Bijlage 2b toelichting: Quickscan Wet natuurbescherming
Tekst van het document
BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
Quickscan Wet natuurbescherming Dam 8 te Ewijk Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
blomecologie.nl
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2021-1201
Datum:
15 december 2021
Samensteller:
ing. B.C.E. Vleeshouwers
Collegiale toets:
ing. G. Fairhurst
Opdrachtgever:
Buro Waalbrug
Contactpersoon:
J.Langbroek
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
BLOM ri ECOLOGIE
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
8
2.4
Houtopstanden
9
3 Beoordeling
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Gebiedsbescherming
15
3.3
Houtopstanden
17
4 Samenvatting
18
4.1
Soortenbescherming
18
4.2
Gebiedsbescherming
19
4.3
Houtopstanden
19
5 Conclusie
20
5.1
Conclusie
20
5.2
Uitvoerbaarheid
20
5.3
Vervolgstappen
20
5.4
Te treffen maatregelen
20
BLOM r~ì ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
1 Inleiding Aan de Dam 8 te Ewijk is een boerenerf met riante achtertuin gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande achtertuin op de planlocatie te splitsen en een gedeelte van de aanwezige bomen te kappen en te vervangen ten behoeve van een nieuwe woning. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ruimtelijke ingreep en dient derhalve te worden gewijzigd van 'agrarisch' naar 'wonen' De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of dat de beoogde ruimtelijke ingreep effect heeft op beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Onderzoeksdoelen ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art.
3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden. ^ Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
SB SS
‘įğţzz -..- m v-
-
S I
; a
jjs&m
ütMC Ç;'
W'’-; UV*"1 Figuur 1.1
- 'i Het plangebied is gelegen te Dam 8 te Ewijk.
4
BLOM A ECOLOGIE
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Dam 8 te Ewijk (figuur 1.2) en bestaat uit een boerenerf met een riante achtertuin. De bebouwing op het perceel wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Dit rapport zal alleen betrekking hebben op de achterliggende tuin waar een nieuw huis wordt gerealiseerd. Het gedeelte van de tuin dat wordt aangetast bestaat uit meerdere solitaire (fruit)bomen, gazon en een kiezelpad. Daarnaast wordt op het naastgelegen weiland een oprit aangelegd voor de nieuwe woning en bestaande woning. De tuin wordt met een hoog kwaliteitsbeeld onderhouden. Het kiezelpad is de enige verharding aanwezig op de planlocatie. Aan de westzijde van het perceel ligt een grasweide die met een laag kwaliteitsbeeld onderhouden wordt. Aan de noordzijde van de tuin is een bomenrij gelegen, deze wordt vervangen door streekeigen vegetatie. Aan de noordzijde van de planlocatie stroomt een sloot die onaangetast blijft in de ontwikkeling. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Dam 8 te Ewijk.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen en verscheidende grote plassen. Het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied zijn de 'Rijntakken' op circa 1,8 km ten noorden. OP circa 950 m ten westen loopt de A50 en circa 980 meter ten zuidwesten loopt de A73. Daarnaast stroomt de 'Waal' op circa 2,2 km ten noorden van de planlocatie.
5
BLOM A ECOLOGIE
vBB
ļv
Ji
--^sr "r*iŕi įî*į|İ
-'J
•jaSpŕ
fetisj yÉļļļË&C
■dp®
Hijg ïâöhwĮåfc
»' -v
Ŵ?’' «OP
Figuur 1.3
1.2
v«
äŵČte-V ì,ïĩ*;ş
Ŵ) ’í' "
E®üĩ
7»lèrŠgXŚ
mm
ŴĪÄ:
c“-v.
*
.'.
BM
Fotografische indruk van de naastgelegen grasweide waar de oprit wordt gemaakt.
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de kap van meerdere bomen ten behoeve van de bouw van een woonhuis. Het perceel wordt hierbij opgesplitste en de functie van het perceel dient te wijzigen van 'agrarisch' naar 'wonen'. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ ^ ^ ^ ^
kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
950 m2
Nieuw perceel, ca. 950 m2
v™\\
Nieuw bijgebouw Nieuwe woning Nieuwe bomen toevoegen Eventueel toekomstig struinpad Nieuwe haag, inheemse soort: bijv. beukv^ Bestaande kersenboom Nieuwe inrit van halfverharding of verstevigd zandpad Bestaande haag Bestaande woning met bijgebouwen
■nw
Zichtlijn naar achtergelegen landschap Bestaande leibomen Nieuyvónrit ter plaatse van bestaande toegang akker Bomen handhaven
Figuur 1.4
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waardenbrug).
6
BLOM A ECOLOGIE
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en relevante provinciale aanwijzingen.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 1 december 2021 en is uitgevoerd door ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; regen, 8/8 bewolkt, 90 Celsius en windkracht 3-4 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2
Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een Algemene zorgplicht (art. 1.11) . Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
7
BLOM A ECOLOGIE
Figuur 2.1
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000-gebieden en de provinciaal beschermde gebieden. Het beschermingsregime van overige op provinciaal niveau beschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe grootschalige activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten significant aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht. Kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk als deze er toe leiden dat de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.
8
BLOM A ECOLOGIE
Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Als door een activiteit het betreffende rustgebied kleiner wordt dan 500 hectare, kan deze activiteit alleen doorgaan als aansluitend voldoende hectare aan het betreffende ganzenrustgebied wordt toegevoegd. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
9
BLOM A ECOLOGIE
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: kluwenklokje (NDFF 2011-2021). Deze soort komt voor op kalkgrasland, ruderale plaatsen, zandige ruggen in uiterwaarden, lichte bossen en langs bermen, bosranden en rivierdijken. De standplaatsen van de soort zijn zonnige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humus houdende gronden (FLORON Verspreidingsatlas, 2021). Op de planlocatie is er een hoge dominantie van Engels raaigras. Door deze dominantie en de hoge mate van onderhoud kan er geconcludeerd worden dat de planlocatie zeer sterk verstoord en geëutrofieerd is.
Door de hoge voedselrijkheid en het hoge onderhoudsbeeld van de tuin kan de aanwezigheid van kluwenklokje op de planlocatie uitgesloten worden. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: hondsdraf, madelief, paardenbloem en vogelmuur. Binnen de grenzen van de planlocatie staan meerdere boom- en struiksoorten, zoals appelbomen, buxus, coniferen, haagbeuken en zoete kers. De bomenrij naast de sloot zal in de beoogde ontwikkeling vervangen worden door streekeigen beplanting/bomen. De huidige bomenrij bestaat uit coniferen en buxus. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, rode eekhoorn, steenmarter, vos en woelrat (NDFF 2011-2021).
Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das, rode eekhoorn en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt voor in uiterwaarden en moerasbossen bestaande uit voornamelijk wilgenbomen. Er zijn geen voedselbronnen en schuilmogelijkheden aanwezig op de planlocatie. Daarnaast zijn de aanwezige sloten niet relevant voor de bever. De aanwezigheid en negatieve effecten op de bever zijn uitgesloten. De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppels en sloten met overhangende vegetatie, ook dorpen en buitenwijken van steden vormen geschikt leefgebied (Zoogdiervereniging Bunzing, 2021). De planlocatie bestaat uit een grasveld zonder houtwallen of ruige vegetatie die als schuilmogelijkheden kunnen dienen. De sloot dat langs de planlocatie is gelegen wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling.
10
BLOM A ECOLOGIE
De sloten zijn niet geschikt voor bunzing doordat er geen sprake is van ruige begroeiing. Hetzelfde geld voor de planlocatie door gebrek aan schuilmogelijkheden is deze ook niet geschikt voor de bunzing. Negatieve effecten op leefgebied en verblijfplaatsen van bunzing zijn uitgesloten. Dassen foerageren graag in (bemeste) graslanden. De dichtstbijzijnde waarneming van de das is circa 900 m ten zuiden van de planlocatie. De beoogde ontwikkeling heeft alleen betrekking op een tuin en een gedeelte van het naastliggende grasland. Er zijn geen dekkingsstructuren aanwezig op beide percelen. De aanwezigheid en negatieve effecten op de das zijn uitgesloten. De rode eekhoorn komt voor in aaneengesloten bossen. De planlocatie is gelegen in agrarisch gebied met daaromheen enkele bomenlanen. Er worden voornamelijk lage fruitbomen, coniferen en buxus gekapt t.b.v. de ontwikkelingen. Eventuele nestplaatsen en foerageergebieden worden hierdoor niet aangetast. Daarnaast wordt de achterliggende bomenrij vervangen met inheemse bomen. Omdat enkele bomen op zichzelf geen geschikt leefgebied is voor rode eekhoorn worden negatieve effecten op deze soorten uitgesloten. Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen.
Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2021). Daarbij zijn de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppels en bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang. De planlocatie bestaat grotendeels uit gras en enkele solitaire bomen. Er zijn geen schuil-, verblijf- en foerageermogelijkheden aanwezig dat een geschikt habitat voor de steenmarter vormen. Negatieve effecten op steenmarter zijn uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten.
Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en meervleermuis (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de Algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). De bomen die gekapt gaan worden op de planlocatie zijn te dun en te laag om te kunnen dienen als geschikte verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er is geen bebouwing aanwezig binnen de grenzen van de planlocatie. Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizen zijn uitgesloten. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute.
De bomenrij aan de noordzijde van de planlocatie kan gebruikt worden als foerageerroute/vliegroute, echter staat deze bomenrij niet in verbinding met andere bomenrijen/bosgebieden en zijn de huidige bomen lager dan de bomen in de directe omgeving. De aanwezige structuren buiten de grenzen van de planlocatie worden niet aangetast in de beoogde ontwikkeling.
11
BLOM A ECOLOGIE
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, knoflookpad en poelkikker. Voor al deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming, maar vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. De sloot wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. Daarnaast komen de bekende waarnemingen van de kamsalamander alle uit een gebied op circa 1,7 km ten noorden van de planlocatie. Deze afstand is te groot voor de kamsalamander om te overbruggen. De aanwezigheid en negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. De knoflookpad is een zeer zeldzame en bijzondere soort welke is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren in het oosten en zuidoosten van Nederland.
Zijn leefgebied bestaat uit rivierduinen en kleinschalig agrarisch landschap met bos in de nabijheid (Ravon knoflookpad, 2021). Doordat de planlocatie een uniforme structuur, geen vergraafbare grond, afwezigheid afgesloten poelen/vennen en begroeiing heeft met weinig tot geen schuilmogelijkheden is het voorkomen van de knoflookpad op de planlocatie uitgesloten. De poelkikker komt met name voor in vennen, poelen en watergangen in heidegebieden, hoogveengebieden en in de uiterwaarden. Het water dient ondiep, voedselarm en zonbeschenen te zijn(BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). Er is sprake van veel schaduwwerking in de sloot. Door deze reden is de naastgelegen sloot niet geschikt als voortplantingswater/leefgebied voor de poelkikker. De aanwezigheid en negatieve factoren op poelkikker zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011-2021).
Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011 2021). Op de planlocatie van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater. Het water binnen de invloedsfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep wordt niet aangetast. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten.
12
BLOM n ECOLOGIE
Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde insecten of ongewervelden niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: ekster, gaai, kauw, merel, roodborst en zwarte kraai. Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2011-2021). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien.
Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig, tevens zijn er in de afgelopen 10 jaar geen huismussen waargenomen bij naastgelegen bebouwing op het perceel (NDFF, 2011-2021). Door gebrek aan bebouwing kan het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot aantasting van groene delen, echter wordt er een groot gedeelte van het groen vervangen, tevens wordt er een nieuwe haag aangeplant. De te kappen bomen zijn geen onderdeel van een functioneel leefgebied van huismussen. Zodoende resulteert de beoogde ruimtelijke ingreep niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en essentieel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Gezien de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. Door het gebrek aan bebouwing kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Op het perceel zijn geen sporen van uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil) aangetroffen. De fruitbomen die gekapt worden zijn zeer dun en laag, zodoende zijn deze niet geschikt als leefgebied voor steenuil. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel leefgebied van uilen. De directe omgeving biedt meerdere alternatieven tot foerageergebieden voor uilen. Daarbij is de planlocatie vrij klein in verhouding met omliggende foerageergebieden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden.
Doordat de planlocatie zeer kleinschalig is en een groot deel van de naastgelegen grasweide behouden blijft is er geen sprake van essentieel leefgebied van roofvogelsoorten. De directe omgeving biedt meerdere alternatieven tot foerageergebieden voor roofvogelsoorten.
13
BLOM A ECOLOGIE
Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
14
BLOM A ECOLOGIE
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 3.1). Rijntakken
1,7 km
Legenda Natura 2000-gebied
Figuur 3.1
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,7 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een woning. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wnb art. 2.9a). Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.
Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen van bestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteit die het feitelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een grote afstand (1,7 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven. 15
BLOM rï ECOLOGIE
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,6 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 5,8 km ligt Weidevogelgebied. Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 1,8 km van de planlocatie (figuur 3.3). Op een afstand van circa 3,9 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur. Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Hork
H*err'str^
1,6 km 1,5 km
Legenda ■I Gelders Natuurnetwerk ~ Groene Ontwikkelingszone
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 1,6 km tot de Groene Ontwikkelingszone.
1,8 km
Legenda Ganzenrustgebied
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het Ganzenrustgebied
16
BLOM A ECOLOGIE
3.3
Houtopstanden Wnb In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. APV Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
17
BLOM A ECOLOGIE
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
18
BLOM A ECOLOGIE
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Nader onderzoek
Natura 2000
1,7 km
Geen
N.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
1,5 km
Geen
N.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
1,6km
Geen
N.v.t.
Weidevogelgebied
5,8 km
Geen
N.v.t.
Ganzenrustgebied
1,8 km
Geen
N.v.t.
Beschermingszone natte landnatuur
3,9 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
19
BLOM A ECOLOGIE
5 Conclusie 5.1
Conclusie De kap van enkele solitaire fruitbomen ter realisatie van een woning aan de Dam 8 te Ewijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
5.2
Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3
Vervolgstappen De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
5.4
Te treffen maatregelen ^
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht).
^
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
^
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
^
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
^
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
^
Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober - april.
^
De kapwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
20
BLOM A ECOLOGIE
Bronvermelding Bouwens, S, 2017. Handreiking kleine marters in relatie tot soortbescherming. Zoogdiervereniging in opdracht van de provincie Noord-Brabant. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.
Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gewone grootoorvleermuis (Plecotus auritus) Kennisdocument Grote modderkruiper (Misgurnus fossilis)(2021) Kennisdocument Heikikker (Rana arvalis) Kennisdocument Kamsalamander (Triturus cristatus) Kennisdocument Poelkikker (Pelophylax lessonae) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Kennisdocument Steenuil (Athene noctua) Kennisdocument Watervleermuis (Myotis daubentonii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
Bijlage 1
Fotografische impressie
21
BLOM A ECOLOGIE
Bijlage 1
Figuur 1
Fotografische impressie
De planlocatie is gelegen aan de Dam 8 te Ewijk en bestaat uit een grasweide, enkele fruitbomen, bomenrij en sloot. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het kappen van de fruitbomen en bomenrij ter realisatie van een nieuw woonhuis.
'
1
-
«lil V -- -
'
Lïľ,ŕ"'ŴÏTS:.‘*
hm
V Ai-, -ľSiť-.î
EstâM WM’ĩ'
mm .t&ĹĪu Figuur 2
ğġhi.íĝ ■v
v..,^
De naastgelegen sloot blijft behouden en de bomenrij (rechts) wordt vervangen door streekeigen beplanting/bomen in de beoogde ontwikkelingen.
22
BLOM A ECOLOGIE
'-»VŠv
á^ř.fÄ
sâäätâfS
STvJi rù’şrtį' Figuur 3
De bomenrij wordt gekapt en vervangen door streekeigen beplanting/bomen.
-. ŵ : HWŭk -
Figuur 4
De grasweide waar de oprit komt te liggen. Het overige deel van de grasweide wordt niet aangetast.
23
BLOM A ECOLOGIE
BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl