CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Toelichting en regels bestemmingsplan Veluwstraat 11b Ewijk

Raadsvergadering 18 maart 2025, gemeente BeuningenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Veluwstraat 11b Ewijk22.743 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

In de context van dit besluit worden ziekenhuizen, woningen en sportaccommodaties dus niet als gevoelige bestemming gezien. 4.5.2

Doorvertaling bestemmingsplan

In de regeling NIBM is aangegeven dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Voorliggend initiatief maakt de realisatie van één extra woongebouw mogelijk en valt daarmee ruimschoots binnen de NIBM-regeling. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.6

Geur

4.6.1

Regelgeving

Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningsplichtig zijn op basis van de Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld (in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv)) geldt een maximale geurbelasting) op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand van de dierenverblijven ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en nietconcentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object in vier situaties, zie onderstaande tabel.

Binnen bebouwde kom

Buiten bebouwde kom

Concentratiegebied

Niet-concentratiegebied

diercategorieën Rgv

maximaal 3 ouE/m³

maximaal 2 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 100 m t.o.v. geurgevoelig object

diercategorieën Rgv

maximaal 14 ouE/m³

maximaal 8 ouE/m³

andere diercategorieën

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

minimaal 50 m t.o.v. geurgevoelig object

Geurnormen Wgv De Wgv biedt gemeenten de mogelijkheid om afwijkende geurnormen vast te stellen voor (delen van) het grondgebied. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Regeling geurhinder en veehouderij In de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) is de wijze vastgelegd waarop:  de geurbelasting wordt bepaald;  de afstand tussen veehouderij en geurgevoelig object) wordt gemeten. Activiteitenbesluit Per 1 januari 2013 zijn agrarische activiteiten onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit gebracht. In het Activiteitenbesluit zijn voor alle agrarische activiteiten, waaronder akkerbouwbedrijven en veehouderijen, eisen opgenomen. Voor de veehouderijen is aangesloten bij de systematiek uit de Wgv, dat wil zeggen dat in bepaalde gevallen een maximaal toegestane geurbelastingen geldt (diercategorieën waarvoor een geuremissiefactor is vastgesteld, bijvoorbeeld varkens en pluimvee) en in andere gevallen vaste afstandseisen gelden (diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld, waaronder melkrundvee). Geur bij niet-agrarische bedrijven Het voorkomen van (nieuwe) geurhinder is het algemene uitgangspunt in het rijksbeleid.

Dit uitgangspunt is uitgewerkt in het landelijk informatiedocument ‘Handleiding Geur Industrie’ en beschrijft de methodiek voor de bepaling van het aanvaardbaar hinderniveau voor geur ten gevolge van bedrijfsmatige activiteiten. Vanwege het lokale aspect van geurhinder is de hoogte van het aanvaardbaar hinderniveau niet landelijk vastgelegd. Het bevoegd gezag moet daar een eigen afweging in maken. De provincie Gelderland heeft deze afweging uitgewerkt in de ‘Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland 2017’ voor de industriële bedrijven waarvoor de provincie het bevoegde gezag is. Daarin is het aanvaardbaar geurhinderniveau vertaald naar streef-, richt- en grenswaarden. De streefwaarde is de waarde waaronder geen sprake is van hinder. De grenswaarde is de waarde waarboven sprake is van ernstige hinder. Over het algemeen wordt een geurcontour die ligt tussen streef- en grenswaarde als aanvaardbaar geurhinderniveau vastgesteld en vastgelegd in

28

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

de milieuvergunning voor een industrieel geurrelevant bedrijf. 4.6.2

Doorvertaling bestemmingsplan

De voor het plan meest relevante veehouderij ligt aan de Veluwstraat 13 en betreft een paardenhouderij. De beoogde woningen in het plangebied zijn gesitueerd binnen de vaste richtafstand ten opzichte van de paardenhouderij aan de Veluwstraat 13 (Stal de Veluw). In de directe omgeving van het nieuwbouwplan liggen in de bestaande situatie echter al meerdere bestaande woningen (van derden) binnen 100 meter van de dierverblijven en zelfs op een kortere afstand van de paardenhouderij aan de Veluwstraat 13 (in vergelijking met de beoogde woningen). Aangezien er voor geen enkel dierverblijf van de paardenhouderij aan de Veluwstraat 13 wordt voldaan aan de geldende richtafstand, wordt de paardenhouderij in de huidige situatie reeds beperkt om uit te breiden in de richting van de Veluwstraat. De realisatie van nieuwe woningen binnen het plangebied zal de paardenhouderij aan de Veluwstraat 13 derhalve niet in haar bedrijfsvoering beperken. Met betrekking tot het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen geldt dat er slechts op kleine schaal dieren worden gehouden en dat er in de omgeving geen klachten zijn van geuroverlast. Aangezien een aantal woningen reeds dichter bij de paardenhouderij zijn gelegen dan de nieuwe woningen wordt er ter plaatse van het plangebied derhalve geen overmatige geurhinder ten gevolge van de paardenhouderij verwacht.

Daarnaast wordt het mest in de stallen dagelijks afgevoerd naar de mestopslag op het zuidwestelijke uiteinde van het perceel. Deze mestopslag ligt op meer dan 100 meter van de nieuwbouwwoningen. Om vervolgens te bepalen of bij de nieuwe woningen kan worden voldaan aan een goed woon- en leefklimaat is een geuronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bij de toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek volgt dat op grond van de berekeningen en de beoordeling van de te verwachten geurconcentraties vanwege Stal de Veluw ter plaatse van de geprojecteerde nieuwbouwwoningen op het naastgelegen perceel Veluwstraat 11b, kan worden geconcludeerd, dat de relevante grens- en richtwaarden niet worden overschreden. Er wordt derhalve geen geuroverlast verwacht ten gevolge van de voorgrondbelasting afkomstig van Stal de Veluw. Het aspect 'geur' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1

Regelgeving

Externe veiligheid gaat over het beheersen van de risico's die ontstaan voor de omgeving bij het gebruik, de opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen als vuurwerk, lpg en munitie over weg, water en spoor en door buisleidingen. Het beleid rondom externe veiligheid is vastgelegd in circulaires, regelingen, AMvB's en wetten. In Nederland worden twee maten gehanteerd voor externe veiligheidsrisico's, namelijk het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Bij het plaatsgebonden risico (PR) gaat het om de kans per jaar dat een denkbeeldig persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen als deze persoon zich onafgebroken en onbeschermd in de nabijheid van een risicovolle inrichting of transportas bevindt. Het plaatsgebonden risico wordt weergegeven als een contour rondom de risicovolle inrichting of de transportas. Het groepsrisico (GR) is de cumulatieve kans dat een (werkelijk) aanwezige groep van 10, 100 of 1.000 personen overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het groepsrisico moet verantwoord worden voor het gebied waarbinnen zich de gevolgen van een incident met gevaarlijke stoffen voordoen. Dit is de zogenaamde 1 %-letaliteitsgrens; de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf (invloedsgebied).

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein, bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken, LPG-tankstations en spoorwegemplacementen waar goederentreinen met gevaarlijke stoffen rangeren. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij woningen, kantoren, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van ruimtelijke plannen met externe veiligheid rekening te houden. Het gaat daarbij niet alleen om het oprichten van of veranderen van inrichtingen of projecteren van nieuwe bestemmingen. Ook bij het vaststellen of herzien van een bestemmingsplan moet de externe veiligheid worden beoordeeld. In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is geregeld hoe een gemeente moet omgaan met risico’s langs relevante buisleidingen. De hogedruk gasleidingen van Gasunie zijn het meest relevant. De risico’s worden vooral bepaald door de maximale druk en diameter van de leiding, maar ook door getroffen maatregelen. De Wet basisnet voorziet in een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen ('Wvgs') ter verankering van een landelijk basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Het basisnet is een samenstel van wegen, binnenwateren en hoofdspoorwegen waaraan een bepaalde risicoruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt toegekend. Als deze risicoruimte, de zogenaamde risicoplafonds, door een groei van het vervoer van gevaarlijke stoffen wordt overschreden of dreigt te worden overschreden, moet de minister maatregelen nemen. De risicoplafonds moeten daarnaast in acht worden genomen bij het toestaan van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van basisnetroutes. Op deze manier kan de veiligheid langs de transportroutes voor gevaarlijke stoffen in toenemende mate worden gegarandeerd. Gelijktijdig met de Wet Basisnet zijn ook andere regelingen in werking getreden zoals de wijziging van het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen (Bvgs), de Regeling basisnet en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) is een aandachtsgebied gedefinieerd waarbinnen het groepsrisico verantwoord moet worden (200 m). Buiten deze zone hoeft in het invloedsgebied alleen ingegaan te worden op de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid (beperkte verantwoording). 4.7.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Op navolgende afbeelding is een uitsnede weergegeven van de provinciale risicokaart. Hierop is informatie weergegeven ten aanzien van inrichtingen met gevaarlijke stoffen, transportroutes en buisleidingen:

30

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (oranje stip) Inrichtingen c.q. bedrijven In de nabijheid van het plangebied zijn geen inrichtingen aanwezig waarvan het invloedsgebied tot in het plangebied reikt. Vervoer van gevaarlijke stoffen Het plangebied is op circa 700 m van de Waal gelegen. Conform het Basisnet Water is de Waal een zwarte vaarweg (belangrijke vaarwegen). Voor een dergelijke vaarweg geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de oever komt. Het plangebied is op circa 300 m van de rijksweg A50 gelegen. Conform het Basisnet Wegen geldt dat de 10-6/jaar plaatsgebonden risicocontour niet verder dan de rand van de weg komt. Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van een spoorlijn. Aangezien de afstand tot aan de rijksweg A50 en de Waal meer is dan 200 m (zie artikel 8 Besluit externe veiligheid transportroutes) wordt afgezien van een groepsrisicoverantwoording. Vervoer van gevaarlijke stoffen door een buisleiding Het plangebied is niet gelegen in de directe nabijheid van aardgastransportleidingen. De dichtsbijzijnde hogedrukgasleidingen zijn gelegen op cirtca 1.375 m. Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron.

De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. Aan nieuwe woningen worden hoge eisen gesteld aan kierdichtheid. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. De bestaande wegen rond het plangebied zijn geschikt om haaks op een wolk vanaf de bronnen te kunnen vluchten. De mogelijkheden om op eigen kracht te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de bronnen af te richten.

Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door de bebouwing zelf. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid bij een zwaar ongeval ter hoogte van de bronnen. Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid. Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.8

Waterhuishouding

Wettelijk kader In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het uitvoeren van een watertoets juridisch verplicht bij bestemmingsplannen, inpassingsplannen en projectbesluiten. Voor overige plannen, zoals een structuurvisie, wordt een watertoets uitgevoerd op basis van de afspraken uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Het Bro regelt onder meer de verplichte waterparagraaf in de plantoelichting (art 3.1.6 Bro) en het vooroverleg met de waterbeheerder (art 3.1.1 Bro).

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Watertoets De watertoets is bedoeld om ruimtelijke plannen en besluiten meer waterbestendig te maken. Dit wordt bereikt door waterbelangen van gemeente, waterschap en eventueel andere waterbeheerders vroegtijdig en expliciet mee te nemen in de planvorming. In het ruimtelijk plan moet voldoende rekening zijn gehouden met de waterhuishouding en waterhuishoudkundige voorzieningen. Waterparagraaf De waterparagraaf beschrijft hoe rekening is gehouden met de eventuele gevolgen van het ruimtelijk plan voor de waterhuishouding en andersom. Onderdeel hiervan is een beschrijving van beleidsuitgangspunten en regelgeving, waterhuishoudkundige situatie en -opgaven, meest geschikte oplossingen (motiveren) en de ruimtelijke consequenties daarvan. Indien aan de orde is tevens het advies van het waterschap in de waterparagraaf verwerkt. 4.8.1

Regelgeving

Nationaal en provinciaal De Rijksoverheid is verantwoordelijk voor het nationale beleid en landelijke maatregelen op het gebied van de waterhuishouding. De provincie is verantwoordelijk voor de vertaling van het nationale waterbeleid naar regionale maatregelen. Waterschap Rivierenland De gemeente valt binnen het beheersgebied van Waterschap Rivierenland. Het Waterschap geeft in het kader van de Waterwet vergunningen af voor lozingen op oppervlaktewater (Waterwet art 6.2). Ook verstrekt het waterschap ontheffingen/vergunningen voor activiteiten in en nabij watergangen en waterkeringen. Daarnaast verzorgt het waterschap het onderhoud van A-watergangen en draagt zorg voor het zuiveren van afvalwater (Waterwet art. 6.4). Het beleid en de regelgeving van het waterschap is beschreven in:  Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen';  Nota riolering 'Samen door één buis' (2019) en;  Keur voor waterkeringen en wateren. Het Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd.

De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaat- en energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Gemeente Beuningen Het gemeentelijk waterbeleid is gericht op het voorkomen, beperken of tot een aanvaardbaar risico terugbrengen van wateroverlast en schade aan milieu en volksgezondheid. Het Beleidsplan Water en riolering 2023-2027 (doorvertaald in de Verordening op de afvoer van hemel- en grondwater 2023) beschrijft de gemeentelijke zorgplicht voor afvalwater, hemelwater en grondwater. In het kader van de watertoets wordt een vertaalslag gemaakt naar de concrete plansituatie. Zorgplicht afvalwater De gemeente heeft voor zover doelmatig een zorgplicht voor de inzameling en transport van stedelijk afvalwater dat binnen de gemeente vrijkomt (zie Wmb art 10.33) Zorgplicht hemelwater Perceeleigenaren dienen hemelwater in eerste instantie op eigen terrein te verwerken of op oppervlaktewater te lozen. Als dit redelijkerwijs niet mogelijk is draagt de gemeente zorg voor de doelmatige inzameling en verwerking van afvloeiend hemelwater (Waterwet art 3.5).

Het gemeentelijke beleid gaat (bij nieuwe situaties) ervan uit dat met het oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater geen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool wordt geloosd, tenzij een hemelwaterberging is aangebracht en in stand gehouden. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is:  10 l per m² verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet

32

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

meer is dan 500 m2; of 43,6 l per m² verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m² of meer is. Zorgplicht grondwater In eerste instantie zijn perceeleigenaren zelf verantwoordelijk voor het treffen van maatregelen op eigen terrein om structurele nadelige gevolgen van grondwater voor de aan de grond gegeven bestemming te voorkomen of beperken. De gemeente heeft een zorgplicht bij het treffen van maatregelen in openbaar gebied, voor zover doelmatig en geen verantwoordelijkheid van provincie of waterschap (Waterwet art 3.6). 

4.8.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Bestaande situatie In de bestaande situatie is het plangebied vrijwel volledig bebouwd en verhard. Het verharde oppervlak bestaat nu uit de tuinbouwkas en een betonplaat aan de voorzijde van de kas. Water van de betonplaat loopt voor de kas in een brede sleuf de grond in. Aan de zijde van het Roth ligt een strook van 3 meter, daar komt het water van een deel van de kas op en zakt dan de grond in. Voor het overige loopt het water achter de kas in de sloot. Waterkeringen In het voorliggende plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Watergangen Ten zuiden van het plangebied ligt een A-watergang met een beschermingszone van 4,0 m. De Awatergang kent een zeer kleine overlap met het plangebied. De beschermingszone is binnen het plangebied gelegen.

Uitsnede legger Waterschap Rivierenland met aanduiding plangrens (rode omkadering)

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Watercompensatie Het huidige kadastrale perceel heeft een omvang van 8.200 m2. Dit betekent dat het huidige verharde oppervlak (bebouwing en verharding) een vergelijkbare waarde kent. Met deze ontwikkeling zal dit significant afnemen, waardoor hemelwater weer de mogelijkheid krijgt om langzaam in de bodem te trekken. Op basis van de landschappelijke inpassing wordt daarbij gedacht aan één of meer zaksloten, maar andere voorzieningen worden niet uitgesloten. De daadwerkelijke keuze en vormgeving van de voorziening wordt in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning nader uitgewerkt. Onderstaand is de verhardingsbalans weergegeven van de beoogde situatie. Deze gaat uit van de (worst-case) situatie alsof het plangebied geheel onverhard is. Omdat voor de (nieuwe) woonpercelen logischerwijs nog een tuinontwerp gemaakt moet worden, moet voor het toekomstige verharde oppervlak een aanname worden gedaan. Gezien de oppervlak van de percelen is gerekend met (worst-case) 50% verhard oppervlak. Verhardingsbalans Totale oppervlakte plangebied

8.212 m²

Verhard oppervlak toekomstige situatie Type

Oppervlakte

Percentage verhard oppervlak

Oppervlak verharding

Perceel bestaande woning

1.190 m²

50%

595 m²

Percelen nieuwe woningen

1.080 m²

50%

540 m²

100%

200 m²

Dwarsstraat + parkeren 200 m²

Totaal verhard oppervlak

1.335 m²

Met de gemeentelijke voorwaarde dat de waterberging een minimale capaciteit krijgt van 43,6 l per m² verhard oppervlak op het perceel, betekent dit voor dit plan een omvang van (43,6 x 1.335 =) 58.206 liter. Uitgaande dat het oppervlakte van het dwarsprofiel 2 m² betreft, betekent dit dat de lengte van de voorziening (bijvoorbeeld een zaksloot) circa 29 m lang moet zijn. Deze maatvoering is ruimschoots in te passen ten westen van de dwarsstraat. Aangezien in voorgaande uitgegaan is van een worst-case situatie waaraan kan worden voldaan, betekent dit in werkelijkheid een verbetering va nde waterhuishoudkundige situatie in het plangebied. Daarnaast geldt dat deels van het huidige hemelwater deels in de A-watergang komt, wat met dit plan wordt voorkomen. Dat betekent dat ook de opvangcapaciteit van die A-watergang wordt verbeterd. De noodzaak tot het aanleggen en instandhouden van de benodigde waterhuishoudkundige voorziening is als voorwaardelijke verplichting aan dit bestemmingsplan gekoppeld. Grondwater Het plangebied is onderdeel van een kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebied. Dit is een beschermingsgebied voor grondwater ten behoeve van mogelijke drinkwaterwinning in de toekomst en waar geen afdoende beschermende kleilaag aanwezig is.

De provinciale omgevingsverordening regelt dat ten aanzien van kwetsbaar drinkwaterreserveringsgebieden de volgende activiteiten verboden zijn:  mijnbouwwerken;  boringen en grond- of funderingswerken op een diepte van 10 m of meer onder maaiveld;  lozen van afstromend water op zonneparken groter dan 1 ha, rijks- of provinciale wegen, parkeerplaatsen voor meer dan 100 motorvoertuigen en bedrijventerreinen met inrichtingen type B of C als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer;  meststoffen op of in de bodem te brengen;  aanleggen van begraafplaatsen;  toepassen van IBC-bouwstoffen, verontreinigde grond en baggerspecie;  systeem voor individuele behandeling van afvalwater;

34

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Van deze activiteiten is binnen het planvoornemen geen sprake. Het plan is verder gelegen in een zogenaamd 'intrekgebied'. Dit betreft een beschermingsgebied voor grondwater waar het grondwater binnen duizend jaar bij een pompput voor de openbare drinkwatervoorziening kan zijn. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een intrekgebied maakt de winning van fossiele energie niet mogelijk. Hiervan is geen sprake in dit bestemmingsplan. Riolering en hemelwaterafvoer Voor de afvoer van het afvalwater is de initiatiefnemer verantwoordelijk voor de rioolaansluiting. Het hemelwater wordt niet gekoppeld aan het rioolsysteem, maar wordt op het eigen perceel verwerkt. Het plangebied biedt voldoende ruimte om het hemelwater te verwerken. In de regels is een voorwaardelijke verplichting waterberging opgenomen, opdat met realisatie van de woning tevens wordt voorzien in voldoende waterberging. Waterkwaliteit Het toepassen van niet-uitloogbare bouwmaterialen voorkomt dat het hemelwater wordt vervuild. In verband hiermee worden eisen gesteld aan de bij de daken, goten en leidingen te gebruiken materialen.

Er mogen geen (sterk) uitloogbare materialen zoals koper, lood, zink, teerhoudende dakbedekking of geïmpregneerde beschoeiingen gebruikt worden op delen die het hemelwater in contact komen, zoals de dakbedekking, goten en pijpen of er moet voorkomen worden dat deze materialen kunnen uitlogen (bijvoorbeeld door het coaten van loodslabben). Afkoppeling van hemelwater zorgt ervoor dat het aantal riooloverstorten laag is. Ook dit komt de waterkwaliteit (in de omgeving) ten goede. Beheer en onderhoud Het beheer en onderhoud van het inzamelings- en transportstelsel van afvalwater, kortom de riolering, ligt bij de gemeente. Het Waterschap is verantwoordelijk voor de zuivering van het aangeleverde afvalwater. Het Waterschap is de beheerder van het totale watersysteem en van de waterkeringen. Het onderhoud van de waterkeringen en hoofdwatergangen is tevens de verantwoordelijkheid van het Waterschap. Het onderhoud van de overige watergangen ligt bij particulieren, de gemeente en andere instanties. Conclusie Het aspect 'waterhuishouding' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

4.9

Ecologie

4.9.1

Regelgeving

De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming behoeven. In hoofdstuk 3 van de Wnb zijn de beschermingsregimes in drie aparte paragrafen neergelegd. Per beschermingsregime is bepaald welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Vogels (paragraaf 3.1): alle vogels in de zin van de Vogelrichtlijn; 2. Dieren en planten (paragraaf 3.2): alle dieren en planten, genoemd in de bijlagen bij de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn; 3. Overige soorten (paragraaf 3.3): soorten genoemd in de bijlage bij de Wnb, die niet onder de reikwijdte van paragraaf 3.2 vallen. De verboden en afwijkingsmogelijkheden die zijn opgenomen in de paragrafen 3.1 en 3.2, zijn direct overgenomen uit de genoemde richtlijnen en verdragen. Deze bepalingen zijn dus ook uitsluitend van toepassing op de soorten waarvoor dit onmiddellijk voortvloeit uit deze richtlijnen en verdragen. De bepalingen in paragraaf 3.3 zien op de “overige soorten” die zijn genoemd in de bijlagen A en B bij de Wnb.

Laatstgenoemde groep is te vergelijken met de Tabel 2-soorten uit de Flora- en faunawet.

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming In de Wet natuurbescherming zijn de bevoegdheden van het rijk (Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)) aan de provincies overgedragen. Zij maken dan de afwegingen voor de vergunningen en ontheffingen. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. Er is dan geen ontheffing nodig voor werkzaamheden. Onder de Wet natuurbescherming geldt een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De zorgplicht houdt in dat werkzaamheden, die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel mogelijk worden nagelaten of maatregelen genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. 4.9.2

Doorvertaling bestemmingsplan

Vanwege de beoogde ontwikkeling is ter plaatse van het plangebied een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 4 bij de toelichting gevoegd. Op basis van bovenstaande informatie welke uit de quickscan flora en fauna naar voren is gekomen, is er geen aanleiding om direct een aanvullend flora- of faunaonderzoek uit te voeren. Er kan op dit moment zonder voorziene problemen begonnen worden de geplande werkzaamheden. Belangrijk is om binnen de ontwikkeling van de nieuwe bebouwing, de volgende adviezen mee te nemen:  Door niet alleen te kijken naar ‘wat er niet is’, is het juist belangrijk om te kijken naar mogelijkheden voor flora en fauna voor en na de bouw van de nieuwe woningen op de kavel. Er zijn altijd mogelijkheden om (nieuwe) soorten een kans te geven zich te vestigen of in stand te houden in het gebied door kleine aanpassingen.  Zo kun gedacht worden aan het ophangen van nestkasten voor onder andere huismussen, maar ook voor mezen en andere soorten is van alles te verkrijgen.  Om vleermuizen een mogelijkheid te bieden zich te vestigen/ in stand te houden in het gebied kunnen vleermuiskasten opgehangen worden tegen, of ingebouwd worden in de gevel van de woning of tegen de bomen in de aangrenzende tuin. In de plannen is opgenomen dat moet worden voorzien in nestgelegenheid voor huismussen en/of vleermuizen.

Tijdens de werkzaamheden blijft te allen tijde de zorgplicht van kracht en bij een veranderende situatie dient te allen tijde een ecoloog ingeschakeld te worden.

36

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Tevens is een stikstofdepositieonderzoek voor deze planontwikkeling uitgevoerd, zie Bijlage 5. Uit de berekeningen blijkt dat in zowel de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie op de stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het aspect stikstofdepositie vormt dus geen belemmering voor het plan. Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.10

Archeologie & cultuurhistorie

4.10.1 Regelgeving In artikel 3.1.6 lid 5 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat in de toelichting van een ruimtelijk plan ten minste een beschrijving wordt opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Met deze wetswijziging is de huidige Monumentenwet 1988 opgesplitst: een gedeelte (dat ziet op de fysieke leefomgeving) zal opgaan in de Omgevingswet, het overige gedeelte is opgenomen in de nieuwe Erfgoedwet. Daarbij is voorzien in overgangsrecht. De bedoeling is dat in de Erfgoedwet een betere integratie met verschillende soorten erfgoed komt. Daarnaast worden de procedures uniformer en daarmee overzichtelijker. Onderdelen van de Monumentenwet 1988 met betrekking tot de fysieke leefomgeving, worden opgenomen in de Omgevingswet. De aanwijzing van ruimtelijk cultureel erfgoed - beschermde stadsen dorpsgezichten en cultuurlandschappen - en omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving, komen in de Omgevingswet terecht en zijn dus niet in de Erfgoedwet geregeld. Hierbij wordt wel als vuistregel gehanteerd: omgang met het erfgoed in de Omgevingswet, duiding van het erfgoed in de Erfgoedwet. De inwerkingtreding van de Omgevingswet is per 1 januari 2024.

Voor de onderdelen die in de Omgevingswet zullen worden opgenomen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de tussengelegen periode. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 die naar de Omgevingswet over zullen gaan, blijven van kracht tot de Omgevingswet in werking treedt. Het Besluit ruimtelijke ordening en de Erfgoedwet schrijven niet voor in welke mate met archeologie rekening moet worden gehouden. De gemeente heeft wat dit betreft beleidsvrijheid en kan het archeologische belang afwegen ten opzichte van andere belangen, de belangen van de burger en van de gemeente. 4.10.2 Doorvertaling bestemmingsplan Archeologie Op 19 april 2022 zijn de nieuwe archeologische beleidskaarten en een wijziging van het vrijstellingsbeleid vastgesteld. De geactualiseerd archeologische beleidskaart is een beleidsmatige uitwerking van de geactualiseerde archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart. De actualisatie van het archeologisch verwachtingsmodel heeft vooral betrekking op:  Het uiterwaardengebied  De historische erven en dijken (evenals woonheuvels en oude woongronden)  Het laatpleistocene en vroegholocene landschap dat later in het holoceen afgedekt is geraakt met (met name) komklei  Actualisatie van de ligging van stroomgordels en crevassen  Archeologische waarden en verwachtingen voor watergebieden Onderstaand de uitsnede van de beleidskaart.

Van noord naar zuid liggen ter plaatse van het plangebied de volgende aanduidingen:  Vrijgegeven locaties in combinatie met attentiegebied archeologisch onderzoeksgebied  Waarde-Archeologie 2: waardevolle archeologische terreinen, historische dorpskern, oude woongronden, huisterpen en overige terreinen van archeologisch belang

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

 

Waarde-archeologie 4 (hoge verwachting) Daarnaast ligt over het hele plangebied het attentiegebied afdekkende laag: dijkdoorbraakafzettingen

Uitsnede archeologische beleidskaart 2022 Onderdeel van het vaststellingsbesluit van het archeologische beleid is om het geheel te borgen in een bestemmingsplan. Dit heeft plaatsgevonden door de vaststelling van het 'Parapluplan Archeologie'. Volgens dit parapluplan geldt voor het gehele plangebied de gebiedsaanduiding 'overige zone - attentiegebied afdekkende laag dijkdoorbraakafzettingen'. Specifiek ter plaatse van het perceel van de bestaande bedrijfswoning geldt de gebiedsaanduiding 'overige zone - attentiegebied archeologisch onderzoeksgebied'. Binnen een zone van circa 35 meter daarachter is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' van toepassing. Vervolgens geldt voor het overige deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. In het kader van dit bestemmingsplan is er een verkennend archeologisch bureau- en booronderzoek verricht, zie Bijlage 6. Op basis van het onderzoek kan het volgende geconcludeerd worden:  Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied op de Waal stroomgordel ligt. De Waal werd rond het begin van de jaartelling actief. Door de vorming van de rivier zijn eventuele oudere rivierafzettingen geërodeerd. De Waal heeft de huidige loop gekregen door bedijkingen in de 11e en 12e eeuw na Christus.

Vanwege de ligging op de Waal stroomgordel geldt een hoge archeologische verwachting voor de Romeinse tijd en de Vroege Middeleeuwen. Een eventuele archeologische vindplaats zal waarschijnlijk bestaan uit de resten van een agrarische nederzetting en zal zich manifesteren als een archeologische laag in de top van de oeverafzettingen.  In het noorden van het plangebied is in 2004 een archeologisch booronderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek bleek dat het bodemprofiel bestaat uit een pakket dijkdoorbraakafzettingen van 80 tot 120 cm dik op beddingafzettingen van de Waal. Tijdens de dijkdoorbraak is de top van het pakket met stroomgordelafzettingen van de Waal en het hierin verwachte archeologische niveau verstoord geraakt. In de dijkdoorbraakafzettingen werden geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe tijd gevonden en daarom is dit deel van het plangebied vrijgegeven voor de bouw van de huidige woning met bijgebouw.  Tijdens het booronderzoek in het onderzoeksgebied bleek dat de oorspronkelijke bodemopbouw van oever- op beddingafzettingen van de Waal overal deels geërodeerd is door een dijkdoorbraak. Het potentiële archeologische niveau in de top van de oeverafzettingen is niet

38

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

meer aanwezig. Het restant van de oeverafzettingen of de beddingafzettingen worden afgedekt door een 50 tot 80 cm dik klei- en zandpakket. Het betreft hier een pakket dijkdoorbraakafzettingen met in de top daarvan een recente bouwvoor. De zandlaag die in het noorden van het plangebied en in het zuiden van het onderzoeksgebied is aangetroffen is in een groot deel van het onderzoeksgebied niet meer aanwezig. Waarschijnlijk is het deel van het plangebied waar de kas staat afgegraven voor zandwinning. Op basis van de aangetroffen bodemopbouw worden in het onderzoeksgebied (gedeelte waar booronderzoek heeft plaatsgevonden geen archeologische waarden verwacht. De gemeente heeft op basis van dit onderzoek een selectiebesluit genomen, zie Bijlage 7. De gemeente is akkoord met het advies van Transect om middels verkennende boringen onderzochte noorddeel vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen en voor het nog niet-onderzochte zuiddeel de dubbelbestemming en gebiedsaanduiding conform het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' op te nemen. Cultuurhistorie De gemeente Beuningen wil cultuurhistorie een volwaardige positie in de ruimtelijke ordening geven. De Veluwstraat betreft één van de oude linten in en rondom Ewijk. Ten opzichte van andere linten is hier van oudsher al sprake geweest van een relatief hoge bebouwingsdichtheid, wat in de loop van de tijd verder is toegenomen.

Eind jaren '60 van de vorige eeuw verschijnen daarbij de eerste kassen, die mede het straatbeeld gaan domineren. Het kerkepad 't Roth is ook al van oudsher aanwezig. Ook in het plangebied is sprake van glasopstanden. Deze worden gesloopt, waarna woningbouw kan plaatsvinden. Met deze woningbouw en de daarbij horende landschappelijke inpassing, wordt het bebouwde/verharde oppervlakte significant verkleind en de ruiimtelijkek waliteit sterk verbeterd. Ter plaatse gaat het straatbeeld weer aansluiten bij het oorspronkelijke landelijke karakter met de mogelijkheid om door te kijken naar het achtergelegen gebied. Langs 't Roth wordt voorzien in een groene rand/berm, waardoor ook hier de kwaliteit en recreatieve mogelijkheden worden verbeterd. Met deze ontwikkeling worden de cultuurhistorische waarden weer hersteld en versterkt. 4.10.3 Conclusie De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de vaststelling van dit bestemmingsplan.

4.11

Leidingen

4.11.1 Regelgeving Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen moeten worden gewaarborgd. Tevens moet rond dergelijke leidingen rekening worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:  gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;  aardgastransportleiding met een diameter groter of gelijk aan 18”;  defensiebrandstoffen;  warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18”. 4.11.2 Doorvertaling bestemmingsplan In of in de directe omgeving van het plangebied zijn geen hoofdtransportleidingen of persleidingen van water, olie, aardgas, brandstof en/of hoogspanningsverbindingen gelegen, die in het kader van het bestemmingsplan op de verbeelding met bijbehorende bebouwingsvrije zones moeten worden opgenomen.

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

4.12

Vormvrije MER-beoordeling

4.12.1 Regelgeving Op 7 juli 2017 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D (betreft de m.e.r.beoordeling) van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. De consequentie van de nieuwe regeling is dat in elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de D-lijst aandacht moet worden besteed aan m.e.r. Het komt er op neer dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die beneden de drempelwaarden vallen uit de D-lijst, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets, die dus een nieuw element is in de m.e.r.-regelgeving, wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:  belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk;  belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. 4.12.2 Doorvertaling bestemmingsplan In bijlage D van het Besluit m.e.r. is een groot aantal activiteiten genoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt. Eén van de genoemde activiteiten betreft ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject, met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’ (activiteit D11.2). Deze activiteit is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien deze betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aangesloten gebied van 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Omdat het aantal woningen in de toekomstige situatie met maximaal twee toeneemt, is er geen m.e.r.-beoordeling conform het Besluit m.e.r. noodzakelijk. Gelet hierop, wordt geconcludeerd dat de drempelwaarden niet worden overschreden, waardoor in onderhavig plan kan worden volstaan met het uitvoeren van een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’.

De in dit hoofdstuk beschreven onderzoeksresultaten voldoen niet alleen aan de onderzoeksverplichting van het Besluit ruimtelijke ordening, maar kunnen ook worden opgevat als de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Daarbij wordt geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten.

40

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridische instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In deze paragraaf worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd moeten worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de SVBP2012, de Wabo en andere bestemmingsplannen van de gemeente Beuningen. Voor het bouwen is verder het Besluit omgevingsrecht (Bor) van belang. In het Bor zijn onder andere regels voor vergunningsvrije bouwwerken opgenomen. 5.1.1

Inleidende regels

Begrippen In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Wijze van meten Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. 5.1.2

Bestemmingsregels

Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals bedrijven, wonen, centrum etc. De aard van de toegelaten inrichtingen van gronden (bouwwerken en werken, geen bouwwerken zijnde) vloeit dan voort uit de toegelaten functies. Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien mogelijk wordt verwezen naar bouwvlakken en aanduidingen op de verbeelding. Specifieke gebruiksregels In de gebruiksregels is het strijdig gebruik opgenomen en aangegeven onder welke voorwaarden nietpublieksgerichte aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan. Daarnaast is er een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing. Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels. 5.1.3

Algemene regels

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. Algemene bouwregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent ondergronds bouwen, ondergeschikte bouwdelen en parkeren. Algemene gebruiksregels Deze bepaling bevat algemene regels omtrent parkeren. Algemene wijzigingsregels In deze bepaling is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven het plan te wijzigen. Het gaat hier om wijzigingsbevoegdheden met een algemene strekking. De criteria, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven. 5.1.4

Overgangs- en slotregels

Overgangsregels Bouwwerken welke op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaan (of waarvoor een bouwvergunning is aangevraagd) mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bouwregels. De overgangsbepaling houdt niet in dat het bestaand, illegaal opgerichte, bouwwerk legaal wordt, noch brengt het met zich mee dat voor een dergelijk bouwwerk alsnog een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen kan worden verleend. Burgemeester en wethouders kunnen in beginsel dus nog gewoon gebruik maken van hun handhavingsbevoegdheid. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment van inwerkingtreding van het plan, mag eveneens worden voortgezet. Slotregel Dit artikel geeft aan op welke manier de regels kunnen worden aangehaald.

5.2

Bestemmingen

Het onderhavige bestemmingsplan kent de volgende (dubbel)bestemmingen: Groen - Landelijk groen De bestemming 'Groen-Landelijk groen' wordt in de gemeente Beuningen vaak toegepast op gronden die een open karakter hebben (weilanden, voormalige agrarische gronden en tuinen e.d.), in particulier eigendom zijn, maar niet (meer) beroepsmatig worden gebruikt voor agrarische doeleinden. De gronden met deze bestemming zijn veelal gelegen op de overgang van een dorpskern of bebouwingslint naar het buitengebied. De bestemming 'Groen-landelijk groen' wordt gegeven aan de gronden ten zuiden van de nieuwe woonpercelen, alsmede de groene randen langs de westgrens en 't Roth. Wonen Deze bestemming is op hooflijnen gelijk aan de actuele regeling voor bestemmingsplannen in het buitengebied van de gemeente Beuningen. Binnen deze bestemming zijn zowel de bestaande als nieuwe woningen gelegen, alsmede de dwarsstraat met de daar eventueel te realiseren parkeervoorzieningen.

42

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Het nieuwe woongebouw moet gerealiseerd worden binnen het aangeduide bouwvlak. Verder is via een tweetal specifieke bouwaanduiding (sba-1 en sba-2) de verschillende bouwmogelijkheden geregeld voor het perceel van de bestaande woning en de beoogde woningen. Dit laatste conform het functieveranderingsbeleid 'Gemeentelijke uitwerking Notitie functieverandering Buitengebied' waarin het spoor wordt gevolgd tot de mogelijkheid van de bouw van één vrijstaande woning óf woongebouw tot maximaal 1.200 m3. Tevens zijn in de regels enkele verbale voorwaarden opgenomen. Dit betreffen de zogenaamde bouw- en gebruiksregels, waaronder ten aanzien van parkeren. Maar ook een voorwaardelijke verplichting die het gebruik van het nieuwe woongebouw pas toestaat indien de opgenomen landschappelijke inpassing is aangebracht en duurzaam in stand wordt gehouden. Tevens moet worden voorzien in voldoende hemelwaterberging. Diverse archeologische dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen Deze regels zijn gelijk aan die in het 'Parapluplan Archeologie'. Water De (deels) in het plangebied gelegen A-watergang is bestemd als “Water”. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming toegestaan.

Waterstaat - Waterlopen (dubbelbestemming) Ter bescherming en onderhouden van de A-watergang (deels) binnen het plangebied en aangrenzend aan het plangebied is de dubbelbestemming “Waterstaat – Waterlopen” opgenomen in het bestemmingsplan. Naast het aanvragen van een omgevingsvergunning kan het ook noodzakelijk zijn om voor bepaalde werken en werkzaamheden in de beschermingszone van een waterstaatswerk een watervergunning aan te vragen, zoals voor het aanbrengen of verwijderen van (hout)beplantingen. Op dergelijke werken en werkzaamheden is de Keur van het waterschap Rivierenland van toepassing.

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

De Wet ruimtelijke ordening maakt het vaststellen van een exploitatieplan verplicht voor een aantal bouwactiviteiten wanneer de bouw planologisch mogelijk wordt gemaakt in een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit. De bouwplannen waarbij een exploitatieplan verplicht is staan in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):  de bouw van één of meer woningen;  de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;  de uitbreiding van een hoofdgebouw met tenminste 1.000 m² of met één of meer woningen;  de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;  de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.000 m² bedraagt;  de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m². Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Alle kosten die gemaakt moet worden het opstellen van een bestemmingplan zijn voor rekening van de initiatiefnemers.

Hiervoor is een overeenkomst afgesloten, waarin ook de afwikkeling van eventuele verzoeken tot tegemoetkoming in planschade is geregeld. Daarmee is de financiële haalbaarheid voor de gemeente afdoende geregeld.

6.2

Overleg

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staat dat de gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moet plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk, die betrokken zijn bij de zorg voor ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In het kader van het vooroverleg is het plan voorgelegd aan de volgende partijen:  Provincie Gelderland;  Waterschap Rivierenland.

6.3

Maatschappelijke haalbaarheid

Inspraak In het kader van de beoogde ontwikkeling is door de initiatiefnemers met de omwonenden gesproken. Hieruit zijn geen bezwaren naar voren gekomen. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 15 december 2023 tot en met 25 januari 2024 voor iedereen ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend bij de gemeente.

44

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlagen bij toelichting

46

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlage 1

Inpassings- en beeldkwaliteitplan

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlage 2

48

Verkennend bodemonderzoek

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlage 3

Geuronderzoek

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

49

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlage 4

50

Quickscan flora en fauna

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlage 5

Stikstofonderzoek

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

51

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlage 6

52

Verkennend archeologisch onderzoek

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Bijlage 7

Selectiebesluit archeologie

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

53

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Regels

54

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Veluwstraat 11b met identificatienummer NL.IMRO.0209.Veluwstrt11bEwijkvadf van de gemeente Beuningen; 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en daarbij horende bijlagen; 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolgde deze regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4 aanduidingsgrens grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5 achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen; 1.6 afhankelijke woonruimte een voor huisvesting van een (zelfstandig) huishouden geschikt gebouw, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan en/of ruimtelijke een geheel vormt met het hoofdgebouw en blijvend onderdeel uitmaakt van de kavel van het hoofdgebouw. Het betreft een aangebouwd of vrijstaand bijgebouwen of een tijdelijke mantelzorgunit met een eigen toegang en eigen voorzieningen, maar wel gelegen op hetzelfde perceel en in de nabijheid van de woning waarin de zorgverlener of zorgvrager woont. De afhankelijke woonruimte is ten behoeve van mantelzorg (verlenen of ontvangen).

Het bijgebouw of de tijdelijke unit blijft een onderdeel van de bestaande woning en er is geen sprake van een nieuwe woonbestemming; 1.7 archeologische waarden waarden van een terrein in verband met de zich mogelijk in de bodem bevindende oudheidkundige zaken die van belang zijn vanwege hun schoonheid, hun betekenis voor de wetenschap en/of hun cultuurhistorische waarde; 1.8 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde; 1.9 bed & breakfast een nevenactiviteit met als doel het verstrekken van logies en ontbijt aan steeds wisselend publiek, dat voor een korte periode, met een absoluut maximum van zeven overnachtingen, ter plaatse verblijft; onder bed & breakfast wordt niet verstaan overnachting, noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid; 1.10 bestaand  t.a.v. bebouwing: bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden dan wel die mag worden gebouwd krachtens een voor dat tijdstip aangevraagde vergunning;  t.a.v. gebruik: het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan in werking is getreden; 1.11 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak; 1.12 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

55

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

1.13 bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning; 1.14 bijgebouw een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw, dat zich daarvan door zijn constructie of geringere afmetingen visueel onderscheid; 1.15 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.16 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.17 bouwlaag een begane grond of hoger gelegen verdieping, waarbij ruimten in de kap zonder zelfstandige functie niet worden meegerekend; 1.18 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.19 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel; 1.20 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.21 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun

vindt in of op de grond; 1.22 bouwwijze de wijze van bouwen van een woning, waarbij: a. onder aaneengebouwd wordt een woning verstaan, die deel uitmaakt van een blok van meer dan twee woningen en/of andere functies, waarvan het hoofdgebouw aan het op het aangrenzende bouwperceel gelegen hoofdgebouw is gebouwd; b. onder gestapeld wordt een gebouw verstaan, dat uit meerdere naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen (appartementen) bestaat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid kan worden beschouwd; c. onder twee-aaneen wordt een woning verstaan, waarvan het hoofdgebouw deel uitmaakt van een blok van maximaal twee direct aaneengebouwde hoofdgebouwen (twee-onder-één-kap); d. onder vrijstaand wordt een woning verstaan, waarvan het hoofdgebouw niet aan een op een aangrenzend bouwperceel gelegen gebouw is aangebouwd; e. onder geschakelde woning wordt een woning verstaan, waarvan het hoofdgebouw via een bijgebouw verbonden is met het volgende hoofdgebouw en waarvan het hoofdgebouw op de perceelsgrens is gebouwd; 1.23 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan degene die deze goederen kopen voor eigen gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

56

bestemmingsplan "Veluwstraat 11b" (vastgesteld)

bestemmingsplan Veluwstraat 11b

1.24 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.25 hoofdgebouw een (deel van een) gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken; 1.26 hooischelf een bijgebouw of schuilstal bestaande uit twee delen, te weten een overdekte en geheel door wanden omsloten onderbouw met daarop een losse, langs een aantal geleiders, in hoogte beweegbare kap. De ruimte tussen de onderbouw en de beweegbare kap mag niet worden dichtgebouwd en dient enkel ten behoeve van de opslag van stro, hooi en vergelijkbare producten; 1.27 huishouden één of meerdere personen die in vast verband samenleven (eventueel met (hun) kinderen) waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling ervan en van onderlinge verbondenheid; 1.28 kamer een onzelfstandige woonruimte in een woning en/of vrijstaand bijbehoren bouwwerk, die geen eigen adres heeft en waarbij de bewoner afhankelijk is van één of meer gedeelde wezenlijke voorzieningen (keuken, douche en/of toilet) buiten die woonruimte; 1.29 kamerbewoning bewoning van een kamer; 1.30 mantelzorg intensieve zorg of ondersteuning, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, ten behoeve van zelfredzaamheid of participatie, rechtstreeks voortvloeiend

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=4d15785d-3db2-4f86-b57c-5b52911a0714