Bijlage 5 - bij toelichting - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
2238998100
Plangebied Ewijk
0m
Proefsleuven
Tussen 14 april en 20 april en 15 tot 19 juni 2009 heeft een inventariserend onderzoek (IVO-P) plaatsgevonden ten westen van de Klaphekstraat in Ewijk (gemeente Beuningen). Doel van dit onderzoek was het in kaart brengen van de aard, omvang, kwaliteit en de ouderdom van aanwezige archeologische resten. Booronderzoek door RAAP in november 1999 heeft aangetoond dat er binnen het plangebied archeologische resten aanwezig zijn. Het betrof mogelijk resten van een fossiele geul of van een oud loopniveau waarin vondstmateriaal werd aangetroffen. Het vondstmateriaal bestond voornamelijk uit handgevormd aardewerk, waarvan de ouderdom niet exact kon worden vastgesteld. Op grond van de resultaten van dit onderzoek zijn er twee vindplaatsen binnen het plangebied gedefinieerd,
Langeveld, 2010
33
te weten vindplaats 23 in het noorden en vindplaats 24 in het zuiden. De doelstelling van onderhavig onderzoek was om deze vindplaatsen nader in kaart te brengen, volgens de algemeen geldende criteria voor het inventariserend onderzoek. Hiertoe zijn zes noord-zuid georiënteerde putten aangelegd, verspreid over het plangebied. Uit de resultaten van de afzonderlijke putten kan een redelijk coherent beeld worden afgeleid. Diagonaal over het onderzoeksterrein heeft een waterloop (crevasse) zich in de ondergrond ingesneden, waarlangs op verscheidene locaties bewoning heeft plaatsgevonden in het Neolithicum en de Bronstijd. Voor twee locaties kan een residentiële functie worden verondersteld. De functie van de overige vindplaatsen uit deze periode is onduidelijk omdat de aanwezigheid alleen indirect kon worden aangetoond op grond van concentraties vondstmateriaal. Ten zuiden van de crevassegeul is een gedeelte van een waarschijnlijk rechthoekige greppelstructuur aangetroffen. De interpretatie hiervan is onduidelijk. Zowel een gebouw als een grafstructuur zijn mogelijke interpretaties. Om deze structuur is een afbakenende greppel aangelegd. Een mogelijk vergelijkbare structuur is aangetroffen in het noordoostelijke puttencluster. Verondersteld wordt dat deze structuren uit de IJzertijd of de Romeinse tijd stammen. Verder is er een beperkt aantal sporen uit de Late Middeleeuwen 34
aangetroffen. Laatstgenoemde vormt waarschijnlijk de randzone van een erf dat zich langs de Klaphekstraat heeft bevonden. Op grond van onderhavig onderzoek kan, verspreid over het onderzoeksterrein, meerdere clusters met archeologische sporen en/of vondsten worden onderscheiden. Deze onderzoeksresultaten leiden ertoe dat delen van het plangebied als behoudenswaardig kunnen worden aangemerkt. 2395343100
Koningstraat
0m
Booronderzoek
Het veldonderzoek heeft de aanwezigheid van een stroomgordel bevestigd; het bovenste gedeelte van het bodemprofiel bestaat uit oeverafzettingen, waaronder beddingafzettingen aanwezig zijn. Mogelijk gaat het hier om afzettingen behorende tot de meandergordel van Winssen, die actief was tussen 5391 en 3891 v. Chr. Deze meander heeft zich in het verleden naar het noorden verplaatst; immers, direct ten noorden van het plangebied is een bekende restgeul aanwezig. Naar mate deze geul zich naar het noorden verplaatste verzandde de oude geul, en werden vanuit de nieuwe geul ten noorden van het plangebied opnieuw oeverafzettingen afgezet op de oude bedding. Archeologisch gezien zijn intacte oeverafzettingen alsmede verzande geulen interessant, omdat deze hogere delen in het landschap bij uitstek geschikt waren voor menselijke bewoning. Er zijn echter, in tegenstelling tot de verwachting, geen aanwijzingen gevonden om te veronderstellen dat in de top van de beddingafzettingen
Van der Haar en Teekens, 2013
35
bodemvorming heeft plaatsgevonden of dat hier bewoningsresten op te verwachten zijn. De afwezigheid van archeologische lagen en/of vegetatiehorizonten is een belangrijke aanwijzing voor het ontbreken van een vindplaats binnen het plangebied. Voor wat betreft de bovenliggende oeverafzettingen geldt dat deze weliswaar ook archeologisch interessant zijn, maar dat het grootste gedeelte hiervan ook is verstoord. Bovendien zijn ook hierin geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen. Op basis van al deze factoren wordt de kans op de aanwezigheid van intacte archeologische waarden binnen het nu onderzochte deel van het plangebied dan ook laag ingeschat 5025080100
Koningstraat
217 m ten westen
Proefsleuven
Geconcludeerd kan worden dat tijdens het proefsleuvenonderzoek een archeologische vindplaats is aangetroffen. Deze betreft sporen van landgebruik uit de Late Middeleeuwen, bestaande uit enkele greppels en (paal)kuilen, aangetroffen op vlak 1 en diepere sporen op vlak 2. De archeologische resten van deze vindplaats vormen hoogstwaarschijnlijk een geheel met de archeologische resten die bij het onderzoek aan de Dam 8 en in plangebied Hoge Woerd zijn aangetroffen.
Wolff, 2021
5063142100
Damweg 8
177 m ten westen
Proefsleuven
In het plangebied zijn twee vindplaatsen aanwezig. Het betreft een paalkuil met een onbekende datering (vindplaats 1) en perceelsgreppels en palenrijen uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd
Van Cruchten, 2021
36
(vindplaats 2). Vindplaats 1 is aangetroffen in de top van de afzettingen van de Winssense stroomgordel, vindplaats 2 is aangetroffen in de oeverafzettingen van de proto-Waal stroomgordel De archeologische resten van vindplaatsen 2 vormen hoogstwaarschijnlijk een geheel met de laatmiddeleeuwse resten die bij een opgraving ten zuiden van het plangebied, in plangebied Hoge Woerd, zijn aangetroffen.
37
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Landschapstype2 Cultuurhistorische elementen
Midden-Nederlands rivierengebied 3
Nee
Aard historisch landgebruik
Weiland, boomgaard
Historische bebouwing aanwezig
Nee
Bebouwing van cultuurhistorische waarde
Nee
Het grondgebruik, dat over de jaren heen in het plangebied heeft plaatsgevonden, kan zijn sporen in de ondergrond hebben achtergelaten. Enerzijds herbergen oude kaarten informatie omtrent voormalig landgebruik die inzicht kan geven in de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen (bijvoorbeeld historische boerenplaatsen en wegen), maar anderzijds ook in de negatieve effecten, die landgebruik op de oorspronkelijke bodem heeft gehad (en daarmee op eventueel aanwezige archeologische resten). Met dit laatste wordt niet alleen gedoeld op omwerking van de bodem door omwoeling, egalisatie, ontgraving en sanering, maar ook ophoging en ontwatering die kunnen hebben geleid tot verkleuring, verdroging en verstikking van de bodem. Historische achtergronden van het cultuurlandschap en -situatie Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de Waal in het agrarisch buitengebied ten zuiden van Ewijk. Volgens de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Beuningen bevindt het zich in het jonge cultuurland, de velden (uit de Volle Middeleeuwen). De oudere cultuurlanden, ten noorden van het plangebied, zijn ontgonnen in de Vroege Middeleeuwen. De meeste dorpen werden op de oevers gesticht, op relatief korte afstand van de Waalgeul. Ewijk is hiervan een voorbeeld. De bedijking vond in eerste instantie plaats in de 9e en 10e eeuw, waarbij een dijk op de zuidoever van de Waal werd gesticht.
Deze lag ter hoogte van de huidige Van Heemstraweg, ten noorden van het plangebied ligt. De achterwende kwam ter hoogte van het plangebied (langs de Koningstraat) te liggen, op de grens van de oude cultuurlanden en de jonge cultuurlanden. Vanwege het voorkomen van een hoogwatergeul is ter hoogte van het plangebied in de achterwende een opening achtergelaten, zodat het water binnen de verschillende polders kon worden gereguleerd. Aan weerszijden van het plangebied staan op de cultuurhistorische kaart twee oude woonplaatsen ingetekend. Deze vertegenwoordigen waarschijnlijk laatmiddeleeuwse boerderijen, die op terpen liggen (bijlage 8). Op de Kadastrale Minuutplan uit 1820 is het plangebied onbebouwd. Het is in gebruik als bouwland en weiland. Het noordwestelijk deel van het plangebied lijkt op basis van de verkavelingsvorm in een lager gelegen deel langs de weg te liggen. Aan weerszijden van het plangebied is wel bebouwing te zien, ter hoogte van de zuidgrens van het plangebied. Deze situatie verandert in de loop van de 19e en 20e eeuw verder niet. Het plangebied is voor een groot deel in gebruik genomen als boomgaard. Pas vanaf 1975 verschijnt ten zuiden van het plangebied bebouwing, waarschijnlijk een loods. Uiteindelijk is in 2018 ten zuiden van het plangebied een autobedrijf gesticht.
In het plangebied zelf zijn de bomen verdwenen en is het als parkeergelegenheid voor het autobedrijf ingericht. De historische ontwikkeling is aan de hand van topografisch kaartmateriaal te volgen in figuren 3 tot en met 10.
2 Heunks en Van Hemmen, 2007 3 Heunks en Van Hemmen, 2007
38
Militair Erfgoed Op de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) is het plangebied niet aangeduid als aandachtsgebied. Ook zijn er geen verwachtingen op militaire objecten, raketinslagen of aan de Wereldoorlogen gerelateerde verschijnselen (bronnen: www.ikme.nl; www.vergeltungswaffe.nl, www.bunkerinfo.nl; www.tracesofwar.com, www.explosievenopsporing.nl). Huidig gebruik en bodemverstoringen Het plangebied ligt ten tijde van het onderzoek braak, is begroeid met gras en deels verhard met puin ten behoeve van de stalling van auto’s. Aanwijzingen voor bodemverstoringen zijn er niet (op de ontgrondingenkaart en het milieuloket, bron: www.provinciegelderland.nl/kaarten-en-cijfers, www.bodemloket.nl). De eigenaar meldt echter op de locatie veel grondverzet te hebben uitgevoerd. Het plangebied is in gebruik geweest als boomgaard, waarin bomen werden gerooid. Ook lag een groot deel van het plangebied veel lager dan dat het nu lag. Dat kwam omdat het soms wel eens als de Waal hoog water had, onder liep. Daarom is een deel van het terrein met grond aangevuld.
39
Figuur 2: Het plangebied (rood omlijnd) op het Kadastrale Minuutplan uit 1811-1832 (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).
Figuur 3: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
40
Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1900 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
41
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
42
Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995 (bron: www.topotijdreis.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 9: Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl).
43
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zich op de Winssen stroomrug bevindt. Deze stroomrug is actief geweest gedurende het Neolithicum. Vanaf het begin van de activiteit van de rivier hebben de oevers mogelijk een gunstige locatie voor bewoning gevormd, vanwege de relatief hoge en droge ligging. Dit wordt bevestigd door de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied uit de periode IJzertijd–Middeleeuwen. Met name ten zuidoosten van het plangebied is sprake van een omvangrijke vindplaats met resten uit de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen. Deze is gekoppeld aan een oude woongrond, die daar in het gebied gelegen is. Ook bevindt het plangebied zich deels in een hoogwater- of crevassegeul, die waarschijnlijk sinds de IJzertijd tot stand is gekomen (aangezien toentertijd de Waal is ontstaan). De afzettingen die vanaf deze hoogwatergeul langs het plangebied zijn afgezet, zijn eveneens relevant voor het voorkomen van vindplaatsen uit de periode vanaf de IJzertijd. De vraag is echter alleen of en waar deze afzettingen zich bevinden, aangezien een groot deel van het plangebied juist onderdeel lijkt te zijn geweest van een geul. Wanneer dat het geval is, is waarschijnlijk dat deel van het plangebied te nat en ongeschikt geweest voor bewoning. Voor wat betreft de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd is de verwachting laag.
In een dergelijk gebied langs een geul moet de bewoning redelijk plaatsvast zijn geweest. Op historische kaarten staat zowel ten zuiden als ten oosten van het plangebied bebouwing. Deze bebouwing is waarschijnlijk terug te voeren tot het begin van de Nieuwe tijd, mogelijk zelfs de Late Middeleeuwen. Op het AHN is te zien hoe beide bouwwerken op verhogingen zijn aangelegd. Dit is echter niet het geval ter hoogte van het plangebied, waar op kaarten uitsluitend sprake lijkt te zijn geweest van bouwland, weiland en boomgaard. De kans om zodoende resten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd te vinden in het plangebied is klein. Van de overige perioden Paleolithicum-Mesolithicum zijn geen archeologische resten te verwachten. Hiervan is het vrijwel zeker dat de resten als gevolg van de rivieractiviteit van de Waal in het gebied zijn geërodeerd. Er kunnen op het moment oeverafzettingen aanwezig zijn, resten van nederzettingen aangetroffen worden. In de meeste gevallen zal de aanwezigheid van nederzettingsresten zich kenmerken door de aanwezigheid van een donkergekleurde “vuile” laag, waarin vondstmateriaal zoals aardewerk, bot, houtskool en fosfaat voor kunnen komen (cultuurlaag). Deze constatering is eveneens gedaan tijdens diverse onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied.
Resten uit de periode NeolithicumVroege Middeleeuwen bevinden zich in de top van oeverafzettingen van de Winssen stroomrug; resten uit de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen kunnen zich ook in de top van crevasseafzettingen van de Waal bevinden. Wanneer geulafzettingen aanwezig zijn, kunnen watergerelateerde resten worden aangetroffen (zoals afvaldumps, visfuiken en beschoeiingen). De gespecificeerde archeologische verwachting is nader weergegeven in onderstaande tabel 2. Prospectiekenmerken en zoekstrategie Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verworven resultaten en de hierop volgende archeologische verwachting zijn vindplaatsen te verwachten die zich kenmerken door een cultuurlaag of met een grote vondstdichtheid. Dit is gebaseerd op het uiterlijk van de vindplaatsen die in de omgeving van het plangebied zijn vastgesteld. De exacte diepte waarop een cultuurlaag of vondsten liggen, is vermoedelijk vanaf 30 cm, direct onder de bouwvoor. Om binnen het plangebied de archeologische verwachting te toetsen en bij te stellen, dienen de mate van intactheid van de bodem 44
en de lithologische opbouw van de ondergrond te worden vastgelegd. Dit kan plaatsvinden door middel van een verkennend booronderzoek. Op grond van dit onderzoek kan dan een uitspraak worden gedaan of en in hoeverre archeologische resten te verwachten zijn. De methodiek voor dit onderzoek is toegelicht in Hoofdstuk 10.
45
Tabel 2: Gespecificeerde archeologische verwachtingstabel.
1
Archeologische verwachting Datering
2 3 4 5
Complextype Omvang Diepteligging Gaafheid en conservering
6 7
Locatie Uiterlijke kenmerken (artefacten en type indicatoren) Mogelijke verstoringen
8
Reden Laag Laat-Paleolithicum-Mesolithicum Relevante archeologische niveaus zijn vermoedelijk geërodeerd door de activiteit van de Winssen stroomrug Hoog Neolithicum-Vroege In het plangebied zijn oeverafzettingen van de Winssen Middeleeuwen stroomrug te verwachten, die als rivier actief is geweest in het Neolithicum. De oevers zijn ook na de activiteit van de rivier vanwege een hoge ligging aantrekkelijk geweest voor bewoning. Ook is in de IJzertijd langs het plangebied een crevassegeul of hoogwatergeul komen te liggen, van waaruit afzettingen zijn opgebouwd die bewoonbaar kunnen zijn. De delen van het plangebied die echter in de geul liggen, zullen niet geschikt zijn voor bewoning. Er kunnen echter wel watergerelateerde resten in de geul aanwezig zijn. Laag Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd Het plangebied ligt ten zuiden van een achterwende, in een lint langs de hoogwatergeul, waarlangs op verschillende plekken oude boerderijen aanwezig zijn. Deze liggen op woonheuvels. Ter plaatse van het plangebied zelf zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van bewoning uit deze tijd.
Nederzettingen (huisplaatsen), graven/grafvelden, sporen van landgebruik, water-gerelateerde resten 500-2000 m2 (omvang huisplaats, algemeen) Indien aanwezig; top van de oeverafzettingen van de Winssen stroomrug, top van crevasseafzettingen van de Waal De kans is aanwezig dat graafwerkzaamheden door de eigenaar in het verleden de ondergrond hebben aangetast. Onbekend, op dit moment het hele plangebied. Vindplaatsen kenmerken zich naar verwachting door vondsten of cultuurlagen. Zie .5
46
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het kader van de bouw van een bedrijfswoning in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het opgestelde Plan van Aanpak; Nales, 2023). De boringen zijn gebruikt om de bodemopbouw, de mate van intactheid van de bodem en de aanwezigheid van archeologische resten te bepalen. In totaal zijn in het plangebied zes boringen gezet (boring 1-6). De boringen hebben een diepte tot maximaal 230 cm –Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Beneden de grondwaterspiegel (circa 120 cm -Mv) is gebruik gemaakt van een gutsboor met een diameter van 3 cm. De boringen zijn beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Deze beschrijvingen zijn terug te vinden in bijlage 11. De boringen zijn gelijkmatig in het plangebied uitgezet. De ligging van de boringen is opgenomen in bijlage 9. De coördinaten van de boorpunten zijn bepaald met een meetlint aan de hand van de bestaande topografie en de hoogte is aan de hand van het AHN bepaald (bron: www.ahn.nl).
Veldwaarnemingen Het plangebied is ten tijde van het veldonderzoek een grasland, waarop puinverharding is aangebracht om auto’s te kunnen stallen. De puinverharding is in het oosten van het plangebied dermate dik, dat daar op voorhand van de boringen met een kleine graafmachine het puin is weggeschraapt. Er zijn aan het maaiveld weinig hoogteverschillen waar te nemen binnen het plangebied. Wel valt op dat de weg die in het noorden van het plangebied aan het plangebied grenst hoger ligt dan het plangebied zelf. Ook is goed te zien dat de boerderij ten noordoosten van het plangebied op een duidelijke verhoging in het terrein ligt, hetgeen het voorkomen van huisterpen langs de Koningstraat hier bevestigt. Volgens de opdrachtgever heeft in het plangebied op verschillende plekken grondverzet plaatsgevonden. Allereerst is vanwege de lage ligging van het terrein langs de weg grond aangevoerd en geëgaliseerd om het terrein op gelijke hoogte met het erf ten zuidoosten van het plangebied. Het noordelijk gebied lag namelijk laag en zou volgens hem volgens overleveringen ook regelmatig blank hebben gestaan met rivierwater van de Waal, als er sprake was van hoogwater in de rivier. Ook liggen op verschillende plekken actieve en inactieve leidingen, waaronder een gasleiding en een riolering.
Deze graafwerkzaamheden moeten volgens de opdrachtgever sinds de jaren ’70 van de 20e eeuw hebben plaatsgevonden, toen hij het terrein in bezit kreeg. Foto’s van het plangebied zijn weergegeven in figuur 10.
47
Figuur 10: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (17-11-2023).
Bodemopbouw en lithologie Onder in de boringen is grijs, matig grof zand aanwezig, waarvan de top in het zuidwesten van het plangebied op een diepte van 130 cm -Mv ligt en in het noordwesten op een diepte van 190 cm -Mv (5,8-6,6 m NAP). Dit zand is geïnterpreteerd als rivierbeddingafzettingen, en is waarschijnlijk onderdeel van de Winssen stroomrug. In het zuidoosten van het plangebied liggen op de beddingafzettingen een matig tot sterk zandige, lichtbruingrijze klei (boringen 4 en 5). De top van de klei ligt op 80-100 cm -Mv (6,9 tot 7,1 m NAP). In de klei zijn enkele roestvlekken en mangaanvlekken aanwezig, die op enige leeftijd van de klei wijzen. Deze klei is geïnterpreteerd als oeverafzettingen, waarschijnlijk van de Winssen stroomrug. Dat de afzettingen waarschijnlijk slechts een restant hiervan betreffen, blijkt uit de geringe dikte van de afzettingen in dit deel van het plangebied. Deze bedraagt namelijk 35-50 cm, waarbij dergelijke oeverafzettingen normaliter een dikte van minimaal 100 cm hebben (Berendsen, 2005). Er is dus een deel van de oeverafzettingen verdwenen. Daarvoor in de plaats is een sterk zandige kleilaag met daarin baksteenpuin opgebracht met een dikte van 80-100 cm. In het noordwesten van het plangebied is op de beddingafzettingen grijze tot blauwgrijze zwak tot matig zandige klei aanwezig (boringen 1, 2 en 3).
De klei is slap en kenmerkt zich ook door de aanwezigheid van enkele zandlaagjes. Hier betreffen het waarschijnlijk geulafzettingen. De geulafzettingen zijn hier circa 30-60 cm dik en de oorspronkelijke top van de afzettingen bevindt zich op een diepte van 130 cm -Mv (6,4 m NAP). Op de geulafzettingen ligt een baksteenpuinhoudende, enigszins verblauwde, kleilaag met zandbrokken. Deze varieert in dit deel van het plangebied in dikte tussen 130-190 cm. De laag betreft een verstoringslaag, die in het terrein aangebracht is ter egalisatie van het gebied, zoals de eigenaar van het terrein had aangegeven. Archeologische indicatoren In de grondmonsters zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen. Het doel van het onderzoek was echter niet om door middel van boringen vindplaatsen op te sporen, aangezien hiervoor een dichter boorgrid en -diameter nodig zou zijn (Tol e.a., 2012). Interpretatie Op grond van het veldonderzoek is de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen. De oeverafzettingen in het zuiden van het plangebied blijken te zijn geëgaliseerd en afgegraven, waarbij de top en tevens het archeologisch relevante deel van de bodem verstoord is geraakt. Hoeveel er exact verdwenen is, valt lastig te stellen.
Uit het onderzoek ten zuidoosten van het plangebied blijkt dat er op de sterk zandige klei van de oeverafzettingen nog een laag sterk siltige klei aanwezig moet zijn, waar zich in de top een vegetatieniveau zou moeten bevinden (Van Sas, 2023). Deze zou daar op 7,2 m NAP of hoger moeten liggen. De klei en het vegetatieniveau ontbreken in het 48
plangebied, evenals een eventuele cultuurlaag. Gezien de hoogteligging van de klei in het plangebied (6,9-7,1 m NAP) lijkt er in het zuidoosten minimaal 10-30 cm te zijn verdwenen, maar lithologisch gezien waarschijnlijk meer. In combinatie met de verblauwing (boring 4) is de kans op goed geconserveerde archeologische resten in dit deel van het plangebied klein. In het noordwesten zijn geulafzettingen aanwezig met een dikke ophooglaag die ter egalisatie van het terrein is aangebracht. Deze laag is circa 130 tot 190 cm dik. Daarbij zijn de resterende geulafzettingen circa 30-60 cm dik en daarmee waarschijnlijk te dun om archeologische resten te verwachten. Vanwege de ligging in een geul met een hoge mate van verstoring is in het noordwesten van het plangebied de aanwezigheid van intacte archeologische resten niet waarschijnlijk.
49
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Het plangebied ligt op de Winssen stroomrug, op de rand van een crevasse- of hoogwatergeul vanuit de Waal.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? Er zijn binnen de bodemopbouw geen archeologisch relevante niveaus aan te wijzen. Deze zijn namelijk door graafwerkzaamheden op het terrein aangetast.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Zie antwoord vraag 2.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is vastgesteld dat in het plangebied sprake is van een lage archeologische verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten uit de periode Neolithicum-Nieuwe tijd. Voor de periode Laat-Paleolithicum-Mesolithicum geldt geen archeologische verwachting.
50
12. Conclusie en Advies Conclusie • Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied zich op de Winssen stroomrug bevindt. Deze stroomrug is actief geweest gedurende het Neolithicum. Vanaf het begin van de activiteit van de rivier hebben de oevers mogelijk een gunstige locatie voor bewoning gevormd, vanwege de relatief hoge en droge ligging. Dit wordt bevestigd door de aanwezigheid van archeologische vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied uit de periode IJzertijd–Middeleeuwen. Met name ten zuidoosten van het plangebied is sprake van een omvangrijke vindplaats met resten uit de periode IJzertijd-Vroege Middeleeuwen. Deze is gekoppeld aan een oude woongrond, die daar in het gebied gelegen is. Ook bevindt het plangebied zich deels in een hoogwater- of crevassegeul, die waarschijnlijk sinds de IJzertijd tot stand is gekomen (aangezien toentertijd de Waal is ontstaan). De afzettingen die vanaf deze hoogwatergeul langs het plangebied zijn afgezet, zijn eveneens indicatief voor het voorkomen van vindplaatsen uit de periode vanaf de IJzertijd. De vraag is echter alleen of en waar deze afzettingen zich bevinden, aangezien een groot deel van het plangebied juist onderdeel lijkt te zijn geweest van een geul. Wanneer dat het geval is, is dat deel van het plangebied waarschijnlijk te nat en dus ongeschikt geweest voor bewoning.
Voor wat betreft de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd is de verwachting laag. In een dergelijk gebied langs een geul moet de bewoning redelijk plaats vast zijn geweest. Op historische kaarten staat zowel ten zuiden als ten oosten van het plangebied bebouwing. Deze bebouwing is waarschijnlijk terug te voeren tot het begin van de Nieuwe tijd, en mogelijk zelfs tot in de Late Middeleeuwen. Op het AHN is te zien dat beide bouwwerken op aarden verhogingen zijn aangelegd. Dergelijke verhogingen zijn niet zichtbaar ter hoogte van het plangebied, waar op kaarten uitsluitend sprake lijkt te zijn geweest van bouwland, weiland en boomgaard. De kans om zodoende bewoningsresten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd te vinden in het plangebied is klein. Uit het Paleolithicum-Mesolithicum zijn geen archeologische resten te verwachten. Deze resten zullen als gevolg van de rivieractiviteit van de Waal in het gebied zijn geërodeerd. • Op grond van het veldonderzoek is de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek naar laag bij te stellen. De oeverafzettingen in het zuiden van het plangebied blijken te zijn geëgaliseerd en afgegraven, waarbij de top en tevens het archeologisch relevante deel van de bodem verstoord is geraakt. Hoeveel er exact verdwenen is, valt lastig te stellen.
Uit het onderzoek ten zuidoosten van het plangebied blijkt dat er op de sterk zandige klei van de oeverafzettingen nog een laag sterk siltige klei aanwezig moet zijn, waar zich in de top een vegetatieniveau zou moeten bevinden (Van Sas, 2023). Deze zou daar op 7,2 m NAP of hoger moeten liggen. De klei en het vegetatieniveau ontbreken in het plangebied, evenals een eventuele cultuurlaag. Gezien de hoogteligging van de klei in het plangebied (6,9-7,1 m NAP) lijkt er in het zuidoosten minimaal 10-30 cm te zijn verdwenen, maar lithologisch gezien waarschijnlijk meer. In combinatie met de verblauwing (boring 4) is de kans op goed geconserveerde archeologische resten in dit deel van het plangebied klein. In het noordwesten zijn geulafzettingen aanwezig met een dikke ophooglaag die ter egalisatie van het terrein is aangebracht. Deze laag is circa 130 tot 190 cm dik. Daarbij zijn de resterende geulafzettingen circa 30-60 cm dik en daarmee waarschijnlijk te dun om archeologische resten te verwachten. Vanwege de ligging in een geul met een hoge mate van verstoring is in het noordwesten van het plangebied de aanwezigheid van intacte archeologische resten niet waarschijnlijk. Advies Voor het plangebied zijn in het kader van de voorgenomen nieuwbouw geen aanvullende maatregelen nodig. Op grond van het onderzoek geldt een lage archeologische verwachting. Ook is het de 51
verwachting dat graafwerkzaamheden voor de woning niet beneden de verstoorde bodemlaag zullen reiken. Geadviseerd wordt om het plangebied voor wat betreft archeologie vrij te geven. Op het moment dat onverhoopt toch archeologische zaken worden aangetroffen, geldt een wettelijke meldingsplicht conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10 en 5.11, deze vondsten te melden bij de bevoegde overheid (gemeente Beuningen). Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Beuningen) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied..
52
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden: • Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. • Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. • www.ruimtelijkeplannen.nl • archis.cultureelerfgoed.nl • www.kadastralekaart.com • www.archieven.nl • www.pdok.nl • www.ahn.nl • Bodemkaart van Nederland 1:50.000 (Stiboka) • Geomorfologische kaart van Nederland • www.bodemloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • www.kadaster.nl • www.dinoloket.nl • landschapinnederland.nl/bronnen-en-kaarten/archeologische-landschappenkaart • beeldbank.cultureelerfgoed.nl • www.topotijdreis.nl • library.wur.nl/WebQuery/geoportal/raf • www.ikme.nl • www.tracesofwar.com • www.euroradar.nl/explosieven-opsporing/ruimingskaart/ Lijst met afbeeldingen Figuur 1 Ligging van het plangebied (bron: www.pdok.nl) Figuur 2: Uitsnede van de kaart van La Fevre (1744; bron: www.archieven.nl). Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 3: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-1832. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Figuur 4: Uitsnede van een topografische kaart uit 1880. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 5: Uitsnede van een topografische kaart uit 1925. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven.
Figuur 6: Uitsnede van een topografische kaart uit 1950. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 7: Uitsnede van een topografische kaart uit 1975. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 8: Uitsnede van een topografische kaart uit 1995. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Figuur 9: Uitsnede van een luchtfoto uit 2019. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven (bron: www.pdok.nl). Figuur 10: Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (17-11-2023).
53
Literatuur As, S. van, 2023. Ewijk (gem. Beuningen) Hoge Woerd. Aanvullende proefsleuven (IVO-p, fase 2). BAAC-rapport A-21.1049 Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade. Bakker, T., 2022. Transect-rapport 3270: Een archeologisch inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven, karterende en waarderende fase. Ewijk, Vordingstraat tussen 39 en 39C. Gemeente Beuningen. Transect-rapport 3270. Bennema, J. & L.J. Pons, 1952, Donken, fluviatiel Laagterras en Eemzee-afzettingen in het westelijk gebied van de grote rivieren. Boor en Spade 5: 126-137. Benerink, G. M. H., 2019. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van grondboringen 'Plangebied Vordingstraat 28', Ewijk, Gemeente Beuningen. SOB Researchrapport 2690-1908. Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het land. Assen (Fysische geografie van Nederland). Vierde, geheel herziene druk. Berendsen, H.J.A./ E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the Rhine-Meuse delta, the Netherlands. Assen. Blom, E & L.M.B. van der Feijst, H.A.P. Veldman, 2012. Bewoning en begraving in Ewijk, een proefsleuvenonderzoek en opgraving in Keizershoeve II. ADC-rapport 3150. Boshoven, E.H., 2004. Ewijk, Den Aalst: Inventariserend archeologisch veldonderzoek, karterende fase. BAAC-rapport 04.092. Broeke, E.M. ten, 2016.
Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Koningstraat (ong.) te Ewijk. Econsultancy-rapport 1433.001. Broeke, E.M. ten, 2020. Eindrapportage archeologisch vooronderzoek (6583.002) Steeg tussen nr. 1a en 3 te Ewijk. Econsultancy-rapport 6583.002. Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn‐Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. Cruchten, T.S. van, 2021. Transect-rapport 3537: Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven, karterende en waarderende fase. Ewijk, Damweg 8. Gemeente Beuningen. Transectrapport 3537. Dijk, X.C.C. van, 2020. Hoge Woerd, gemeente Beuningen, archeologisch vooronderzoek: proefsleuvenonderzoek. RAAP-rapport 3704. Feijst, L.M.B. van der, 2019. Ewijk, Keizershoeve II, kavel J. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven met aansluitend een Definitief archeologisch onderzoek. ADC-rapport 5054. Haar, L.J. van der & P.C. Teekens, 2013. Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende boringen) Koningsstraat Ewijk, gemeente Beuningen. Oranjewoud-rapport 2013/12.
54
Hartog, M.J., 2020. Transect-rapport 2836: Een inventariserend Veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Ewijk, Koningstraat 27c, Gemeente Beuningen (GD). Transectrapport 2836. Hartog, M.J. & M. Sonneveld, 2020. Transect-rapport 2838: Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Ewijk, Koningstraat 29 en 31, gemeente Beunigen (GD). Transect-rapport 2838. Heunks, E., en F. van Hemmen, 2007. Gemeente Beuningen; een archeologische en cultuurhistorische inventarisatie. Huiskamp, R., 2020. Beuningen, Keizershoeve II cluster 7. ADC-rapport 5219. Kramer, J. de, 2008. Inventariserend veldonderzoek, verkennende fase Vordingstraat, Ewijk Gemeente Beuningen. Becker en Van de Graaf-rapport 07650108/27800. Kremer, H., 2005. Alst 6 te Beuningen. Rapport 173104. Langeveld, M.C.M., 2010. Prehistorische bewoning in Ewijk Plangebied Keizershoeve III (omgeving Klaphekstraat). Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van proefsleuven. ADC-rapport 2401. Loopik, J., 2022. Een omgrachte hoeve aan de Den Alst. ADC-rapport 5751. Melman, J.G.E., 2020. Ewijk, Klaphekstraat (ong.) Gemeente Beuningen (GD) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect Rapport 2639. Melman, J.G.E., 2020.
Transect-rapport 2675: Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek Ewijk, Koningstraat 29 en 31. Transect-rapport 2675. Mol, E., 2020. Transect-rapport 2764: Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Ewijk, Klaphekstraat (ong.), Gemeente Beuningen (GD). Transectrapport 2764. Orbons, J., 2021. Koningsweg, Beuningen. ArcheoPro-rapport 21123. Schorn, E.A., 2014. Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek karterende fase Steeg 4 te Ewijk. Archeodienst-rapport 253. Schute, I.A. & G.H. de Boer, J.A.M. Roymans, 1999. Plangebied Ewijk, gemeente beuningen; een archeologische kartering en waardering. RAAP-rapport 371. Spanjaard, G.W.J. & A.H. Schutte, 2014. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek; Vordingstraat te Ewijk in de gemeente Beuningen. Econsultancy-rapport 14043310. Tuinstra, J.W.D., 2019. Plangebied Vordingstraat 43. Archeologisch vooronderzoek: proefsleuven. RAAP-rapport 4260. Uffink, V. & A.J. Brokke, 2022. Opgraving - variant archeologische begeleiding DN400 drinkwaterleiding Ewijk, gemeente Beuningen. Antea Group Archeologie-rapport 2022/7. Wolff, T., 2021. Transect-rapport 3358: Een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven, karterende en waarderende fase. Ewijk, Koningstraat naast nummer 16. Gemeente Beuningen. Transect-rapport 3358. 55
Bijlage 1: Plantekening
56
Bijlage 2: Archeologische beleidskaart van de gemeente Beuningen
57
58
Bijlage 3: Paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen
59
60
Bijlage 4: Geomorfologie
61
Bijlage 5: Hoogtekaart
62
63
Bijlage 6: Bodemkaart
64
Bijlage 7: Archeologische informatie
65
Bijlage 8: Cultuurhistorische kaart van de gemeente Beuningen
66
67
Bijlage 9: Boorpuntenkaart
Scheiding geul-oever
68
Bijlage 10: Foto’s van boringen Hieronder volgen enkele foto’s van boring 1. De boorkernen op onderstaande foto’s zijn van rechts naar links uitgelegd, waarbij de onderkanten van de boringen naar boven wijzen (per 50 cm). De guts is naar links (het diepste punt) uitgelegd.
Foto van boring 2
Foto's van boring 1
69
Bijlage 11: Boorbeschrijvingen
70
boring: 23964-1 beschrijver: TNA, datum: 17-11-2023, X: 179.109, Y: 430.540, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 39H, hoogte: 7,70, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - kartering, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Beuningen, plaatsnaam: Ewijk, opdrachtgever: BURO Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 7,70 m +NAP Lithologie: klei, sterk zandig, matig humeus, donkerbruingrijs, zandbrokken, spoor wortelresten, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald)
130 cm -Mv / 6,40 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, grijs, zandbrokken, kalkloos, interpretatie: zandige/kleiige geulafzettingen
190 cm -Mv / 5,80 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, zwak grindig, grijs, kalkrijk, interpretatie: beddingafzettingen Bodemkundig: C-horizont Opmerking: slecht gesorteerd
Einde boring op 230 cm -Mv / 5,40 m +NAP
boring: 23964-2 beschrijver: TNA, datum: 17-11-2023, X: 179.135, Y: 430.548, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 39H, hoogte: 7,70, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - kartering, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Beuningen, plaatsnaam: Ewijk, opdrachtgever: BURO Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 7,70 m +NAP Lithologie: zand, sterk siltig, matig humeus, donkerbruingrijs, kleibrokken, spoor wortelresten, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: veel fragmenten bouwpuin (onbepaald)
60 cm -Mv / 7,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, blauwgrijs, zandbrokken, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: verblauwd
130 cm -Mv / 6,40 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, blauwgrijs, enkele zandlagen, kalkloos, interpretatie: zandige/kleiige geulafzettingen Bodemkundig: C-horizont Opmerking: verblauwd
160 cm -Mv / 6,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, kalkrijk, interpretatie: beddingafzettingen Opmerking: slecht gesorteerd
Einde boring op 200 cm -Mv / 5,70 m +NAP
boring: 23964-3 beschrijver: TNA, datum: 17-11-2023, X: 179.122, Y: 430.529, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 39H, hoogte: 7,80, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - kartering, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Beuningen, plaatsnaam: Ewijk, opdrachtgever: BURO Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 7,80 m +NAP Lithologie: klei, sterk zandig, matig humeus, donkerbruingrijs, zandbrokken, spoor wortelresten, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: opgebrachte grond Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald)
120 cm -Mv / 6,60 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, zwak humeus, donkerblauwgrijs, zandbrokken, kalkloos, interpretatie: zandige/kleiige geulafzettingen Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald)
190 cm -Mv / 5,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, grijs, kalkrijk, interpretatie: beddingafzettingen Bodemkundig: C-horizont Opmerking: slecht gesorteerd
Einde boring op 230 cm -Mv / 5,50 m +NAP
1
boring: 23964-4 beschrijver: TNA, datum: 17-11-2023, X: 179.123, Y: 430.512, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 39H, hoogte: 7,90, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - kartering, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Beuningen, plaatsnaam: Ewijk, opdrachtgever: BURO Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 7,90 m +NAP Lithologie: zand, zwak siltig, geelgrijs, spoor wortelresten, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: veel fragmenten bouwpuin (onbepaald)
50 cm -Mv / 7,40 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, blauwgrijs, zandbrokken, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: fragmenten bouwpuin (onbepaald) Opmerking: verblauwd
100 cm -Mv / 6,90 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, lichtbruingrijs, kalkloos, interpretatie: oeverafzettingen Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zwarte vlekken, mangaan, roestvlekken
135 cm -Mv / 6,55 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, groen, kalkrijk, interpretatie: beddingafzettingen Opmerking: slecht gesorteerd
Einde boring op 160 cm -Mv / 6,30 m +NAP
boring: 23964-5 beschrijver: TNA, datum: 17-11-2023, X: 179.143, Y: 430.525, precisie locatie: 1 m, coördinaatsysteem: Rijksdriehoeksmeting, kaartblad: 39H, hoogte: 7,90, precisie hoogte: 1 dm, referentievlak: Normaal Amsterdams Peil, methode hoogtebepaling: AHN bestand, boortype: Edelman-7 cm, doel boring: archeologie - kartering, vondstzichtbaarheid: geen, provincie: Gelderland, gemeente: Beuningen, plaatsnaam: Ewijk, opdrachtgever: BURO Waalbrug, uitvoerder: Transect b.v.
0 cm -Mv / 7,90 m +NAP Lithologie: klei, sterk zandig, sterk humeus, donkerbruingrijs, kleibrokken, spoor wortelresten, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: veel fragmenten bouwpuin (onbepaald)
40 cm -Mv / 7,50 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, matig zandig, blauwgrijs, zandbrokken, kalkloos Bodemkundig: interpretatie: verstoord Archeologie: enkel fragment bouwpuin (onbepaald) Opmerking: verblauwd
80 cm -Mv / 7,10 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: klei, sterk zandig, lichtbruingrijs, kalkloos, interpretatie: oeverafzettingen Bodemkundig: C-horizont Opmerking: zwarte vlekken, mangaan, roestvlekken
130 cm -Mv / 6,60 m +NAP Algemeen: aard bovengrens: abrupt (<0,3 cm) Lithologie: zand, zwak siltig, groen, kalkrijk, interpretatie: beddingafzettingen Opmerking: slecht gesorteerd
Einde boring op 170 cm -Mv / 6,20 m +NAP
2