Bijlage 4 - bij toelichting - Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Tekst van het document
43
Conclusie, evaluatie, aanbevelingen: 7.
Hoe verhouden de conclusies zich tot de resultaten van het vooronderzoek (bureauonderzoek en verkennend booronderzoek) of andere bekende (m.n. geologische, geomorfologische, bodemkundige, historische en cartografische) gegevens? In welke mate wijkt de geconstateerde waarde af van de gespecificeerde verwachting? Uit het vooronderzoek is gebleken dat de bodem in het plangebied intact is. Dit bleek slechts deels waar; de oever-en beddingafzettingen in werkput 2 waren voor een groot deel verploegd en verrommeld. De mogelijke aanwezigheid van een oude akkerlaag is niet bevestigd. In werkput 1 zijn wel de verwachte oeverafzettingen aangetroffen. Net als in het vooronderzoek zijn er geen bewoningsresten aangetroffen. In de Middeleeuwen en de Nieuwe tijd was het plangebied in gebruik als bouwland. Het is mogelijk in verband te brengen met het historisch erf dat ten noorden van het plangebied ligt. De verwachte oeverafzettingen en beddingafzettingen evenals de vegetatiehorizont zijn alle aangetroffen. De beddingafzettingen van de Winssen stroomgordel zijn in beide werkputten waargenomen. De hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen voor dit niveau zijn voor wat betreft de prehistorische perioden bevestigd.
Ter hoogte van het noordelijk afgestoken profiel (profiel 1.3) zijn zandige oeverafzettingen op beddingzand aangetroffen. Hierdoor is duidelijk dat de geul geen noord-zuid oriëntatie heeft gehad. In het vooronderzoek zijn in boringen 2 (zuidwestelijk van werkput 1) en 5 (noordoostelijk van werkput 1) wel dikke pakketten komafzettingen aangetroffen (circa 1,6 m dik). Bovendien ligt het beddingzand in deze boringen op een grotere diepte dan in profielen 1.1 en 1.2. Deze diepteverschillen zijn te verklaren door de locatie van de boringen in een dieper deel van de geul. De profielen tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn juist zo afgestoken om de geul in de breedte te begrenzen (breedte is ongeveer 7 à 7,5 m). De diepteligging van het beddingzand in de boringen en profielen wijst erop dat werkput 1 waarschijnlijk de bocht van een geul heeft aangesneden. De vermoede loop van de geul is aangegeven in bijlage 2. De noordoost-zuidwest oriëntatie van de geul komt overeen met de kronkelwaardgeulen, die in het naburige gebied zijn waargenomen (Van Dijk 2020: 47). Het diepere deel van de geul in boringen 2 en 5 kan ook verklaren waarom er in het vooronderzoek geen laklaag of vegetatiehorizont is aangetroffen, maar tijdens het proefsleuvenonderzoek.
Dergelijke lagen ontwikkelen zich het best aan de rand van kronkelwaardgeulen of op de overgang naar kronkelwaardruggen (Van Dijk 2020: 50-51). Zoals hierboven aangegeven zijn de profielen juist aan de randen van de geul afgestoken om deze zodoende te kunnen begrenzen. Dit verklaart de mogelijke aanwezigheid van een (zwak ontwikkelde) laklaag of vegetatiehorizont in de profielen.
8.
In welke mate stemmen de resultaten overeen met, dan wel wijken deze af van, de resultaten van het ten zuiden van het plangebied uitgevoerde IVO-P (Van Dijk 2020) en de daarop gebaseerde verwachtingen en hoe zijn de geconstateerde verschillen (mogelijk) te verklaren? Welke conclusies kunnen hieruit worden getrokken met betrekking tot het huidige plangebied en, indien mogelijk, ten opzichte van de resultaten van dat IVO-P (Van Dijk 2020)? In het plangebied is een prehistorische vindplaats aangetroffen. Er is prehistorisch vondstmateriaal aangetroffen dat qua datering en samenstelling in verband is te brengen met vindplaats 1 ten zuiden van het plangebied. Het plangebied bevindt zich aan de periferie van de deze prehistorische vindplaats bevindt. Over deze noordelijke begrenzing van vindplaats 1 is nog weinig bekend.
9.
Zijn er aanbevelingen m.b.t. de gehanteerde methoden en technieken? Nee.
44