CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 5 bij motivering - Watertoets

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Leegstraat tussen 18-20 Winssen10.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Weging van het waterbelang Leegstraat 18-20 Winssen

RB-water Smakterveldweg 10 5803 AK Venray E: roel@rbwater.nl T: +31610673067 Projectnummer: Versie: Datum:

2024_rbwater_0XX

Opgesteld door: Ing. R. van den Berg RB-water Smakterveldweg 10 5803 AK Venray E: roel@rbwater.nl W: www.rbwater.nl T: +31610673067 Projectnummer: 2024_rbwater_024 Opgesteld door: R. van den Berg Datum: 17 april 2025 Versie: 2.0

INLEIDING Ten behoeve van de voorgenomen nieuwbouw op een perceel gelegen tussen de Leegstraat 18 en 20 te Winssen heeft RB-water van Buro Waalbrug opdracht gekregen voor het wegen van de waterbelangen (watertoets). Water is één van de sturende principes bij nieuwe ontwikkelingen en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Daarnaast kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Met de Omgevingswet is de term watertoets vervangen door het instrument 'weging van het waterbelang'. Het instrument ‘Weging van het waterbelang’ is onder de Omgevingswet (Art. 2.2) en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Art. 5.37) wettelijk verplicht gesteld voor meer ruimtelijke plannen dan voorheen in de watertoets. Bij nieuwbouwplannen en nieuwe ontwikkelingen dient daarom het waterbelang meegewogen te worden. De weging van het waterbelang zorgt ervoor dat er bij ruimtelijke plannen aandacht is voor de waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit. De gemeentelijke regels over de fysieke leefomgeving uit het omgevingsplan en de waterschapsverordening vormen hiervoor de basis. Om de waterhuishoudkundige consequenties van het plan of omgevingsactiviteit in beeld te brengen en de waterbelangen te waarborgen c.q. te wegen is voor deze situatie navolgende rapportage ‘watertoets’ opgesteld.

Deze rapportage vormt de basis voor het vastleggen van het wateraspect en het weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. In onderhavige rapportage zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het plan gegeven. Hiermee is gegarandeerd dat het waterbelang is meegewogen en dat de specifieke eisen van de waterbeheerders op een goede wijze in het ontwerp worden verwerkt. Aan de hand van de beschreven randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen kan het plan op eenduidige wijze later civieltechnisch worden uitgewerkt en getoetst.

LEESWIJZER

Deze rapportage:  beschrijft in hoofdstuk 1 de plaats en omvang van het project;  gaat in hoofdstuk 2 in op het relevante waterbeleid en regelgeving;  geeft in hoofdstuk 3 een omschrijving van de huidige ruimtelijke kenmerken (omgevingsaspecten);  geeft in hoofdstuk 4 een beschrijving van de verhardingssituatie en watercompensatieopgave;  gaat in hoofdstuk 5 in op de toekomstige waterhuishouding (compensatie, kwaliteit, afvalwater).

INHOUDSOPGAVE 1

PROJECTGEGEVENS .................................................................................................................................. 2 1.1 1.2 1.3

2

WATERBELEID EN REGELGEVING .............................................................................................................. 4 2.1 2.2 2.3

3

LOCATIE EN LIGGING ..................................................................................................................................... 2 HUIDIGE SITUATIE ........................................................................................................................................ 2 TOEKOMSTIGE SITUATIE ................................................................................................................................ 3

RIJKSOVERHEID............................................................................................................................................ 4 WATERSCHAP RIVIERENLAND ......................................................................................................................... 5 GEMEENTE BEUNINGEN ................................................................................................................................ 8

OMGEVINGSASPECTEN .......................................................................................................................... 10 3.1 HOOGTELIGGING ....................................................................................................................................... 10 3.2 BODEMOPBOUW ....................................................................................................................................... 10 3.3 WATERDOORLATENDHEID ........................................................................................................................... 11 3.4 HYDROGEOLOGIE ....................................................................................................................................... 11 3.5 GRONDWATER .......................................................................................................................................... 11 3.6 PEILBEHEER .............................................................................................................................................. 12 3.7 OPPERVLAKTEWATER .................................................................................................................................. 12 3.8 ONTWATERING EN DROOGLEGGING ...............................................................................................................

13 Algemeen ...................................................................................................................................................... 13 Ontwatering.................................................................................................................................................. 14 Drooglegging ................................................................................................................................................ 14 Conclusie ....................................................................................................................................................... 14 3.9 RIOLERING................................................................................................................................................ 14

4

VERHARD OPPERVLAK EN WATERBERGINGSOPGAVE ............................................................................ 15 4.1 4.2

5

VERHARD OPPERVLAK ................................................................................................................................. 15 WATERBERGINGSOPGAVE............................................................................................................................ 16

WATERHUISHOUDING ............................................................................................................................ 17 5.1 RANDVOORWAARDEN EN UITGANGSPUNTEN ................................................................................................... 17 5.2 HEMELWATER ........................................................................................................................................... 17 Algemeen ...................................................................................................................................................... 17 Compensatie ................................................................................................................................................. 17 Lediging en Calamiteit .................................................................................................................................. 19 Kwaliteit ........................................................................................................................................................ 20 Beheer en onderhoud ................................................................................................................................... 20 5.3 WATERSCHAPSVERORDENING.......................................................................................................................

20 5.4 AFVALWATER ............................................................................................................................................ 21

6

SAMENVATTING ..................................................................................................................................... 22

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4.

- Topografische ligging - Gegevens bodemonderzoek - Landschappelijke inpassing beeldkwaliteitsplan - Resultaat digitale watertoets

1

PROJECTGEGEVENS

1.1 Locatie en ligging De planlocatie (ca. 9.315 m²) ligt tussen de Leegstraat 18 en 20 te Winssen en is kadastraal bekend EWK00 G811 en EWK00-G-571. De coördinaten van een centraal punt zijn X = 176.385, Y = 431.750. In figuur 1.1 is de begrenzing van de planlocatie weergegeven. De topografische ligging is opgenomen in bijlage 1.

Figuur 1.1 Begrenzing planlocatie

1.2 Huidige situatie De planlocatie is deels in gebruik als weiland en deels in gebruik ten behoeve van fruitteelt. De locatie is voor zover bekend altijd onbebouwd en onverhard geweest.

2024_rbwater_024

2 / 23

1.3 Toekomstige situatie Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van zes woningen in combinatie met de realisatie van de ontsluiting. In totaal zijn één vrijstaande woning (Tboerderij met bijgebouw in de vorm van een schuur) en 2 twee-onder-een-kap woningen (schuurwoningen) voorzien. In figuur 1.2 is een verbeelding van het planvoornemen weergegeven.

Figuur 1.2 Impressie planvoornemen (bron: landschappelijke inpassing)

2024_rbwater_024

3 / 23

2

WATERBELEID EN REGELGEVING

2.1 Rijksoverheid Nationaal Water Programma 2022 - 2027 De minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken hebben in 2022 het Nationaal Water programma (NWP) 2022 – 2027 vastgesteld. Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is de opvolger van het Nationaal Waterplan 2016-2021 en vervangt dit plan én de partiële herzieningen hiervan. Het NWP beschrijft de hoofdlijnen en ambities van het nationale waterbeleid en het beheer van de Rijkswateren en Rijksvaarwegen. Voor het waterbeleid is het NWP een uitwerking van de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Klimaatverandering, milieuverontreiniging en ruimtedruk vormen de komende jaren grote uitdagingen. Ook moet infrastructuur zoals bruggen en sluizen in stand worden gehouden en waar nodig vervangen of gerenoveerd. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving zoals de energietransitie, woningbouw en de landbouw is noodzakelijk. Het NWP beschrijft hoe we hiermee omgaan en hoe we zorgen dat water een leidend principe is in de ruimtelijke inrichting van Nederland.

Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptie De relevante beleidsontwikkelingen op het gebied van water worden bij het Rijk opgenomen in het Deltaprogramma. Hierin is voor verschillende thema’s beschreven wat het beleid is en hoe het Rijk dat in overleg met overige partners wil gaan bereiken. Het Deltaprogramma bestaat uit verschillende onderwerpen op het gebied van water. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptie het meest relevant, omdat hierin de consequenties van de klimaatontwikkelingen voor Nederland zijn opgenomen, evenals de maatregelen die we moeten nemen om ‘klimaat adaptief’ te worden. Een deel van deze maatregelen zal ruimtelijke impact hebben. Met klimaat adaptief wordt bedoeld: het klimaat veerkrachtig en robuust inrichten van Nederland, gegeven de klimaatontwikkelingen die op ons afkomen. Op basis van de internationale en nationale klimaatmodellen is de verwachting dat het weer in Nederland extremer gaat worden. Dat betekent: meer hevige regenbuien (veel neerslag in korte tijd) en langere periodes met droogte en hitte. Dit heeft consequenties voor de leefbaarheid in steden en dorpen en voor bijna alle (economische) sectoren in Nederland. Met het nemen van klimaat robuuste maatregelen wordt ingespeeld op deze veranderingen waarmee we steden en dorpen leefbaar houden en (economische) schade door wateroverlast, droogte en hitte beperken.

2024_rbwater_024

4 / 23

2.2 Waterschap Rivierenland Waterschap Rivierenland is verantwoordelijk voor het waterbeheer in de gemeente op basis van de volgende wettelijke kerntaken: het zuiveringsbeheer, watersysteembeheer, beheer van dijken en beheer van vaarwegen. Het watersysteembeheer -waaronder grondwater- heeft daarbij twee doelen: zowel de zorg voor gezond water als de zorg voor voldoende water van voldoende kwaliteit. Waterbeheerplan 2022-2027 (WBP) Het beleid en de daarmee samenhangende doelen van het waterschap zijn opgenomen in het waterbeheerplan 2022-2027 (WBP). Het waterbeheerprogramma is een belangrijk instrument, waarmee het waterschap aangeeft welke beleidsdoelen het nastreeft, welke inspanningen het pleegt om dat beleid te realiseren en welke financiele middelen daarmee gemoeid zijn. Met het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' blijft het waterschap op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende schoon water te hebben en om het afvalwater effectief te zuiveren. Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. De langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Het waterbeheerprogramma is het centrale beleidsdocument van het waterschap. Het programma biedt houvast voor bestuurders en ambtenaren.

De doelen en maatregelen in het waterbeheerprogramma zijn opgesteld samen met provincies, gemeenten en andere partijen. Het waterschap houdt rekening met provinciale functies en werkt mee aan het realiseren van provinciale doelen. Waterschapsverordening Om haar taak uit te kunnen voeren kent het waterschap naast haar beleid de waterschapsverordening als regelgeving. Het is een verordening waar gedoogplichten, geboden en verboden in staan. De regels gelden voor handelingen, werkzaamheden en veranderingen die worden uitgevoerd of aangebracht in, op of in de nabijheid van waterkeringen, watergangen en kunstwerken. De waterschapsverordening bevat de ligging en maatvoering van waterstaatkundige werken en waterpartijen, alsmede de onderhoud- en beschermingszones. Dit is omsloten via de bij de verordening behorende legger als kaart. Toename verhard oppervlak of afkoppelen Regenwater dat op een onverharde bodem valt, dringt voor een belangrijk deel in de bodem. Het komt dan uiteindelijk in het grondwater of via ondergrondse afstroming in oppervlaktewater (wegzijging en kwel). Slechts een klein deel stroomt bovengronds af naar het oppervlaktewater. Ter plaatse van verhard oppervlak zal het regenwater nauwelijks of niet in de bodem dringen. Vrijwel al het water stroomt dan direct af naar het oppervlaktewatersysteem en/of naar het rioleringssysteem.

Dit betekent dat bij een flinke regenbui het oppervlaktewatersysteem een grote afvoerpiek moet kunnen opvangen. Voor het uitbreiden van bestaand verhard oppervlak of het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak is toestemming nodig van het waterschap. Indien wordt voldaan aan de regels van afdeling 3.22 van de waterschapsverordening Waterschap Rivierenland dan kan worden volstaan met een melding. Kan niet aan de regels in de waterschapsverordening worden voldaan dan moet een vergunning aangevraagd worden.

2024_rbwater_024

5 / 23

De realisatie van nieuw verhard oppervlak moet waterneutraal worden uitgevoerd. Dit betekent dat voldoende compenserende maatregelen genomen moeten worden, zodat het oppervlaktewatersysteem na het gereedkomen van de verharding niet zwaarder wordt belast dan voordien. Dit kan onder andere bereikt worden door het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen, het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen of het aanleggen van alternatieve voorzieningen zoals wadi’s. Het graven van nieuwe oppervlaktewaterlichamen of het vergroten van bestaande oppervlaktewaterlichamen heeft daarbij ten opzichte van het aanleggen van alternatieve voorzieningen de voorkleur. Nieuwe lozingen van bestaand verhard oppervlak worden aan de beslisboom afkoppelen getoetst. Per geval wordt getoetst of de afvoer van hemelwater moet worden gecompenseerd. Voor het bergen geldt als voorkeursvolgorde: 1. 2. 3.

Waterberging binnen de planlocatie Waterberging in de sloot die regenwater uit de planlocatie afvoert Waterberging binnen hetzelfde peilgebied

Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes, enkele woning, etc., moeten compenseren geldt er een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor landelijk gebied. (Voor kleinere oppervlaktes hoeft dus niet te worden gecompenseerd, bij grotere oppervlaktes mogen de vrijgestelde oppervlaktes daarop in mindering worden gebracht). Waterberging in openwater In feite is waterberging extra ruimte in sloten. Hiermee kan (regen)water uit de omgeving worden opgevangen. Technisch gezien is waterberging de ruimte tussen het zomerwaterpeil in de sloot en de bovenzijde van de oever. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is. Er zijn vuistregels (normbuien) vastgesteld voor de benodigde waterberging in ruimtelijke plannen. Voor berekening van de benodigde waterberging voor ruimtelijke ontwikkelingen is in principe de bui T=10+10% maatgevend. Daarbij geldt als vuistregel dat er 436 m3 waterberging nodig is per hectare verharding. Deze vuistregel geldt alleen bij waterberging in openwater. Bij een bui T=10+10% mag het waterpeil in de sloot in principe 0,30 meter stijgen. Dit is een regenbui die, volgens de statistieken, eenmaal per 10 jaar optreedt met 10% opslag vanwege klimaatsverandering.

In het gebied Alblasserwaard en Vijfheerenlanden geldt voor die situatie een maximaal toelaatbare peilstijging van 0,20 meter vanwege de beperkte drooglegging in het gebied. Bij een regenbui (T100+10%) die op basis van de statistieken eenmaal per 100 jaar voorkomt (let op: dit is toch elk jaar weer 1% kans!), mag het waterpeil stijgen tot de laagste putdekselhoogte op wijkniveau.

Figuur 2.1 Waterberging in openwater

2024_rbwater_024

6 / 23

Waterberging in alternatieve voorzieningen Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi’s of kratten, geldt als vuistregel dat er 664 m3 waterberging nodig is per hectare verharding. Richtlijnen waterberging samengevat Tabel 2.1 Richtlijnen waterberging

Verhard oppervlak

Extra waterberging nodig?

Afname verhard oppervlak ten opzichte van bestaande situatie Toename verhard oppervlak, met mogelijkheid om te infiltreren

nee Niet wanneer gebruik gemaakt wordt van een infiltratievoorziening. In het rivierengebied is infiltreren op de meeste plaatsen niet mogelijk. Ja. Vuistregel: 436 m3 waterberging per hectare verharding voor compensatie in openwater of 664 m3 waterberging per hectare verharding voor compensatie in een technische voorziening (bv. in wadi’s of kratten).

Stedelijk gebied: Toename verharding plangebied tot 5 ha

landelijk gebied: Toename verharding plangebied tot 5 ha

Stedelijken/of landelijk gebied: Toename verharding plangebied > 5ha

2024_rbwater_024

Bent u particulier? Dan bestaat er de mogelijkheid van een eenmalige vrijstelling van 500 m2 aan te vragen indien u deze niet eerder heeft benut. Er is dan geen compenserende waterberging nodig. In alle andere gevallen dient u compenserende maatregelen te treffen. De afdeling Vergunningen van Waterschap Rivierenland toetst of u in aanmerking komt voor de vrijstelling. Ja. Vuistregel: 436 m3 waterberging per hectare verharding voor compensatie in openwater of 664 m3 waterberging per hectare verharding voor compensatie in een technische voorziening (bv. in wadi’s of kratten). Bent u particulier? Dan bestaat er de mogelijkheid van een eenmalige vrijstelling van 1.500 m2 aan te vragen indien u deze niet eerder heeft benut. Er is dan geen compenserende waterberging nodig. In alle andere gevallen dient u compenserende maatregelen te treffen. Ja, maatwerkberekening via model (in overleg met waterschap)

7 / 23

2.3 Gemeente Beuningen Beleidsplan Water en Riolering (2023 – 2027) Het waterbeleid van de gemeente Beuningen is onder meer vastgelegd in het beleidsplan Water en Riolering (2023 – 2027). In dit beleidsplan zijn de ambities en doelen voor het watersysteem vastgelegd en wordt een nadere invulling gegeven de watertaken en zorgplichten van de gemeente. Dit nieuwe beleidsplan wordt opgenomen onder de Omgevingswet en vormt de input voor de omgevingsvisie, omgevingsprogramma's en het omgevingsplan. De gemeentelijke zorgplichten voor stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater zijn opgenomen in de Wet milieubeheer en de Waterwet. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is dit opgenomen in artikel 2.16 Ow (lid1a). ledere terreineigenaar is volgens artikel 3.5 van de Waterwet verantwoordelijk voor het verwerken van het hemelwater op het eigen terrein. Pas als dit redelijkerwijs niet mogelijk is (door grondwater standen en/of infiltratiecapaciteit) heeft de gemeente de verantwoordelijkheid voor het inzamelen en verwerken van dit hemelwater, mits doelmatig. Volgens artikel 3.6 van de Waterwet is iedere terreineigenaar daarnaast verantwoordelijk voor de ontwatering van het eigen terrein. Pas als dit redelijkerwijs niet mogelijk is treft de gemeente maatregelen in openbaar gebied, mits doelmatig en dit geen taak is van waterschap of provincie.

Het gaat hierbij om situaties waarbij de gevolgen van de grondwaterstanden een terugkerend schadelijk karakter hebben. Verordening op afvoer van grond- en hemelwater De eisen bij verwerken hemelwater op eigen terrein bij nieuwbouw, gedifferentieerd naar omvang ontwikkeling, gebiedsgericht zijn opgenomen in de Verordening op afvoer van grond- en hemelwater. De Verordening op afvoer van grond- en hemelwater is met terugwerkende kracht vanaf 31-12-2022 geldend van 21-06-2024 t/m heden. Met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater mag geen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool worden geloosd, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden. Vanwege de klimaatontwikkelingen, waardoor steeds vaker steeds heftigere buien vallen, is het nodig dat ook particulieren een bijdrage leveren aan het vasthouden van dit regenwater op het eigen terrein. Daarom kiest de gemeente er voor om bij nieuwbouw in alle gevallen een waterberging verplicht te stellen. Deze verplichting geldt ook bij sloop/herbouw. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is gerelateerd aan de totale omvang van het verharde oppervlak op het perceel. Dat is de optelsom van alle bebouwing (het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken) plus alle terreinverharding, zoals terrassen.

Als de totale omvang van het verhard oppervlak op het perceel niet meer is dan 500 m2, moet de capaciteit van de hemelwaterberging 10 liter per m2 verhard oppervlak zijn (oftewel 10 mm). Bij grotere projecten is de minimale capaciteit 43,6 liter per m2 verhard oppervlak. Voor nieuwbouw boven 500 m2 is op grond van de keur van het waterschap vaak al compenserende waterberging verplicht. Deze waterberging wordt vaak in de vorm van nieuw oppervlaktewater gerealiseerd. Als dat zo is, geldt op grond van deze verordening nog steeds de verplichting om 10 liter per m2 verhard oppervlak op eigen terrein te bergen. De gemeente stelt deze eis om particuliere eigenaren meer te betrekken bij de klimaatopgave en een grotere bewustwording over deze problematiek te creëren.

2024_rbwater_024

8 / 23

De eis van het waterschap geldt niet bij sloop/herbouw. De eis van het waterschap is immers alleen van toepassing op de toename van verharding. Maar juist sloop/herbouw is een uitgelezen kans om berging te realiseren. Daarom stelt de gemeente wel de eis dat bij de grotere sloop/herbouw-projecten 43,6 mm waterberging wordt gerealiseerd. Een waterberging heeft alleen het gewenste effect als deze het opgevangen hemelwater enige tijd vasthoudt. Maar niet te lang, want de waterberging moet wel weer beschikbaar zijn als de volgende bui zich aandient. Daarom moet de waterberging zo moet worden ontworpen dat deze binnen een 1 tot 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is. De eis aan de ledigingstijd is niet van toepassing op waterbergingsvoorzieningen die zijn bedoeld voor hergebruik van het opgevangen hemelwater. Voor dergelijke voorzieningen is het juist gewenst dat het water zo lang mogelijk wordt vastgehouden. Via de bovenstaande regels om te voorzien in een minimale waterbergingscapaciteit per m2 verhard oppervlak, wordt hemelwater langer vastgehouden op eigen terrein waardoor de belasting op de openbare riolering door de (extra) verharding wordt gecompenseerd.

2024_rbwater_024

9 / 23

3

OMGEVINGSASPECTEN

In dit hoofdstuk wordt de regionale geohydrologische situatie van de planlocatie beschreven. Hierbij wordt ingegaan op aspecten als bodemopbouw, grondwater, waterbeheer (peilbeheer en aan- en afvoer van water), waterveiligheid en riolering.

3.1 Hoogteligging Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland1 (AHN), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van 7,30 tot 7,40 m +NAP. In figuur 3.1 is een uitsnede van het AHN weergegeven.

Figuur 3.1 Uitsnede Actueel Hoogtebestand van Nederland (Bron: AHN_4)

3.2 Bodemopbouw De originele bodem bestaat, volgens de bodemkaart van Nederland, uit een kalkhoudende poldervaaggrond (Rn95A), die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit een bouwvoor bestaande uit zware zavel en lichte klei.

1

www.ahn.nl

2024_rbwater_024

10 / 23

Op basis van een op locatie uitgevoerd bodemonderzoek2 blijkt de bodem vanaf maaiveld/onderzijde halfverhardingen tot circa 1,0 m -mv over het algemeen te bestaan uit zwak zandige klei. Hieronder is tot de maximaal geboorde diepte van 3,2 m -mv hoofdzakelijk zwak tot sterk siltige klei aanwezig. Plaatselijk is in de ondergrond zwak tot sterk zandige klei aangetroffen. In bijlage 2 zijn de gegevens van het bodemonderzoek weergegeven.

3.3 Waterdoorlatendheid De waterdoorlatendheid op de planlocatie is in-situ niet onderzocht. Op basis van ervaring is waterdoorlatendheid van de aanwezige kleiige deklaag zeer beperkt.

3.4 Hydrogeologie Om inzicht te krijgen in de gelaagdheid van goed doorlatende en slecht doorlatende lagen (hydrogeologische eenheden) van de (diepe) bodem is gebruik gemaakt van het REGIS II v2.2 en GeoTOP v1.6 model van uit het BROloket. Beide modellen geven op een schematische wijze inzicht in de hydrogeologische opbouw en doorlatendheid van de ondergrond op een regionale schaal. In tabel 3.1 is de hydrogeologische opbouw van de ondergrond op schematische wijze weergegeven. Tabel 3.1 Hydrogeologie

Diepte (m -mv) 0-3,5 3,5-24 24-60 60-64

3.5

Formatie

Typering

Bodem

Echteld DKL klei Kreftenheye WVL midden en grof zand Peize-Waalre WVL midden en grof zand Waalre SDL zandige klei, klei DKL = deklaag, WVL = watervoerende laag, SDL =slecht doorlatende laag

Grondwater

Veranderingen in de grondwaterstand (stijghoogte) worden voornamelijk veroorzaakt door neerslag en verdamping, maar ook door ingrepen in de waterhuishouding. De stijghoogte kan daardoor van dag tot dag verschillen. Voor beleid, vergunningen en het bepalen van ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand). Binnen de beschikbare literatuur zijn in de directe nabijheid van de planlocatie geen bruikbare grondwaterdata beschikbaar. Voor de bepaling van de locatie specifieke grondwaterkarakteristieken is gebruik gemaakt van historische grondwaterdata van grondwatermeetpunten uit de omgeving. De historische meetreeksen van de gebruikte grondwatermeetpunten zijn geïnterpoleerd naar de planlocatie.

2

Verhoeven Milieutechniek BV, ‘ Diverse (bodem)onderzoeken Leegstraat 18-20 te Winsen, projectnummer B24.9418 versie: 01

2024_rbwater_024

11 / 23

In aanvulling op gegevens van grondwatermeetpunten uit de omgeving is gebruik gemaakt van gegevens uit de KlimaatEffectAtlas (KEA) en de grondwaterspiegeldieptekaart van de Basis registratie ondergrond (BRO). Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in westelijke tot noordwestelijke richting. Op basis van de beschikbare gegevens alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor de planlocatie ingeschat dat de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) is gelegen op ca. 6,5 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op ca. 0,8 tot 0,9 m -mv bevinden. Ten tijde van de grondwaterbemonstering van het op locatie uitgevoerde veldonderzoek3 is op 28-02-2025 een grondwaterstand gemeten op 0,73 tot 0,74 m -mv. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin- of intrekgebied. Het intrekgebied van waterwingebied Druten ligt op de kruising Leegstraat-Betenlaan ca. 160 m ten zuiden van de planlocatie.

3.6 Peilbeheer De planlocatie is gelegen in peilgebied QVU16. In dit peilgebied geldt een zomerpeil van 6,15 m +NAP en een winterpeil van 6,00 m +NAP.

3.7 Oppervlaktewater Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem. Op de leggerkaart van waterschap Rivierenland zijn de in de directe omgeving van de planlocatie gelegen oppervlaktewateren weergegeven. Aan de oostzijde wordt de planlocatie begrensd door een secundaire watergang (code: 421863) die parallel aan de Leegstraat is gelegen. De watergang heeft een beschermingszone vanaf de insteek van 1 meter. In figuur 3.2 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven.

3

Verhoeven Milieutechniek BV, ‘ Diverse (bodem)onderzoeken Leegstraat 18-20 te Winsen, projectnummer B24.9418 versie: 01

2024_rbwater_024

12 / 23

Figuur 3.2 Uitsnede legger oppervlaktewater (bron: waterschap Rivierenland)

3.8 Ontwatering en drooglegging Algemeen Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten en droogleggingseisen. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.

Figuur 3.3 Ontwatering en drooglegging

2024_rbwater_024

13 / 23

Ontwatering De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand (figuur 3.3). Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn opgenomen in tabel 3.2. Tabel 3.2 Normen voor ontwateringsdiepte

Ontwatering

Norm

Woningen met kruipruimte Woningen zonder kruipruimte Tuinen en openbare groenvoorzieningen Primaire wegen Secundaire wegen en woonstraten

0,7 m -vloerpeil 0,3 m -vloerpeil 0,5 m -mv 1,0 m -wegas 0,7 m -wegas

Drooglegging De grondwaterstand (ontwateringsdiepte) wordt mede bepaald door de drooglegging van een gebied. Drooglegging is het verschil tussen het oppervlaktewaterpeil en de maaiveldhoogte (figuur 3.3). Voor het maaiveld geldt een drooglegging van 0,70 m, voor het straatpeil een drooglegging van 1 m en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 m. Conclusie Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van ca. 7,30 tot 7,40 m +NAP. De GHG is ingeschat op 6,5 m +NAP (0,8 tot 0,9 m -mv). De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. De drooglegging bedraagt, uitgaande van zomerpeil van 6,15 m +NAP, 1,2 m. Met een bouw- of vloerpeil die minimaal 20 cm hoger is gelegen dan het naast gelegen wegpeil wordt ook voldaan aan de droogleggingseisen.

3.9 Riolering De percelen rondom de planlocatie zijn in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk drukriool. Vanwege de doelmatige werking van een druk riolering is het niet toegestaan om hemelwater hierop af te voeren.

2024_rbwater_024

14 / 23

4

VERHARD OPPERVLAK EN WATERBERGINGSOPGAVE

4.1 Verhard oppervlak De planlocatie is deels in gebruik als weiland en deels ten behoeve van fruitteelt. De locatie is daardoor volledig onbebouwd en/of onverhard. Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van zes woningen in combinatie met de realisatie van de ontsluiting. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak wordt vooralsnog uitgegaan van een oppervlak van 4.325 m2 (met inbegrip van bijgebouwen, erf verharding en/of bestrating). De oppervlakten zijn bij benadering en bepaald aan de hand van de landschappelijke inpassing uit het beeldkwaliteitsplan zoals opgenomen in bijlage 3. In het kader van de watertoets wordt 25 % van het netto perceeloppervlak (perceeloppervlak - bebouwing) van kavel 1 (T-boerderij) beschouwd als aanname voor het toekomstig verhard oppervlak van bijbouwen en tuin/erfverharding. Voor kavels 2 t/m 5 (schuurwoningen) is uitgegaan van een verhardingspercentage van 50% van het netto perceeloppervlak. In tabel 4.1 staan de oppervlakten van de toekomstige bebouwing(en) en verhardingen weergegeven. In figuur 4.1 is de verdeling van de oppervlakten weergegeven. Tabel 4.1 Gegevens verhard oppervlak

Kavel/overig

Bebouwing (m2)

1 415 2 140 3 140 4 180 5 180 Ontsluiting Totaal 1.055 * 25 % van het netto perceeloppervlak ** 50 % van het netto perceeloppervlak

Oprit (m2)

Erf (m2)

Totaal (m2)

355 90 90 90 90

555* 320** 325** 395** 335**

715

1.930

1.325 550 550 665 605 630 4.325

Figuur 4.1 Verdeling oppervlakten

2024_rbwater_024

15 / 23

4.2 Waterbergingsopgave De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Waterberging in openwater Voor berekening van de benodigde waterberging hanteert het waterschap, bij waterberging in openwater, een waterberging van 436 m3 per hectare verharding. Een waterberging van 436 m3 per hectare verharding is overeenkomstig met een maatgevende bij een bui T=10+10%. In een dergelijke situatie mag het waterpeil maximaal 0,30 meter stijgen. Uitgaande van een waterberging in openwater bedraagt de compensatieopgave op basis van het toekomstig verhard oppervlak van 4.325 m2 ca. 189 m3. Bij een peilstijging van 0,3 meter is dit overeenkomstig met een te compenseren oppervlak of aanleg van openwater van 630 m2. Wanneer waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater geldt op grond van de hemelwater verordening van de gemeente nog een aanvullende verplichting om 10 liter per m2 verhard oppervlak op eigen terrein te bergen (zie tabel 4.2). Tabel 4.2 Berging op eigen perceel bij compensatie in openwater

Verhard Compensatie Berging (m3) 2 2 oppervlak (m ) (l/m )* 1 1.325 10 13 2 320 10 5,5 3 325 10 5,5 4 395 10 6,5 5 335 10 6 Totaal 3.695 10 37 * Verplichting 10 liter per m2 verhardoppervlak bergen op eigen Kavel/overig

Waterberging alternatieve voorzieningen Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi’s of kratten, geldt als vuistregel dat er 664 m3 waterberging nodig is per hectare verharding. Uitgaande van watercompensatie in een kunstmatige voorziening bedraagt de compensatieopgave op basis van het toekomstig verhard oppervlak van 4.325 m2 ca. 287 m3. Wanneer per hectare verharding wordt voldaan aan een berging van 664 m3 wordt vanuit de gemeente geen aanvullende waterberging verplicht gesteld.

2024_rbwater_024

16 / 23

5

WATERHUISHOUDING

5.1 Randvoorwaarden en uitgangspunten In het kader van de planontwikkeling is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat de gangbare watertoets-procedure gevolgd moet worden. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het resultaat van de digitale watertoets is opgenomen in bijlage 4. Het toets resultaat is onderdeel van de watertoets-procedure. Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:

          

Toepassen voorkeursvolgorde waterkwantiteit (vasthouden, bergen en afvoeren); Toepassen voorkeursvolgorde waterkwaliteit (schoonhouden, scheiden, zuiveren); Niet afwentelen op anderen in ruimte en tijd; Verhard oppervlak 4.325 m2. Compensatie openwater: 630 m2 + 10 liter per m2 verhard oppervlak op eigen terrein; Compensatie alternatieve voorziening: 287 m3 Aanlegdiepte bergingsvoorzieningen boven de GHG; GHG 6,5 m +NAP; Een demping moet voor 100% gecompenseerd worden; Calamiteit in beschouwing nemen (mag niet tot overlast leiden); Geen gebruik van uitlogende (bouw)materialen.

5.2 Hemelwater Algemeen Water wordt bij de verdere planuitwerking expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing genomen en op een duurzame wijze verwerkt. In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Compensatie Het plan voorziet in de mogelijkheid om op het voorterrein, tussen de kavels en de toekomstige ontsluiting, een alternatieve voorziening aan te leggen in de vorm van een wadi. Om inzicht te krijgen in het ruimtebeslag die bij een dergelijke (potentiële) voorziening hoort, is navolgend een voorziening indicatief uitgewerkt. Er is vooralsnog gekozen voor de aanleg van een wadi omdat een wadi controleerbaar en gemakkelijk beheerbaar is. Met de aanleg van een wadi wordt daarnaast voorkomen dat een doodlopende watergang wordt aangelegd. Ook zijn geen aanvullende waterbergende maatregelen op perceel nodig. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,4 meter en een talud van 1 op 3 aan de zijde van de kavels en een talud van 1:2 aan de zijde van de ontsluitingsweg kan, met inachtneming van een waking van 5 cm (waterhoogte 0,35 m), de volledige wateropgave worden geborgen.

2024_rbwater_024

17 / 23

De beschikbare bergingscapaciteit is berekend met behulp van de formule van de afgeknotte piramide. Hemelwater zal, indien mogelijk, zichtbaar worden afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Afhankelijk van de lokale bodemgesteldheid kunnen extra voorzieningen worden aangebracht om bijvoorbeeld de infiltratiecapaciteit van de bodem te vergroten (verbeterde grond), wateroverlast te voorkomen (aggregaat en/of slokops). Bij toepassing van een waterbergend aggregaat onder de wadi zoals infiltratiekoffers, grind, lava of schelpen kan extra water worden geborgen. Indien een waterbergend aggregaat wordt toegepast kan afhankelijk van de omvang en het waterbergend vermogen van het toegepaste aggregaat (porositeit) het benodigde oppervlak van de wadi daarop worden aangepast (minder breedte benodigd). Ook kan ervoor gekozen worden om de wadi dieper aan te leggen, of uit te gaan van een steiler talud. De bodem van de wadi als ook de onderzijde van een eventueel toegepast aggregaat dient daarbij ten aller tijde boven de grondwaterstand (GHG) te liggen om verlies van berging te voorkomen. Ook kan per strekkende meter meer berging worden gerealiseerd door in plaats van het toe passen van duikerverbindingen de inritten uit te voeren met een brugconstructie.

De wadi zal bij het verdere planproces op basis van situatie en gemaakte keuzes nog nader worden uitgewerkt. In tabel 5.1 zijn enkele kengetallen van de wadi’s opgenomen. Figuur 5.1 geeft een indicatieve doorsnede/impressie van de wadi weer. In figuur 5.2 is de situering van de wadi weergegeven. Tabel 5.1 Kengetallen wadi’s

Wadi

A B C

Lengte insteek (m) 77 39,5 17,5

Breedte insteek (m) 7,5 7,5 7,5

Diepte (m) 0,4 0,4 0,4

Talud kavelzijde 1: 3 3 3

Talud zijde ontsluitingsweg 1: 2 2 2 Totaal

Oppervlak insteek (m2) 577,5 296,25 131,25 1.005

Oppervlak bodem (m2) 408 202 83 693

Inhoud (m3) 170 85 35 290

Figuur 5.1 Doorsnede/impressie wadi (bron: Groen blauwe netwerken)

2024_rbwater_024

18 / 23

Figuur 5.2 Situering wadi’s

Lediging en Calamiteit De ledigingscapaciteit of ledigingstijd wordt naast de doorlatendheid van de bodem mede bepaald door het infiltratieoppervlak van een voorziening. De ledigingstijd is de tijd die nodig is om een hemelwatervoorziening te ledigen wanneer deze volledig gevuld is. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw en zintuiglijk beschreven textuur zullen de lokale infiltratiemogelijkheden zeer beperkt zijn. Vanuit de toekomstige hemelwatervoorziening zal (hemel)water vertraagd worden afgevoerd op het oppervlaktewater. De vertraagde afvoer dient afgestemd te worden op de landelijke afvoernorm en mag niet meer bedragen dan 1,5 l/s/ha. De vertraagde afvoer kan gerealiseerd worden door middel van de aanleg van een drain onder de bodem van de wadi of door middel van de aanleg van een put met overstort en vertraagde afvoer. Het beschreven systeem is dusdanig robuust dat een situatie waarbij 66,4 mm neerslag valt geborgen kan worden. In een situatie waarbij in een korte tijd meer regen valt kan overtollig water overstorten op de secundaire watergang (code: 421863) die parallel aan de Leegstraat is gelegen. Om tijdens sterke regenval overstroming van de wadi te voorkomen kan de wadi worden voorzien van kolken, ook wel slokops genoemd. De slokops kunnen direct op een infiltratie/drainbuis aangesloten.

2024_rbwater_024

19 / 23

Als het water boven het niveau van de slokop stijgt, stroomt het water via de slokop naar de drain en wordt water afgevoerd naar het oppervlaktewater. Daarnaast kan overtollig regenwater ook bovengrondse worden afgevoerd. Afvoer vind dan plaats op het laagste ;punt van de wadi. Door het laagste punt van de wadi nabij het oppervlaktewater aan te leggen kan overtollig water vanuit de wadi via maaiveld overstorten op de nabij gelegen watergang. De overstort kan ook worden gerealiseerd door middel van de aanleg van een putconstructie met overstort. Kwaliteit Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk. Beheer en onderhoud Om de werking van het hemelwatersysteem te borgen en hinder te voorkomen is goed onderhoud van belang. Onderhoud aan een wadi zal jaarrond plaats moeten vinden en zal worden vastgelegd in een beheer- en onderhoudsplan.

Hierin zullen onder andere de volgende 3 aspecten worden opgenomen:  Preventief onderhoud: maaien van gras (wekelijks of twee wekelijks) of indien sprake is van vaste planten of wilde bloemen snoei werkzaamheden en wieden (tijdens groeiseizoen), verwijderen van blad en zwerfvuil (maandelijks), het reinigen van uitstroomkolk en overstortput en het doorspuiten van de aanwezige drain (eenmaal per jaar).  Regelmatige visuele inspecties en monitoring op basis waarvan preventief onderhoud kan worden bijgesteld.  Correctief onderhoud: herstellen van beschadigingen aan de grasmat of vegetatie, het verwijderen van vuil of slib (uitvoering o.b.v. visuele inspectie).

5.3 Waterschapsverordening Aan de oostzijde wordt de planlocatie begrensd door een secundaire watergang (code: 421863). De watergang heeft een beschermingszone vanaf de insteek van 1 meter. Voor alle handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc. is in het kader van de waterschapsverordening een vergunning van het waterschap benodigd en zal in overleg aangevraagd moeten worden. Ten aanzien van het beoogde planvoornemen zullen zeer waarschijnlijk voor de onderstaande onderdelen een watervergunning worden aangevraagd of geldt tenminste een meldingsplicht:

   

Toename verhard oppervlak; Lozen van hemelwater op het oppervlaktewater; Tijdelijke grondwateronttrekkingen; Tijdelijke lozingen van bemalingswater.

2024_rbwater_024

20 / 23

5.4 Afvalwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld en verwerkt. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van onderstaande uitgangspunten:  Gemiddelde woningbezetting: 2,7 inwoners;  Gemiddeld waterverbruik: 150 l/inw./dag;  Piekbelasting: 15 l/inw./uur. Conform het planontwerp worden in totaal 5 woningen gerealiseerd. Dit komt overeen met een gemiddeld waterverbruik van ca. 2,025 m³/dag en een piekbelasting van 0,2025 m3/uur. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. De percelen rondom de planlocatie zijn in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk drukriool. vanwege de doelmatige werking van een druk riolering is het niet toegestaan om hemelwater hierop af te voeren. Bij het verdere planproces zal bekeken worden of het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) in de toekomstige situatie kan worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal daarbij in overleg met de gemeente plaatsvinden. Uit nader onderzoek en aanvullende berekeningen zal inzichtelijk gemaakt moeten worden of het bestaande drukriool over voldoende capaciteit beschikt.

Indien de capaciteit van het bestaande riool niet voldoende is zal naar een andere oplossingsrichting gezocht moeten worden.

2024_rbwater_024

21 / 23

6

SAMENVATTING

Bestaande situatie De planlocatie is deels in gebruik als weiland en deels ten behoeve van fruitteelt. De locatie is daardoor volledig onbebouwd en/of onverhard. De lokale bodem bestaat vanaf maaiveld/onderzijde halfverhardingen tot minimaal 3,0 m -mv uit zwak tot sterk siltige klei of zandige klei. De lokale waterdoorlatendheid is zeer beperkt. Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van ca. 7,30 tot 7,40 m +NAP. De GHG is ingeschat op 6,5 m +NAP (0,8 tot 0,9 m -mv). De ontwatering is ten aanzien van huidige maaiveldniveau voldoende. Om instroming van hemelwater vanuit de omgeving te voorkomen wordt geadviseerd om de toekomstige bouwpeilen minimaal 20 tot 30 cm hoger aan te leggen dan het naastgelegen wegpeil. De drooglegging bedraagt, uitgaande van zomerpeil van 6,15 m +NAP (peilgebied QVU16), 1,2 m. Met een bouw- of vloerpeil die minimaal 20 cm hoger is gelegen dan het naast gelegen wegpeil wordt voldaan aan de droogleggingseisen. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings-, grondwaterwin- of intrekgebied. Het intrekgebied van waterwingebied Druten ligt op de kruising Leegstraat-Betenlaan ca. 160 m ten zuiden van de planlocatie. Aan de oostzijde wordt de planlocatie begrensd door een secundaire watergang (code: 421863) die parallel aan de Leegstraat is gelegen. De watergang heeft een beschermingszone vanaf de insteek van 1 meter.

De percelen rondom de planlocatie zijn in de huidige situatie aangesloten op het gemeentelijk drukriool. Vanwege de doelmatige werking van een druk riolering is het niet toegestaan om hemelwater hierop af te voeren. Verhard oppervlak en waterbergingsopgave Het planvoornemen voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van zes woningen in combinatie met de realisatie van de ontsluiting. Ten aanzien van het toekomstig verhard oppervlak is uitgegaan van een oppervlak van 4.325 m2 (met inbegrip van bijgebouwen, erf verharding en/of bestrating). De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater. De toename van verharding dient gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Het plan voorziet in de mogelijkheid om op het voorterrein, tussen de kavels en de toekomstige ontsluiting, een alternatieve voorziening aan te leggen in de vorm van een wadi. Er is vooralsnog gekozen voor de aanleg van een wadi omdat een wadi controleerbaar en gemakkelijk beheerbaar is. Met de aanleg van een wadi wordt daarnaast voorkomen dat een doodlopende watergang wordt aangelegd. Ook zijn geen aanvullende waterbergende maatregelen op perceel nodig. Voor watercompensatie in kunstmatige voorzieningen, zoals bijvoorbeeld wadi’s of kratten, geldt als vuistregel dat er 664 m3 waterberging nodig is per hectare verharding.

Uitgaande van watercompensatie in een kunstmatige voorziening bedraagt de compensatieopgave op basis van het toekomstig verhard oppervlak van 4.325 m2 ca. 287 m3. Wanneer wordt gekozen om waterberging te realiseren door het aanleggen (graven) van openwater bedraagt de compensatieopgave ca. 189 m3 (436 m3/ha). Bij een peilstijging van 0,3 meter is dit overeenkomstig met een te compenseren oppervlak of aanleg van openwater van 630 m2.

2024_rbwater_024

22 / 23

Wanneer waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van nieuw oppervlaktewater geldt op grond van de hemelwater verordening van de gemeente nog een aanvullende verplichting om 10 liter per m2 verhard oppervlak op eigen terrein te bergen Hemelwater In de toekomstige situatie wordt het schone hemelwater (zogenaamde hemelwaterafvoer; HWA) gescheiden van het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) ingezameld en verwerkt. Wanneer een wadi wordt aangelegd met een diepte van 0,4 meter en een talud van 1 op 3 aan de zijde van de kavels en een talud van 1:2 aan de zijde van de ontsluitingsweg kan, met inachtneming van een waking van 5 cm (waterhoogte 0,35 m), de volledige wateropgave worden geborgen. Hemelwater zal, indien mogelijk, zichtbaar worden afgevoerd. Daar waar dit niet mogelijk blijkt zal afvoer verbuisd plaatsvinden. Afhankelijk van de lokale bodemgesteldheid kunnen extra voorzieningen worden aangebracht om bijvoorbeeld de infiltratiecapaciteit van de bodem te vergroten (verbeterde grond), wateroverlast te voorkomen (aggregaat en/of slokops). Bij toepassing van een waterbergend aggregaat onder de wadi zoals infiltratiekoffers, grind, lava of schelpen kan extra water worden geborgen.

Indien een waterbergend aggregaat wordt toegepast kan afhankelijk van de omvang en het waterbergend vermogen van het toegepaste aggregaat (porositeit) het benodigde oppervlak van de wadi daarop worden aangepast (minder breed). Ook kan ervoor gekozen worden om de wadi dieper aan te leggen, of uit te gaan van een steiler talud. De bodem van de wadi als ook de onderzijde van een eventueel toegepast aggregaat dient daarbij ten aller tijde boven de grondwaterstand (GHG) te liggen om verlies van berging te voorkomen. Ook kan per strekkende meter meer berging worden gerealiseerd door in plaats van het toe passen van duikerverbindingen de inritten uit te voeren met een brugconstructie. De wadi zal bij het verdere planproces op basis van situatie en gemaakte keuzes nog nader worden uitgewerkt. Hemelwater zal vanuit de wadi vertraagd worden afgevoerd op de secundaire watergang (code: 421863) die parallel aan de Leegstraat is gelegen. De vertraagde afvoer wordt afgestemd op de landelijke afvoernorm (1,5 l/s/ha). Om tijdens sterke regenval overstroming van de wadi te voorkomen zal een overstrot worden aangebracht waarmee overtollig water kan overstorten op het oppervlaktewater. Voor beoogde handelingen aan of in de nabijheid van een watergang zoals: dempen, graven, bouwen, onttrekken, lozen etc.

zal in het kader van de waterschapsverordening een vergunning worden gevraagd of een melding worden gedaan. Afvalwater Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld en verwerkt. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater (mogelijk) wijzigen. Conform het planontwerp worden in totaal 5 woningen gerealiseerd. Dit komt overeen met een gemiddeld waterverbruik van ca. 2,025 m³/dag en een piekbelasting van 0,2025 m3/uur. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve nog een indicatie van hoeveelheden. Bij het verdere planproces zal bekeken worden of het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) in de toekomstige situatie kan worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal daarbij in overleg met de gemeente plaatsvinden. Uit nader onderzoek en aanvullende berekeningen zal inzichtelijk gemaakt moeten worden of het bestaande drukriool over voldoende capaciteit beschikt. Indien de capaciteit van het bestaande riool niet voldoende is zal naar een andere oplossingsrichting gezocht moeten worden.

2024_rbwater_024

23 / 23

Bijlage 2

Gegevens bodemonderzoek

458

455

454

427

24

422

2 356   2  

9



134

012

Bijlage 3

Boring:

B01

Boring:

B02

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0 1

0

weiland

50

Klei, zwak zandig, zwak humeus, sporen baksteen, neutraalbruin, Edelmanboor

O

50

0 1

0

weiland

50

Klei, zwak zandig, zwak humeus, sporen slakken, neutraalbruin, Edelmanboor

O

50

Klei, zwak zandig, neutraalbruin, Edelmanboor

2 100

100

Klei, zwak siltig, beigegrijs, Edelmanboor

3 150

150

Klei, zwak zandig, donkerbeige, Edelmanboor

4 200

200

Boring:

B03

Boring:

B04

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0

0 1

weiland

50

50

0

Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

1 50

Boring:

B05

Boring:

B06

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0

0 1

50

50

100

Klei, zwak siltig, beigegrijs, Edelmanboor

3 150

150

Klei, matig siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor

4 200

Projectcode: B25.9418

0

200

1 50

Klei, zwak zandig, lichtbruin, Edelmanboor

2 100

getekend volgens NEN 5104

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

0

weiland

50

Klei, zwak zandig, zwak humeus, sporen baksteen, neutraalbruin, Edelmanboor

0

weiland

O

Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O 50

Bijlage 3

Boring:

B07

Boring:

B08

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0

0 1

weiland

50

50

0

0

Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

1

50

50

Boring:

B09A

Boring:

PB09B

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

GWS:

170

0

50

0

weiland

50

Klei, zwak zandig, zwak humeus, sporen baksteen, sporen grind, neutraalbruin, Edelmanboor

0 1

100

100

100

Klei, zwak siltig, beigegrijs, Edelmanboor

3 150

150 Klei, matig siltig, donkergrijs, Edelmanboor

200

200

50

Klei, zwak zandig, zwak humeus, sporen baksteen, sporen grind, neutraalbruin, Edelmanboor Klei, zwak zandig, lichtbruin, Edelmanboor

100

150

weiland

2

Klei, zwak siltig, beigegrijs, Edelmanboor 150

0

O

50

Klei, zwak zandig, lichtbruin, Edelmanboor

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

Klei, matig siltig, donkergrijs, Edelmanboor

4 200

200

Klei, matig siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor 250

300 320

Boring:

B09C

Boring:

B10

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0

50

0

weiland

50

Klei, zwak zandig, zwak humeus, sporen baksteen, sporen grind, neutraalbruin, Edelmanboor Klei, zwak zandig, lichtbruin, Edelmanboor

100

100

Klei, zwak siltig, beigegrijs, Edelmanboor 150

150

Klei, matig siltig, donkergrijs, Edelmanboor 200

Projectcode: B25.9418 getekend volgens NEN 5104

200

0

0 1 50

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O 50

Bijlage 3

Boring:

B11

Boring:

B12

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0

0 1

weiland

50

50

0

0

Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

1

50

50

Klei, zwak zandig, lichtbruin, Edelmanboor

2 100

100

Klei, zwak siltig, donker beigegrijs, Edelmanboor

3 150

150

Klei, zwak siltig, licht bruinbeige, Edelmanboor

4 200

200

Boring:

B13

Boring:

B14

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0

0 1

weiland

50

50

0

0

Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

1

50

Klei, zwak zandig, donker bruinbeige, Edelmanboor

2 100

3

120

4 150

150 5 200

Boring:

B15

Boring:

B16

Datum:

19-2-2025

Datum:

19-2-2025

0

0 1 50

Projectcode: B25.9418 getekend volgens NEN 5104

weiland

0

Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O 50

1 50

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

50

100

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

Klei, zwak siltig, grijsbeige, Edelmanboor Klei, matig siltig, neutraal beigegrijs, Edelmanboor

200

Klei, sterk siltig, matig leemhoudend, donkerbeige, Edelmanboor

0

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O 50

Bijlage 3

Boring:

B17

Boring:

PB18

Datum:

19-2-2025

Datum: GWS:

19-2-2025 170

0

0 1

weiland

50

50

0

0

Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

1

50

50

Klei, zwak zandig, lichtbruin, Edelmanboor

2 100

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O

3

120

4 150

150

Klei, zwak siltig, neutraal beigegrijs, Edelmanboor Klei, matig siltig, neutraalgrijs, Edelmanboor

5 200

250

250

Klei, sterk zandig, donker grijsbeige, Edelmanboor 300 320

Boring:

B19

Datum:

19-2-2025

0

0 1 50

Projectcode: B25.9418 getekend volgens NEN 5104

weiland Klei, zwak zandig, zwak humeus, neutraalbruin, Edelmanboor

O 50

Legenda (conform NEN 5104) grind

klei

geur

Grind, siltig

Klei, zwak siltig

Grind, zwak zandig

Klei, matig siltig

geen geur zwakke geur matige geur sterke geur

Grind, matig zandig

Klei, sterk siltig

Grind, sterk zandig

Klei, uiterst siltig

Grind, uiterst zandig

Klei, zwak zandig

uiterste geur

olie geen olie-water reactie zwakke olie-water reactie matige olie-water reactie sterke olie-water reactie Klei, matig zandig

Klei, sterk zandig

zand

uiterste olie-water reactie

p.i.d.-waarde >0

Zand, kleiïg

>1 >10 Zand, zwak siltig

>100

leem

>1000

Zand, matig siltig

Leem, zwak zandig

>10000

Zand, sterk siltig

Leem, sterk zandig

monsters geroerd monster

Zand, uiterst siltig

overige toevoegingen

ongeroerd monster

zwak humeus

veen Veen, mineraalarm

matig humeus

overig bijzonder bestanddeel

Veen, zwak kleiïg

sterk humeus

Gemiddeld hoogste grondwaterstand grondwaterstand

Veen, sterk kleiïg

zwak grindig

Veen, zwak zandig

matig grindig

Veen, sterk zandig

sterk grindig

Gemiddeld laagste grondwaterstand slib

water

peilbuis blinde buis

casing

hoogste grondwaterstand gemiddelde grondwaterstand laagste grondwaterstand

bentoniet afdichting

filter

Bijlage 3

Landschappelijke inpassing beeldkwaliteitsplan

Bijlage 4

Resultaat digitale watertoets

Het wateradvies

Het wateradvies Het wateradvies helpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen van hhelpt u om aan de hand van de locatie van uw ruimtelijke plan en een aantal vragen te toetsen of u de belangen vanet Waterschap raakt. Indien dit het geval is krijgt u tekst en uitleg over het vervolg proces.

Op basis van de check is onderstaande nodig 1. Normale procedure 2. Secundaire of B-watergangen met beschermingszone

Op basis van onderstaande locatie

15-04-2025 16:40

1

https://hetwateradvies.nl

Het wateradvies

Vragen en antwoorden uit de check Gaat het plan uitsluitend over functiewijziging van bestaande bebouwing zonder fysieke aanpassing van bebouwing en ruimte?

nee

Is het totale plangebied groter dan 3500 m² ?

ja

Gaat het plan over activiteiten die kunnen leiden tot verontreiniging van het oppervlaktewater? (Bij twijfel: vink 'ja' aan)

nee

Primaire of A-watergangen

nee

Beschermingszone primaire of A-watergang

nee

Secundaire of B-watergangen met beschermingszone

ja

Tertiaire of C-watergang

nee

Buitenbeschermingszone waterkering

nee

Waterstaatswerk en beschermingszone waterkering

nee

persleidingen

nee

rioolgemaal

nee

rioolwaterzuivering

nee

Boringsvrije zone van provincie Gelderland

nee

Grondwaterbeschermings zone van provincie Gelderland

nee

Koude - warmteopslagvrije zone van provincie Gelderland

nee

Waterwingebied van provincie Gelderland

nee

Wegen

nee

15-04-2025 16:40

2

https://hetwateradvies.nl

Het wateradvies

Details 1. Normale procedure ###Wateradvies Normale procedure Uit de watertoets blijkt dat u de gangbare watertoetsprocedure moet volgen. Dit betekent dat er nader overleg plaats moet vinden met Waterschap Rivierenland. Het waterschap wil vroegtijdig met u meedenken, u informeren en u adviseren over de waterhuishoudkundige aspecten van uw plan. Het waterschap beoordeelt of het waterbelang voldoende gewaarborgd is. Deze uitgangspuntennotitie is onderdeel van de watertoetsprocedure.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=87a1e0d5-c694-4b6f-8813-5c2ce37e3322