CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Integraal Huisvestingsplan

Commissie Samenleving & Bestuur (S&B) 18 september 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Integraal Huisvestingsplan 202416.334 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Deze verwachtte ruimtebehoefte is door kinderopvangorganisatie KION ingeschat. Het betreft in dit geval m2’s onderwijs die volledig in gebruik worden genomen door de KOV/BSO. Dit is exclusief de m2’s die in eigendom zijn van de KOV/BSO.

11 Leerlingenprognose (speciaal) basisonderwijs 2023, gemeente Beuningen, maart 2023,

door Pronexus

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 20 van 42

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 21 van 42

4.3. De opgaven 4.3.1 Opgaven periode 0-5 jaar Inclusief kindcentrum de Klavervier en De Peppel De gemeenteraad van Beuningen heeft eerder ingestemd met nieuwbouw van speciaal basisonderwijs de Klavervier. Het schoolbestuur en gemeente hebben geconcludeerd dat een ‘standalone’ school alleen voor speciaal basisonderwijs door het beperkt aantal leerlingen niet haalbaar wordt geacht. Daarnaast is de ambitie om tot meer inclusief onderwijs en inclusieve voorzieningen te komen. Het bestuur van Groeisaam zet in op een combinatie met reguliere basisschool (de Peppel), kinderopvang uitgebreid met andere (zorg)partijen om tot een inclusief kindcentrum te komen. Dit sluit aan op de gemeentelijke ambitie en beleidsplannen voor de kindcentra Gelijktijdig met het opstellen van dit IHP heeft er een haalbaarheidsstudie en scenariostudie plaatsgevonden voor het inclusieve kindcentrum. De gemeente Beuningen streeft ernaar om de samenwerking tussen alle organisaties die zich bezighouden met kinderen te versterken. Dit betekent het creëren van een doorgaande ontwikkelings- en leerlijn van 0 tot 12 jaar, het optimaliseren van de organisatiestructuur, verstandig omgaan met financiën, het benutten van elkaars kennis en expertise, en het vinden van elkaar wanneer dat nodig is. Ook is het inclusief kindcentrum gericht op preventie, het voorkomen van leer-en gedragsproblematiek.

Het inclusieve kindcentrum Klavervier en de Peppel dient als een voorbeeld van deze visie. Op landelijk niveau is er een route naar inclusief onderwijs ontwikkeld. Het uitgangspunt van inclusief onderwijs is dat zoveel mogelijk leerlingen ‘thuisnabij’ naar dezelfde school gaan, en hier onderwijs, en waar nodig zorg, op maat krijgen. Het leren na schooltijd tijdens de kinderopvang, sportvereniging en andere voorzieningen maken ook deel uit van het integraal aanbod, zodat kinderen zich op alle gebieden optimaal kunnen ontwikkelen. Stapsgewijs wordt toegewerkt richting 2035. Als het gaat om leerlingen met extra ondersteuningsbehoefte is het streven om te komen tot ‘inclusievere onderwijsvoorzieningen waar kinderen met en zonder beperking of ziekte samen naar school gaan, met behoud van het speciaal onderwijs voor leerlingen die dit nodig hebben’. Scholen voor speciaal onderwijs moeten zich uiteindelijk doorontwikkelen

Referentie: 1647803-0040.1.2.

naar specialistische netwerken die hun expertise in reguliere scholen inzetten. Het inclusieve kindcentrum past binnen deze landelijke ontwikkeling. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt dat nieuwbouw op de locatie van De Peppel het meest geschikt is. Het grootste deel van de kinderen van het nieuwe inclusieve kindcentrum komt uit de omgeving van de Peppel en gaat op dit moment al naar deze locatie toe. Dit sluit aan bij het streven dat kinderen ‘thuisnabij’ naar school kunnen. Deze conclusie wordt versterkt door een gedetailleerde analyse van drie scenario’s, waarbij verschillende kwalitatieve criteria zijn meegenomen. Het nieuwe gebouw bevordert optimale samenwerking, creëert een gevoel van eenheid binnen de organisatie en legt de nadruk op gedeelde ruimtes en nabijheid, wat volledig in lijn is met de visie van het inclusieve kindcentrum. De Montijn In het IHP 2018 is reeds rekening gehouden met een levensduurverlening van 20 jaar voor het oude gedeelte van de Montessorischool De Montijn in een periode van 0-5 jaar vanaf heden. De nadere uitwerking van dit scenario is reeds gestart en zal doorlopen tot het najaar van 2024. Aandachtspunt hierbij is de verdeling van de vierkante meters en kosten tussen de school en KOV. De Ruyter Bij De Ruyter is reeds een ruimtetekort12 aanwezig bij zowel het gedeelte basisschool als bij de KOV.

Dit ruimtetekort bij de basisschool is zelfs al groter dan het scholenlandschap laat zien, omdat de school in werkelijkheid al 183 leerlingen telt. De prognoses laten zien dat dit ruimtetekort naar verwachting richting de toekomst aanwezig blijft. Daarom heeft er in de zomervakantie van 2024 een inpandige verbouwing plaatsgevonden. Als gevolg hiervan wordt in 2025 het MFA uitgebreid door de luifel aan de voorkant bij het MFA te betrekken. Het MFA zal hierdoor het multifunctionele karakter behouden. Door de beperkte mogelijkheden op het kavel zelf zal uitbreiding voor de kinderopvang in de toekomst lastig worden. Dit zal nader uitgezocht moeten worden.

12 In de verordening van de gemeente Beuningen (2015-heden) staat het volgende

opgenomen over uitbreiding op basis van een ruimtetekort: er is sprake van uitbreiding als het vastgestelde ruimtebehoefte gelijk of groter is dan de drempelwaarde van: 55 vierkante meter BVO voor een voorziening basisonderwijs (bijlage 3: deel C.1.2.)

Pagina 22 van 42

De Wegwijzer De prognoses van Pronexus voor bij de Wegwijzer laten zien dat er rond 2027 een ruimtetekort zal ontstaan doordat zowel de school als de KOV gebruik maken van onderwijskundige m2’s. De school zelf verwacht al eerder een ruimtetekort mede doordat dit de enige school in een kern betreft waar woningbouwplannen plaatsvinden. Jaarlijks dienen de prognoses te worden herijkt om het gehele scholenlandschap te actualiseren (mede in verband met de vele woningbouwplannen in Beuningen). Deze behoefte is bij De Wegwijzer extra urgent, omdat naar verwachting al binnen de komende 0-5 jaar maatregelen moeten worden genomen om het ruimtetekort aan te pakken. Begin 2025 zal een onderzoek worden gestart om te bepalen welke maatregelen nodig zijn voor De Wegwijzer Kindcentrum Ewijk Op basis van de huidige leerlingenprognoses verwachten we de komende 5 jaar (termijn uitvoeringsprogramma IHP) nog geen opgave voor onderwijshuisvesting in Ewijk. Wel zien we dat door de woningbouwplannen in Ewijk er op de middellange termijn (5 tot 10 jaar) er iets moet gebeuren op het gebied van onderwijshuisvesting. Het huidige kindcentrum in Ewijk is niet groot genoeg om de beoogde groei op te vangen. De realisatie van een tweede kindcentrum in Ewijk moet daarom onderzocht worden. Onderdeel hiervan is dat ook de vorm en opzet met de schoolbesturen onderzocht moet worden.

Met de start van de gebiedsontwikkeling Ewijk-Zuid en West achten wij het verstandig tijdig te beoordelen wat de ruimtelijke behoefte is van en wat de meest geschikte plek is voor een eventueel nieuw kindcentrum. We starten daarom begin 2025 met een locatiestudie. De financiële vertaling van deze opgave wordt meegenomen bij de volgende herijking van het IHP in 2028/2029 en vervolgens financieel verwerkt in de bestuursrapportages.

uitbreiding, inrichting, constructiefouten en herstel in geval van bijzondere omstandigheden. Als er meer kinderen/scholieren in de gemeente zijn dan zal dit zich ook vertalen in een hogere uitkering in het gemeentefonds. Kanttekening hierbij is dat de uitkering voor onderwijshuisvesting op dit moment niet overeenkomt met de huidige marktprijzen voor nieuwbouw van een school en ook niet toereikend is om ENG te bouwen.

4.3.2 Opgaven periode 5-10 jaar De Hoeven In 2005 hebben er bij De Hoeven enkele aanpassingen en een uitbreiding plaatsgevonden. Er was echter geen sprake van levensduur verlengende renovatie van het gehele gebouw. In de periode 0-5 jaar zal onderzocht worden welke levensduur verlengende maatregelen in de periode 5-10 jaar plaats gaan vinden ten aanzien van de oudste gebouwdelen (1967 en 1995).

4.3.3 Opgaven periode 10-20 jaar In de periode 10-20 jaar dient men rekening te houden met (ver)nieuwbouw van: • De Vuurvlinder

4.3.4 Opgaven periode >20 jaar In de periode na 20 jaar dient men rekening te houden met (ver)nieuwbouw bij de volgende scholen: • De Montijn (totaal) • De Ruyter • De Hoeven (totaal) • De Reuzepas • De Wegwijzer • De Dromedaris

Gemeente ontvangen een vergoeding van het Rijk voor onderwijshuisvesting. Deze vergoeding is niet geoormerkt. In relatie tot onderwijshuisvesting is de vergoeding bestemd voor nieuwbouw,

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 23 van 42

5. Opgaven gymzalen Beuningen Bewegingsonderwijs is een belangrijk onderdeel van het onderwijs aan kinderen. Ook binnen de gemeente Beuningen wordt ingezet op bewegend leren en het faciliteren van bewegingsonderwijs. Ten behoeve van het IHP is een capaciteitsanalyse uitgewerkt ter bepaling van eventuele capaciteitsopgaven. Dit betreft enkel een bepaling van opgaven op basis van capaciteit en niet op basis van de bouwkundige staat van de sportvoorzieningen aangezien dit in het accommodatie plan van de gemeente dient te worden opgenomen. Op basis van de capaciteitsanalyse is er geen aanleiding om opgaven voor de sportvoorzieningen te definiëren.

5.1. Capaciteitsanalyse

Capaciteitsanalyse – gehele gemeente Prognoses 2037

SBO Klavervier Montessorischool de Montijn BO De Peppel BO De Vuurvlinder MFA De Ruyter BO De Hoeven MFA De Reuzepas BO De Wegwijzer BO De Dromedaris

Vanuit zorgplicht: klokuren per week

o.b.v. harde woningbouwprognoses 11,3 12 13,5 6 6 13,5 18 6 13,5 TOTAAL 99,8

De totaal beschikbare capaciteit van alle gymlocaties is 173 klokuren voor het bewegingsonderwijs. De gemeente heeft een zorgplicht van 1,5 klokuur voor kinderen in het basisonderwijs vanaf groep 3 en 2,25 uur voor kinderen in het speciaal basisonderwijs vanaf 6 jaar. Omgerekend komt deze zorgplicht neer op circa 100 klokuren welke opgevangen kan worden met de reeds aanwezige capaciteit in de gemeente.

De gemeente Beuningen kent een vijftal locaties die ingezet kunnen worden voor het bewegingsonderwijs (zie bovenstaande afbeelding).

Referentie: 1647803-0040.1.2.

De normatieve overcapaciteit kan enerzijds worden ingezet voor het realiseren van meer bewegingsonderwijs, maar ook voor het invulling geven aan het inefficiënte roostering van de gymvoorzieningen als gevolg van het inzetten van de gymvoorzieningen voor het bewegingsonderwijs. Om een effectieve gymles aan te kunnen bieden heeft immers een school aan de voor- en achterkant van het klokuur tijd nodig om de zaal op en af te bouwen.

Pagina 24 van 42

Capaciteitsanalyse- centrum Beuningen Prognoses 2037

SBO Klavervier Montessorischool de Montijn BO De Peppel BO De Vuurvlinder BO De Hoeven BO De Dromedaris

Vanuit zorgplicht: klokuren per week

o.b.v. harde woningbouwprognoses 11,3 12,0 13,5 6,0 13,5 13,5 TOTAAL 69,8

De meeste scholen van Beuningen bevinden zich in het centrum van Beuningen. In verhouding zal daarom de druk op de gymlocaties in het centrum hoger zijn dan erbuiten. Om die reden is er nog aanvullend ingezoomd op de beschikbare en benodigde capaciteit in het centrum. De totaal beschikbare capaciteit van de gymlocaties in het centrum van Beuningen is 93 klokuren voor het bewegingsonderwijs. Deze zorgplicht voor enkel de scholen in het centrum van Beuningen komt neer op circa 70 klokuren welke opgevangen kunnen worden met de reeds aanwezige capaciteit in het centrum de gemeente. Aandachtspunt Aandachtspunt is de afstand van de scholen naar de gymlocaties. In de verordening van de gemeente Beuningen is hier geen richtlijn over opgenomen, echter ervaren de scholen veel verlies van onderwijstijd aan de wandeling naar de betreffende gymlocaties.

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 25 van 42

6. Financiële vertaling In dit hoofdstuk worden de visie/ambities op onderwijshuisvesting en de opgaven samengebracht en voorzien van een financiële vertaling. Eerst zijn de kwaliteitsuitgangspunten vertaald in een kwaliteitsambitie, op basis waarvan kengetallen voor investeringskosten zijn berekend. Ook wordt toegelicht hoe de investeringskosten uit dit IHP in deze fase moeten worden geïnterpreteerd. Tot slot worden de opgaven omgezet in een financiële vertaling, in de vorm van een investeringskostenoverzicht.

gezond binnenklimaat en daarmee voor een prettige en gezonde omgeving waar leerlingen en leraren veel uren op een (school)dag doorbrengen. Deze kwaliteitsambities gaan verder dan het wettelijk verplichte kwaliteitsniveau, immers om ook voor toekomstbestendige, langdurig bruikbare onderwijsgebouwen te zorgen zijn deze uitgangspunten essentieel. •

6.1. Kwaliteitsambitie Met behulp van de kostenconfiguratoren van HEVO (door PO-raad en VO-raad erkende instrumenten ter bepaling van de investeringskosten) zijn de geldende investeringsniveaus per vierkante meter bepaald. Daarbij is aangesloten bij de visie. De gewenste basiskwaliteit is in dit IHP bepaald op: • Bouwbesluit 2012 + BENG. Bijna Energieneutraal voor nieuwbouw en renovatie/ vernieuwbouw (gebouwgebonden) (zie bijlage 5 voor een toelichting op de verschillende definities van energieprestaties van gebouwen). • Marsh eisen • Flexibel bouwen. Hoge mate van flexibiliteit en toekomstbestendigheid wordt in de kostenconfigurator vertaald naar ‘toekomstbestendig bouwen’: flexibiliteit door niet-dragende wanden zodat er bijvoorbeeld functiewijziging plaats kan vinden (tussentijds of bij einde gebruik door school). • Esthetische onderwijskundige kwaliteit: zoals (iets) meer gevelopeningen, een betere Frisse Scholen ventilatie-klasse in gangzones of op leerpleinen als open onderwijslandschap zodat deze ook voor onderwijs gebruikt kunnen worden en (beperkt) betere afwerkingsniveaus. • Werkplekken in verkeersruimten • Frisse Scholen: Hevo kwaliteitsadvies (zie bijlage 2). In aansluiting op de visie en ambities van gemeente en schoolbesturen is het uitgangspunt Frisse Scholen kwaliteitsadvies Hevo toegevoegd.

Gezonde huisvesting voor leerlingen en leraren is een randvoorwaarde voor een goed schoolgebouw. Het concept van Frisse Scholen omvat de onderwerpen energie, lucht, tempartuur, licht en geluid. Met name het belang van een goede luchtkwaliteit en voldoende ventilatiemogelijkheden is gedurende de coronapandemie duidelijk geworden. Ook de andere aspecten zoals tempartuur, licht en geluid zijn belangrijk voor een

Referentie: 1647803-0040.1.2.

• • •

Naast deze kwaliteitsuitgangspunten voor het gebouw kan door de schoolbesturen aanvullende kwaliteit worden toegevoegd. Dit is niet altijd vanzelfsprekend voor een (nieuwe) school en afhankelijk van het onderwijsconcept. De school heeft de keuze en is afhankelijk van financiele bekostiging en regelgeving in het onderwijs of zij deze aanvullende kwaliteit wel of niet (kunnen) nastreven. Exploitatiegericht bouwen: toepassen van onderhoudsarme vloer- en wandafwerking en aluminium kozijnen om hoge exploitatiekosten te voorkomen. Vergoten zichtlijnen Verplaatsbaarheid panelenwand

Ten slotte dient per project onderzocht te worden of er geïnvesteerd wordt in energieneutraliteit en circulariteit: • Aanvullende kosten BENG naar ENG. BENG is onvoldoende om (voor onderwijshuisvesting) de klimaatdoelstelling van 95% CO2-reductie te halen in 2050. De huidige gebouwen zullen naar alle waarschijnlijkheid voor 2050 ENG moeten zijn. Duurzaam en circulair bouwen: het betreft keuzes waardoor het gebouw een stap verder gaat dan ENG. Deze keuzes worden nu gemaakt omdat dit gedurende de levensduur van het gebouw lastig is om aan te passen. Voor circulair bouwen is het ambitieniveau basis aangehouden in de bepaling van het investeringsbedrag. Hierdoor kan bijvoorbeeld de toepassing van groen beton gewaarborgd worden. Ook is door de schoolbesturen en de gemeente Beuningen de duidelijke ambitie uitgesproken om groenblauwe buitenruimten te realiseren (zie bouwsteen 2: duurzaamheid en kwaliteit). Deze ambitie is nog niet financieel vertaald, aangezien de kosten hiervoor sterk afhankelijk zijn van de gekozen uitwerking en de omvang van de buitenruimten. Er wordt aanbevolen de uitgangspunten hiervoor in gezamenlijkheid met schoolbesturen en gemeente af te stemmen.

Pagina 26 van 42

6.2. Total Cost of Ownership De gemeente en de schoolbesturen hebben de intentie uitgesproken om gezamenlijk de gewenste kwaliteit te realiseren. Daarbij streven de schoolbesturen ernaar om binnen hun financiële mogelijkheden een bijdrage aan de projecten te leveren volgens de principes van Total Cost of Ownership (TCO). Hierbij maken schoolbesturen gebruik van de vergoeding voor materiële instandhouding (mi-vergoeding) die zij ontvangen van het rijk. De gewenste kwaliteit wordt bijvoorbeeld gefinancierd vanuit een verwacht exploitatievoordeel (op energiekosten) gedurende een deel van de levensduur van het gebouw en een besparing op onderhoud aan het bestaande gebouw voorafgaand aan een nieuwbouwopgave (besparing op investeringen in de lopende meerjarenonderhoudsplanning). De schoolbesturen geven aan dat zij aan de voorkant voorzichtig moeten zijn in het toezeggen van bijdragen aan Total Cost of Ownership. Daarvoor zijn de volgende argumenten benoemd: • De aanzienlijke tekorten op de vergoeding voor materiële instandhouding. • De onzekerheid over het overheidsbeleid ten aanzien van de vergoeding voor materiële instandhouding. • De positieve effecten van één nieuw gebouw zijn benodigd voor de negatieve exploitatie van de gehele portefeuille. • De hoogte van de onderhoudskosten voor ENG-gebouwen is nog onvoldoende gebenchmarkt.

• De beperkte eigen financiële middelen en liquiditeit. Tijdens het opstellen van het IHP hebben gemeente en schoolbesturen een afspraak gemaakt over verdeling van de kosten. Onderstaande tabel (par .3.) geeft weer welke investeringskosten tot de basiskwaliteit horen en daarmee voor rekening van gemeente komen (excl. bijkomende kosten). Daarvoor heeft de gemeente de basiskwaliteit voor onderwijshuisvesting gedefinieerd en gewaarborgd. Het betreffen die onderdelen die essentieel zijn voor een goed schoolgebouw en daarom niet afhankelijk dienen te zijn van een bijdrage van een schoolbestuur. De schoolbesturen kunnen er voor kiezen bij te dragen aan aanvullende kwaliteit. In de praktijk verwacht

Referentie: 1647803-0040.1.2.

te school dat het alleen het exploitatiegericht bouwen gerealiseerd kan worden zover dit besparingen in het onderhoud of in energiekosten oplevert. De gemeente en schoolbesturen willen gezamenlijk nader in de haalbaarheidsonderzoeken (businesscases) onderzoeken hoe de stap van BENG naar ENG gefinancierd kan worden: energieneutraliteit. Recente ontwikkelingen maken de haalbaarheid van de stap van BENG naar ENG nog complexer door o.a. netcongestie en onzekerheid omtrent de salderingsregeling. Indien er afspraken worden gemaakt ten aanzien van beheersvorm, eigendomsverhouding, samenwerkingsafspraken, exploitatie en financiële geldstromen, dient het effect van deze afspraken op Total Cost of Ownership te worden onderzocht. Bijvoorbeeld in het geval dat het schoolbestuur een deel van zijn materiële instandhoudingsvergoeding afdraagt aan de gemeente indien de gemeente eigenaar is.

6.3. Investeringskostenkengetallen 6.3.1 Nieuwbouw De bepaling van de kwaliteitsambitie leidt tot indicatieve investeringsbedragen per m² brutovloeroppervlakte (bvo). Met behulp van de kostenconfigurator van HEVO zijn de te ramen investeringsniveaus per vierkante meter bepaald. Deze investeringsniveaus sluiten aan bij de eerder omschreven kwaliteit. De investeringsniveaus zijn weergegeven in onderstaande tabellen. Er ontstaan schaalvoordelen bij het bouwen van een school met een grotere omvang. De ambities van gemeente en schoolbesturen gaan verder dan het wettelijk minimum. Zowel de gemeente als schoolbesturen zullen een bijdrage doen om de geadviseerde kwaliteit zoveel als mogelijk na te streven (zie toelichting paragraaf 6.6).

Pagina 27 van 42

Tabel: kostenkengetallen nieuwbouw PO en SBO

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 28 van 42

6.3.2 Vernieuwbouw

6.4. Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs

Het streven is om bij vernieuwbouw de gewenste nieuwbouwkwaliteit zoveel als mogelijk te realiseren (volwaardig alternatief voor nieuwbouw met levensduurverlening van 40 jaar). Er wordt daarom ook wel gesproken over ‘vernieuwbouw’. Het kwaliteitsniveau van vernieuwbouw is gelijk aan het kwaliteitsniveau van nieuwbouw (voor zover (bouw)technisch haalbaar).

Het overzicht in de volgende paragraaf toont de investeringskosten. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd: 1. Bij elke opgave is gerekend met een geprognotiseerd leerlingenaantal. In een haalbaarheidsonderzoek/ businesscase voortkomend uit een opgave wordt het exacte leerlingenaantal bepaald aan de hand van de meest actuele prognoses.

Voorafgaand aan de start van een project zal een uitgebreid onderzoek moeten plaatsvinden naar de technische haalbaarheid van vernieuwbouw van schoolgebouwen en naar de daadwerkelijk benodigde financiële middelen hiervoor. In sommige gevallen is vernieuwbouw goedkoper dan nieuwbouw omdat veel delen van het gebouw hergebruikt kunnen worden. Het komt echter ook regelmatig voor dat de investeringskosten nagenoeg gelijk zijn of zelfs hoger in het geval van vernieuwbouw. Veiligheidshalve wordt daarom in de investeringsplannen voor alle projecten (nieuwbouw en vernieuwbouw) uitgegaan van de kostenkengetallen voor nieuwbouw.

2.

In geval van renovatie wordt uitgegaan van renovatie van het gehele gebouw c.q. het totaal van de bestaande vierkante meters van de huisvesting: dus ook de renovatie van eventuele aanwezige overschotten in ruimtegebruik.

3.

De kostenconfigurator uit 2024 is gehanteerd en is inclusief btw, prijspeil 1 januari 2024. Jaarlijkse indexatie als basis voor de financiële vertaling van dit IHP is noodzakelijk.

4.

Het prijsniveau is gebaseerd op de regio Beuningen. Risico’s ten aanzien van de bouwkosten zijn ook te vinden in de algemene prijsontwikkeling van bouwprojecten in Nederland en de regio Beuningen. De kostenconfigurator gaat uit van normale marktomstandigheden voor wat betreft beschikbaarheid van materialen en inschrijvingen van aannemers bij projecten.

5.

In de investeringskosten zijn ook bijkomende kosten opgenomen. Daarbij is rekening gehouden met de volgende kosten: honoraria (voor ontwerpteamleden: architect, installatieadviseur, constructeur, bouwfysicus en projectmanager), aansluitkosten, heffingen, verzekeringen, beperkte risicoverrekening en onvoorzien. De bijkomende kosten zijn gebaseerd op een eenvoudig gebouw met een compacte gebouwvorm en een daarbij passende voorbereidings- en uitvoeringsplanning.

6.

Aanvullende kosten die locatiegebonden zijn, of anderszins niet vallen onder de bouwkosten en bijkomende kosten voor de realisatie van een schoolgebouw, zijn in de vorm van een opslagpercentage opgenomen in de financiële vertaling. De kosten waarmee rekening moet worden gehouden zijn onder andere kosten voor tijdelijke huisvesting, grondkosten, locatiegebonden kosten, kosten voor bouwrijp maken, sloopkosten en asbestsanering, interne kosten voor gemeente/school-

6.3.3 Renovatie Bij renovatie is voor het investeringsbedrag per m² 50% van het investeringsbedrag voor (ver)nieuwbouw aangehouden. De exacte bedragen in geval van renovatie dienen in afzonderlijke businesscases nader te worden uitgewerkt. Het is immers projectafhankelijk in hoeverre gestelde ambities binnen de bestaande huisvesting gerealiseerd kunnen worden en van toepassing zijn. Grofweg vallen de volgende werkzaamheden onder renovatie: (1) vervangen installaties en (2) beperkte verduurzamingsmaatregelen.

6.3.4 Kinderopvang Voorfinanciering van ruimten voor kinderopvang door de gemeente behoort tot de mogelijkheden bij (ver)nieuwbouw. Deze investering wordt middels een kostendekkend huurtarief aan kinderopvangorganisaties terugverdiend. Voorfinanciering legt uiteraard wel beslag op de financieringscapaciteit van de gemeente. Het kengetal voor kinderopvang ligt gemiddeld hoger dan voor het onderwijs in verband met hogere eisen die aan de huisvesting worden gesteld.

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 29 van 42

bestuur, bijvoorbeeld voor adviezen of projectbegeleiding, kosten voor organisatorische ondersteuning, inrichtingskosten (losse inrichting) en verhuiskosten. Deze kosten kunnen hoog oplopen, zeker als tijdelijke huisvesting benodigd is. Gemiddeld gezien betreft het op een totale opgave van een gemeente (dus over alle schoolgebouwen berekend) 20-25% van de investeringskosten uit het IHP. Voor deze kosten is een opslagpercentage van 25% over de investeringskosten gerekend. Dit is opgenomen in het financieel overzicht in de volgende paragraaf. Het kan echter zijn dat voor het ene schoolgebouw slechts 10% nodig is en dat een ander schoolgebouw 50% aan extra kosten met zich meebrengt. Dit is met name afhankelijk van de noodzaak tot tijdelijke huisvesting. Per opgave worden de exacte aanvullende kosten nader gespecificeerd en onderbouwd in de businesscase. 7.

Financieringskosten zoals rentekosten zijn niet opgenomen in het IHP.

8.

Binnen de financiële vertaling zijn de verwachte indicatieve investeringskosten per termijn. Voor een aantal projecten kan nu al voorzien worden dat haalbaarheidsonderzoeken nodig zijn. Voor het uitvoeren van deze haalbaarheidsonderzoeken is geen budget opgenomen.

9.

Vooralsnog is voor de investeringskosten voor iedere vervangings- en uitbreidingsopgave uitgegaan van nieuwbouw. In de businesscases zal de afweging tussen (ver)nieuwbouw en renovatie plaatsvinden en worden de daadwerkelijke kosten in beeld gebracht.

10. Het streven is om projecten te realiseren in de termijn waarin ze zijn genoemd. Indien er op projectniveau vertraging ontstaat in een of meerdere projecten, blijft het mogelijk om andere projecten parallel op te pakken.

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 30 van 42

6.5. Overzicht investeringskosten Totaaloverzicht Project

Omvang onderwijs [m2 bvo]

Termijn 0-5 jaar Inclusief kindcentrum De Klavervier en De Peppel

Omvang opvang [m2 bvo]

2.778

Kosten basiskwaliteit (gemeente)

307 €

Kosten energieneutraal bouwen

8.986.830 €

De Montijn (deel oudbouw)

Termijn 5-10 jaar De Wegwijzer De Hoeven (bouwdelen 1967 en 1995)

Termijn 10-20 jaar De Vuurvlinder

ntb

Kosten aanvullende kwaliteit (schoolbesturen)

386.142 €

486.150 €

Totaal stichtingskosten onderwijs

Kosten opvang

993.145

€

Opmerkingen

9.859.122 m2 conform scenariostudie. m2 opvang inclusief driestroom

€ 1.820.727 Opslag van 25% over stichtingskosten onderwijs € TOTAAL €

conform scenariostudie geindexeerd (incl. m2's KOV) 2.919.962 25% 14.599.812

ntb 1.229

€

2.304.990 €

110.610 € 157.927 € Opslag van 25% over stichtingskosten onderwijs € TOTAAL €

2.573.526 +/- m2's bvo bgg 643.382 25% 3.216.908

1.019

117 €

3.822.269 €

183.420 € 261.883 € 438.867 € Opslag van 25% over stichtingskosten onderwijs € TOTAAL €

4.267.572 prognose 2037 1.066.893 25% 5.334.465

680.172 €

23.151.184

Totaal

€

16.934.816

€

905.960 €

1.432.012

€

Toelichting: 1. De bijdrage onder het kopje kosten aanvullende kwaliteit (schoolbesturen) is zowel voor exploitatiegericht bouwen, vergroten zichtlijnen en verplaatsbaarheid panelenwanden. Deze aanvullende kwaliteit is nog optioneel. Zoals door de schoolbesturen is aangegeven is het nog niet zeker of de volledige aanvullende kwaliteit gerealiseerd kan worden of slechts ten dele. 2. De kosten voor de opvang zijn gebasseerd op de basiskwaliteit. Indien het schoolbestuur kiest voor aanvullende kwaliteit dan zal dit ook effect hebben op de bijdrage van de kinderopvang. Dit zal per project in overleg moeten worden afgestemd.

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 31 van 42

6.6. De interpretatie van investeringskosten uit dit IHP De investeringskosten zijn gepresenteerd in de vorm van kengetallen en zijn indicatief. Het doel van het investeringskostenoverzicht is om de gemeente, de schoolbesturen en kinderopvang inzicht te geven in de financiële omvang van de opgaven en hen te helpen bij de voorbereiding van deze opgaven.

Indien uit

Na afronding van het IHP worden voor de individuele projecten, op het moment dat deze actueel worden, haalbaarheidsonderzoeken/businesscases opgesteld. In deze businesscases worden de investeringskosten opnieuw berekend, op basis van project specifieke kengetallen. In deze fase wordt immers duidelijk voor hoeveel leerlingen daadwerkelijk gebouwd wordt, het aantal vierkante meters, op welke locatie, in hoeveel bouwlagen etc. Na het uitvoeren van het haalbaarheidsonderzoek/ businesscase zijn, naast de kwaliteitsuitgangspunten die voortkomen uit het onderzoek, de berekende investeringskosten taakstellend. Op basis hiervan wordt het bouwkrediet aangevraagd bij de gemeenteraad. Vervolgens kan het project daadwerkelijk starten met de definitiefase en daarna de ontwerpfase. Op basis van een Programma van Eisen of een Voorontwerp kan een eerste investeringskostenraming op elementniveau worden gemaakt. Het kan voorkomen dat op basis van deze investeringskostenraming het taakstellend budget ontoereikend blijkt te zijn. In dit geval is het mogelijk om het benodigd budget te herijken en terug te gaan naar de gemeenteraad. Dit kan alleen wanneer duidelijk onderbouwd kan worden dat het taakstellend budget uit de businesscase ontoereikend is om de taakstellende kwaliteitsuitgangspunten te realiseren.

Figuur: verwachte CO2-reductie op basis van opgaven ten opzichte van het jaar 2023

bovengenoemd onderzoek volgt dat het betreffende schoolbestuur niet in staat is om financieel bij te dragen aan de investeringskosten van de nieuwbouw/ renovatie, treden gemeente en schoolbestuur met elkaar in gesprek hierover. Er zullen dan in overleg keuzes gemaakt moeten worden in het kwaliteitsniveau. Bij deze keuzes zullen ook de wensen van de gebruikers van het betreffende schoolgebouw worden meegewogen. In alle gevallen zal de basis (het wettelijk minimum kwaliteitsniveau) door de gemeente worden gefinancierd. De gemeente en schoolbesturen willen gezamenlijk nader in de haalbaarheidsonderzoeken (businesscases) onderzoeken hoe de stap van BENG naar ENG gefinancierd kan worden (energieneutraliteit) en circulair bouwen. Recente ontwikkelingen maken dat dit niet langer vanzelfsprekend is door o.a. netcongestie, onzekerheid omtrent de salderingsregeling en terughoudendheid van de schoolbesturen door hogere onderhoudskosten bij ENG installaties.

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 32 van 42

7. CO2-reductie Deze analyse brengt de CO2-reductie van het IHP in beeld. De analyse is erop gericht om te toetsen of de klimaatdoelstellingen (55% CO2-reductie in 2030 en 95% reductie in 2050 ten opzichte van het jaar 1990) worden behaald en om bij te sturen indien nodig. HEVO heeft de kennis die zij heeft opgedaan bij de ondersteuning bij het opstellen van de landelijke routekaarten PO, VO en mbo/HO hiervoor ingezet. Echter, om de reductie voor de gemeente Beuningen te toetsen aan de klimaatdoelstellingen, hebben we ook de gas- en elektragegevens van de schoolgebouwen uit 1990 nodig. Deze gegevens zijn niet bekend. Voor de gemeente Beuningen brengt de tool daarom de reductie van CO2-emissie in beeld ten opzichte van het jaar 2023. Vanuit het rijk zijn de volgende doelen gesteld: • In 2030 is de streefwaarde 55% reductie van CO2-uitstoot ten opzichte van de uitstoot in 1990. • In 2030 is de streefwaarde 95% reductie van CO2-uitstoot ten opzichte van de uitstoot in 1990. Deze doelstelling zal op basis van de maatregelen ook haalbaar zijn. Op basis van de reductie die de voorliggende opgaven teweegbrengen in combinatie met het jonge gebouwenbestand van de gemeente, kan gesteld worden dat deze doelstellingen vanuit de overheid naar verwachting behaald zullen zijn in 2030 en 2050.

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 33 van 42

8. Vervolg IHP

•

Bij de uitvoering van het IHP dient rekening gehouden te worden met een aantal processtappen en uitgangspunten.

•

8.1. Opstellen uitvoeringsprogramma en businesscases Na vaststelling van het IHP starten gemeente en schoolbesturen met het opstellen van een uitvoeringsprogramma. Dit programma bestaat uit vier hoofdonderdelen: 1. Programmering: er wordt een programmering gemaakt voor de volgordelijkheid van projecten. Denk aan beschikbare locaties, tijdelijke huisvesting en het bundelen van projecten op onderdelen zoals businesscases, Programma’s van Eisen, techniek en/of aanbestedingen. 2. Procesafspraken programmaniveau: het inrichten van een organisatie voor de realisatie van het uitvoeringsprogramma (1e termijn). Hierin worden onder andere de eisen aan de businesscases vastgelegd, de methode van evaluatie en monitoring van projecten en de borging van kwaliteit en planning. 3. Procesafspraken projectniveau: er worden gezamenlijke keuzes gemaakt over de mate van regie en autonomie van beide partijen, van initiatief- tot realisatiefase. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om het inbouwen van toets- en instemmingsmomenten voor de gemeente op het moment dat het schoolbestuur bouwheer is. 4. Vertaling van de stappen per uit te voeren project (uitvoeringsprogramma). Als het uitvoeringsprogramma is vastgesteld kan worden gestart met de initiatieffase van projecten door haalbaarheidsonderzoeken uit te voeren. In de haalbaarheidsonderzoeken worden projecten geconcretiseerd en geactualiseerd.

Dit is de fase voordat een project wordt opgestart. De haalbaarheidsonderzoeken hebben als doel om: • Definitieve leerlingenaantallen per project te bepalen. • Een definitieve keuze te maken tussen (ver)nieuwbouw of renovatie. • Een businesscase inzichtelijk te krijgen met daarin de bekende investeringskosten en geïnventariseerde risico’s inclusief een raming van locatiegebonden en projectspecifieke kosten. • De TCO-benadering (eigen bijdrage schoolbesturen) te concretiseren, conform par. 6.6.

Referentie: 1647803-0040.1.2.

• •

Participatie en inspraak te organiseren voor doelgroepen als kinderopvang, maatschappelijke partners, leerlingen, leraren, ouders, bedrijven en omwonenden. Aandacht te besteden aan gebiedsontwikkeling en vergroening van de buitenruimten. De verantwoordelijkheid voor het bouwheerschap te bepalen. Een goed uitgangspunt te bieden om een Programma van Eisen op te stellen.

Concreet dienen de volgende stappen te worden doorlopen naar aanleiding van het IHP: • Opstellen van het uitvoeringsprogramma als benoemd in deze paragraaf, binnen de gemeente ook bekend als huisvestingsprogramma. • Bespreken van de stand van zaken rondom realisatie van het IHP in het OOGO. • Opstarten initiatieffase projecten voorfase en periode 0-5 jaar. • Opstarten definitiefase en opstellen Programma’s van Eisen. • Opstarten ontwerpfase. • Aanbesteding en realisatie. • Exploitatie- of gebruiksfase.

8.2. Actielijst vervolg IHP Op basis van het IHP dienen een aantal aspecten verder uitgewerkt en afgestemd te worden waaronder de kwaliteitsafspraken bij teruggave van schoolgebouwen aan gemeente.

8.3. Voorbehoud Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, bouwkosten, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.

Pagina 34 van 42

Bijlage 1: huidig stelsel In deze bijlage wordt ingegaan op de huidige juridische kaders bij onderwijshuisvesting. Zorgplicht onderwijshuisvesting Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO), voor zover dat van toepassing is in de gemeente. De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is, zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en eerste inrichting. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen zijn de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen.

een ideëel doel (onder andere culturele, maatschappelijke instellingen) of verhuren (commerciële instellingen). In alle gevallen dient de gemeente daar toestemming voor te geven. Verantwoordelijkheden en bekostiging onderwijs In het huidige stelsel is de gemeente verantwoordelijk voor de voorzieningen betreffende onder andere nieuwbouw, uitbreiding en constructiefouten en ontvangt zij hiervoor een (ongeoormerkte) vergoeding in het gemeentefonds. Schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor de exploitatie (onder andere onderhoud en energie) en ontvangen hiervoor een lumpsum of materiële instandhouding (hierna MI)-vergoeding. Dit stelsel vertoont een aantal tekortkomingen (lees: hiaten in regelgeving, zie figuur 0-1). Daarnaast zijn er beperkingen in het stelsel als het gaat om investeringen, tenzij deze van belang zijn in het verlagen van de exploitatiekosten.

Verordening De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het primair onderwijs (artikel 102), de Wet op de expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen. De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. Eigendom Schoolbesturen hebben het juridisch eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw, valt het gebouw in juridisch eigendom terug aan de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte van het gebouw in medegebruik geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Figuur 0-1 Huidig stelsel financiering onderwijshuisvesting

Kinderopvang De rijksoverheid stelt dat de ontwikkeling van het kind in de kinderopvang bijdraagt aan een goede start in het basisonderwijs en de samenleving. Sinds 1 januari 2018 is de

Pagina 35 van 42

Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk en een deel van de Wet Innovatie en Kwaliteit Kinderopvang (Wet IKK) in werking. • Binnen de kinderopvang worden de volgende vormen onderscheiden: • 0-4-jarigen, inclusief slaapvertrekken. • 2-4-jarigen, eventueel in combinatie met VVE; voor- en vroegschoolse educatie. • Buitenschoolse opvang, volgtijdelijk op het onderwijs. Per 1 augustus 2020 zijn gemeenten verplicht om per week ten minste 16 uur VVE aan te bieden aan kinderen van 2 tot 6 jaar die risico lopen op een onderwijsachterstand. Kinderen vanaf 2 jaar met (een risico op) een onderwijsachterstand door omgevingskenmerken kunnen voorschoolse educatie volgen in de gemeente Beuningen. Peuters zijn dan spelenderwijs bezig met taal, voorbereidend rekenen, motoriek en sociaal-emotionele vaardigheden. Door voorschoolse educatie op de kinderopvang kunnen deze kinderen een betere start maken op de basisschool. Hiervoor hebben de gemeenten extra budget van de rijksoverheid gekregen, de OABmiddelen. Ontwikkelingen in het stelsel Net als andere wet- en regelgeving is ook het onderwijshuisvestingsstelsel onderhevig aan wijzigingen. Daarnaast zijn er ook nationale ontwikkelingen gaande die invloed hebben op onderwijshuisvesting. Hieronder worden deze nader toegelicht.

Wetvoorstel stelselwijziging Reeds in december 2016 hebben PO-raad, VO-raad en VNG een voorstel gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het onderwijshuisvestingsstelsel op te lossen. Belangrijke oplossingen uit het voorstel zijn: • De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 5 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 20e jaar. • De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of

Referentie: 1647803-0040.1.2.

•

startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar. Het investeringsverbod voor het PO en SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het voortgezet onderwijs. PO- en SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren. De concretisering van het huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.

Vooruitlopend op dit wetsvoorstel wordt hier door gemeente en schoolbesturen al op ingespeeld en zijn er mogelijkheden om het investeringsverbod te rechtvaardigen. Een schoolbestuur kan bijvoorbeeld investeren in exploitatieverlagende maatregelen met een redelijke terugverdientijd. Wijzigingen Bouwbesluit in relatie tot normbedragen VNG Per 1 januari 2021 is de wijziging met betrekking tot bijna energieneutrale gebouwen (BENG) uit het Bouwbesluit in werking getreden. De verwachting is dat dit in het Bouwbesluit 2027 wordt gewijzigd in energieneutrale gebouwen (ENG). De verplichting van BENG heeft gevolgen voor de kosten van onderwijshuisvesting. Hierdoor heeft de VNG de normbedragen in de Modelverordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs in november 2020 aangepast. In de opvolgende jaren zijn de normbedragen geïndexeerd. Ondanks deze indexering blijven de normbedragen achter op de marktprijzen (circa 10 tot 15% ten opzichte van het kengetal dat in dit IHP wordt gehanteerd). Daarnaast heeft de verhoging van de normbedragen (nog) geen invloed gehad op de beschikbare middelen voor onderwijshuisvesting in het gemeentefonds. De rijksoverheid is een Interdepartementaal Beleidsonderzoek gestart waarbij wordt onderzocht welke opgaven er liggen op het gebied van onderwijshuisvesting (BENG, veroudering, verduurzamingsopgave etc.) en hoe hieraan voldaan kan worden.

Pagina 36 van 42

Landelijke ontwikkelingen kinderopvang Het kabinet verkent de mogelijkheden om kinderopvang gratis te maken. Vanaf januari 2027 wil het kabinet 96% betalen van de zogeheten maximum huurprijs in de kinderopvang. Daarmee wordt de opvang voor veel ouders bijna gratis. Dit zorgt ervoor dat meer ouders gebruik kunnen gaan maken van de kinderopvang en het aantal kinderen dus kan toenemen. De haalbaarheid wordt op dit moment nog onderzocht, denk hierbij aan ruimten, personeel en kwaliteit voor de VVE-kinderen.

wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim. Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen.

Energie en klimaatakkoord In het klimaatakkoord is vastgelegd dat de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten, behorende bij de klimaatopgave, dienen door te rekenen naar een CO2arme gebouwenvoorraad. HEVO heeft deze doorrekening -in opdracht van PO-raad en de VO-raad- uitgevoerd. Deze doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouwgebonden CO2-productie. Anderzijds richt de doorrekening zich op de kosteneffectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast. Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om: • Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van de situatie in 1990, hetgeen overeenkomt met 44% ten opzichte van de situatie in 2017. • Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 95% in 2050 ten opzichte van de situatie in 1990. Eind 2020 heeft de Europese commissie ingestemd met het verhogen van de doelstelling voor 2030 naar 55% reductie ten opzichte van 1990. Deze verhoging in de reductie van de CO2-emissie zal ook voor Nederland van toepassing worden. In het in december 2021 gepresenteerde coalitieakkoord van het kabinet is beschreven dat ook Nederland minimaal 55% reductie in de CO2-emissie in 2030 gaat verankeren in de Klimaatwet.

Daarmee komt de hierboven beschreven doelstelling van 49% reductie op termijn te vervallen, het advies is dan ook om voor te sorteren op de verhoogde doelstelling van minimaal 55%. Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden (PO-raad en VO-raad) daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin geboden

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 37 van 42

Bijlage 2: kwaliteitskader HEVO

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 38 van 42

Bijlage 3: toegepaste methodieken

onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn thema’s voor strategisch vastgoedbeleid.

Capaciteitsanalyse Voor alle gebouwen is de beschikbare capaciteit voor het onderwijs geanalyseerd. De capaciteitsanalyse maakt een normatief ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door de leerlingentelling en de prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de verordening). Er is uitgegaan van de ruimtebehoefte zoals opgegeven in de leerlingenprognose van 2023 (met teldatum oktober 2023 (conform de verordening)). Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de brutovloeroppervlakte (bvo). In een aantal gevallen zijn in eigen beheer m²’s ontwikkeld; dit wordt als zodanig benoemd. Figuur: elementen van quickscan-beoordelingsmethodiek

Opmerking: de capaciteitsanalyse is een genormeerde ruimtebehoefteberekening. In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang omdat een eventueel ruimteoverschot de schoolbesturen geld kost voor exploitatie en onderhoud. Schoolbesturen ontvangen een vergoeding voor materiële instandhouding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal m² in een school. Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente. Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, kan een schoolbestuur besluiten dit gebouw(deel) over te dragen aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de verordening) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten. Quickscans Op basis van de verordening is alleen de bouwkundige staat een formeel toetsingscriterium. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een goed gebouw is, maar of een pand een goed schoolgebouw is.

In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom naast de bouwkundige staat ook gekeken naar

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Op basis van de door HEVO ontwikkelde quickscan zijn alle gebouwen op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score, die inzicht geeft in de vervangingstermijn. De quickscans zijn in 2018 opgesteld ten tijde van het vorige IHP. De vervangingsperiodes voortkomende uit de scans van 2018 zijn herijkt naar het jaar 2024. De quickscan leidt tot een advies voor de vervangingstermijn, ofwel het ‘natuurlijke vervangingsmoment’ van een schoolgebouw. Het natuurlijke vervangingsmoment van schoolgebouwen is cruciaal omdat het van belang is dat bij ingrepen ((ver)nieuwbouw of renovatie) alle thema’s integraal aangepakt kunnen worden. Immers, bijvoorbeeld een energieneutraal gebouw dat onderwijskundig niet geschikt is, is een ongeschikt schoolgebouw. Naast de visie/ambities en de capaciteitsanalyse, zijn de quickscanscores input voor de bepaling van de opgaven. Partijen kunnen ook besluiten om op elementniveau (bijvoorbeeld binnenmilieu) los van het natuurlijke vervangingsmoment te investeren.

Pagina 39 van 42

Bijlage 4: scholenlandschap incl. niet geaccordeerde woningbouwplannen De capaciteitsanalyse/ het scholenlandschap maakt de opgaven inzichtelijk die in samenspraak met de schoolbesturen tot stand zijn gekomen. Verwachtte

Referentie: 1647803-0040.1.2.

woningbouwplannen die nog niet geaccordeerd zijn, zijn niet meegenomen in het eindbeeld van dit IHP. Onderstaand scholenlandschap toont de te verwachtte ruimtetekorten en -overschotten als wel rekening wordt gehouden met de nog niet geaccordeerde woningbouwplannen.

Pagina 40 van 42

Bijlage 5: energieprestaties Hieronder zijn de verschillende definities van energieprestaties van gebouwen opgenomen: BENG (bijna energieneutraal gebouw) Bij een BENG-gebouw worden gebouwgebonden energieverbruik en energieopwekking met elkaar vergeleken. Een BENG-gebouw kent een hoger energieverbruik in verhouding tot de energieopwekking. Door de toepassing van de norm NTA8800 wordt getoetst of het gebouw voldoet aan wetgeving voor BENG, die vanaf 1 januari 2021 wettelijk verplicht is. ENG (energieneutraal gebouw) Het gebouw heeft volgens NEN 7120 een EPC van nul. Alleen het gebouwgebonden energieverbruik op jaarbasis telt mee en is nul.13 NOM (nul op de meter) Om een NOM-gebouw te realiseren moet er naast de energie die benodigd is voor de gebouwgebonden installaties, ook gekeken worden naar het algemeen energieverbruik door de gebruikers. Bij een NOM-gebouw zijn totale energieverbruik en energieopwekking in balans. Door verschillen in de kosten voor inkoop van energie en vergoeding voor teruglevering aan het net kent een NOM-gebouw alsnog kosten voor energie. Klimaatneutraal Klimaatneutraal wil zeggen dat bepaalde activiteiten (al dan niet binnen een bepaald gebied of op een bepaalde plek) geen positief of negatief effect hebben op het klimaat.

Het begrip ‘klimaatneutraal’ wordt vooral gebruikt om aan te geven dat bepaalde activiteiten geen negatief effect hebben op het klimaat, waarmee men wil zeggen: geen emissie van CO2 en andere broeikasgassen.14

13 https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemene-

begrippen 14 https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemenebegrippen

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 41 van 42

Bronvermelding afbeeldingen: Alle afbeeldingen, figuren en tabellen zijn opgemaakt door HEVO, tenzij anders vermeld.

Colofon Uitgave: Datum: Auteur(s):

HEVO B.V. 29 april 2024 Kim Vermeulen - HEVO B.V. Eline Stevens - HEVO B.V.

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Contact Statenlaan 8 5223 LA 's-Hertogenbosch

Burg. Roelenweg 40 8021 EW Zwolle

T 073 - 6 409 409 info@hevo.nl

T 038 - 4 258 101

www.hevo.nl ●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven

Referentie: 1647803-0040.1.2.

Pagina 42 van 42

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=dbb8a721-d1d0-4f0d-8cd3-6e475a0f2acd