Bijlage 1 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2025
Tekst van het document
5.7 Een eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten dat als maximum verstrekt wordt bij het logeerbaar maken van de woning bedraagt € 2.666,54. 5.8 Indien het college een eenvoudige losse woonvoorziening van niet-bouwtechnische of nietbouwkundige aard tot € 300 verstrekt, verstrekt het college deze voorziening in eigendom.
Paragraaf 3. Verplaatsen en vervoer Artikel 6 Het persoonsgebonden budget voor een rolstoel wordt vastgesteld als tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening, verhoogd met het gemiddelde bedrag voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering voor vergelijkbare rolstoelen in het een na vorige volledige kalenderjaar. Artikel 7 Het persoonsgebonden budget voor vervoersvoorzieningen wordt vastgesteld op basis van de tegenwaarde van de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening vermeerderd met de instandhoudingskosten (voor onderhoud, reparatie en (indien van toepassing) verzekering) over een periode van 7 jaar. Artikel 8 1. Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (eigen) auto bedraagt € 719,97 als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van € 1.439,48. 2. Het bedrag dat per jaar verstrekt wordt voor gebruik van een (rolstoel) taxi bedraagt € 719,97 als eenmalig persoonsgebonden budget met een maximum van € 1.439,48. 3. Het bedrag dat per afgelegde kilometer wordt vergoed in het kader van de vervoersvoorziening onder lid 1. Artikel 8A 1. Bij het compenseren van beperkingen bij het zich lokaal verplaatsen ligt het primaat bij het collectieve vervoerssysteem via Avan. 2.
De cliënt die als gevolg van aantoonbare beperkingen geen gebruik kan maken van het openbaar vervoer of voor wie het openbaar vervoer niet compenserend is, kan in aanmerking komen voor een Wmo-vervoerspas voor gebruik van het collectief vervoer. Met deze Wmovervoerspas wordt een korting verkregen op het normale tarief van dit collectief vervoer. 3. In het geval van een Wmo-vervoerspas zoals bedoeld in lid 2 betaalt de gemeente het verschil tussen het AVAN-tarief per kilometer en het tarief dat reizigers in het reguliere ov per kilometer betalen. De reiziger is een eigen bijdrage verschuldigd in de kosten voor het gebruik van het collectieve vervoer en kan de actuele tarieven vinden op de website van de vervoersorganisatie AVAN. Deze bijdrage valt niet onder het abonnementstarief. 4. De in lid 2 bedoelde vervoerspas voor het gebruik van collectief vervoer maakt het mogelijk om per kalenderjaar maximaal 1500 kilometer met korting, zoals bedoeld in lid 2 en 3 te reizen. Na het bereiken van deze 1500 kilometer komt de cliënt niet meer in aanmerking voor een door de gemeente gefinancierde korting op het normale tarief van dit collectief vervoer. 5. De onder lid 3 vermelde bedragen zijn uitgedrukt in het prijspeil 1-1-2025.
Deze worden ieder opvolgend jaar gewijzigd aan de hand van ontwikkelingen ten aanzien van de gehanteerde prijsindex (NEA index en CPI index) en gewijzigde btw-en vervoerstarieven. Artikel 8B 1. Het in artikel 8 lid 1 bedoelde eenmalig persoonsgebonden budget dat wordt verstrekt voor gebruik van een (eigen) auto, bedraagt in het geval van:
- kinderen 4 jaar en <12 jaar: de helft van het bedrag zoals genoemd in artikel 8 lid 1; - kinderen >12 jaar: volledige bedrag zoals genoemd in artikel 8 lid 1. 2. Indien de behoeften van echtgenoten samenvallen en gebruik kan worden gemaakt van dezelfde voorziening, wordt een enkel eenmalig pgb, zoals bedoeld in artikel 8, toegekend. 3. Indien de behoeften van echtgenoten niet samenvallen, wordt niet meer dan anderhalf maal een in artikel 8 bedoeld eenmalig pgb toegekend.
Paragraaf 4. Maatschappelijke participatie Artikel 9 1. De eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten voor een sportvoorziening bedraagt maximaal € 4.799,78. 2. Dit bedrag is bedoeld is als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van drie jaar.
Paragraaf 5. Beschermd wonen Artikel 10 10.1 De tarieven voor beschermd wonen in natura worden bepaald aan de hand van door de gemeente bedongen uurtarieven bij een aanbesteding. 10.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van beschermd wonen (beschermd wonen intramuraal, trainingshuis of beschermd thuis) vindt plaats op basis van acht producten (tabel in 10.3). De hulpvraag bepaalt welk product beschermd wonen wordt toegekend 10.3 a. Binnen beschermd wonen wordt onderscheid gemaakt tussen de zorgverlening door professionals en niet-professionals. Bij zorgverlening door professionals hanteren wij een standaardtarief per dag. Voor niet-professionals wordt gerekend met een uurtarief. Onder niet-professionals wordt het sociaal netwerk van een cliënt verstaan. Tot het sociale netwerk behoren personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt (artikel 1.1.1 Wmo). Dit is ook het geval als de persoon uit het sociale netwerk een professionele zorgverlener is of in het bezit is een relevant diploma. b. Vaststelling van het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is gebaseerd op het totaal aantal begeleidingsuren dat een cliënt met een bepaald profiel nodig zou hebben.
De cliënt mag binnen het totaal aantal uren, vanwege zijn specifieke situatie, de verdeling tussen individuele en groepsbegeleiding afwijkend invullen. Categorie
Aantal uren groepsbegeleiding per week
Aantal uren individuele begeleiding per week
Beschermd Thuis: licht
0
2-3
Beschermd Thuis: middel
0
4-6
Beschermd Thuis: zwaar
0
6-9
Beschermd wonen intramuraal; licht Beschermd wonen intramuraal: middel Beschermd wonen intramuraal: zwaar Trainingshuis licht
7
4-6
7
7-9
7
10-14
7
2,5-4,5
Traingingshuis middel
7
5-7
Met het aantal in te zetten uren individuele en/of groepsbegeleiding mag worden gewisseld, waarbij we gebruik maken van de omrekenfactor 1 op 6. Dat wil zeggen dat 6 groepsuren gelijk staan aan 1 individueel uur. 10.4 1. In bepaalde gevallen wordt het persoonsgebonden budget niet berekend op basis van dagtarieven maar op basis van uurtarieven. Het gaat om de volgende situaties: a. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van niet professionele zorg. b. De budgethouder geeft aan gebruik te willen maken van een mix van niet-professionele en professionele zorg. Een uitsplitsing wordt gemaakt om te bepalen hoeveel uren nietprofessioneel en hoeveel uren de budgethouder professioneel nodig heeft. Deze zullen worden toegekend conform de uurtarieven in bovenstaande tabel in 11.3. c. De indicatiesteller (GGD Gelderland-Zuid, Toegang Beschermd Wonen) constateert dat de individuele zorgvraag significant hoger of lager ligt dan het gemiddelde aantal uren dat gerekend mag worden bij de geïndiceerde categorie. In voorkomende gevallen geeft de GGD een advies over het aantal uren dat de betreffende cliënt nodig heeft. 2. Indien een cliënt met een persoonsbudget voor beschermd wonen zowel professionele zorg inkoopt bij een aanbieder als niet-professionele zorg uit zijn eigen netwerk, leveren beide partijen ieder een deel van de totaal geïndiceerde hoeveelheid zorg.
Het totale persoonsgebonden budget is gebaseerd op een totaal aantal uren dat de uren in bovenstaande tabel niet kan overschrijden.
Paragraaf 6. Begeleiding/dagbesteding Artikel 11 11.1 De tarieven voor begeleiding/dagbesteding in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding. 11.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van begeleiding/dagbesteding vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid.
Paragraaf 7. Opvang Artikel 12 12.1 Vervallen 12.2 De bijdrage in de kosten wordt bepaald per dag. De bijdrage is verschuldigd voor iedere dag of gedeelte van een dag, waarop de cliënt gebruik maakt van het aanbod van een instelling. 12.3
De bijdrage in de kosten voor opvang bedraagt het inkomen over het peiljaar van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk van de gehuwde cliënten tezamen, vermeerderd met 8% van het vermogen van de ongehuwde cliënt, onderscheidenlijk 8% van de opgetelde vermogens van de gehuwde cliënten. 12.4 Indien de instelling bij voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang of vrouwenopvang (waaronder crisisopvang) aan de cliënt geen voeding verstrekt, wordt de bijdrage in de kosten verminderd met een bedrag voor voeding. Dit bedrag is gelijk aan het bedrag, dat het Nationaal Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) berekent als gemiddelde kosten. In het geval het bedrag niet bekend is, bepaalt het college het bedrag dat hiervoor in de plaats komt. 12.5 Als een cliënt een vergoeding ontvangt voor vrijwilligerswerk, wordt deze vergoeding buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van de bijdrage in de kosten. 12.6 Voor cliënten die gebruik maken van de crisisopvang en tegelijkertijd nog kosten hebben voor een zelfstandige woonruimte, wordt de bijdrage in de kosten gedurende maximaal 6 maanden verminderd met een forfaitair bedrag voor dubbele woonlasten, zijnde 20% van de bijstandsnorm.
HOOFDSTUK 3 JEUGDHULP Artikel 13 13.1 De tarieven voor jeugdhulp in natura worden bepaald aan de hand van de door de gemeente bedongen (uur)tarieven bij een aanbesteding. 13.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van jeugdhulp vindt plaats in de vorm van een bedrag per eenheid. Artikel 14 14.1 Alleen in uitzonderingssituaties bij zwaarwegende redenen is inzet van een pgb door mensen uit het sociale netwerk van de cliënt mogelijk. Drie aanvullende cumulatieve criteria voor uitvoering van het pgb door leden uit het sociale netwerk: • Degene die de voorziening met het pgb uitvoert is aantoonbaar deskundig; •
Degene die de voorziening met het pgb uitvoert lijdt kostenderving: ofwel in de vorm van inkomstenderving in verband met het bieden van mantelzorg, ofwel in de vorm van extra kosten die hij moet maken om intensieve mantelzorg te kunnen bieden;
•
Pgb door het sociaal netwerk leidt tot betere/efficiëntere ondersteuning.
14.2 Verstrekking in de vorm van persoonsgebonden budget vindt niet of niet langer plaats als: a. op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; b. er sprake is van vastgesteld oneigenlijk gebruik of misbruik van een persoonsgebonden budget in het verleden; c. er naar het oordeel van het college andere, zwaarwegende, bezwaren bestaan tegen de verstrekking. 14.3 a. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in artikel 16.1, indien toepassing van deze bepalingen leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. b. Het college kan de bepalingen in dit artikel nader invullen in de beleidsregels. Artikel 15 15.1
Teneinde hun eigen kracht en regie te versterken stelt het college tijdens het vooronderzoek de jeugdige en zijn ouders op de hoogte van de mogelijkheid om binnen een redelijke termijn een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 Jeugdwet op te stellen. Als de jeugdige en zijn ouders daarom verzoeken, draagt het college zorg voor ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan. 15.2 Als de jeugdige en zijn ouders een familiegroepsplan als bedoeld in artikel 1.1 van de wet hebben opgesteld, betrekt het college dat als eerste bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van de Verordening Jeugdhulp.
HOOFDSTUK 4 OVERIG
Paragraaf 1. Terugvordering Artikel 16 1. De meerwaarde van de woning die door het ontvangen van een woonvoorziening
(compensatie op het leefgebied huisvesting) is ontstaan, dient gedeeltelijk aan de gemeente Beuningen te worden terugbetaald.
2. Voor het bepalen van het bedrag van meerwaarde wordt uitgegaan van:
a. Het toegekende bedrag voor de woonvoorziening minus de bijdrage in de kosten die voor de woonvoorziening is betaald;
b. Een afschrijving van 10% voor elk vol jaar dat de woonvoorziening was gerealiseerd. Artikel 17 Bij een bedrag tot € 150,- wordt afgezien van terugvordering.
Paragraaf 2. Persoonsgebonden budget Artikel 18 18.1 Voor de duur van de verstrekking van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt de volgende economische afschrijvingstermijn gehanteerd: a. Maatwerkvoorziening voor een meerderjarige: 7 jaar (oftewel 91 zorgperioden); b. Maatwerkvoorziening voor een minderjarige: 5 jaar (oftewel 65 zorgperioden). 18.2 Als een minderjarige meerderjarig wordt dan wordt de afschrijvingstermijn verminderd met het aantal jaren dat de minderjarige de maatwerkvoorziening heeft toegekend gekregen. 18.3 In afwijking van het eerste lid kan voor tweedehands maatwerkvoorzieningen voor een meerderjarige en minderjarige de afschrijvingstermijn worden verminderd met de actuele leeftijd van de maatwerkvoorziening.
18.4 Indien de met het eenmalig persoonsgebonden budget aangeschafte voorziening na het verstrijken van de in lid 1 bedoelde periode nog adequaat, kwalitatief verantwoord en compenserend is, dan wordt geen nieuw persoonsgebonden budget verstrekt. Een persoonsgebonden budget voor instandhoudingskosten kan dan wel worden verstrekt. Onder instandhoudingskosten wordt verstaan: de noodzakelijke kosten om de voorziening in stand te houden, in het bijzonder de kosten van onderhoud en reparatie en, voor zover van toepassing, de verzekeringskosten. 18.5 De bewaartermijn voor de pgb-administratie is 7 jaar. 18.6 Bij de verlening van een persoonsgebonden budget worden de budgethouder de volgende verplichtingen opgelegd: a. De budgethouder dient zelf een aansprakelijkheidsverzekering te hebben (afgesloten) voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan. Zoals bepaald in artikel 11 van de verordening is – indien van toepassing – een component opgenomen voor verzekering. b. De budgethouder dient zelf een voorziening die een motorrijtuig is in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) te verzekeren in overeenstemming met artikel 2 van die wet. Zoals bepaald in artikel 11 van de verordening is – indien van toepassing – een component opgenomen voor verzekering.
Artikel 19 Bij overlijden van de pgb-houder wordt het persoonsgebonden budget beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de maand van overlijden. Artikel 20 Het college indexeert de bedragen genoemd in artikel 5.2, 5.3, 5.5, 5.6, 5.7, 8 lid 1 en 2 en 9 lid 1 van deze financiële bijlage jaarlijks op 1 januari op basis van de consumentenprijsindex zoals het CBS deze vaststelt. Tabel tarieven persoonsgebonden budget Wmo/Jeugdhulp gemeente Beuningen 2025 WMO Perceel
Producten
Persoonlijke verzorging Begeleiding
Persoonlijke verzorging Begeleiding Begeleiding plus
Productcod e Wmo 03A03
Eenheid Per uur
PGB professioneel € 49,88
PGB informeel € 25,02
Wmo 02A03
Per uur
€ 55,96
€ 25,02
Wmo 02A05
Per uur
€ 67,34
€ 25,02
Begeleiding in een groep
Wmo 02A17
€ 18,72
n.v.t.
Wmo 02A20
Per uur, gedeeld door het aantal deelnemers Per uur
Begeleiding plus in een groep Casemanagem ent Dagbesteding
€22,45
n.v.t.
Wmo 02A21
Per uur
€ 67,34
n.v.t
Kortdurend verblijf Vervoer dagbestedinge n kortdurend verblijf Praktische begeleiding
Wmo 07A03
Per dagdeel
€ 37,57
€ 25,02
Wmo 04A04
Per etmaal
€ 195,98
€ 36,39
Wmo 08A03
Per etmaal
€ 13,80
n.v.t.
01A06
Per uur
€ 45,12
€ 22,56
Perceel
Producten
Productcod e
Eenheid
PGB professioneel
PGB informeel
Persoonlijke verzorging Begeleiding
Verzorging en begeleiding Begeleiding
Jw 40A04
Per uur
€ 62,36
€ 25,02
Jw 45A04
Per uur
€ 55,96
€ 25,02
Specialistische begeleiding Specialistische begeleiding in een groep Casemanagem ent Begeleiding in een groep Voorschoolse dagbehandelin g
Jw 45A05
Per uur
€ 67,34
€ 25,02
Jw45A49
Per uur
€ 22,45
n.v.t.
Jw 45A55
Per uur
€ 67,34
n.v.t.
Jw 45A71
Per uur
€ 18,72
n.v.t.
Jw 41A11
Per uur
€ 28,80
€ 14,40
Naschoolse dagbehandelin g Naschoolse dagbehandelin g LVB BSO+
Jw 41A12
Per uur
€ 26,88
€ 13,44
Jw 41A13
Per uur
€ 34,56
€ 17,28
Jw 41A19
Per uur
€ 17,76
€ 8,88
Jw 41A20
Per uur
€ 16,80
€ 8,40
Dyslexie
Onderwijstoelei dende dagbesteding Dyslexie
Jw 45A74
Per uur
n.v.t.
n.v.t.
Logeeropvang
Logeeropvang
Jw 44A09
Per etmaal
€ 195,98
€ 36,71
Dagbesteding Logeeropvang Vervoer
Hulp bij huishouden Jeugd
Dagbesteding en dagbehandelin g
Vervoer
Vervoer
Jw 42A03
Per etmaal
€ 13,80
n.v.t.
GGZ
Vaktherapie
Jw 45A53
Per uur
€ 76,86
n.v.t.
Groepsgerichte vaktherapie Behandeling basis Jeugd GGZ Specialistische Jeugd GGZ (incl. Obs. En diagnostiek)
Jw 45A52
Per uur
n.v.t.
n.v.t.
Jw 54001
Per uur
€ 93,75
n.v.t.
Jw54002
Per uur
€ 109,17
n.v.t.
Pgb-tarief hulp bij het huishouden Perceel Producten Hulp bij het huishouden
Productcode
Hulp bij het huishouden 1 en 2
Eenheid
Pgb-tarief
Per uur
€ 21,00
Tabel tarieven persoonsgebonden budget voor ondersteuning ZG ZG Perceel
Ondersteuning vroegdoven
Ondersteuning Doofblinden
Producten
Gespecialiseerde begeleiding ZG Revaliderende begeleiding ZG Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten Gespecialiseerde begeleiding doofblinden Begeleidersvoorzieni ng Doofblinden Revaliderende begeleiding ZG Dagactiviteit zintuigelijk gehandicapten
Productcode
Eenheid
PGB PGB professione informeel el
02L05
per uur
€ 56,13
€ 25,02
02L06
per uur
€ 56,13
€ 25,02
07L01
per dagdeel
€ 56,13
€ 25,02
02L12
per uur
€ 56,13
€ 25,02
02L13
per uur
€ 56,13
€ 25,02
02L14
per uur
€ 56,13
€ 25,02
07L02
per dagdeel
€ 56,13
€ 25,02
Ondersteuning visueel
Gespecialiseerde begeleiding
02L15
Zorg in Natura Tarieven en Producten 2025 Wmo Persoonlijke Persoonlijke verzorging verzorging Begeleiding Begeleiding Wmo Begeleiding plus Begeleiding in een groep Wmo Begeleiding plus in een groep Casemanage ment Dagbestedin Dagbestedin g g Logeeropvan Kortdurend g verblijf Vervoer Vervoer dagbestedin g en kortdurend verblijf Hulp bij Praktische huishouden begeleiding Jeugd (ambulant)
Persoonlijke verzorging Begeleiding
Dagbestedin g en dagbehande ling
Verzorging en begeleiding Reguliere begeleiding Specialistisch e begeleiding Specialistisch e begeleiding In een groep Casemanage ment Reguliere begeleiding Voorschoolse dagbehandeli ng Naschoolse dagbehandeli ng
per uur
€ 56,13
€ 25,02
Wmo 03A03
€ 1,04
Per minuut
Wmo 02A03
€ 1,23
Per minuut
Wmo 02A05
€ 1,50
Per minuut
Wmo 02A17
€ 1,47
Per minuut
Wmo 02A20
€ 1,80
Per minuut
Wmo 02A21
€ 1,33
Per minuut
Wmo 07A03
€ 46,78
Per dagdeel
Wmo 04A04
€ 192,00
Per etmaal
Wmo 08A03
€ 18,88
Per etmaal
01A06
€ 0,94
Per minuut
Jw 40A04
€ 1,33
Per minuut
Jw 45A04
€ 1,25
Per minuut
Jw 45A05
€ 1,51
Per minuut
Jw 45A49
€ 1,81
Per minuut
Jw 45A55
€ 1,33
Per minuut
Jw 45A71
€ 0,38
Per minuut
Jw 41A11
€ 0,60
Per minuut
Jw 41A12
€ 0,56
Per minuut
Naschoolse dagbehandeli ng LVB+ BSO+
Jw 41A13
€ 0,72
Per minuut
Jw 41A20
€ 0,37
Per minuut
Jw 41A21
€ 0,35
Per minuut
Dyslexie
Onderwijstoeleidende dagbesteding Dyslexie
Jw 45A74
€ 1,81
Per minuut
Logeeropva ng Vervoer
Logeeropvan g Vervoer
Jw 44A09
€ 361,84
Per etmaal
Jw 42A03
€ 37,25
Per etmaal
GGZ
Vaktherapie
Jw 45A53
€ 1,51
Per minuut
Groepsgerich te vaktherapie Behandeling basis Jeugd GGZ Specialistisch e Jeugd GGZ (incl. Obs en diagnostiek)
Jw 45A52
€ 1,65
Per minuut
Jw 54001
€ 1,90
Per minuut
Jw 54002
€ 2,16
Per minuut
Beschermd Wonen Zorg in Natura Tarieven 2025
ZIN tarief 2025
Producten Beschermd wonen
Productcode
Eenheid
Beschermd Thuis: Licht
15N02
Etmaal
Beschermd Thuis: Middel
15N03
Etmaal
Beschermd wonen intramuraal: Licht
15N11
Etmaal
€ 145,18
Etmaal
€ 227,58
Etmaal
€ 94,00
Beschermd Thuis: Zwaar
15N04
Beschermd wonen intramuraal: Middel 15N12 Beschermd wonen intramuraal: Zwaar
15N13
Trainingshuis middel
15N15
Trainingshuis licht
Overige producten
15N14
€ 37,08 € 70,63
Etmaal
€ 104,19
Etmaal
€ 186,38
Etmaal
€ 64,43
Dagbesteding
Eenheid Productcode 15N21 Dagdeel
€ 46,78
Vervoer van en naar dagbesteding
15N51
€ 18,88
Meerzorg
Afwezigheidsdag
15N31 15N41
Uur
Retourrit Etmaal
ZIN € 80,40 € 68,94
Wachtzorg
Toeslag Wakende Wacht
15N17 15N16
Etmaal
€ 37,08
Etmaal
€ 29,10
Beschermd Wonen Zorg PGB Tarieven 2025 Producten Beschermd wonen
Tarief PGB professioneel
Eenheid
Tarief PGB informeel
Beschermd Thuis: Licht €
32,23
Etmaal
10,65
Beschermd Thuis: Middel
61,41
Etmaal
€ 19,54
Beschermd wonen intramuraal: Licht
78,73
Etmaal
n.v.t.
Etmaal
n.v.t.
Beschermd Thuis: Zwaar
90,59
Beschermd wonen intramuraal: Middel
114,55
Trainingshuis licht
32,23
Beschermd wonen intramuraal: Zwaar Trainingshuis middel
150,36 61,41
Overige producten PGB
Etmaal
€ 28,43
Etmaal
n.v.t.
Etmaal
n.v.t.
Etmaal
n.v.t.
Eenheid
PGB
Dagbesteding
41,53
Dagdeel
€ 26,56
Vervoer van en naar dagbesteding
13,40
Retourrit
n.v.t.
Meerzorg
69,52
Uur
€ 24,89
BIJLAGE 3 Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers Waar in deze bijlage wordt gesproken van ‘zorgaanbieder’, wordt zowel de pgbzorgaanbieder bedoeld als een onderaannemer, tenzij expliciet anders is aangegeven. Algemene criteria Geschiktheidseisen: • Het gaat om de geschiktheid om de opdracht uit te voeren. Daarvoor moet er bij de zorgaanbieder voldoende financieel economische draagkracht zijn en; •
De zorgaanbieder moet voldoen aan de beroepsbekwaamheidseisen, waaronder diploma-eisen, afhankelijk van de te leveren ondersteuning: een bewijs als geregistreerd professional jeugd of certificering Wmo;
•
Ervaring blijkend uit 1 relevante referentieopdracht *2) uitgevoerd in de laatste 3 jaren. Bij een onvoldoende referentie kan de hoofdaannemer een schriftelijke verklaring afgeven waarmee hij instaat voor de uitvoering van de opdracht door de onderaannemer.
*2) De vereiste capaciteit, kennis en ervaring moet zijn opgedaan in en moet blijken uit één relevante referentieopdracht die in de afgelopen 3 jaar is uitgevoerd. De gevraagde kerncompetentie:
•
ZIN referentie (1 of meerdere referenties met minimaal 5 cliënten), of
•
PGB referentie geanonimiseerd (1 of meerder referenties met minimaal 5 cliënten)
Uitsluitingsgronden 1. Het niet betalen van belasting en/of sociale premies 2. Deelneming in een criminele organisatie 3. Fraude 4. Terroristische misdrijven 5. Witwassen 6. Kinderarbeid/mensenhandel 7. Schending van verplichtingen op gebied van milieu, sociaal- of arbeidsrecht 8. Faillissement 9. Vervalsing van mededinging 10. Een belangenconflict 11. Valse verklaring(en) 12. Vroegtijdige beëindiging van een eerdere overeenkomst, schadevergoeding of sanctie 13. Onrechtmatige beïnvloeding 14. Ernstige beroepsfouten: a. doen van een gift of belofte of het aanbieden van een dienst; b. verstrekken van onjuiste gegevens of het ten onrechte niet verstrekken van juiste gegevens; c. handelen of nalaten waardoor de integriteit van werknemers of andere personen ernstig in gevaar wordt gebracht; d. begaan van gedragingen in strijd met voor het beroep relevante wet- en regelgeving, tuchtregels, toezichtregels, gedragsregels of gedragscodes; e. het verrichten van werkzaamheden die in strijd zijn met de openbare orde; f.
alle andere delicten en gedragingen of omstandigheden die naar hun aard zijn aan te merken als ernstige fout in de uitoefening van het beroep.
Screening kan bestaan uit: 1. Het door een zorgaanbieder laten overleggen van schriftelijke bewijsstukken die aantonen dat hij aan de geschiktheidseisen en/of kwaliteitseisen voldoet waaronder een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); 2. Het doen van onderzoek in open dan wel gesloten bronnen; 3. Het vragen van een Bibob-advies bij het Landelijk Bureau Bibob. Kwaliteitscriteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers De gemeenten zijn eindverantwoordelijk voor de kwaliteit, toegankelijkheid en betaalbaarheid van zorg aan burgers. Ook als de ondersteuning wordt geboden via een pgb
of onderaannemerschap. De zorgaanbieders dienen te werken met deskundig personeel en kwalitatief goede zorg bieden, waarin de cliënt en zijn netwerk centraal staan. In geval van onderaanneming moet de hoofdaannemer garant kunnen staan voor de kwaliteitsonderdelen waarop de onderaannemer (nog) tekortschiet. De onderaannemer dient in ieder geval zelfstandig te voldoen aan de wettelijke kwaliteitskaders (zie ‘kwaliteitseisen’). 1. Het hulpverleningsplan/herstelplan en evaluatieverslag dienen aan de volgende eisen te voldoen *4): De gemeente hecht veel waarde aan: 1. “één huishouden, één plan” waarin alle leefdomeinen aan bod komen en samenhang is tussen de hulp van de verschillende dienstverleners en de informele zorg en ondersteuning; 2. dat iedereen zijn eigen mogelijkheden benut, zelfregie houdt over zijn leven en zijn sociale netwerk versterkt (samenredzaamheid); 3. dat ook kwetsbare doelgroepen volwaardig kunnen meedoen in de samenleving en een betekenisvolle tijdsbesteding hebben aansluitend bij de wensen en mogelijkheden; 4. methodisch werken aan ontwikkeling met door de cliënt gedragen doelen en concrete acties. a. Een check moet gedaan zijn op alle leefdomeinen.
Leefdomeinen zijn: inkomen, werk en opleiding, tijdsbesteding, huisvesting, huiselijke relaties, geestelijke gezondheid, lichamelijke gezondheid, middelengebruik, vaardigheden bij activiteiten van het dagelijks leven (ADL), sociaal netwerk (en woonomgeving), maatschappelijke participatie en justitie. b. Het plan moet perspectiefgericht zijn. Doelen zijn geformuleerd die duidelijk, concreet en haalbaar zijn en die niet alleen perspectief bieden op de langere termijn, maar zich ook richten op praktische, snelle resultaten. Activiteiten zijn geformuleerd gericht op het behalen van de korte- en lange termijn doelen met een duidelijke prioritering. Het evaluatieplan evalueert de doelen, zoals geformuleerd in het hulpverleningsplan. c. De informele en formele betrokkenen zijn in kaart gebracht. Afspraken over de afstemming tussen de betrokken zijn gemaakt. Beschreven wordt wie de regie voert: cliëntsysteem, casemanagement door de zorgaanbieder, gemeentelijke toegangspoort, of gecertificeerde instelling. d. In het plan is een goede balans tussen formele en informele zorg opgenomen. Bovendien wordt in het plan goed beschreven hoe wordt samengewerkt met het sociale netwerk en hoe gebruik wordt gemaakt van algemene voorzieningen en informele voorzieningen in de samenleving (verenigingen en vrijwilligersorganisaties).
Tevens wordt gemotiveerd beschreven of individuele hulp (deels) omgezet kan worden in groepsactiviteiten. e. De mogelijkheden voor deelname aan gewone maatschappelijke activiteiten worden onderzocht en gestimuleerd. f. In het plan staat beschreven hoe wordt gewerkt aan versterking van de eigen regie van de cliënt en aan versterking van zijn/haar sociale netwerk. Het eigen denkvermogen (leervermogen) wordt aangesproken en cliënt is, naar vermogen, eigenaar en regisseur van zijn eigen plan.
*4) Deze bepaling is vanzelfsprekend alleen van toepassing als voor het type zorg of ondersteuning een hulpverleningsplan en evaluatieverslag is vereist.
2. Bereik en participatie specifieke doelgroepen De gemeente hecht veel waarde aan een inclusieve samenleving waarin iedereen volwaardig kan meedoen. Dat vereist toegankelijkheid van de zorg voor alle burgers met een ondersteuningsvraag bijvoorbeeld vanwege lichamelijke, verstandelijke en /of psychische beperkingen. Daarbinnen zijn er kwetsbare doelgroepen met extra uitdagingen vanwege taal, etniciteit, culturele achtergrond, geloofsovertuiging en/of seksuele geaardheid. Van zorgaanbieder wordt verwacht dat hij deze specifieke doelgroepen kan bereiken, in hun kracht zet, hun sociaal netwerk versterkt en laat meedoen in de samenleving.
3. Betaalbaarheid De zorgaanbieder dient bij te dragen aan de doelstelling betaalbaarheid van zorg vanuit de doelstelling: licht waar kan, zwaar waar nodig. 4. Duurzaamheid De gemeente hecht belang aan duurzaamheid rondom de thema’s personeel en milieu. Een duurzaam personeelsbeleid is van cruciaal belang in de zorg: de kwaliteit van de zorg wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van het personeel, de match van het personeel met de cliënt en de continuïteit van de professional voor de cliënt. Daar hoort bij dat het personeel vakbekwaam, vitaal en toekomstbestendig is en dat er geen hoog verloop van personeel is. Kwaliteitseisen begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen (Wmo) en Jeugdhulp De zorgaanbieder dient te voldoen aan de kwaliteitscriteria zoals vastgelegd in het programma van eisen ten aanzien van het betreffende product, te vinden op https://robregionijmegen.nl/documentatie-downloads/
BIJLAGE 4 Protocol gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning
Inleiding Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening wanneer de jeugdige en/of zijn ouders naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met
gebruikmaking van algemene voorzieningen in staat is gezond en veilig op te groeien en zich zo goed mogelijk te ontwikkelen.
Het college kan weigeren om een maatwerkvoorziening te verstrekken vanwege de
aanwezigheid van gebruikelijke hulp die de ouders geacht worden te verlenen aan hun kind. De aanwezigheid van gebruikelijke hulp en de omvang daarvan, moet op basis van
objectieve criteria worden gemotiveerd en geconcretiseerd. Deze criteria worden in dit protocol uitgewerkt.
Dit protocol heeft naast de inleiding drie onderdelen, namelijk: 1. Verhouding gebruikelijke hulp en ondersteuning 2. Begeleiding en verzorging Jeugdwet 3. Tabel
1. Verhouding gebruikelijke hulp en ondersteuning t.o.v. artikel 5 lid 2 van de Verordening Wmo en Jeugd en de daarbij behorende Beleidsregels
In artikel 5 lid 2 van de Verordening staat dat het college in ieder geval onderzoekt: a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van de hulpvraag;
c. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;
d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
e. de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige
activiteiten of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
f. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met
zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zvw en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp, onderwijs, welzijn,
wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen;
g. de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden.
Omdat gebruikelijke hulp hulp is waarvan we minimaal verwachten dat mensen die ‘normaal’ aan elkaar geven, wordt het niet gecompenseerd vanuit de Jeugdwet. Mantelzorg of
ondersteuning door het sociaal netwerk kunnen we echter niet eisen en bieden mensen vrijwillig.
Afhankelijk van de situatie zijn mensen meer of minder in staat om iets te betekenen voor een ander. Het is maatwerk in hoeverre mantelzorg en steun vanuit het eigen netwerk, bovenop gebruikelijke hulp, meeweegt in het besluit om al dan niet een
maatwerkvoorziening te verstrekken. Na de beoordeling van gebruikelijke hulp, wordt met de cliënt en het netwerk besproken wat zij voor elkaar kunnen betekenen en in hoeverre aanvullende ondersteuning nodig is, bijvoorbeeld om de mantelzorger te ontlasten. Dit betekent dus niet dat alle bovengebruikelijke hulp wordt gehonoreerd met een
maatwerkvoorziening in de vorm van zorg in natura of in de vorm van een pgb als iemand hierom vraagt (zoals eerder onder de AWBZ het geval was).
Het hangt af van de sociale relatie welke hulp en ondersteuning mensen van elkaar mogen verwachten. Hoe intiemer de relatie, des te meer hulp en ondersteuning mensen elkaar
horen te geven. Als het gebruikelijk is dat mensen in een bepaalde relatie elkaar hulp en
ondersteuning bieden, is dat niet vrijblijvend met betrekking tot het mogelijke beroep op een maatwerkvoorziening op basis van Wmo 2015 en Jeugdwet.
De criteria voor pgb genoemd in artikel 12 t/m 15 van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp en zijn (dan ook) voorliggend op dit protocol.
Het principe van 'gebruikelijke hulp' heeft een verplichtend karakter. Hierbij wordt geen
onderscheid gemaakt op basis van bijvoorbeeld sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling en de wijze van inkomensverwerving.
2. Begeleiding en verzorging vanuit de Jeugdwet 2.1 Beoordelingskader bij ouders en jeugdige(n)
Als eerste wordt de benodigde hulp en ondersteuning bepaald, vervolgens wordt beoordeeld: •
Welk deel van deze hulp en ondersteuning onder de gebruikelijke hulp van ouders aan kinderen valt
-
Ouders aan kinderen in kortdurende situaties
Alle begeleiding door de ouder aan het kind is gebruikelijke hulp en ondersteuning als er sprake is van een kortdurende zorgsituatie met uitzicht op een dusdanig herstel van het
gezondheidsprobleem en de daarmee samenhangende zelfredzaamheid van de cliënt, dat een maatwerkvoorziening daarna niet langer is aangewezen. We spreken van een
kortdurende zorgsituatie als sprake is van een aaneengesloten éénmalige periode van maximaal drie maanden in één kalenderjaar. -
Ouders aan kinderen, in langdurige situaties
Als het gaat om een chronische situatie, waarbij de gebruikelijke begeleiding in vergelijking tot een gezond kind c.q. een kind zonder beperkingen van dezelfde leeftijdscategorie
volgens de in de bijlage aangegeven richtlijnen per levensfase wordt overschreden, is sprake van bovengebruikelijke hulp. •
Welk deel van de benodigde hulp en ondersteuning als aanvullend kan worden gezien.
•
In hoeverre de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de ouder(s) en van het sociale netwerk toereikend zijn om zelf de nodige hulp en ondersteuning te kunnen bieden.
Om vast te stellen op welke hulp en ondersteuning het kind redelijkerwijs is aangewezen, wordt, gelet op de omstandigheden van het betrokken kind, beoordeeld welke hulp en
ondersteuning op het gebied van persoonlijke verzorging en hulpverlening uitgaat boven de hulp en ondersteuning die een kind van dezelfde leeftijd zonder beperkingen redelijkerwijs nodig heeft.
2.1.1 Leeftijd
Bij de beoordeling wordt rekening gehouden met verschillen die tussen jeugdigen in
dezelfde leeftijdscategorie bestaan. Ook bij gezonde jeugdigen van dezelfde leeftijd kan de hulp en ondersteuning die het ene kind nodig heeft namelijk meer of minder zijn dan de hulp en ondersteuning die een ander kind nodig heeft.
2.1.2 Aard van de (zorg)handelingen
Gebruikelijke hulp en ondersteuning bij jeugdigen kunnen ook handelingen omvatten die
niet standaard bij alle jeugdigen voorkomen, zoals het geven van sondevoeding in plaats van eten, of het geven van medicijnen. Voorbeelden van handelingen die gebruikelijke
hulphandelingen vervangen kunnen zijn: het legen van een katheterzakje in plaats van
verschonen; bij een kind met een verstandelijke beperking oefenen met het gebruik van pictogrammen in plaats van oefenen met topografie.
2.1.3 Frequentie en patroon van de (zorg)handelingen (samenloop)
Zorghandelingen die meelopen in het normale patroon van dagelijkse hulp en ondersteuning aan een kind, zoals drie keer eten per dag, kunnen als gebruikelijke hulp en ondersteuning
worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het aanreiken van spullen of speelgoed na afloop van de maaltijd of na een drinkmoment, bij jeugdigen met een lichamelijke beperking.
Een voorbeeld van zorghandelingen die niet meelopen in het normale patroon van dagelijkse
hulp en ondersteuning van ouders aan een kind, is het meerdere malen per nacht bieden van hulp van ouders aan een ouder kind.
2.1.4 Omvang van de met de (zorg)handelingen gemoeide tijd
De tijd die met de zorghandelingen is gemoeid, kan (bijvoorbeeld wassen en kleden bij
spasticiteit) meebrengen dat niet langer van gebruikelijke hulp en ondersteuning sprake is. 2.1.5 Beschermende woonomgeving en jeugdigen
Het door de ouders aan het kind bieden van een beschermende woonomgeving moet
afhankelijk van de levensfase van het kind als gebruikelijke hulp en ondersteuning worden
aangemerkt, ook indien sprake is van een kind met een ziekte, aandoening of beperking. In de tabel zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en
ondersteuning van ouders voor jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen.
2.1.6. Aandachtspunten
Ouderlijk toezicht aan kinderen is gebruikelijke hulp en ondersteuning. Kinderen (met of
zonder ziekte of handicap) hebben ouderlijk toezicht nodig. Dit toezicht wordt anders van aard naarmate een kind ouder wordt en zich ontwikkelt. In de bijlage zijn per levensfase richtlijnen ten aanzien van de gebruikelijke hulp en ondersteuning van ouders voor
jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel opgenomen. Dit zijn uitgangspunten bij de beoordeling of sprake is van gebruikelijke hulp en ondersteuning. Per casus moet worden gemotiveerd waarom dit protocol van toepassing is.
3.Tabel toekenningsvoorwaarden en afwegingsfactoren
Wat is gebruikelijke hulp van ouders aan jeugdigen met een normaal ontwikkelingsprofiel
(ter vergelijking bij aanvragen van maatwerkvoorzieningen op grond van de Wmo 2015 en de Jeugdwet)? Deze tabel geeft slechts een richtlijn/indicatie. Maatwerk staat voorop, dus in elk geval moet een zorgvuldige individuele afweging gemaakt worden of en in hoeverre deze tabel van toepassing is in een specifieke situatie. 1. Jeugdigen van 0 tot 3 jaar •
Hebben bij alle activiteiten verzorging van een ouder nodig;
•
ouderlijk toezicht is zeer nabij nodig;
•
zijn in toenemende mate zelfstandig in bewegen en verplaatsen;
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
2. Jeugdigen van 3 tot 5 jaar •
Kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan binnenshuis korte tijd op gehoorafstand (bijv. Ouder kan was ophangen in andere kamer);
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•
kunnen zelf zitten, en op gelijkvloerse plaatsen zelf staan en lopen;
•
hebben hulp, toezicht, stimulans, zindelijkheidstraining en controle nodig bij de toiletgang;
•
hebben hulp, toezicht, stimulans en controle nodig bij aan- en uitkleden, eten en wassen, in- en uit bed komen, dag- en nachtritme en dagindeling bepalen;
•
hebben begeleiding nodig bij hun spel en vrijetijdsbesteding;
•
zijn niet in staat zich zonder begeleiding in het verkeer te begeven;
•
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
3. Jeugdigen van 5 tot 12 jaar •
Jeugdigen vanaf 5 jaar hebben een reguliere dagbesteding op school, oplopend van 22 tot 25 uur per week;
•
kunnen niet zonder toezicht van volwassenen. Dit toezicht kan op enige afstand (bijv. jeugdige kan buitenspelen in directe omgeving van de woning als ouder thuis is);
•
hebben toezicht, stimulans en controle nodig en vanaf 6 jaar tot 12 jaar geleidelijk aan steeds minder hulp nodig bij hun persoonlijke verzorging zoals het zich wassen en tanden poetsen;
•
hebben hulp nodig bij het gebruik van medicatie;
•
zijn overdag zindelijk, en ‘s nachts merendeels ook; ontvangen zo nodig zindelijkheidstraining van de ouders/verzorgers;
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij hun psychomotorische ontwikkeling;
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•
hebben begeleiding van een volwassene nodig in het verkeer wanneer zij van en naar school, activiteiten ter vervanging van school of vrijetijdsbesteding gaan;
•
hebben een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.
4. Jeugdigen van 12 tot 18 jaar •
Hebben geen voortdurend toezicht nodig van volwassenen;
•
kunnen vanaf 12 jaar enkele uren alleen gelaten worden;
•
kunnen vanaf 16 jaar een dag en/of een nacht alleen gelaten worden;
•
kunnen vanaf 18 jaar zelfstandig wonen;
•
hebben bij hun persoonlijke verzorging geen hulp en maar weinig toezicht nodig;
•
hebben bij gebruik van medicatie tot hun 18e jaar toezicht, stimulans en controle nodig;
•
hebben tot 18 jaar een reguliere dagbesteding op school/opleiding;
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij ontplooiing en ontwikkeling (bv. huiswerk of het zelfstandig gaan wonen);
•
hebben begeleiding en stimulans nodig bij de ontwikkeling naar zelfstandigheid en zelfredzaamheid;
•
hebben tot 18 jaar een beschermende woonomgeving nodig waarin de fysieke en sociale veiligheid is gewaarborgd en een passend pedagogisch klimaat wordt geboden.