CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 4 Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers

Raadsvergadering 7 juli 2026, gemeente BeuningenBij agendapunt: Vaststellen verordening Rechtspositie raads- en commissieleden gemeente Beuningen 20264.275 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Rechtspositiebesluit decentrale politieke ambtsdragers Geldend vanaf 1 januari 2026 t/m heden Hoofdstuk 3. Gemeenten Afdeling 3.0. Algemeen Artikel 3.1. Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. b. c. d. e. f.

commissaris: commissaris van de Koning van de provincie waarbinnen de gemeente is gelegen; inwonersklasse: inwonersklasse, bedoeld in artikel 3.2; raadslid: lid van de gemeenteraad; voorzitter: voorzitter van de gemeenteraad; fractievoorzitter: raadslid waarvan door de voorzitter is vastgesteld dat dit lid fractievoorzitter is dan wel enig lid van een fractie; commissielid: lid van een commissie als bedoeld in de artikelen 82, 83 en 84 van de Gemeentewet, dat niet tevens raadslid is of ambtenaar die als zodanig tot lid van een commissie is benoemd.

Artikel 3.2. Indeling gemeenten in inwonersklassen 1. De gemeenten worden ingedeeld in inwonersklassen aan de hand van de volgende tabel:

inwonersklasse

aantal inwoners

1

tot en met 8.000

2

8.001 – 14.000

3

14.001 – 24.000

4

24.001 – 40.000

5

40.001 – 60.000

6

60.001 – 100.000

7

100.001 -150.000

8

150.001 – 375.000

9

375.001 of meer

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het aantal inwoners verstaan het aantal inwoners volgens de door het Centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfer per 1 januari. Artikel 3.3. Overgang naar andere inwonersklasse 1. Een gemeente gaat voor de toepassing van artikel 3.2 in verband met de toeneming van het aantal inwoners over naar een hogere klasse met ingang van het jaar waarin op 1 januari het aantal inwoners van die gemeente de minimumgrens van de volgende klasse bereikt heeft en blijkt dat zij die grens ook heeft bereikt op: a. 1 januari van het volgende jaar, of b. de dag voorafgaande aan een wijziging van de gemeentelijke indeling waarin zij is betrokken.

2. Overgang van een gemeente naar een lagere klasse in verband met de vermindering van het aantal inwoners vindt plaats met ingang van het jaar waarin het aantal inwoners van de gemeente op 1 januari voor de tweede achtereenvolgende maal beneden de minimumgrens van de klasse, waarin de gemeente tot dusver ingedeeld was, gedaald is. 3. Voor gemeenten waarvan het aantal inwoners ten gevolge van grenscorrecties of wijziging van de gemeentelijke indeling wijziging heeft ondergaan, vindt de overgang naar een hogere of lagere klasse plaats met ingang van de datum van de grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling. Hierbij geldt het aantal inwoners, zoals dit voor de eerste maal na die datum met inachtneming van die grenscorrectie of wijziging van de gemeentelijke indeling door het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt openbaar gemaakt. 4. Voor de eerste indeling van een nieuw ingestelde gemeente vindt het derde lid overeenkomstige toepassing. Artikel 3.4. Opclassificatie 1. Op grond van bijzondere omstandigheden kunnen gedeputeerde staten van de provincie waarin de betrokken gemeente ligt, de gemeenteraad gehoord, een gemeente voor de toepassing van artikel 3.2 voor een bepaald tijdvak in een hogere klasse plaatsen dan die waartoe zij op grond van haar aantal inwoners behoort. 2.

Gedeputeerde staten kunnen na afloop van het tijdvak, bedoeld in het eerste lid, een nieuw tijdvak vaststellen. 3. Van het tot verhoging strekkende besluit doen gedeputeerde staten onmiddellijk schriftelijk mededeling aan Onze Minister. Artikel 3.5 (leeg)

Afdeling 3.1. Raadsleden Paragraaf 1. Beloning raadslid Artikel 3.1.1. Vergoeding voor de werkzaamheden 1. Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van de gemeenteraad een vergoeding voor de werkzaamheden per maand die afhankelijk is van de inwonersklasse van de gemeente waarin hij raadslid is en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel.

inwonersklasse

Vergoeding voor de werkzaamheden

1–4

€ 1,305,79

5

€ 1.698,33

6

€ 1.987,30

7

€ 2.256,23

8

€ 2.628,44

9

€ 3.200,00

2. Een raadslid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding voor de werkzaamheden naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Indien een gemeente in verband met een wijziging van het aantal inwoners op grond van artikel 3.3, eerste of derde lid, wordt ingedeeld in een hogere inwonersklasse of op grond van een besluit als bedoeld in artikel 3.4 voor een bepaald tijdvak in een hogere inwonersklasse wordt geplaatst, wordt de vergoeding voor de werkzaamheden van de op het tijdstip van overgang in functie zijnde raadsleden aan de hand van de tabel in het eerste lid aangepast. 4. De overgang van een gemeente naar een lagere inwonersklasse, bedoeld in artikel 3.3, tweede of derde lid, in verband met de vermindering van het aantal inwoners is niet van invloed op de vergoeding voor de werkzaamheden van de op het tijdstip van overgang in functie zijnde raadsleden. 5.

De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. 6. De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat ten hoogste 20% van de vergoeding voor de werkzaamheden wordt uitgekeerd, berekend naar het aantal gehouden vergaderingen. In dat geval geschiedt de uitkering aan het raadslid op basis van het aantal bijgewoonde vergaderingen. Artikel 3.1.2. Toelage lid vertrouwenscommissie 1. Aan een raadslid dat lid is van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 61, derde lid, of artikel 61a, vierde lid, van de Gemeentewet, wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie per jaar ten laste van de gemeente een toelage verleend van € 153,33 per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve

arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 3.1.3. Toelage lid onderzoekscommissie 1. Aan een raadslid dat lid is van een onderzoekscommissie als bedoeld in artikel 155a, derde lid, van de Gemeentewet wordt voor de duur van de activiteiten van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toegekend, waarvan de hoogte bij verordening wordt bepaald, maar die per jaar ten hoogste driemaal de maandelijkse vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, bedraagt. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. Artikel 3.1.4. Toelage lid bijzondere commissie 1. Indien de gemeenteraad besluit ter uitvoering van zijn taken en verantwoordelijkheden een bijzondere commissie in te stellen met een zodanig belang, belasting en tijdsbeslag dat die niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een raadslid geacht kunnen worden te behoren, kan de gemeenteraad bij verordening besluiten aan de raadsleden die lid zijn van die commissie ten laste van de gemeente een toelage toe te kennen van maximaal € 153,33 per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie per maand. 2. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. 3.

Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 3.1.4a. Toelage vaste voorzitter commissie als bedoeld in artikel 82 Gemeentewet 1. Indien de gemeenteraad van oordeel is dat de belasting en het tijdsbeslag van het vaste voorzitterschap van een commissie als bedoeld in artikel 82 van de Gemeentewet niet redelijkerwijs tot het reguliere werk van een raadslid geacht kunnen worden te behoren, kan de gemeenteraad bij verordening besluiten aan die voorzitter ten laste van de gemeente een toelage toe te kennen van maximaal het bedrag, genoemd in artikel 3.1.4, eerste lid, per maand voor de duur van de activiteiten van de commissie. 2. Voor toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester de duur van de activiteiten vast. Artikel 3.1.5. Toelage fractievoorzitter 1. De vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, wordt voor de fractievoorzitters voor de duur van de uitoefening van het fractievoorzitterschap verhoogd met een toelage van € 89,46 per maand, vermeerderd met € 12,77 voor elk raadslid dat de fractie telt, de fractievoorzitter zelf niet meegerekend.

De toelage bedraagt ten hoogste € 191,67 per maand. 2. Voor zover het fractievoorzitterschap in de loop van de maand begint of eindigt, wordt de toelage, bedoeld in het eerste lid, voor die maand naar evenredigheid van de duur van het fractievoorzitterschap toegekend. 3. Voor de toepassing van het eerste lid stelt de burgemeester vast: a. hoeveel leden een fractie telt, en b. de duur van het fractievoorzitterschap. 4. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, worden de bedragen in het eerste lid bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd.

Paragraaf 2. Vergoedingen en voorzieningen raadslid Artikel 3.1.6. Onkostenvergoeding 1. Een raadslid ontvangt met ingang van de dag van zijn beëdiging gedurende zijn lidmaatschap van de gemeenteraad een onkostenvergoeding voor de aan de uitoefening van het raadlidmaatschap verbonden kosten van € 223,50 per maand. 2. Een raadslid dat in de loop van een maand is beëdigd of in de loop van een maand is afgetreden of overleden, ontvangt de vergoeding, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de periode van uitoefening van het lidmaatschap in de bedoelde maand. 3. Het bedrag, genoemd in het eerste lid, wordt per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van de consumentenprijsindex, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 3.1.7. Reiskostenvergoeding 1. Een raadslid heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de gemeenteraad en commissies, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen binnen en buiten de gemeente gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2.

Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 3.1.8. Loopbaanoriëntatie 1. De gemeenteraad van een gemeente die is ingedeeld in inwonersklasse 7, 8 of 9 kan bij verordening bepalen dat de kosten die raadsleden maken omdat zij zich tijdens het ambt oriënteren op hun verdere loopbaan of mobiliteit bevorderende activiteiten ontplooien, ten laste komen van de gemeente. 2. Geen vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt toegekend, indien: a. de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit onredelijk is; b. die loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteit kan worden aangemerkt als een sollicitatieactiviteit, of c. de kosten ervan reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen. 3. Onze Minister kan over de in het eerste lid bedoelde loopbaanoriëntatie of mobiliteit bevorderende activiteiten nadere regels stellen. Artikel 3.1.9. Verzekering arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden 1.

Het raadslid dat nog niet de pensioengerechtigde leeftijd als bedoeld in artikel 7a van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt, ontvangt per jaar ten laste van de gemeente een bedrag ter hoogte van het bedrag van de vergoeding van de werkzaamheden voor één maand, waarmee hij voorzieningen kan treffen ter zake van arbeidsongeschiktheid, ouderdom en overlijden. 2. Voor zover het lidmaatschap van de gemeenteraad in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het raadslidmaatschap toegekend. 3. Voor zover het raadslid in de loop van het jaar de pensioengerechtigde leeftijd bereikt, wordt het

bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van de periode tot de datum waarop hij die leeftijd heeft bereikt, uitbetaald. 4. Dit artikel is niet van toepassing op een raadslid dat is benoemd in een plaats die is opengevallen als gevolg van het tijdelijk ontslag van een raadslid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte op grond van artikel X 12 van de Kieswet. Artikel 3.1.10. Ziektekostenverzekering 1. Een raadslid ontvangt ten laste van de gemeente een tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering van € 136,85 per jaar. 2. Voor zover het lidmaatschap van de gemeenteraad in de loop van een jaar begint of eindigt, wordt het bedrag, bedoeld in het eerste lid, naar evenredigheid van de duur van het lidmaatschap van de gemeenteraad toegekend. 3. Als voor de ambtenaren die krachtens een arbeidsovereenkomst met de Staat werkzaam zijn bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties in een collectieve arbeidsovereenkomst een wijziging van het loon is overeengekomen, wordt het bedrag, genoemd in het eerste lid, bij ministeriële regeling overeenkomstig gewijzigd. Artikel 3.1.11.

Samenloop met arbeidsongeschiktheidsuitkering In het geval een raadslid een uitkering in verband met gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid ontvangt, kan de vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, de toelage voor het lid van de vertrouwenscommissie, bedoeld in artikel 3.1.2, eerste lid, de toelage voor het lid van de onderzoekscommissie, bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, de toelage voor het lid van een bijzondere commissie, bedoeld in artikel 3.1.4, eerste lid, de toelage voor de vaste voorzitter van een commissie, bedoeld in artikel 3.1.4a, eerste lid, of de toelage voor de fractievoorzitter, bedoeld in artikel 3.1.5, eerste lid, op verzoek van het desbetreffende raadslid worden verlaagd. Paragraaf 3. Waarneming door raadslid Artikel 3.1.12. Waarneming voorzitter of burgemeester door raadslid 1. Een raadslid dat op grond van artikel 77, eerste lid, van de Gemeentewet meer dan dertig dagen onafgebroken het voorzitterschap van de gemeenteraad waarneemt, ontvangt voor de duur van de waarneming een toeslag van 8% op zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, alsmede een toeslag van 8% op de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.1.6, eerste lid. 2.

Indien een raadslid op grond van artikel 77, tweede lid, van de Gemeentewet gedurende meer dan dertig dagen onafgebroken met de waarneming van het ambt van burgemeester is belast: a. wordt zijn vergoeding voor de werkzaamheden, bedoeld in artikel 3.1.1, eerste lid, voor die tijd ten laste van de gemeente aangevuld tot het bedrag waarop de bezoldiging van de burgemeester ingevolge artikel 3.2.1, eerste lid, is vastgesteld, vermeerderd met een vakantieuitkering, eindejaarsuitkering en eenmalige uitkering als bedoeld in artikel 3.2.1, tiende, elfde, onderscheidenlijk twaalfde lid; b. ontvangt hij voor die tijd in plaats van de onkostenvergoeding, bedoeld in artikel 3.1.6, een vergoeding als bedoeld in artikel 3.2.6, eerste lid, en c. zijn voor die tijd op hem de regels, bedoeld in artikel 3.2.9, tweede lid, en de artikelen 3.2.10 en 3.2.12 van overeenkomstige toepassing. Paragraaf 4. Tijdelijk ontslagen raadslid Artikel 3.1.13. Vergoeding voor werkzaamheden en onkostenvergoeding 1. Artikel 3.1.1 is van overeenkomstige toepassing op het raadslid aan wie op grond van artikel X 10 van de Kieswet tijdelijk ontslag is verleend wegens zwangerschap en bevalling of ziekte, met dien

verstande dat indien door de gemeenteraad toepassing is gegeven aan artikel 3.1.1, vijfde lid, dit raadslid een uitkering ontvangt voor alle vergaderingen die gedurende het tijdelijk ontslag plaatsvinden. 2. Artikel 3.1.6 is van overeenkomstige toepassing op het raadslid, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat de vergoeding de helft bedraagt van het bedrag dat op grond van die bepaling van toepassing is. 3. De artikelen 3.1.9, 3.1.10 en 3.1.11 en afdeling 3.3 zijn van overeenkomstige toepassing op het raadslid, bedoeld in het eerste lid.

Afdeling 3.3. Gemeenschappelijke bepalingen Artikel 3.3.1. Bewaken en beveiligen 1. Indien het college van burgemeester en wethouders ten behoeve van een raadslid, een wethouder of de burgemeester kosten maakt, die in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen zijn aangemerkt als werkgeverskosten, komen deze ten laste van de gemeente. 2. Onze Minister kan regels stellen met betrekking tot het treffen van andere voorzieningen ten behoeve van een veilige woon- en werkplek van een raadslid, een wethouder of de burgemeester dan die welke op grond van het eerste lid ten laste van de gemeente komen. Artikel 3.3.2. Informatie- en communicatievoorzieningen Het college van burgemeester en wethouders stelt ten laste van de gemeente aan een raadslid, een wethouder of de burgemeester voor de duur van de uitoefening van zijn functie informatie- en communicatievoorzieningen ter beschikking. Onder informatie- en communicatievoorzieningen wordt ook verstaan de daarbij behorende abonnementen. Artikel 3.3.3. Vergoeding kosten scholing 1.

De kosten voor niet-partijpolitiek georiënteerde scholing in verband met de vervulling van de functie van raadslid, wethouder of burgemeester komen ten laste van de gemeente, op voorwaarde dat het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de prijs/kwaliteitverhouding van de desbetreffende scholing redelijk is en de kosten ervan niet reeds uit anderen hoofde voor vergoeding in aanmerking komen. 2. De gemeenteraad kan voor de toepassing van het eerste lid bedoelde scholing nadere regels stellen voor zover het de scholing van raadsleden betreft. Het college van burgemeester en wethouders kan voor de toepassing van het eerste lid nadere regels stellen voor zover het de scholing van de burgemeester of wethouders betreft. 3. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden mede begrepen reiskosten voor het volgen van de scholing. De reiskosten worden berekend met overeenkomstige toepassing van de nadere regels op grond van artikel 3.1.7 onderscheidenlijk 3.2.9. Artikel 3.3.4.

Beroepsvereniging Indien een raadslid, een wethouder of de burgemeester als zodanig lid is van een voor ieder raadslid, iedere wethouder of iedere burgemeester toegankelijke, landelijk georganiseerde beroepsvereniging die blijkens haar statuten deskundigheidsbevordering of belangenbehartiging van de functie van raadslid, wethouder of burgemeester ten doel heeft of mede ten doel heeft, wordt de contributie van die beroepsvereniging ten laste van de gemeente vergoed, tenzij het college van burgemeester en wethouders van oordeel is dat de activiteiten van de vereniging onvoldoende invulling geven aan het in de eerste volzin bedoelde doel. Artikel 3.3.5. Bedrijfsgeneeskundige zorg Het college van burgemeester en wethouders treft ten laste van de gemeente een voorziening voor bedrijfsgeneeskundige zorg voor de raadsleden, de wethouders en de burgemeester. Artikel 3.3.6. Voorzieningen in verband met beroepsziekte of een dienstongeval 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: a.

beroepsziekte: ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden; b. dienstongeval: ongeval dat plaatsvindt tijdens de uitoefening van de aan het ambt verbonden werkzaamheden.

2. Een raadslid, een wethouder of de burgemeester ontvangt een vergoeding voor de noodzakelijk gemaakte kosten in verband met geneeskundige behandeling of verzorging in verband met een beroepsziekte of een dienstongeval: a. voor zover deze kosten ten laste blijven van het raadslid, de wethouder of de burgemeester, en b. voor zover de beroepsziekte of het dienstongeval niet aan eigen schuld of onvoorzichtigheid te wijten is. 3. In bijzondere gevallen kan het college van burgemeester en wethouders bepalen dat overige schade aangemerkt wordt als voortvloeiend uit de beroepsziekte of het dienstongeval, naar redelijkheid en billijkheid, en gehoord de vergadering van fractievoorzitters van alle partijen in gemeenteraad. 4. Onder overige schade valt niet het gederfde inkomen. 5. Als de schade van de beroepsziekte of het dienstongeval is ontstaan tijdens zijn ambtsperiode en voortduurt na zijn aftreden of ontslag, is dit artikel van overeenkomstige toepassing op het gewezen raadslid, de gewezen wethouder of de gewezen burgemeester. Artikel 3.3.7. Voorzieningen in verband met een structurele functionele beperking 1.

Indien een raadslid, een wethouder of de burgemeester naar het oordeel van een arts een structurele functionele beperking heeft, kan het college van burgemeester en wethouders hem op zijn aanvraag ten laste van de gemeente voorzieningen toekennen, die strekken tot het kunnen blijven uitoefenen van het ambt of tot herstel of bevordering van de mogelijkheid om het ambt weer te gaan uitoefenen dan wel een financiële vergoeding daarvoor. 2. Onder voorzieningen als bedoeld in het eerste lid worden verstaan voorzieningen die een werkgever op grond van artikel 611 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek als goed werkgever dient te verstrekken en voorzieningen als bedoeld in artikel 35, tweede en derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen. 3. Een voorziening of een financiële vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt slechts toegekend, indien die voorziening proportioneel is en niet reeds uit anderen hoofde is toegekend of vergoed. 4. De regels, gesteld krachtens artikel 35, vijfde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zijn van overeenkomstige toepassing. Artikel 3.3.8. Eindheffingsbestanddelen Als eindheffingsbestanddeel als bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel f, van de Wet op de loonbelasting 1964 worden aangewezen: a. b. c. d.

de vergoedingen en toelage, bedoeld in de artikelen 3.1.6 en 3.2.6; de tegemoetkoming in de kosten van een ziektekostenverzekering, bedoeld in artikel 3.1.10; de vergoedingen in verband met verhuizing, bedoeld in artikel 3.2.7, eerste en vierde lid; de vergoeding van de kosten voor tijdelijke huisvesting, bedoeld in artikel 3.2.7, tweede lid, onder a; e. de tegemoetkoming in de kosten van dubbele woonlasten, bedoeld in artikel 3.2.7, derde lid; f. de betaling of vergoeding van de kosten voor energie en water, bedoeld in artikel 3.2.8, tweede lid; g. de vergoeding van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 3.1.7, eerste lid, en de vergoeding van kosten voor woon-werkverkeer en van reis- en verblijfkosten als bedoeld in artikel 3.2.9, eerste lid; h. de vergoeding van de belastingheffing, bedoeld in de artikelen 3.2.7, vijfde lid, 3.2.8, derde lid, en 3.2.10, zesde lid; i. de vergoeding van de kosten in verband met loopbaanoriëntatie en mobiliteit bevorderende activiteiten, bedoeld in artikel 3.2.11, eerste lid; j. de voorzieningen ten behoeve van een veilige woon- en werkplek als bedoeld in artikel 3.3.1, eerste en tweede lid;

k. de ter beschikking stelling van informatie- en communicatiemiddelen, bedoeld in artikel 3.3.2; l. de vergoeding van de kosten voor scholing als bedoeld in artikel 3.3.3; m. de vergoeding van de contributie van een beroepsvereniging, bedoeld in artikel 3.3.4, en n. een voorziening of financiële tegemoetkoming als bedoeld in artikel 3.3.7, eerste lid.

Afdeling 3.4. Commissieleden Artikel 3.4.1. Vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen 1. Aan een commissielid wordt per bijgewoonde vergadering van de commissie ten laste van de gemeente een vergoeding toegekend die afhankelijk is van het aantal inwoners van de gemeente, en wordt vastgesteld aan de hand van de volgende tabel:

Aantal inwoners

Vergoeding per vergadering

tot en met 10.000

€ 81,97

10.001 – 20.000

€ 90,61

20.001 – 50.000

€ 108,70

50.001 – 100.000

€ 133,74

100.001 – 250.000

€ 170,84

250.001 of meer

€ 216,56

2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder het aantal inwoners verstaan het aantal inwoners volgens de door het centraal Bureau voor de Statistiek openbaar gemaakte bevolkingscijfer per 1 januari. 3. De bedragen, genoemd in het eerste lid, worden per 1 januari van elk jaar bij ministeriële regeling gewijzigd overeenkomstig de procentuele wijziging van het door het Centraal Bureau voor de Statistiek vastgestelde indexcijfer CAO-lonen overheid, inclusief bijzondere beloningen, geldend voor de maand september van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan die datum ten opzichte van hetzelfde indexcijfer geldend voor de maand september van het daaraan voorafgaande kalenderjaar. Artikel 3.4.2. Hogere vergoeding De gemeenteraad kan bij verordening bepalen dat de vergoeding voor het bijwonen van de vergaderingen van de commissie naar boven afwijkt van de vergoeding, bedoeld in artikel 3.4.1, eerste lid, ten aanzien van: a. een commissielid dat op grond van zijn bijzondere beroepsmatige deskundigheid op het taakgebied van de commissie voor deelneming aan haar werkzaamheden is aangetrokken, en b. een commissielid ten aanzien waarvan de vergoeding niet geacht kan worden in een redelijke verhouding te staan tot de zwaarte van zijn taak en de omvang van de door hem te verrichten arbeid. Artikel 3.4.3. Reiskostenvergoeding 1.

Een commissielid heeft ten laste van de gemeente aanspraak op vergoeding van: a. reiskosten en, als daar redelijkerwijs aanleiding voor is, verblijfkosten voor het bijwonen van vergaderingen van de commissie, en b. reis- en verblijfkosten voor reizen zowel binnen de gemeente als daarbuiten gemaakt voor de uitoefening van de functie. 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de hoogte van de vergoedingen en de voorwaarden voor de aanspraken op grond van dit artikel. Artikel 3.4.4. Overige vergoedingen en voorzieningen Ten aanzien van een commissielid zijn de artikelen 3.1.11, 3.3.1, 3.3.2, 3.3.3, 3.3.4, 3.3.6, 3.3.7 en 3.3.8 van overeenkomstige toepassing.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=d5cfe453-f2b9-489b-a206-8510db40a04c