Bijlage 1 Toelichting en Regels - ontwerpbestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Tekst van het document
Doorvertaling bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied wordt de mogelijkheid tot het oprichten van een intensieve veehouderij wegbestemd. In de directe omgeving van het plangebied is geen sprake van agrarische bedrijven met een geurcontour die (deels) over het plangebied zijn gelegen. Bovendien zijn tussen de omliggende agrarische bedrijven en het plangebied andere gevoelige (woon)bestemmingen gelegen, die maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering van de betreffende agrarische bedrijven. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
25
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Regelgeving
Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.
Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). 4.7.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:
26
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (blauwe stip) In het kader van het planvoornemen is een onderzoek externe veiligheid uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 2 bij de toelichting gevoegd. Inrichtingen c.q. bedrijven Het plangebied is niet gelegen binnen invloedsgebieden van inrichtingen c.q. bedrijven. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor Op circa 3,4 km ten noorden van het plangebied ligt de Betuweroute waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De spoorlijn behoort tot het Basisnet. Het plangebied ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van meer dan 4 km vanwege transport van giftige vloeistoffen en gassen (stofcategorieën B3 en D4). Het volstaat om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg Op circa 1,7 km ten westen van het plangebied ligt de rijksweg A50 waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De A50 behoort tot het Basisnet (wegvak G6 Knp. Valburg - Knp. Ewijk). Het plangebied ligt buiten de 200 m zone ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van meer dan 4 km vanwege transport van giftige gassen (stofcategorie GT4). Het volstaat om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
27
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Aan nieuwe woningen worden hoge eisen gesteld aan kierdichtheid. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegen rond het plangebied zijn geschikt om haaks op een wolk vanaf de vervoersassen te kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de vervoersassen af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Vervoer van gevaarlijke stoffen over het water Op circa 300 m ten noorden van het plangebied ligt de Waal waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. De Waal is onderdeel van Basisnetcorridor Rotterdam - Duitsland. Het plangebied ligt buiten de 200 m ter verantwoording van het groepsrisico maar binnen het invloedsgebied van 1.070 m vanwege transport van giftige gassen (stofcategorie GT3). Het volstaat om conform artikel 7 van het Bevt in te gaan op zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.
Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Op circa 90 m en 125 m van het plangebied zijn twee hogedruk aardgasleidingen (A-507 en A-505) aanwezig. Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat het plaatsgebonden risico van de buisleidingen geen belemmering vormt voor de ontwikkeling en dat het groepsrisico van beide aardgasleidingen kleiner is dan de oriëntatiewaarde en niet toeneemt. Zodoende kan volstaan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Calamiteiten met hogedruk aardgastransportleidingen doen zich alleen voor als een leiding beschadigd raakt en gas ontsnapt. Een fakkelbrand is daarbij het maatgevende scenario. De kans op een dergelijk scenario is uiterst klein maar niet geheel uit te sluiten. Bestrijding van deze gasontsnapping door de hulpdiensten is niet mogelijk. Hiervoor is het noodzakelijk dat de leidingbeheerder (De Gasunie) de leiding inblokt (afsluit). Na dit inblokken zal echter nog geruime tijd gas vrij blijven komen. Bij ontsteking leidt dit tot een fakkelbrand. De inzet van de hulpdiensten zal dan gericht zijn op het voorkomen en bestrijden van secundaire branden. Daarbij moet men ervan uitgaan dat de hulpdiensten de omgeving van de fakkelbrand maar heel beperkt of niet kunnen betreden vanwege de hoge stralingshitte.
Gezien de omvang van het te verwachten effectgebied zal over het algemeen de inzet van een brandweercompagnie (ongeveer honderd man brandweerpersoneel en bijbehorend materieel) noodzakelijk zijn. Volgens de landelijke richtlijn vergt het formeren van een brandweercompagnie 45 minuten. Gezien de hoeveelheid personeel, materieel en de omvang van het te verwachten effectgebied dienen de bereikbaarheid en de blus/koelwatervoorzieningen vooral op gebiedsniveau te worden beoordeeld. Het grote aantal slachtoffers dat bij incidenten met hogedruk aardgastransportleidingen kan vallen, zal de capaciteit van de geneeskundige hulpverlening in veel gevallen te boven gaan. Mogelijkheden voor zelfredzaamheid Het plangebied ligt volledig binnen het 100% letaliteitsgebied. Als het maatscenario optreedt op zo’n kleine afstand van de planlocatie is van zelfredzaamheid vrijwel geen sprake. Dit omdat de hittestraling veel te groot is om er onbeschermd te verblijven. Ook de gebouwen worden aan zeer hoge hittestraling blootgesteld, waardoor deze na enige tijd mee gaan branden. Hier kan de stralingsbelasting meer dan 35 kW/m2 bedragen. Boven 15 kW/m2 is voor een normaal gebouw brandoverslag ook bij kortdurende aanstraling waarschijnlijk. Als de fakkelbrand wat verder van het plangebied af optreedt is het schuilen in een gebouw in principe de beste oplossing.
In geval van een calamiteit dient er tijdig te worden gewaarschuwd. Dit gebeurt normaliter door het in werking stellen van het WAS (Waarschuwings- en alarmsysteem) en/of NL-alert. Een fakkelbrand is echter ook zichtbaar, hoorbaar en de hittestraling is duidelijk voelbaar voor aanwezigen, waardoor de effectieve strategie voor zelfredzaamheid door aanwezigen juist kan worden ingeschat. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
28
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
4.8
Waterhuishouding
4.8.1
Regelgeving
Algemeen Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Waterplan 2016 - 2021, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Watervisie 2050, Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen', Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden. 2.
In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. 3. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.
De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk.
Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
29
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Uitgangspunten gemeente De gemeenteraad heeft het 'Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027' in november 2022 vastgesteld.
In dit plan legt de gemeente haar ambities en doelen voor het watersysteem vast en wordt nadere invulling gegeven aan de gemeentelijke watertaken en zorgplichten. Bij elke ingreep in de leefomgeving wil de gemeente afwegen hoe het water zo hoog mogelijk in de voorkeursvolgorde kan worden verwerkt. Hoe meer water wordt vastgehouden of geborgd hoe minder last is er van droogte, hoe minder is de inzet van pompen en gemalen nodig en des te hoger is het rendement van de RWZI's. Het afvoeren van regenwater is de laatste stap en de minst gewenste oplossing. Het uitgangspunt is dat de perceelseigenaar zelf het regenwater moet verwerken. Afvalwater en hemelwater worden afzonderlijk van elkaar ingezameld, getransporteerd en verwerkt. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als verwerking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. 4.8.2
Doorvertaling bestemmingsplan
In het kader van het planvoornemen is een waterhuishoudkundigonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Bestaande situatie In de huidige situatie is een boerderij met bijgebouwen aanwezig. Verder is erfverharding, bestaande uit een mix van gesloten verharding en halfverharding aanwezig. De aanwezige terreinverharding bedraagt globaal 2.870 m2. In het gebied zijn voor de boerderij al huisaansluitingen aanwezig. Een drukriool loopt ten noorden van het plangebied, hier zijn ook een gasleiding en waterleiding aanwezig. Bodemopbouw Op basis van het model REGIS, is tot ongeveer 9 m -mv sprake van holocene afzettingen. In de directe omgeving van de locatie zijn enkele boringen bekend in het kader van de BRO. De dichtstbijzijnde boring is uitgevoerd in het veld westelijk van het plangebied. Bij deze boring tot 1,4 m mv is een kleiige bovengrond tot 0,4 m -mv waargenomen met hieronder grof zand. Verder zijn enkele boringen op de dijk bekend, langs de Hommelstraat, en in de wijdere omgeving. In de boringen die niet op de dijk zijn uitgevoerd, varieert de dikte van de kleilaag tussen de 1,0 en 2,8 meter. Plaatselijk is onder de onderliggende zandlaag een tweede kleilaag waargenomen, echter zijn geen boringen dieper dan 3 m -mv bekend. Ook zijn geen sonderingen bekend.
Het is dus niet duidelijk hoe dik de ondoorlatende deklaag op de locatie daadwerkelijk is. Maaiveldhoogte Het maaiveld op het erf bevindt zich op +8,4 à +8,8 m NAP, de akker bevindt zich iets hoger (+8,5 à +8,9 m NAP).
30
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Grondwater Nabij het plangebied zijn geen monitoringspeilbuizen bekend in het kader van de BRO. De grondwaterstand in het watervoerend pakket wordt bepaald door de waterstand in de Waal. Oppervlaktewater Het plangebied bevindt zich aan de voet van de Waaldijk, in de beschermingszone van de dijk. Een klein gedeelte van het plangebied bevindt zich in de zone binnen, het grootste deel van het gebied bevindt zich in de buitenbeschermingszone binnenkant. De bestaande boerderij wordt buiten de bouwgrens uit de legger van het waterschap herbouwd. Langs de oostzijde van het plangebied ligt een C-watergang. C-watergangen hebben geen beschermingszone en het onderhoud vindt plaats door de aangrenzende perceeleigenaren. De watergang blijft gehandhaafd.Aan de noordzijde is plaatselijk een greppel aanwezig. Op deze greppel is heden de afwatering van de fruitloods aangesloten, de greppel heeft een breedte van ongeveer 4,0 m en een maximale diepte van 1,02 m. De greppel is niet opgenomen in de leggerkaart.
Uitsnede legger waterschap met globale aanduiding plangebied (rode omkadering) Het plangebied bevindt zich op de scheiding tussen peilgebieden BLM003 en BLM001. Het peil BLM001 (oostzijde) is +7,30 m NAP. Het peilgebied BLM003 heeft een variabel peil (zp/wp: +6,9 / +6,85 m NAP). Hemelwaterafvoer Bij de herontwikkeling van de boerderij en het vervangen van de bijgebouwen voor woningen en nieuwe bijgebouwen, wordt minder bebouwing aangelegd dan nu aanwezig is. Het totaal van de toekomstige ontsluitingsweg, erfverharding, gebouwen en tuinen is globaal gelijk met de heden aanwezige gebouwen, halfverharding en gebouwen. De aanwezige terreinverharding bedraagt globaal 2.870 m2. In de toekomstige situatie zal dit naar verwachting circa 2.565 m 2. Hier hoeft volgens de regels van Waterschap Rivierenland geen compensatie plaats te vinden voor de hemelwaterafvoer. De bestaande methodes van hemelwaterafvoer kunnen gehandhaafd blijven. De bergingscapaciteit binnen het plangebied wordt gevormd door de greppel. De aanwezige greppel heeft een lengte van 38 m, waarvan ongeveer 3,6 m een doorgang naar de notenbomen aan de dijk betreft (met duiker), dus is sprake van een effectieve lengte van 34 m.
Uit de bekende gegevens blijkt het volgende: De onderzijde van de greppel ligt op +7,7 à +7,8 m NAP; De bodembreedte is globaal 1,5 m; Het talud is tussen de bodem en +8,4 m NAP circa 1:2; De boveninsteek van de greppel ligt op +8,4 à +8,8 m NAP; De greppel is niet permanent watervoerend.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
31
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Aangezien een deel van de greppel wel watervoerend was bij inwinning van het AHN4, wordt uitgegaan van een gemiddelde onderzijde van +7,7 m NAP. Uitgegaan wordt van vulling tot +8,2 m NAP (waakhoogte van 0,2 meter). De niet watervoerende greppel kan op basis van bovengenoemde punten 42,5 m 3 aan hemelwater bergen, inclusief waakhoogte kan 69 m3 aan hemelwater worden geborgen. De sloot langs het plangebied heeft een lengte van 40 m. Uit het AHN blijkt het volgende: De onderzijde van de sloot ligt op +7,6 m NAP, de sloot is dus niet permanent watervoerend; De boveninsteek van de sloot ligt op +8,3 à 8,6 (westzijde) en +8,0 m NAP (oostzijde); De sloot is op + 8,0 m NAP ongeveer 2,5 meter breed; De bodem van de sloot is ongeveer 1,0 meter breed. Het talud is aan de westzijde ongeveer 1:1,5 en aan de oostzijde ongeveer 1:3 Aangezien deze sloot opgenomen is in de leggerkaart, wordt uitgegaan van een maximale peilopzet van 30 cm. Omdat de onderzijde van de sloot zich boven het vastgesteld peil bevindt, gaat dit om een stijging van +7,6 m NAP naar +7,9 m NAP. Dit geeft een bergingscapaciteit van 20 m3. Onder de verbindingsweg loopt de sloot nog door, ongeveer 100 m, waarna de sloot splitst. Hierin is ruimte voor 50 m3 waterberging.
Aangezien er alleen vervanging van de huidige bebouwing plaatsvindt, worden geen significante wijzigingen in de waterhuishoudelijk situatie verwacht. Er is voldoende ruimte in het watersysteem om het hemelwater te verwerken Wateroverlast Op basis van de normen voor drooglegging wordt aanbevolen een bouwpeil van minimaal +8,6 m NAP aan te houden, wat 1,3 m hoger is dan het vaste peil oostelijk van het plangebied. Hierbij moet rekening gehouden met de huidige situatie (bouwpeil niet verlagen t.o.v. huidige situatie). Omdat geen nieuwe sloot hoeft te worden gegraven, wordt er geen verandering in de afvoer van kwelwater door de sloot verwacht. Conclusie Er is sprake van de vervanging van de huidige bebouwing. Derhalve worden geen significante wijzigingen in de waterhuishoudelijk situatie verwacht. Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9
Ecologie
4.9.1
Regelgeving
De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb.
Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.
32
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. 4.9.2
Doorvertaling bestemmingsplan
Soortenbescherming Ter plaatse van het plangebied is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage Bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Tijdens het veldbezoek zijn er geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Het plangebied is rondom de gebouwen grotendeels bestraat. Het gedeelte bij de fruitboomgaard wordt intensief beheerd en er is geen braakliggende grond. Alle grond is bestraat, of bestaat uit grassen, kruiden, struiken of bomen. Het plangebied mist hierdoor de vereisten voor de beschermde plantensoorten. De aanwezigheid van de beschermde plantensoorten is uitgesloten. De Wet natuurbescherming wordt voor de soortgroep flora niet overtreden. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. De Wet natuurbescherming wordt voor de soortgroep broedvogels mogelijk overtreden. Er is nader onderzoek naar de huismus bij de dakpannen noodzakelijk en naar de torenvalk bij het verwijderen van de nestkast. Wanneer er bomen/begroeiing wordt verwijderd in het broedseizoen is nader onderzoek naar broedvogels bij de beplanting en bomen noodzakelijk. Ook wordt de Wet natuurbescherming voor wat betreft de vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen mogelijk overtreden bij twee van de gebouwen. Nader onderzoek bij deze gebouwen is noodzakelijk. Het nader onderzoek naar vleermuizen en de huismus is in uitvoering.
Het onderzoek naar de vleermuizen is inmiddels gestart. Het afgeronde onderzoek in het najaar toont twee baltsterritoria aan van de gewone dwergvleermuis. Een massa winterverblijf is niet aangetroffen.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
33
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Dit betekent dat voor de gewone dwergvleermuis een ontheffing van de Wet natuurbescherming moet worden aangevraagd voor de twee paarverblijven. De aanvraag voor de vleermuizen kan nog moeten worden uitgebreid met een of meerdere zomerverblijven en mogelijk een kraamverblijf. Maar gezien de wijze van bouwen, massieve muren, is de aanwezigheid van een kraamverblijf vrijwel uitgesloten. Onderzoek zal dit echter moeten aantonen. De transformatie van deze gebouwen naar de nieuwe situatie valt onder een ruimtelijke ontwikkeling en daarmee onder een geldend wettelijk belang. Daardoor is het zeker dat een ontheffing voor de wet natuurbescherming wordt verleend. Het onderzoek naar de huismus moet nog opstarten. Tot op dit moment zijn echter geen huismussen aangetroffen. Worden huismussen aangetroffen dan zal deze soort voor, tijdens en na de werkzaamheden een verblijfplaats moeten hebben. Gezien de omvang en ligging van het plangebied is dit geen probleem. Daardoor zal ook voor de huismus een ontheffing worden verleend. Het plan zal hierdoor gerealiseerd worden met respect en behoud van alle aanwezige natuurwaarden. Dit zal uiteindelijk geborgd zijn in een door de provincie Gelderland te verlenen ontheffing van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Rijntakken', circa 70 m ten noorden van het plangebied. De mogelijke effecten van woningbouw in het algemeen op Natura 2000 gebieden zijn: oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, verstoring door geluid, verstoring door licht, verstoring door trilling, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten. Het plangebied wordt door middel van een dijk volledig afgeschermd van het Natura 2000 gebied. De werkzaamheden bevinden zich niet in het Natura 2000 gebied. Hierdoor is oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verdroging, optische verstoring en verstoring door mechanische effecten uitgesloten bij de sloop en bouw van de beoogede woningen. De dijk blokkeert deze invloeden. Ten aanzien van de stikstofdepositie is via de AERIUS calculator vastgesteld of er sprake is van een melding- of vergunningplicht. Dit stikstofdepositieonderzoek is als Bijlage 5 bij de toelichting opgenomen. Uit de projectberekeningen blijkt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase afgezet tegen de referentiesituatie de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar.
Ten opzichte van de referentiesituatie is er dus geen sprake van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase is zelfs sprake van een aanzienlijke stikstofdepositieafname). Er is dus geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Houtopstanden Binnen het plangebied zijn geen houtopstanden aanwezig die onder de Wet natuurbescherming beschermd zijn. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, mits voorafgaand aan de werkzaamheden aanvullend onderzoek wordt uitgevoerd naar de huismus, de torevalk (indien de nestkast wordt verwijderd) en vleermuizen.
4.10
Archeologie & cultuurhistorie
4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker.
34
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussengelegen periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Op 19 april 2022 zijn de nieuwe archeologische beleidskaarten en een wijziging van het vrijstellingsbeleid vastgesteld.
De geactualiseerd archeologische beleidskaart is een beleidsmatige uitwerking van de geactualiseerde archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart. De actualisatie van het archeologisch verwachtingsmodel heeft vooral betrekking op: Het uiterwaardengebied De historische erven en dijken (evenals woonheuvels en oude woongronden) Het laatpleistocene en vroegholocene landschap dat later in het holoceen afgedekt is geraakt met (met name) komklei Actualisatie van de ligging van stroomgordels en crevassen Archeologische waarden en verwachtingen voor watergebieden Onderstaand de uitsnede van de beleidskaart. Ter plaatse van het plangebied geldt volgende aanduiding: Waarde-Archeologie 2: waardevolle archeologische terreinen, historische dorpskern, oude woongronden, huisterpen en overige terreinen van archeologisch belang; Waarde-Archeologie 4: hoge verwachting.
Uitsnede archeologische beleidskaart 2022, met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering)
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
35
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Onderdeel van het vaststellingsbesluit van het archeologische beleid is om het geheel te borgen in een bestemmingsplan. Dit heeft plaatsgevonden door de vaststelling van het 'Parapluplan Archeologie'. Op basis van het 'Parapluplan Archeologie' zijn de gronden ter plaatse van de her te bouwen boerderij voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' en ter plaatse van het nieuwe woongebouw en het gezamenlijk bijgebouw van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Op basis van deze dubbelbestemmingen is archeologisch onderzoek benodigd bij bodemingrepen groter dan respectievelijk 100 m2 en 250 m2 en dieper dan 0,3 m. In het kader van het planvoornemen is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek in uitvoering. De geldende dubbelbestemming blijven in de tussentijd gehandhaafd. Cultuurhistorie Op basis van de gemeentelijke cultuurhistorische kenmerkenkaart is het plangebied gelegen binnen de aanduidingen 'jong cultuurland (Volle Middeleeuwen)' en 'kwelkom (Nieuwe tijd - Nieuwste tijd)'. De boerderij is aangeduid als historische huislocatie (1932).
Uitsnede cultuurhistorische kenmerkenkaart met globale aanduiding plangebied (blauwe omkadering) De boerderij is in zeer slechte staat en niet meer bewoonbaar. De oude boerderij wordt daarom gesloopt en herbouwd. Daarmee blijft de historische huislocatie op de betreffende locatie behouden. 4.10.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.
4.11
Leidingen
4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd: gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen; aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”; defensiebrandstoffen;
36
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”.
4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.
4.12
Vormvrije MER-beoordeling
4.12.1 Regelgeving Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat het aantal woningen in de toekomstige situatie met maximaal vier wooneenheden toeneemt, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.
De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
37
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Algemeen
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. 5.1.1
Inleidende regels
Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.1.2
Bestemmingsregels
Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels. Specifieke gebruiksregels In de gebruiksregels is het strijdig gebruik opgenomen en aangegeven onder welke voorwaarden nietpublieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten aanzien van de te slopen bebouwing. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
38
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
5.1.3
Algemene regels
Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en parkeren. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent parkeren. Algemene aanduidingsregels In dit artikel is een regeling opgenomen ter bescherming van de (binnen)beschermingszone van de dijk langs het plangebied, middels de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1'. Binnen dit gebied is het bouwen van bouwwerken slechts toegestaan middels een binnenplanse afwijking, waarbij het waterschap wordt gehoord. Ter plaatse van de buitenbeschermingszone geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwarringszone - dijk 2'. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. 5.1.4
Overgangs- en slotregels
Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.
5.2
Bestemmingen
Het onderhavige bestemmingsplan kent de volgende (dubbel)bestemmingen: Agrarisch met waarden De resterende delen van het huidige agrarische bouwvlak en de fruitboomgaard, die niet tot het beoogde woonbestemmingsvlak behoren, behouden de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De bestemmingsregels uit het geldende bestemmingsplan zijn (voor zover relevant) 1-op-1 overgenomen, met uitzondering van de delen die betrekking hebben op de bouwvlakken. Wonen Deze bestemming is vrijwel gelijk aan de bestemming 'Wonen' in het geldende bestemmingsplan. In de bestemming zijn aanvullend enkele voorwaardelijke verplichtingen opgenomen. Deze regelen dat de te realiseren woningen passen binnen de gestelde beeldkwaliteitseisen, wordt voorzien in voldoende hemelwaterberging en de agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt. Er zijn regels voor de oppervlaktes/volumes van hoofd- en bijgebouwen opgenomen. Vanwege de beoogde ruimtelijke kwaliteit is het vergunningsvrij bouwen van bijgebouwen van meer dan de genoemde oppervlakte uitgesloten.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
39
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Waarde - Archeologie 2 en 4 (dubbelbestemming) De dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 4' zijn opgenomen ter bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. 'Waarde - Archeologie 2' geldt voor waardevolle archeologische terreinen, historische dorpskernen, oude woongronden, huisterpen en overige terreinen van archeologisch belang. 'Waarde - Archeologie 4' geldt voor gebieden met een hoge archeologische verwachting. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning (voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden.
40
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro): de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m² of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers.
Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.
6.2
Overleg
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen: Provincie Gelderland; Waterschap Rivierenland; Veiligheidsregio/brandweer.
6.3
Maatschappelijke haalbaarheid
Inspraak In het kader van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers met de omwonenden gesproken. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 22 december 2023 tot en met 1 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
41
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
42
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Bijlagen bij toelichting
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
43
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Bijlage 1
44
Verkennend bodemonderzoek
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Bijlage 2
Onderzoek externe veiligheid
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
45
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Bijlage 3
46
Waterhuishoudkundig onderzoek
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Bijlage 4
Quickscan Wet natuurbescherming
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
47
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Bijlage 5
48
Stikstofdepositieonderzoek
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Regels
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
49
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
Hoofdstuk 1 Artikel 1
Inleidende regels
Begrippen
1.1 plan het bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk met identificatienummer NL.IMRO.0209.BPDijk1Ew-vadf van de gemeente Beuningen; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en daarbij horende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 aardkundige waarde gebieden met waardevolle aardkundige elementen met betrekking tot reliëf en bodem die een bepaalde (beperkte) mate van bescherming genieten; 1.6 afhankelijke woonruimte Een voor huisvesting van een (zelfstandig) huishouden geschikt gebouw, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan en/of ruimtelijke een geheel vormt met het hoofdgebouw en blijvend onderdeel uitmaakt van de kavel van het hoofdgebouw. Het betreft een aangebouwd of vrijstaand bijgebouwen of een tijdelijke mantelzorgunit met een eigen toegang en eigen voorzieningen, maar wel gelegen op hetzelfde perceel en in de nabijheid van de woning waarin de zorgverlener of zorgvrager woont. De afhankelijke woonruimte is ten behoeve van mantelzorg (verlenen of ontvangen).
Het bijgebouw of de tijdelijke unit blijft een onderdeel van de bestaande woning en er is geen sprake van een nieuwe woonbestemming; 1.7 agrarisch bedrijf een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of door middel van het houden van landbouwdieren; onder agrarische bedrijven worden tevens begrepen boomteeltbedrijven, sierteeltbedrijven en productiegerichte paardenhouderijen; 1.8 archeologisch onderzoek onder archeologisch onderzoek wordt verstaan het verrichten van een archeologisch onderzoek, in de zin van de KNA. Een archeologisch onderzoek mag enkel worden verricht door een dienst, bedrijf of instelling erkend door het College voor de Archeologische Kwaliteit (CvAK), beschikkend over een opgravingsvergunning ex artikel 39 van de Monumentenwet of een certificaat ex artikel 5.1 Erfgoedwet en werkend volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA); 1.9 archeologische waarden waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.10 autogerelateerd bedrijf een bedrijf dat is gericht op de fabricatie, reparatie en/of handel in auto's; 1.11 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.12 bed & breakfast een
nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, met een absoluut maximum van zeven overnachtingen, ter plaatse verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;
50
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
1.13 bedrijfsgebouw een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten; 1.14 bestaand t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning; t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.15 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.16 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.17 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.18 bijgebouw een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of geringere afmetingen visueel onderscheid; 1.19 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.20 bouwgrens de grens van een bouwvlak; 1.21 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.22 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 1.23 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en
bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.24 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.25 bouwwijze de wijze van bouwen van een woning, waarbij: a. onder aaneengebouwd wordt verstaan een woning, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee woningen en/of andere functies, waarvan het hoofdgebouw aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd; b. onder gestapeld wordt een gebouw verstaan, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd; c. onder twee-aaneen wordt verstaan een woning, waarvan het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van maximaal twee direct aaneengebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één-kap); d.
onder vrijstaand wordt verstaan een woning, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen gebouw is aangebouwd; 1.26 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk of dat gebied, zoals dat ondermeer tot uitdrukking komt in de beplanting, het reliëf, de verkaveling, het sloten- of wegenpatroon en/of de architectuur;
bestemmingsplan "Dijk 1 Ewijk" (definitief)
51
bestemmingsplan Dijk 1 Ewijk
1.27 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit; 1.28 erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.29 extensief recreatief medegebruik die vormen van natuurvriendelijke recreatie welke in hoofdzaak zijn gericht op natuur- en landschapsbeleving, zoals wandelen, fietsen, picknicken, kanoën, survivaltochten en natuurgerichte recreatie zoals vogelobservatie; 1.30 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.31 glastuinbouwbedrijf een bedrijf, dat is gericht op het telen van gewassen door in hoofdzaak gebruik te maken van permanente kassen of tunnels; 1.32 grondgebonden agrarisch bedrijf een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of hoofdzakelijk afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf.
Afhankelijkheid van de grond kent hierbij de volgende aspecten: voedervoorziening, mestafzet of het bieden van een natuurlijk substraat voor plantaardige teelten. Grondgebonden bedrijven zijn in ieder geval: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven en productiegerichte paardenhouderijen worden ook aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf; 1.33 hoofdgebouw een (deel van een) gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.34 hooischelf bijgebouw of schuilstal bestaande uit twee delen, te weten een overdekte en geheel door wanden omsloten onderbouw met daarop een losse, langs een aantal geleiders, in hoogte beweegbare kap. De ruimte tussen de onderbouw en de beweegbare kap mag niet worden dichtgebouwd en dient enkel ten behoeve van de opslag van stro, hooi en vergelijkbare producten; 1.35 horecabedrijf een bedrijf, gericht op het verstrekken van ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie en/of het bieden van nachtverblijf; 1.36 huishouden een (groep) perso(o)n(en) die een duurzaam gemeenschappelijke huishouding voert, waarbij sprake is van onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan.