierdoor is de dorpsstructuur in de Late Middeleeuwen verlegd naar het zuiden. 520 m ten zuiden van het plangebied heeft sinds de stichting in de 14e eeuw tot de afbraak in de 19e eeuw een kasteel gestaan, het Huis te Winssen/kasteel Poelhof (Schulte, 1982). Verder is op de archeologische verwachtingenkaart van de gemeente Beuningen te zien dat langs in het plangebied, een geul heeft gestroomd met een (Romeinse) weg er langs (bijlage 4). Deze geul is een restant van het voormalig natuurlijke afwateringssysteem en vermoedelijk ontstaan nadat de oeverwal van de Waal in het plangebied is gevormd (rond 200 v. Chr.).

Langs de geul is een weg aanwezig, waar na het dichtslibben van de geul bewoning is ontstaan, in ieder geval in de Nieuwe Tijd, te zien aan de Kadastrale Minuutplan uit 1811- 1832 (figuur 3). Het plangebied is zelf bebouwd en behoort volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafel tot de percelen 615 en 616, twee huizen met een erf en percelen 612 (tuin) en 619 (boomgaard) (bron: http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Percelen 612 en 615 behoorden tot de zelfde eigenaar: dhr. Hendrik Doorn, terwijl 616 en 619 tot de R.C. Pastorij Winssen behoorden. Het plangebied blijft gedeeltelijk bebouwd, alhoewel de locatie van de woningen verandert van tijd tot tijd. De eerste verandering treedt op in 1920. Toen was het gebouw van de pastorij voor het laatst te zien op de historische kaart. Het werd gesloopt en er worden nieuwe woningen werden gebouwd, die zich nu op de rand van het plangebied bevinden. (www.bagviewer.kadaster.nl; figuren 5 en 6). De huidige bebouwing binnen het plangebied is gebouwd in 1974-1975 (www.bagviewer.kadaster.nl), wat bevestigd wordt door de historische kaarten (figuren 6 en 7). Hierop is te zien hoe de aparte bebouwing, huis en erf die nog te zien is in 1962, is samengevoegd tot één gebouw in 1980.

Militair Erfgoed Volgens de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) heeft het plangebied geen bijzondere betekenis of rol gespeeld in het militair verleden. Ook andere bronnen geven geen indicatie dat dit gebied militair erfgoed uit de Tweede Wereldoorlog (www.tracesofwar.nl; www.bunkerinfo.nl; www.vergeltungswaffen.nl;www.library.wur.nl). Volgens de VEO Bommenkaart is er ook geen onderzoek gedaan naar explosieven in Winssen (www.explosievenopsporing.nl). Op de Kaart van Verdedigingswerken staat geen aanduiding voor de aanwezigheid van militair erfgoed van vóór de Tweede Wereldoorlog in het plangebied.

transect

18

Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied is tegenwoordig in gebruik als bedrijfsterrein en zodoende bebouwd met een kantoorpand (680 m2). De sloop van de oude bebouwing en de aanleg van het nieuwe pand zal een verstoring van de bodem met zich mee hebben gebracht. Voor het tegenwoordige pand zijn de bouwtekeningen opgevraagd bij het ODRN (11-01-2022). Hieruit blijkt dat het gebouw gefundeerd is op poeren, waarvan de gevelpoeren per stuk een oppervlakte beslaan van 1,2 bij 1,2 m en de middenpoeren per stuk een oppervlakte van 1,5 bij 1,5 m. Ze zijn aangebracht op circa 70 cm -Mv. Het precieze poerenplan is echter niet bekend, waardoor de totale oppervlakte van deze verstoring onbekend blijft. De rest van het plangebied is in gebruik als tuin/grasveld en parkeerplek. Aan de hand van een KLIC-melding zijn in het plangebied meerdere kabels en/of leidingen aanwezig waarvan de aanleg ervan de bodem mogelijk heeft aangetast. Op www.bodemloket.nl zijn geen gegevens bekend over uitgevoerde milieuonderzoeken in het plangebied. Het is daarom onwaarschijnlijk dat reeds een aantasting van het bodemarchief heeft plaatsgevonden door saneringsactiviteiten. Er bestaat de verwachting dat in de ondergrond van het plangebied (sloop)puin aanwezig zal zijn van de pastorij en de boerderij die hier in de loop van de 20e eeuw zijn gesloopt.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

19

177250

Eį \ ŵ

250 m 177250

Figuur 2. Het plangebied (rood omlijnd) op het kadastrale minuutplan uit 1811-1832. Bron: RCE

177250

177250

Figuur 3. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1850. Bron: topotijdreis.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

20

177250

Figuur 4. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1880. Bron: topotijdreis.

177250

177250

Figuur 5. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1920. Bron: topotijdreis.nl.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

21

177250

\v in 177250

Figuur 6. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1962. Bron: topotijdreis.nl.

177250

177250

Figuur 7. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 1980. Bron: topotijdreis.nl

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

22

177250

bihb *

4

177250

Figuur 8. Het plangebied (rood omlijnd) op een topografische kaart uit 2010. Bron: topotijdreis.nl.

177200

177250

177200

177250

Figuur 9. Het plangebied (rood omlijnd) op een recente luchtfoto. Bron: PDOK.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

23

9.

Gespecificeerde archeologische verwachting

Kans op archeologische waarden

Complextypen

Hoog

Ijzertijd - Nieuwe Tijd

Middelhoog

Laat Paleolithicum - Bronstijd

Kampementen, nederzettingen, sporen van landgebruik, grafvelden

Diepteligging Stratigrafische positie

Vanaf maaiveld In de top van de afzettingen van Kreftenheye, op bewoonbare komafzettingen, binnen oeverafzettingen van de Waal en op overslagafzettingen (indien aanwezig)

Aanwezigheid en dichtheid De archeologische verwachting in het plangebied hangt met name samen met de ligging van het plangebied op de oevers of crevasse van de Waal. De oevers van de Waal zijn mogelijk vanaf de vorming ervan in de IJzertijd een gunstige locatie voor bewoning geweest. De oevers hebben zich kunnen vormen totdat het gebied bedijkt werd in de Late Middeleeuwen. In de Late Middeleeuwen heeft bij Winssen een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor een deel van het gebied overspoeld is geraakt. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen zodoende ook op de overslagafzettingen worden aangetroffen. Bekende archeologische waarden uit de periode IJzertijd Late Middeleeuwen kenmerken zich voornamelijk door bewoningsresten op verhoogde huisplaatsen, zoals bij onderzoeken in de omgeving zijn aangetoond. De archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen is hierom hoog. Dit is wel afhankelijk van welke gevolgen de dijkdoorbraak uit de Late Middeleeuwen op de oeverafzettingen heeft gehad. Een dijkdoorbraak kan namelijk zorgen voor erosie, en daarmee een verstoring van het archeologisch relevante niveau. De dijkdoorbraak kan ook voor een afdekking van de oevers hebben gezorgd, die het archeologisch relevante niveau juist heeft behoed voor moderne verstoringen. Ook bevindt het plangebied zich langs een overloopgeul.

De geulen zelf zijn te nat geweest voor bewoning, maar de gebieden langs deze geulen waren wel aantrekkelijke woonlocaties, zoals in de omgeving van het plangebied reeds is aangetoond. Voor de periode Nieuwe tijd kan een hoge archeologische verwachting worden toegekend, aangezien er op historisch kaartmateriaal bebouwing is ingetekend ter plaatse van het plangebied. Op basis van het bureauonderzoek geldt in het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum - Bronstijd. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische vondsten uit deze periode gedaan. Deze bevinden zich op relatief hooggelegen terrassen in de top van de pleistocene afzettingen van Wijchen of op vegetatieniveaus in de holocene komafzettingen. Uit de periode Laat-Paleolithicum en Mesolithicum kunnen archeologische waarden aanwezig zijn op de top van de pleistocene afzettingen.

Stratigrafische positie In het plangebied zijn drie potentiële archeologische niveaus te onderscheiden: ^

De top van de pleistocene afzettingen betreffen het archeologisch relevante niveau voor de periode Laat-Paleolithicum en Mesolithicum. Deze bestaan ofwel uit pleistocene beddingafzettingen (Formatie van Kreftenheye) of uit vroegholocene komafzettingen (Laagpakket van Wijchen).

^

Op de pleistocene afzettingen zijn naar verwachting komafzettingen aanwezig. Over het algemeen vormen komafzettingen geen gunstige ondergrond voor bewoning. In de omgeving van het

transect

24

plangebied zijn echter wel vegetatieniveaus aangetroffen, waarop ook archeologische resten aanwezig zijn. Deze niveaus kenmerken zich door een gerijpte, donkergekleurde en humeuze laag binnen de komafzettingen. ^

De oeverafzettingen van de Waal zijn een archeologisch relevant niveau voor de periode IJzertijd Nieuwe tijd. Deze kunnen zich direct vanaf de moderne bouwvoor bevinden. Het is echter ook goed mogelijk dat er meerdere niveaus binnen de oeverafzettingen aanwezig zijn. Het plangebied bevindt zich namelijk direct naast een overloopgeul, van waaruit ook sedimentatie heeft kunnen plaatsvinden. Ook is mogelijk een pakket overslagafzettingen afgezet tijdens een dijkdoorbraak in de Late Middeleeuwen. Als er sprake is van de aanwezigheid van overslagafzettingen, dan vormen deze de archeologisch relevante laag voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Deze afzettingen zijn namelijk gevormd in de Late Middeleeuwen en hebben na herbedijking van de Waal een bewoonbaar niveau gevormd.

Complextypen In het plangebied worden in principe nederzettingsterreinen, sporen van landgebruik en grafvelden verwacht. Nederzettingsterreinen in het rivierengebied zouden zich kunnen kenmerken door een cultuurlaag of dichte vondstenstrooiing, hetgeen met name te danken is aan de langdurigheid van bewoning op een bepaalde plek. In een vochtige omgeving als die van het rivierengebied was de bewegingsruimte voor nederzettingen namelijk niet al te groot, waardoor bewoning vaak geconcentreerd bleef op vaste plekken. Een vindplaats was dan circa 500-2000 m2 groot (middelgrote huisplaats). Daarentegen zullen sporen van landgebruik (waaronder ook grafvelden) zich juist kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Derhalve kan over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen enkel uitspraken gedaan worden op basis van de mate van intactheid van de bodem. Over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen kan enkel uitspraak gedaan worden op basis van de mate van intactheid van de bodem. Deze is naar verwachting in delen van het plangebied door landbouwwerkzaamheden aangetast, maar in hoeverre daardoor eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen zijn, is niet bekend. Hierom is een verkennend booronderzoek in het plangebied uitgevoerd om hierover meer uitspraken te kunnen doen.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

25

Tabel 1. Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel

Reden

Archeologische verwachting

Datering

Hoog

IJzertijd - Nieuwe Tijd

Ligging op een stroomrug en/of crevasserug; aanwezigheid van bebouwing op de Kadastrale Minuut

Middelhoog

Paleolithicum - Bronstijd

De aanwezigheid van relatief hooggelegen terrassen in de pleistocene afzettingen en vegetatiehorizonten in de komafzettingen maken het mogelijk dat men hier heeft geleefd. Tevens zijn er vondsten en vindplaatsen bekend uit deze perioden in het onderzoeksgebied.

2

Complextype

Kampementen, nederzettingscomplexen, huisplaatsen, sporen van landgebruik, infrastructuur, grafvelden.

3 4 5

Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering

6 ’

Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen

Onbekend, vermoedelijk 50-2000 m2 (omvang kampement-huisplaats, algemeen) Vanaf maaiveld, onder de moderne bouwvoor Boven 120 cm -Mv zijn onverbrande organische vondsten vermoedelijk gedegradeerd. Onverbrande organische vondsten kunnen wel bewaard zijn gebleven binnen 120 cm -Mv.

8

Onbekend, op dit moment het hele plangebied Concentratie van aardewerk, vuursteen, al dan niet verbrand bot, houtkool of een vondstlaag. Mits de historische boerderij wordt aangetroffen: funderingen en/of muurrestanten. Fundering van de bestaande bebouwing; de sloopwerkzaamheden van de historische bebouwing; de aanleg van de bestaande bekabeling.

transect

26

10.

Resultaten veldonderzoek

Onderzoekstrategie

Verkennend booronderzoek

Aantal boringen

5

Type boor

Edelmanboor en guts

Boordiameter

7 cm en 3 cm

Maximale boordiepte

400 cm -Mv

Werkwijze Het doel van het veldonderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd. De boringen zijn gebruikt om de mate van intactheid van de bodem te bepalen, inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de exacte landschappelijke ligging van het plangebied. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boring 1-5). De boringen zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm, tot een diepte van maximaal 400 cm -Mv. De opgeboorde monsters zijn handmatig verbrokkeld, versneden en doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren (zoals bot, aardewerk, baksteen, bewerkt vuursteen en houtskool). De boringen zijn gefotografeerd, waarna ze zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze foto's en beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 12 en 13. De boringen zijn zo gelijkmatig mogelijk verdeeld in het plangebied. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 11, de locatie is in het veld bepaald met behulp van een meetlint ten opzichte van de bestaande topografie.

De hoogteligging ten opzichte van NAP van de boorpunten is afgeleid van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN4).

Veldwaarnemingen Rondom de bestaande bebouwing in het plangebied is sprake van een vrij vlak maaiveld, dat bestaat uit zowel gras als verharding middels klinkers en grind. Enkele foto's van het plangebied ten tijde van het onderzoek zijn weergegeven in figuur 11.

■WBg ; V**-

įřįŴĚļ wfflgsŞŞį5

-

•íV;*' :

-

'

Figuur 2. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek. Fotograaf: C. Brühl

transect

27

Lithologie en bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is te verdelen in een oostelijk (boring 1-3) en westelijke (boring 4­ 5) zone, waarbij de bovengrond wel vrijwel hetzelfde is in het gehele plangebied. ^

Tot een diepte van 100-130 cm -Mv (7,5-7,8 m +NAP) is sprake van zwak tot sterk siltig zand en sterk zandige klei die lichtbruin(grijs) tot bruingrijs en grijsbruin van kleur is. Hierin is sprake is van een grote hoeveelheid kiezels en bouwpuin. Het bouwpuin loopt in kleur uiteen van modern donkerrood tot 18e en 19e-eeuws lichtoranje en geel puin. Deze lagen zijn geïnterpreteerd als (historische) ophooglagen. Boring 3 is gestaakt in deze ophooglagen op een diepte van 130 cm Mv (7,6 m +NAP) in een pakket zeer vast puin. In de bovenste 40-50 cm van deze ophooglagen is sprake van de moderne bouwvoor.

^

Tot een diepte van 180-275 cm -Mv (6,1-7,1 m +NAP) is sprake van verschillende lagen zwak tot sterk zandige klei, die lichtgrijsbruin tot lichtbruingrijs van kleur zijn. De mate van humositeit neemt naar gelang de diepte toeneemt geleidelijk af. Hier is sprake van intacte oeverafzettingen. De diepte tot waar deze oeverafzettingen zijn aangetroffen is groter aan de westzijde van het plangebied dan aan de oostzijde van het plangebied, overeenkomstig met de veronderstelde ligging van het plangebied aan de rand van een stroomgordel.

^

Ter plaatse van boringen 1 en 2 liggen de oeverafzettingen direct op afwisselend gelaagde grijze klei en lichtgrijs zand, die zeer kalkrijk is. Dit betreffen geulafzettingen, die zijn aangetroffen vanaf een diepte van 270-275 cm -Mv (6,1-6,2 m +NAP) totdat de boringen eindigden in deze laag op een diepte van 300-400 cm -Mv (4,8-5,8 m +NAP).

^

Ter plaatse van boringen 4 en 5 liggen de oeverafzettingen op zwak tot matig siltige klei, die is aangetroffen vanaf een diepte van 180-200 cm Mv (6,5-7,1 m +NAP). Deze klei is zwak humeus en lichtbruingrijs. Het bevat tevens een zeer harde kleilaag, die ter plaatse van boring 4 ondoordringbaar is gebleken. Mogelijk is hier sprake van een aquatische waterbodem in komafzettingen of de Laag van Wijchen. Boringen 4 en 5 zijn geëindigd in deze laag op een op een diepte van 260-300 cm -Mv (5,8-5,9 m +NAP).

Archeologische indicatoren Tijdens het doorzoeken van de opgeboorde grondmonsters zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen, anders dan het reeds genoemde bouwpuin uit de 18e en 19e eeuw. De aangetroffen ophooglagen zijn echter ook als archeologische indicator op zichzelf te beschouwen, aangezien ze aangeven dat sprake is van menselijke activiteit.

Archeologische interpretatie Op basis van het veldonderzoek is sprake van ophooglagen die in elk geval uit de 18e en 19e eeuw stammen, die direct op de oudere oeverafzettingen liggen. De oeverafzettingen vertonen geen aanwijzingen voor verstoringen, waardoor deze nog als archeologisch intact te beschouwen zijn. Daarmee is de hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periode IJzertijd Nieuwe tijd vooralsnog te handhaven. Daarbij vormen de oeverafzettingen vanaf een diepte van 100­ 130 cm -Mv (7,5-7,8 m +NAP) het archeologisch relevante niveau voor de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen en de ophooglagen het niveau voor de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd vanaf de onderzijde van de moderne bouwvoor (circa 40-50 cm -Mv). .

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

28

11. ^

Beantwoording onderzoeksvragen

Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied bevindt zich op de rand van een meandergeul naar een oever- of komvlakte. In de ondergrond zijn onder ophooglagen uit de Nieuwe tijd oeverafzettingen aangetroffen die waarschijnlijk afkomstig zijn van de Waal (actief tot circa 500 v.Chr). De oude meandergeul loopt door het oosten van het plangebied. Ook ná het inactief worden van de geul is deze sporadisch watervoerend geweest en fungeerde als natuurlijke afwatering van de komgebieden. Na de bedijking is de meandergeul verland.

^

Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? De top van de natuurlijke oeverafzettingen zijn het niveau waar archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen te verwachten zijn. Deze bevinden zich onder een pakket ophooglagen uit de Nieuwe tijd op een diepte vanaf 100-130 cm -Mv (7,5-7,8 m +NAP). In de geulafzettingen in het oosten van het plangebied zijn theoretische gezien watergerelateerde archeologische resten te verwachten in het gehele pakket. In de aangetroffen ophooglagen kan gezien de verwachting op de aanwezigheid van resten van historische bebouwing ook sprake zijn van funderingsresten uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd.

^

In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? De top van de oeverafzettingen vertoond geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van verstoringen. Van de aangetroffen ophooglagen met een gezamenlijk dikte van 100-130 cm is de bovenste 40-50 cm te beschouwen als een moderne bouwvoor, waarin geroerde archeologische resten voor kunnen komen.

^

Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van het veldonderzoek is de hoge verwachting voor de periode IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd te handhaven. Daarbij is sprake van twee archeologisch relevante niveaus in de top van de oeverafzettingen en de ophooglagen.

transect

29

12.

Conclusie en advies

Conclusie ^

Op basis van het bureauonderzoek geldt een hoge verwachting voor de aanwezigheid van archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Nieuwe tijd. Naar verwachting ligt het plangebied in en langs een geul van een oude meandergordel van de Waal, die actief is geweest tot 500 n. Chr. Ná het inactief worden van de meandergordel zou het plangebied bewoonbaar kunnen zijn geweest. Langs de geul is een weg aangelegd en werd erlangs gewoond in de Nieuwe tijd. Op basis van historische kaarten bestaat in elk geval de verwachting dat nog resten van funderingen uit de late 18e of vroege 19e eeuw aan te treffen zijn in het plangebied, maar mogelijk zijn ook oudere resten van bewoning en terreininrichting aan te treffen. Deze resten kunnen aanwezig zijn in zowel oeverafzettingen van de Waal als in historische ophooglagen.

^

Uit het veldonderzoek is gebleken dat sprake is van zowel historische ophooglagen als intacte oeverafzettingen. Tot een diepte van 40-50 cm -Mv is sprake van de moderne bouwvoor in de top van ophooglagen. Deze ophooglagen zijn historisch van aard, gezien de aanwezigheid van stukken puin uit de 18e en 19e eeuw. Deze ophooglagen zijn aangetroffen tot een diepte van 100­ 130 cm -Mv (7,5-7,8 m +NAP) en kunnen resten bevatten uit de periode Late Middeleeuwen Nieuwe tijd. Daarnaast zijn vanaf de onderzijde van deze ophooglagen intacte oeverafzettingen aangetroffen waarin sprake kan zijn van archeologische resten uit de IJzertijd tot en met de Late Middeleeuwen. Gezien de intactheid van deze afzettingen is sprake van een hoge verwachting. Deze oeverafzettingen zijn aanwezig tot een diepte van 180-275 cm -Mv (6,1-7,1 m +NAP).

Advies In het plangebied bestaat het voornemen de bestaande bebouwing te slopen en nieuwe woningen te realiseren. Bij de voorgenomen grondroerende werkzaamheden kan het archeologisch relevante niveau en de eventueel hierin aanwezige resten verstoord raken. Daarom adviseren wij om na afloop van de bovengrondse sloop van de bestaande bebouwing een aanvullend karterend en waarderend onderzoek uit te voeren in het plangebied (circa 2850 m2). Dit onderzoek kan gezien de verwachte aanwezigheid van zowel funderingsresten als archeologische grondsporen waarschijnlijk het beste worden uitgevoerd in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit onderzoek moet worden uitgevoerd conform een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE), waarin de onderzoeksmethodiek en de omgang met eventuele resten beschreven wordt. Het bovenstaande is een advies. Op basis van de resultaten van het onderzoek neemt het bevoegd gezag (de gemeente Beuningen) een besluit over de daadwerkelijke omgang met eventuele archeologische waarden binnen het plangebied.

transect

30

13.

Geraadpleegde bronnen

Archeologische kaarten en databestanden ^

Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007.

^

Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015

•

Archeologische beleidskaart gemeente Beuningen

•

Paleogeografische beleidskaart, gemeente Beuningen

•

Archeologische verwachtingskaart, gemeente Beuningen

^

www.ahn.nl

•

www.ruimtelijkeplannen.nl

•

www.planviewer.nl

•

www.topotijdreis.nl

•

www.bodemloket.nl

•

www.dinoloket.nl

•

www.edugis.nl

•

www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl

•

www.ikme.nl

•

www.vergeltungswaffen.nl

•

www.bunkerinfo.nl

^

www.library.wur.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=f8532f9a-02d7-48c0-95a9-76b6a3616488