CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Integraal Huisvestingsplan 2025

Raadsvergadering 30 september 2025, gemeente BeuningenBij agendapunt: Integraal huisvestingsplan 202516.364 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Actualisatie IHP Beuningen

Opdrachtgever Gemeente Beuningen Datum 15 juli 2025 Referentie 1647803-0040.1.4 Auteur(s) Kim Vermeulen - HEVO B.V. Eline Stevens - HEVO B.V.

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Statenlaan 8

5223 LA 's-Hertogenbosch

T 073 - 6 409 409

info@hevo.nl

KvK Brabant 16029774

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Burg. Roelenweg 40

8021 EW Zwolle

T 038 - 4 258 101

ISO 9001-gecertificeerd

BTW 0011.60.461.B01

Voorwoord In opdracht van de gemeente Beuningen zijn HEVO, de gemeente en de schoolbesturen van het primair onderwijs (PO) en het speciaal basisonderwijs (SBO) gekomen tot een actualisatie van het Integraal Huisvestingsplan (IHP). Het IHP omschrijft op basis van een gezamenlijk bepaalde visie, gerichte analyse, huisvestingsopgaven en financiële vertaling de kaders voor investeringen in onderwijshuisvesting. Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken. Het IHP geeft voor de eerste 5 jaar (2025-2029) concreet aan wat de opgave is en geeft een doorkijk voor de langere termijn. Het IHP bestaat uit vier fasen, ofwel vier deelproducten, die in onderliggend document zijn samengebracht: 1. Visie: de bouwstenen. 2. Inventarisatie van het gebouwenbestand. 3. Opgaven gemeente Beuningen. 4. Financiële vertaling.

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Pagina 2 van 40

Inhoudsopgave Voorwoord

2

1. 1.1. 1.2. 1.3. 1.4.

Inleiding Aanleiding en urgentie Doelstelling Aanpak Leeswijzer

4 4 5 5 5

2.

Onderwijslandschap

6

3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.3.1 3.3.2 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9.

Visie op Onderwijs & Onderwijshuisvesting Visie op onderwijs en kinderopvang Visie op onderwijshuisvesting Verdieping: (Landelijke) Ontwikkelingen KC ontwikkeling Inclusief onderwijs Bouwsteen 1: regie Bouwsteen 2: duurzaamheid en kwaliteit Bouwsteen 3: vervangende nieuwbouw en renovatie Bouwsteen 4: samenwerking in Kindcentra Bouwsteen 5: vraag en aanbod Bouwsteen 6: medegebruik / verhuurbeleid bij KC’s

7 7 7 7 7 8 9 10 12 13 14 16

4. 4.1. 4.2. 4.3. 4.3.1 4.3.2 4.3.3 4.3.4

Opgaven schoolgebouwen Beuningen Quickscans Capaciteitsanalyse (scholenlandschap) De opgaven Opgaven periode 0-5 jaar Opgaven periode 5-10 jaar Opgaven periode 10-20 jaar Opgaven periode >20 jaar

19 19 20 22 22 23 23 23

5.

Opgaven gymzalen Beuningen

24

Referentie: 1647803-0040.1.4.

5.1.

Capaciteitsanalyse

24

6. 6.1. 6.2. 6.3. 6.3.1 6.3.2 6.3.3 6.3.4 6.4. 6.5. 6.6.

Financiële vertaling Kwaliteitsambitie Total Cost of Ownership Investeringskostenkengetallen Nieuwbouw Vernieuwbouw Renovatie Kinderopvang Uitgangspunten financiële vertaling onderwijs Overzicht investeringskosten De interpretatie van investeringskosten uit dit IHP

26 26 27 27 27 28 28 28 29 30 31

7.

CO2-reductie

31

8. 8.1. 8.2. 8.3.

Vervolg IHP Opstellen uitvoeringsprogramma en businesscases Actielijst vervolg IHP Voorbehoud

33 33 33 33

Bijlage 1: huidig stelsel

34

Bijlage 2: kwaliteitskader HEVO

37

Bijlage 3: toegepaste methodieken Capaciteitsanalyse Quickscans

38 38 38

Bijlage 4: energieprestaties

39

Pagina 3 van 40

1. Inleiding 1.1. Aanleiding en urgentie Op het gebied van onderwijshuisvesting wordt nu en in de toekomst door gemeente en schoolbesturen intensief samengewerkt. Deze samenwerking is hard nodig. De noodzaak tot samenwerking komt primair voort uit de gedeelde verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting: de gemeente heeft een zorgplicht voor onderwijshuisvesting (onder andere nieuwbouw en uitbreiding) en schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor onderhoud, exploitatie en het invulling geven aan het onderwijsconcept. Het afstemmen van deze verantwoordelijkheden bij het tegemoet treden van nieuwe opgaven wordt steeds urgenter. Op landelijk niveau krijgt onderwijshuisvesting steeds meer aandacht. In het rapport van de Rijksbouwmeester uit 20091 werd reeds geconstateerd dat de gebouwenvoorraad in het funderend onderwijs sterk verouderd is, vaak een slecht binnenklimaat heeft en niet duurzaam is. In 2011 concludeerde ook het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) dat het binnenmilieu in de scholen vaak onder de maat is: uit verschillende onderzoeken kwam naar voren dat de CO2-concentraties in Nederlandse scholen vaak te hoog zijn. In 2016 concludeerde de Algemene Rekenkamer2 daarnaast dat het tempo waarin schoolgebouwen worden vervangen te laag is: schoolgebouwen staan gemiddeld 69 jaar voordat ze vervangen worden.

In het onderzoek van de Algemene Rekenkamer is ook de tevredenheid van leraren over hun schoolgebouwen onderzocht. Leraren bleken ontevreden te zijn over een aantal aspecten van de huisvesting: zij vonden vooral de temperatuur en de luchtkwaliteit onvoldoende. Ook gaf een meerderheid van de ondervraagde leraren aan dat het schoolgebouw opgeknapt moet worden. Ook in het onderzoek uit 2020 door McKinsey3 naar de algemene staat van het onderwijs in Nederland wordt nadrukkelijk aandacht besteed aan de onderwijshuisvesting; gemeenten geven ondanks hogere eisen en gestegen bouwkosten nog een vergelijkbaar bedrag uit aan onderwijshuisvesting als in 2009. 1 Rapport ‘Gezond en goed. Scholenbouw in topconditie’, Rijksbouwmeester, Den Haag, 2009 2

Schoolgebouwen primair en voortgezet onderwijs: de praktijk gecheckt, Algemene Rekenkamer (2016) 3 Een verstevigd fundament voor iedereen, McKinsey (2020)

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Tegelijkertijd stellen de sectorale routekaarten voor het klimaatakkoord hoge eisen aan de duurzaamheid en het tempo van de uitvoering van de vervangingsopgave4: de uitgaven moeten verdubbelen van circa € 21 miljard bij ongewijzigd beleid naar circa € 42 miljard. De vernieuwingsopgave van de onderwijshuisvesting geldt deels ook voor de gemeente Beuningen, alhoewel uit de bouwjaren c.q. grote renovatiejaren in de grafieken hieronder is af te lezen dat de gemeente ten opzichte van het landelijk beeld een zeer jong gebouwenbestand heeft5:

7 6

5 4 3 PO en SBO

2 1 0 1850-1940

1941-1960

1961-1980

1981-2000

2001 en later

Situatie gemeente

De context waarin dit Integraal Huisvestingsplan (IHP) is opgesteld laat uitdagingen zien voor de onderwijshuisvesting in Beuningen. De belangrijkste uitdagingen daarbij zijn: • Invulling geven aan de verduurzamingsopgave. • De wens om ‘Frisse Scholen’ te realiseren. • Samenwerking tussen kinderopvang en basisscholen in hetzelfde gebouw. • Het grote aantal vervangings-, renovatie- en uitbreidingsopgaven in de eerste periode.

4

Sectorale routekaart voor verduurzaming van schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs, PO-raad, VO-raad en VNG 5 Bij een schoolgebouw dat uit me erdere bouwdelen bestaat is de leeftijd van het grootste bouwdeel aangehouden.

Pagina 4 van 40

Alleen met vereende krachten en optimale samenwerking tussen gemeente en schoolbesturen kunnen deze uitdagingen in de komende jaren worden opgepakt en kunnen met de beschikbare middelen de beste keuzes worden gemaakt. Daarbij staan bij het opstellen van dit IHP steeds de kinderen van de gemeente Beuningen centraal; zij hebben recht op goed onderwijs in goede schoolgebouwen.

1.2. Doelstelling Een strategisch IHP stelt gemeente en schoolbesturen in staat om op korte en lange termijn toekomstbestendige keuzes te maken. In aanvulling op de werkwijze op basis van de verordening, voegt het IHP een proactief onderwijshuisvestingsbeleid toe. In formele zin laat de gemeente hiermee zien op welke wijze zij haar zorgplicht, op grond van de taak die zij heeft in het voorzien van huisvesting voor het funderend onderwijs, wenst in te vullen (zie bijlage 1 voor extra informatie over de beleidskaders op het gebied van onderwijshuisvesting).

• •

Stap 4: op basis van de opgaven is een financiële vertaling gemaakt. Stap 5: de vier deelproducten zijn samengebracht in dit Integraal Huisvestingsplan 2025-2029.

1.4. Leeswijzer Na dit eerste inleidende hoofdstuk beschrijft hoofdstuk 2 het onderwijslandschap van de gemeente Beuningen. Hoofdstuk 3 gaat in op de visie en beleidsambities. Hoofdstukken 4 en 5 zoomen in op de opgaven die zijn gedefinieerd voor de onderwijshuisvesting en de gymzalen. Hoofdstuk 6 voorziet de opgaven uit hoofdstukken 4 en 5 van financiële uitgangspunten en een financiële vertaling. In hoofdstuk 7 is doorgerekend wat de CO2-reductie is die de opgaven bewerkstelligen. In hoofdstuk 8 zijn een aantal processtappen en uitgangspunten vermeld waar rekening mee dient te worden gehouden bij de uitvoering van het IHP.

Het IHP biedt een meerjarenperspectief waarop het eigen (investerings)beleid van de schoolbesturen kan worden afgestemd. Het IHP vormt tevens het beleidskader voor het onderwijshuisvestingsbeleid. Het IHP wordt structureel herijkt, zodat het beleidskader blijft aansluiten bij de wet- en regelgeving en behoeften van dat moment.

1.3. Aanpak In opdracht van de gemeente Beuningen heeft HEVO de gemeente en de schoolbesturen begeleid om te komen tot een actualisatie van het IHP. Het IHP is samen met gemeente en schoolbesturen ontwikkeld. Daarbij zijn gezamenlijk de volgende stappen doorlopen: • Stap 1: om te komen tot een gezamenlijke visie zijn in diverse bijeenkomsten met de schoolbesturen en gemeente ambities gedefinieerd en wensen geïnventariseerd. • Stap 2: het actuele gebouwenbestand van de onderwijshuisvesting in de gemeente Beuningen is door middel van een herijking van de in 2018 uitgevoerde quickscans in beeld gebracht. Er zijn capaciteitsanalyses en kwaliteitsanalyses uitgevoerd. Verder zijn de gymvoorzieningen voor het onderwijs in de gemeente kwantitatief geïnventariseerd. • Stap 3: op basis van de ambities en analyses zijn opgaven geformuleerd.

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Pagina 5 van 40

2. Onderwijslandschap Dit hoofdstuk geeft een beknopte weergave van de onderwijssituatie in de gemeente Beuningen. Het basisonderwijs in de gemeente Beuningen wordt aangeboden door twee schoolbesturen. De scholen primair onderwijs in de gemeente Beuningen verschillen onderling qua omvang en onderwijsconcept. # # leerlingen % scholen 1-10-2025

Schoolbestuur Groeisaam

7

1.793

86%

Stichting montessorischool de Montijn

1

295

14%

Totaal

100%

Het speciaal basisonderwijs in de gemeente Beuningen wordt aangeboden door één schoolbestuur. Dit schoolbestuur biedt onderwijs aan leerlingen van binnen en buiten de gemeente. Het gaat om basisschoolleerlingen (4-12 jaar).

Schoolbestuur Groeisaam Totaal

Referentie: 1647803-0040.1.4.

# scholen 1

# leerlingen 1-10-2025 68

% 100% 100%

Pagina 6 van 40

3. Visie op Onderwijs & Onderwijshuisvesting De gemeente, de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties streven gezamenlijk naar toekomstbestendig onderwijs, kinderdagopvang (KOV) en buitenschools opvang (BSO). Het doel is om kinderen in de gemeente de best mogelijke kansen te bieden in hun ontwikkeling en voor te bereiden op hun toekomst. Daarbij is het van belang dat het aanbod toegankelijk, divers en goed gespreid is en aansluit op de vraag van de maatschappij.

3.1. Visie op onderwijs en kinderopvang Een toekomstbestendig aanbod levert een bijdrage aan de ontwikkeling van alle kinderen in de gemeente zodat zij zich gezond, kansrijk en veilig kunnen ontwikkelen. Het onderwijs kan daarbij niet los worden gezien van de maatschappij, het gaat om de totale opvoed en opgroeiomgeving, waarin alle opvoeders samenwerken, elkaar aanvullen en versterken. Denk daarbij aan familie, buren, kinderopvangmedewerkers, leerkrachten, jongerenwerkers, sport- en cultuurbegeleiders en waar nodig jeugdzorgwerkers. Om een sterke basis te creëren wordt ingezet op drie doelstellingen: 1. Er wordt breed en voldoende onderwijsaanbod, KOV en BSO gerealiseerd waar leerlingen worden gestimuleerd om hun talenten te ontwikkelen en kansen te pakken. 2. Op de scholen wordt, samen met andere maatschappelijke partners, waar nodig (laagdrempelige) ondersteuning geboden. Er is een sterke verbinding tussen kinderopvang/school en de thuissituatie. 3. Leerlingen ervaren doorlopende ontwikkellijnen. Dit houdt voor het primair onderwijs in dat er wordt ingezet op de vorming van Kindcentra (KC’s) waarbij het pedagogisch en didactisch klimaat van kinderopvang en onderwijs op elkaar aansluiten. Dit sluit aan op landelijke ontwikkelingen.

Om invulling te geven aan deze doelstellingen wordt ingezet op ‘scholen als spil van de wijk’ waarin professionals (onder andere scholen, kinderopvang, welzijnswerk, CJG en GGD), maatschappelijke partners, zorginstellingen, bedrijfsleven en verenigingen met elkaar de verantwoordelijkheid voelen en krijgen om lokaal kansen te creëren voor jongeren.

Referentie: 1647803-0040.1.4.

3.2. Visie op onderwijshuisvesting Voor de verwezenlijking van de doelstellingen is toekomstbestendige onderwijshuisvesting noodzakelijk. De onderwijshuisvesting dient te voldoen aan een aantal randvoorwaarden om de doelstellingen te kunnen ondersteunen. Breed en voldoende onderwijsaanbod vraagt om een optimale afstemming in de vraag en behoefte van leerlingen en het aanbod aan onderwijs en onderwijshuisvesting. Dit vraagt ook om flexibiliteit van het onderwijsaanbod en de huisvesting die beiden meebewegen met veranderende demografische en maatschappelijke ontwikkelingen. De verbinding tussen kinderopvang, school en thuissituatie vraagt om scholen die midden in de maatschappij staan en ook ruimte bieden aan andere partijen. Doorlopende ontwikkellijnen kunnen gefaciliteerd worden door samenwerking tussen scholen onderling en met kinderopvang, maatschappelijke organisaties, vervolgopleidingen en werkgevers, onder één dak of binnen een netwerk. Daarnaast is ook de kwaliteit en de duurzaamheid van onderwijshuisvesting essentieel: gezonde schoolgebouwen dragen bij aan gezonde kinderen en leraren. Gezonde schoolgebouwen leveren tevens een positieve bijdrage aan de leerprestaties van de kinderen. Bovendien vervullen schoolgebouwen een voorbeeldfunctie voor duurzaamheid en bieden ze kansen om bij te dragen aan de energietransitie van de gemeente.

Renovatie van schoolgebouwen kan een duurzaam alternatief zijn voor nieuwbouw. Gelet op de complexiteit, en de omvang van de opgave vraagt dit alles om consistent beleid en heldere regieafspraken en afspraken over medegebruik en verhuur van kinderopvangorganisaties. De gemeente en de schoolbesturen hebben de visie op onderwijs en onderwijshuisvesting daarom verder uitgewerkt in zes bouwstenen. De visie op onderwijs en onderwijshuisvesting vormt samen met de bouwstenen een belangrijke basis voor het IHP. Het IHP is erop gericht om deze uitgangspunten zo veel als mogelijk te realiseren.

3.3. Verdieping: (Landelijke) Ontwikkelingen 3.3.1 KC ontwikkeling De urgentie en achterliggende reden voor de realisatie van een doorlopende leerlijn, ofwel een integratie van onderwijs en kinderopvang is dat dit leidt tot optimale

Pagina 7 van 40

talentontwikkeling van kinderen en kansengelijkheid. Deze argumenten zijn recent nogmaals wetenschappelijk onderbouwd 6: 1.

2.

3.

Vroeg investeren in kwaliteit is essentieel om kansengelijkheid te bevorderen: recent Nederlands onderzoek heeft laten zien dat de prestatieverschillen van kinderen in groep 8 voor 50-80% verklaard kunnen worden door initiële verschillen bij instroom in de basisschool7. Om die reden is het zeer verstandig om te investeren in voorzieningen voor voorschoolse opvang en educatie, gericht op het voorkomen van deze achterstanden. Hele-dag aanbod draagt bij aan ontwikkelingskansen: in situaties waarin de schooldag relatief kort is en veel huiswerk wordt meegegeven wordt een zwaarder beroep op de thuisomgeving gedaan. Hoogopgeleide, financieel beter bedeelde ouders kunnen hun kinderen beter ondersteunen in hun schoolcarrière door bijvoorbeeld aanbod van huiswerkbegeleding en/of een rijker aanbod aan educatieve naschoolse ervaringen. Voorkomen is beter dan genezen: KC’s kunnen een belangrijke rol spelen in de vroegsignalering van problemen in de opvoedingssituatie, het gedrag en de ontwikkeling van kinderen. Dit kan worden gedaan door het bieden van laagdrempelige ondersteuning én het versterken van beschermende factoren voor kinderen.

In de huidige situatie is er in Nederland een stelsel van kindvoorzieningen wat knelpunten heeft om deze integratie te faciliteren. Al in het SER-advies uit 2011 en 2016 is geconstateerd dat school-, opvang- en werktijden onvoldoende op elkaar aansluiten. Daarnaast is in het huidige stelsel de kinderopvangtoeslag alleen toegankelijk voor kinderen van wie beide ouders werken. Ook is de berekening van de kinderopvangtoeslag ingewikkeld en sterk afhankelijk van het inkomen. In Nederland wordt dan ook in vergelijking tot andere OESO landen relatief weinig uren kinderopvang en buitenschoolse opvang afgenomen, hetgeen de arbeidsparticipatie van met name vrouwen kan belemmeren.

6

https://www.pactvoorkindcentra.nl/images/pdf/190326_Wat_we_weten.pdf Huizen, T. M., van (2018). The evolution of achievement gaps from early childhood to adolescence in the Netherlands 7

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Dit is recent opnieuw onderschreven en verwoord door de SER in de pubicatie “Een kansrijke start voor alle kinderen: Naar inclusieve en toegankelijke voorzieningen voor kinderen van 0-13 jaar”. Er wordt onder andere geadviseerd om een financieel toegankelijk aanbod van twee dagen kinderopvang per week voor alle jonge kinderen (0-13 jaar) te realiseren. Dit heeft een effect op het aantal kinderen dat gebruik gaat maken van de kinderopvang en BSO. Vooruitlopend op stelselwijzigingen is in Beuningen de nadrukkelijk ambitie om een KC te zijn. Daarbij krijgen deze KC’s te maken met knelpunten wanneer partijen zich gezamenlijk willen huisvesten, te weten: het stelsel onderwijshuisvesting waarin de gemeente een zorgplicht heeft voor het onderwijs maar niet voor de kinderopvang. Dit leidt tot vraagstukken ten aanzien van capaciteit, eigendom, tariefstelling en financiering. Deze vraagstukken worden in de bouwstenen behandeld.

3.3.2 Inclusief onderwijs8 Naast de realisatie van een doorlopende leerlijn, ofwel een integratie van onderwijs en kinderopvang is inclusief onderwijs een belangrijk thema. Diversiteit gaat over alle aspecten waarop mensen verschillen (o.a. leeftijd, religie, fysieke gezondheid, gender, kwaliteiten). Inclusiviteit gaat over een omgeving waarbinnen al deze verschillen gewaardeerd worden. Mensen voelen zich welkom, worden gelijk behandeld en worden betrokken bij de besluitvorming. Onderwijs dient toegankelijk te zijn voor iedereen. In het onderwijs streven scholen ernaar om een inclusieve (leer-)omgeving aan te bieden waarin élke leerling en medewerker zich optimaal kan ontwikkelen, ongeacht geslacht, leeftijd, inzetbaarheid, competenties, lichamelijke beperking, functie en culturele achtergrond of levensbeschouwing. Vanuit de gemeente, het onderwijs en de kinderopvang krijgen alle leerlingen dezelfde kansen ongeacht hun uiterlijke kenmerken, gedragskenmerken of achtergrond.

8 https://lerenvoormorgen.org/artikelen/inclusief-onderwijs-wat-waarom-en-hoe/

Pagina 8 van 40

3.4. Bouwsteen 1: regie Deze bouwsteen geeft aan hoe de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang met elkaar samenwerken op het gebied van onderwijshuisvesting.

1.

2.

3.

4.

De gemeente en de schoolbesturen voeren samen de regie op schoolgebouwen. Gemeenten zijn onder andere verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreidingen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het onderhoud en de exploitatie van schoolgebouwen. De schoolbesturen voeren de regie op het onderwijsaanbod en de diversiteit daarvan. In het OOGO9 (hierna Bestuurlijk Overleg) vindt de afstemming van deze regie plaats door middel van gezamenlijk overleg. Het IHP is in lijn met het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG om IHP’s in de wetgeving te verankeren. In de geest van de nieuwe wet wordt het IHP vastgesteld als lange termijn plan waar gemeente en schoolbesturen zich aan committeren. Juridisch gezien wordt het geen vaststellingsovereenkomst, om een mate van flexibiliteit te behouden. Wel spreken schoolbesturen en gemeente zich uit enkel af te wijken van het IHP als daar een zwaarwegende motivatie onder ligt. Deze samenwerking overstijgt de samenwerking op basis van de verordening onderwijshuisvesting. Voor het onderwijshuisvestingsbeleid wordt daarom in eerste instantie voor alle betrokken partijen het IHP leidend, voordat er wordt teruggevallen op de verordening. Vaststellen van het IHP. Het IHP komt tot stand in een apart project met de schoolbesturen en kinderopvangorganisaties.

De deelnemers aan het Bestuurlijk Overleg, het College van Burgemeesters en Wethouders en de Raad stellen het IHP vast voor de eerste vijf jaar met een doorkijk tot aan 2050. Het IHP is een huisvestingskader voor onderwijshuisvesting en duidt investeringsopgave voor de eerste vijf jaar. Het IHP geeft voor de komende 20 jaar een indicatie van benodigde investeringen. Tevens wordt de prioritering van

de projecten opgenomen. Er wordt in de gemeentelijke begroting rekening gehouden met het financieren van de projecten in de eerste vijf jaar. 5.

Het IHP prevaleert voor het aanvragen van voorzieningen boven de verordening en vervangt de aanvraagprocedure voor nieuwbouw en overige voor blijvend of voor tijdelijk gebruik bestemde voorzieningen. Aanvragen voortkomend uit het IHP worden impliciet geacht een aanvraag te zijn op grond van de verordening. Dit wordt ook op deze wijze in de verordening vastgelegd. Uitzonderingen zijn de nieuwbouw voor een nieuw te stichten school, kosten voor eerste inrichting onderwijsleerpakket en meubilair.

6.

Voor spoedaanvragen of andere zaken die buiten het IHP vallen door onvoorziene omstandigheden (zoals constructiefouten of onvoorziene tijdelijke huisvesting) blijft de verordening van kracht. Op dergelijke onvoorziene omstandigheden na, is de afspraak dat er geen gebruik wordt gemaakt van de route via de verordening. Gemeenten en schoolbesturen zullen in overleg bepalen of een situatie een spoedaanvraag vereist.

7.

Het IHP geldt voor een periode van 20 jaar en wordt om de 4 jaar geactualiseerd. Het actualiseren van het IHP duurt immers ca. een jaar. Vervolgens wordt er weer een uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van vijf jaar. De voortgang van het uitvoeringsprogramma wordt ieder jaar geëvalueerd. Daarbij wordt gecontroleerd of het IHP en uitvoeringsprogramma en de bijbehorende randvoorwaarden nog actueel zijn. De evaluatie is ook om te leren van het voorgaande jaar. Ieder jaar wordt tijdens het Bestuurlijk Overleg de voortgang van het IHP besproken.

8.

Na vaststelling van het IHP wordt een uitvoeringsprogramma opgesteld voor een termijn van vijf jaar. In het uitvoeringsprogramma worden afspraken gemaakt over de samenwerking op programma- en projectniveau. De keuze voor vijf jaar is bewust: één jaar langer dan een collegeperiode. In het uitvoeringsprogramma worden volgens jaarprogramma’s projecten nader geconcretiseerd. Tevens wordt er in het IHP een doorkijk tot 2050 gegeven.

9 Op Overeenstemming Gericht Overleg

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Pagina 9 van 40

9.

Per project verleent de Raad definitief het krediet. Zodra het project actueel wordt zal het project getoetst worden aan de gehanteerde randvoorwaarden uit het IHP. Een dergelijke toets wordt vaak gedaan middels een haalbaarheidsstudie, ook wel businesscase genoemd. Vervolgens worden de randvoorwaarden uit het IHP indien nodig geactualiseerd en wordt het definitieve krediet bij de raad aangevraagd. Er kan een budgettaire afwijking zitten tussen het aangevraagde krediet en de budgetten zoals benoemd in hoofdstuk 6 van dit IHP. Deze kredietaanvraag is niet afhankelijk van bijvoorbeeld de 1 februari deadline uit de verordening of de financiële cyclus van de gemeente zoals de voorjaarsnota.

10. Opgaven worden op het moment van uitvoering/beschikking opnieuw geanalyseerd en getoetst aan de dan geldende prognoses vanwege veranderende omstandigheden in het onderwijsveld, vooral op het gebied van leerlingenaantallen, of andere omstandigheden 11. Per project wordt de maatschappelijke functie van de school en gymzalen onderzocht: voordat gestart wordt met de haalbaarheidsstudie (businesscase) wordt breed onderzocht welke (maatschappelijke) voorzieningen in het gebouw gerealiseerd kunnen worden, of met welke partijen samengewerkt kan worden en wat dit betekent voor de bruto vloeroppervlakte van het gebouw. Denk hierbij aan alle partijen die zijn genoemd bij bouwsteen 2 (samenwerking).

leefklimaat voor de toekomstige generaties. Gemeente en schoolbesturen willen duurzaamheid dan ook breder definiëren dan alleen energiebesparing en CO2reductie: duurzaamheid gaat ook over goed onderwijs, een gezond leer- en leefklimaat, een gezonde financiële exploitatie, circulariteit en toekomstbestendigheid. Helemaal vooroplopen inzake duurzaamheid is geen noodzaak, het dient wel realistisch en financieel haalbaar te blijven. 1.

Het IHP sluit aan bij de duurzaamheidseisen die gelden: de BENG-norm bijna energie neutrale gebouwen). Tevens wordt per project onderzocht of ENG (energieneutraal) haalbaar is.

2.

Voor gezondheid wordt rekening gehouden met de Frisse Scholen-thema’s (naast energie): lucht, temperatuur, licht en geluid om een prettig en gezond klimaat voor kinderen en medewerkers te realiseren. Voor de Frisse Scholen thema’s wordt gekozen voor een slimme mix van eisen per subonderdeel; zie voorstel Kwaliteitskader HEVO in bijlage 2.

3.

Naast bouwkundige kwaliteit van schoolgebouwen is er in het IHP expliciet aandacht voor andere (strategische) kaders voor vastgoedbeleid: uitstraling, binnenmilieu, exploitatie en onderwijskundige functionaliteit. In het IHP is tevens aandacht voor de kennis die is opgebouwd door Ruimte-OK, een medeinitiatief van het Waarborgfonds Kinderopvang, de PO-raad, de VO-raad en de VNG. Kenniscentrum Ruimte-OK staat voor betere kwaliteit huisvesting en een gezonde exploitatie in onderwijs. Hiertoe delen ze praktische kennis over huisvesting en financiering.

4.

Duurzaamheidsprincipes worden toegepast bij nieuwbouw/renovatie van schoolgebouwen. Daarbij bieden de principes van Trias Energetica houvast: a. Voorkomen van onnodig energieverbruik (bijvoorbeeld isolatie). b. Gebruik van duurzame energiebronnen (bijvoorbeeld zonnepanelen). c. Indien nodig, efficiënt gebruik van fossiele brandstoffen (bijvoorbeeld gas). d. Groene gevels en daken e. Groene schoolpleinen. Het buitenterrein wordt steeds belangrijker in de ontwikkeling van het kind.

12. Prognose: de prognoses waar overeenstemming over is vormen het uitgangspunt.

3.5. Bouwsteen 2: duurzaamheid en kwaliteit Deze bouwsteen geeft aan welke duurzaamheids- en kwaliteitsambitie de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang nastreven op het gebied van onderwijshuisvesting.

Een brede definitie van kwaliteit en duurzaamheid. De gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang zien het realiseren van kwalitatief goede en duurzame huisvesting als een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Een kwalitatief goed en duurzaam gebouw heeft een positief effect op het onderwijs én op het

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Pagina 10 van 40

De maatregelen zijn bij voorkeur zichtbaar in het interieur en exterieur van de schoolgebouwen. De scholen en schoolgebouwen hebben een voorbeeldfunctie naar leerlingen en in de wijk. Duurzame schoolgebouwen zorgen ervoor dat kinderen en hun ouders kennismaken met duurzaamheid. 5.

Duurzaamheid wordt ook gezocht in flexibiliteit en toekomstbestendigheid.

6.

Het is van belang dat de duurzaamheid op projectniveau intensief wordt afgestemd op de mogelijkheden in de wijk en omgeving. Daarbij is te denken aan geothermie of restgebruik van warmte.

7.

Voor circulariteit wordt ernaar gestreefd bewust om te gaan met de toegepaste materialen en waar mogelijk gebruik te maken van natuurlijke, ecologisch vriendelijke en/of herbruikbare materialen. In het geval van nieuwbouw wordt gelet op de basisprincipes van circulariteit, zoals de toekomstige losmaakbaarheid van de gebouwelementen. Hierbij dient goed te worden gekeken naar de invloed van circulair materiaalgebruik op de investerings- en exploitatiekosten. Circulariteit kan ook gaan over de wijze waarop de school omgaat met het gebruik van materialen na ingebruikname, bijvoorbeeld op het gebied van afvalreductie.

8.

Het IHP geeft de schoolbesturen inzicht in de vervangingstermijn van hun gebouwen. Schoolbesturen zijn door het IHP in staat om onderhoud en duurzaamheidsmaatregelen af te stemmen op het moment van nieuwbouw of renovatie en te koppelen aan terugverdientijden. Dit voorkomt kapitaalvernietiging.

9.

Een onderwijsorganisatie verandert voortdurend, het gebouw dient hierin mee te kunnen bewegen. Flexibiliteit heeft verschillende verschijningsvormen, van schuifwanden om in het dagelijks gebruik aanpassingen te kunnen doen tot een vrij indeelbare kolommenstructuur om in de toekomst andere functies te kunnen herbergen. Flexibele functionaliteit is van invloed op het constructief en installatietechnisch concept. Toekomstige verwachte groei of krimp van een schoolorganisatie is ook van invloed op het gebouwontwerp. De mogelijkheid om een deel van een schoolgebouw af te stoten, als het aantal leerlingen sterk vermindert, beperkt het leegstandsrisico. Denk daarbij ook aan een eventuele

Referentie: 1647803-0040.1.4.

extra entree. Het IHP van Beuningen kent de volgende vormen van flexibiliteit, met het oog op het realiseren van een toekomstbestendig scholenlandschap: a. Interne flexibiliteit: flexibiliteit die leidt tot de aanpasbaarheid binnen het bestaande gebouwvolume met technisch en financieel kleine gevolgen. Deze flexibiliteit richt zich op die zones in het gebouw met de basisonderwijsfuncties. Deze flexibiliteit kan bereikt worden door de toepassing van een open draagstructuur op basis van een normatief grid en de toepassing van een modulaire opzet van de installaties. b. Externe flexibiliteit: flexibiliteit die leidt tot het eenvoudig vergroten of verkleinen van de capaciteit van het gebouw, met behoud van de logistieke hoofdopzet van het gebouw. Deze flexibiliteit kan bereikt worden door goede positionering van bouwvolumes op de locatie, het uitbreidbaar of afstootbaar maken van delen van gebouwvolumes door constructieve voorbereiding en het slim plaatsen van stabiliteitsvoorzieningen en stijgpunten. c. Doelflexibiliteit: hoofdopzet van een gebouw die kan leiden tot het inzetten van het gebouw voor andere doeleinden. Eerste alternatieve aanwending is daarbij de inzet voor een andere school of schooltype.

Tweede alternatieve aanwending kan zijn het (gedeeltelijk) inzetten van gebouwen voor andere bestemmingen, bij voorkeur maatschappelijk georiënteerd of bijvoorbeeld voor woningen. 10. De buitenruimte wordt duurzaam, bio divers en klimaat adaptief ingericht, denk aan groenblauwe schoolpleinen en nodigt uit tot bewegen. Dit zijn schoolpleinen waar veel groen is geïntegreerd en waar extra aandacht wordt besteed aan (regen)waterinfiltratie. Scholen bevinden zich bij voorkeur in een groene omgeving, dus nabij publiek groen en de schoolpleinen kunnen bij voorkeur ook door de wijk worden gebruikt. 11. Ten aanzien van inclusiviteit en toegankelijkheid: schoolgebouwen in Beuningen kenmerken zich als een inclusieve en toegankelijke omgeving. Dit gaat in eerste instantie over het includeren van mensen met een beperking in de samenleving door ontmoeting. Dit heeft ook een weerslag op de huisvesting, bijvoorbeeld dat gebouwen ruim van opzet zijn en beschikken over een lift. Ook kinderen met een beperking kunnen worden ontvangen. Een toegankelijke omgeving is een omgeving waar kinderen en volwassenen zich zelfstandig door het gebouw kunnen bewegen,

Pagina 11 van 40

zonder hulp van derden. Toegankelijkheid betekent ook dat het gebouw geschikt is voor diverse gebruikersgroepen, hierbij hoort een streven naar meer samenwerking tussen primair onderwijs, kinderdagopvang en buitenschoolse opvang, primair onderwijs en speciaal onderwijs of tussen het onderwijs en zorg- of wijkvoorzieningen. Voor de kwaliteit van de schoolgebouwen leidt dit tot de aanwezigheid van multifunctionele ruimten die door diverse gebruikers voor verschillende doeleinden kunnen worden ingezet. Indien dit leidt tot meer benodigde vierkante meters, is de bereidheid er vanuit de gemeente om dit te faciliteren en indien noodzakelijk buiten de normatieve kaders van de verordening te treden. 12. Een goede schoollocatie: in het algemeen geldt dat een groene, veilige omgeving met goede infrastructuur belangrijk is. Ook kan gekeken worden naar situering nabij voorzieningen waarbij het onderwijs aansluiting kan vinden, zoals sport- of wijkfuncties of de reeds gevestigde kinderopvang of BSO. a. Voor het primair onderwijs geldt aanvullend dat de school zich in de wijk bevindt waar kinderen leeftijdsgenoten ontmoeten. Kinderen kunnen veilig te voet of met de fiets naar school. b. De doelgroep van de school is bepalend voor de geldende locatie-eisen. Per project zal ingezoomd worden op de doelgroep, om te bepalen aan welke eisen de locatie voor deze doelgroep moet voldoen. c.

Om te bepalen wat een goede locatie van een schoolgebouw is, wordt ook gekeken naar huidige samenwerkingen en de impact die een potentiële verplaatsing van een school zou hebben. d. Er wordt ook gekeken naar de verkeersveiligheid in de directe omgeving van de school. 13. Ruimte voor cultuur, sport en bewegen is ook onderdeel van de kwaliteit van onderwijshuisvesting. Het uitgangspunt is het multifunctioneel inzetten van gymzalen voor o.a. (sport) verenigingen, onderwijs en cultuur. De gymzalen maken integraal onderdeel uit van het IHP. De behoefte aan klokuren sport en bewegen worden getoetst aan de beschikbaarheid en kwaliteit van de aanwezige gymvoorzieningen. De wetswijziging ‘deugdelijkheidseis bewegingsonderwijs’ (amendement Heerema, van Nispen), wordt in acht genomen. Deze treedt in werking per schooljaar 2023-2024.

Referentie: 1647803-0040.1.4.

14. Investeren in kwaliteit. Schoolbesturen financieren op basis van Total Cost of Ownership (TCO) een deel van de stichtingskosten van een nieuwbouw- of renovatieopgave. Deze investering komt de duurzaamheid van het gebouw op het gebied van onderhoud en exploitatie ten goede. Voorwaarde is dat het gebouw voldoet aan de kwaliteitseisen zoals hierboven. In een haalbaarheidsonderzoek dient de hoogte van deze projectafhankelijke bijdrage te worden bepaald. De bijdrage kan voortkomen uit de middelen die de scholen beschikbaar krijgen gesteld voor gebouwonderhoud en energiekosten. Deze bijdrage mag per definitie niet leiden tot een negatieve businesscase voor de schoolbesturen.

3.6. Bouwsteen 3: vervangende nieuwbouw en renovatie Deze bouwsteen geeft aan hoe gemeente en schoolbesturen omgaan met vervangende nieuwbouw en renovatie.

1.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw, schoolbesturen zijn in alle situaties verantwoordelijk voor het goed onderhouden en exploiteren van gebouwen. Bij bijvoorbeeld een VVE-constructie, MFA of verhuur van ruimten gelden andere normen, afhankelijk van het construct.

2.

Renovatie (lees: vernieuwbouw) is wettelijk nog niet geregeld. Renovatie kan een duurzamere oplossing zijn dan nieuwbouw. Ten aanzien van renovatie wordt aangesloten op het voorstel van de PO-raad, VO-raad en VNG. a. Renovatie wordt opgenomen als voorziening. In de huidige situatie zijn gemeenten alleen verantwoordelijk voor nieuwbouw wanneer een gebouw aan het einde van zijn levensduur is (artikel 2 verordening). Door renovatie op te nemen als voorziening ontstaat de mogelijkheid om bij een gebouw dat aan het einde van zijn levensduur is ook renovatie toe te passen. b. Renovatie is daarbij een integrale levensduurverlengende ingreep in het gebouw, waarmee de levensduur van het gebouw ten minste 25 jaar, maar bij voorkeur 40 jaar, wordt verlengd. c. Uitgangspunt bij renovatie is dat de aanpassingen die leiden tot een levensduurverlenging van ten minste 25 jaar voor rekening komen van de gemeente, waarbij op basis van Total Cost of Ownership een investeringsbijdrage van het schoolbestuur aan de dekking van de renovatie

Pagina 12 van 40

3.

4.

wordt toegevoegd (dit dient aan te sluiten op het nog te formuleren beleid inzake de financiering van bovennormatieve kwaliteit). Bij investeringsopgaven in het kader van het IHP wordt de mogelijkheid van renovatie onderzocht. Daarbij wordt beoogd om de gedefinieerde duurzaamheidseisen zoveel mogelijk te realiseren. Per situatie wordt een afweging gemaakt (bijvoorbeeld in een haalbaarheidsonderzoek) of nieuwbouw of renovatie de beste oplossing is voor de betreffende school. Daarbij worden de volgende aspecten meegenomen: a. Er wordt rekening gehouden met een goede bezetting van gebouwen na renovatie. Er wordt bij voorkeur niet gerenoveerd voor leegstand. b. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de onderwijskundige functionaliteit van de gebouwen. c. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met de culturele en maatschappelijke waarde. d. Er wordt bij renovatie rekening gehouden met mogelijkheden om de gestelde duurzaamheidsambities te bereiken, zoals ENG, maar met BENG als minimum eis voor renovatie. e. De kosten en mogelijkheden voor tijdelijke huisvesting worden meegenomen in de afweging voor nieuwbouw of renovatie. f. Er wordt rekening gehouden met andere ontwikkelingen in de omgeving waarbij integraliteit en synergie bereikt kan worden. g. De toekomstige exploitatie en onderhoudslasten worden meegenomen als afweging voor nieuwbouw of renovatie. h.

Er wordt rekening gehouden met toekomstige eisen, wensen en ambities met betrekking tot de functionaliteit en capaciteit van de betreffende faciliteit. i. Er wordt rekening gehouden met de mate van flexibiliteit en aanpasbaarheid in de toekomst.

3.7. Bouwsteen 4: samenwerking in Kindcentra Voor het IHP kan samenwerking betekenen dat scholen gebouwen delen, met elkaar of met kern- of ketenpartners. Samenwerking kan zowel inhoudelijk als gebouwelijk worden vormgegeven, waarbij gebouwelijke samenwerking idealiter volgt op de inhoudelijke samenwerking. Inhoudelijke samenwerking biedt voordelen op het

Referentie: 1647803-0040.1.4.

gebied van kennisuitwisseling. Gebouwelijke samenwerking kan de inhoudelijke samenwerking faciliteren omdat men elkaar ook daadwerkelijk tegenkomt en biedt exploitatievoordelen (delen van ruimten). Het onderwijs staat daarbij centraal en daarmee is een gebouwelijke samenwerking geen verplichting, maar een verkenning. Verschillende vormen van samenwerking zijn besproken en worden hier toegelicht. Uitgangspunt voor deze bouwsteen is het ‘visiedocument kindcentra Beuningen’ 1.

Schoolbesturen streven naar samenwerking tussen PO onderling. Daarbij zijn enkele randvoorwaarden en uitgangspunten geformuleerd: a. Samenwonen/clusteren van scholen in een gebouw biedt flexibiliteit in tijden van groei en krimp. b. Er wordt bij clustering rekening gehouden met het onderwijsconcept, de identiteit (denominatie), de thuisnabijheid en de sociale/culturele identiteit van de school in de buurt, wijk of kern. c. Clustering mag niet leiden tot een te klein aanbod per kern of wijk. d. De samenwerking richt zich in basis op het delen van faciliteiten en het efficiënt inzetten van ruimten. e. Heldere afspraken over beheer, eigendom en verhuur zijn noodzakelijk. Zeker wanneer er ook andere organisaties in het gebouw worden gehuisvest. f. Er wordt alleen verwezen naar leegstand wanneer er sprake is van uitwoning met twee groepen of meer tegelijkertijd. g. In de planvorming wordt rekening gehouden met de verkeersveiligheid van de leerlingen.

2. Schoolbesturen en kinderopvang (kernpartner) zetten in op het behouden en uitbreiden van samenwerking tussen het PO en peuteropvang, kinderopvang en bso. Dit worden ook wel partners voor kindcentra (KC) genoemd. De samenwerking richt zich op de afstemming van de pedagogiek en didactiek van beide partijen. Gezamenlijke huisvesting van scholen en kindpartners is in sommige situaties een pre maar is geen voorwaarde. Per project dient er gekeken te worden of het wenselijk is om kindpartners te huisvesten in hetzelfde gebouw als de school. a. Beuningen richt zich in eerste instantie op kindcentra. b. De samenwerking richt zich op de afstemming van de pedagogiek en didactiek van beide partijen. c. Samenwerken leidt tot samenwonen

Pagina 13 van 40

d.

e.

f.

g.

De samenwerking richt zich op doorlopende leerlijnen van 0 tot 13 jaar. Andere soorten initiatieven zoals tienercolleges dienen echter niet uitgesloten te worden. Bij het vormen van een (I)KC wordt op voorhand goed nagedacht over samenwerkingsvormen en partners. Het meest voorkomend is om per school met één opvangorganisatie in een schoolgebouw samen te werken (rekening houdende met het Didam-arrest10). Dat maakt het makkelijker om een succesvolle doorlopende leerlijn te realiseren. Op het moment dat projecten voor KC’s van start gaan is het raadzaam om bij de planvorming rekening te houden met prognoses van de kinderopvangorganisaties en te anticiperen op de mogelijkheid dat kinderopvang in de toekomst meer toegankelijk zal zijn. De samenwerking tussen PO- en (I)KC-partners kan verschillende vormen aannemen. Er zijn verschillende manieren van integratie tussen onderwijs en kinderopvang. Het IHP formuleert uitgangspunten, maar biedt ruimte om per project maatwerk te leveren, passend bij de lokale situatie. Door doorontwikkeling van deze samenwerking wordt invulling gegeven aan de behoefte van ouders aan voor- en naschoolse opvang.

3. Samenwerking met ketenpartners. Er wordt door gemeente en schoolbesturen per concreet project gezocht naar samenwerking tussen het onderwijs en ketenpartners. Er wordt daarbij tegemoet gekomen aan de sociaal-maatschappelijke rol van een school voor de wijk. Voorbeelden van mogelijke samenwerkingspartners zijn: a. Consultatiebureau; b. Fysiotherapeut; c. Logopedie; d. Bibliotheek; e. Sportverenigingen; f. Maatschappelijke ambitie: de school kan ook een plek zijn waar mensen met een beperking werken; g. Cultuur- & Natuureducatie of Techniekonderwijs, het verrijken van het onderwijs en de (buitenschoolse) opvang;

10

In het Didam-arrest heeft de Hoge Raad – kort gezegd – geoordeeld dat uit het gelijkheidsbeginsel

voortvloeit dat de overheid bij het aangaan en uitvoeren van privaatrechtelijke overeenkomsten, een

Referentie: 1647803-0040.1.4.

3.8. Bouwsteen 5: vraag en aanbod Deze bouwsteen geeft aan welk aanbod de gemeente en schoolbesturen nastreven voor het primair onderwijs. Het gewenste aanbod van onderwijs is bepalend voor de huisvestingsoplossingen.

1.

De analyse en de scenario-ontwikkeling in het IHP richten zich voor het PO op het kern- en wijkniveau. Specifieke denominaties, onderwijsvormen of speciaal onderwijs kunnen vragen om een analyse of scenario op regionaal niveau (in dat geval speelt afstand een minder grote rol). a. De identiteit van de vier verschillende kernen dient herkend te worden. b. Er dient aansluiting met de omgeving gezocht te worden. c. Er dient ruimte geboden te worden voor diversiteit. d. De bouw van een school is een kans om een wijk aan te pakken en andersom. e. De kindcentra zijn onderdeel van de wijk en omgeving en daarmee samenhangend met de identiteit van de kernen.

2.

Het onderwijsaanbod wordt ook geanalyseerd in relatie tot leefbaarheid, waarbij de gewenste omvang van scholen in de kleine kernen (Winssen, Weurt en Ewijk) anders kan zijn dan de gewenste omvang van scholen in Beuningen.

3.

De minimale schoolgrootte van een PO-school is bij voorkeur niet kleiner dan de lokale opheffingsnorm. Daarbij heeft de lokale opheffingsnorm een signaalfunctie. Voor de scholen in Beuningen zelf is deze opheffingsnorm 139 en voor Weurt, Winssen en Ewijk geldt een opheffingsnorm van 65. Echter, keuzes rondom identiteit of diversiteit kunnen bepalen dat van deze norm wordt afgeweken in specifieke gevallen.

4.

Kinderopvangorganisaties zorgen samen met de schoolbesturen voor een kinderopvangaanbod passend bij de vraag. De omvang van de vraag naar kinderopvang heeft te maken met de sociaal demografische eigenschappen van een kern of wijk.

openbare selectieprocedure moet organiseren als vaststaat (of redelijkerwijs te verwachten is) dat er meerdere gegadigden zijn

Pagina 14 van 40

5.

De aanvaardbare afstand tot een basisschool voor een leerling is 2-4 km. hemelsbreed, zowel in grote als in kleine kernen. Voor kinderopvang is geen norm.

6.

Er is tevens aandacht voor de afstand tot en de bereikbaarheid van gymzalen.

c. d.

7.

Een dislocatie kan alleen worden gerealiseerd: a. Wanneer op de hoofdlocatie geen ruimte meer is om alle groepen te huisvesten. b. Wanneer deze bestaat uit minimaal vier (permanente) groepsruimten en benodigde nevenruimten (inclusief OKV), zodat de locatie zoveel mogelijk zelfstandig kan functioneren.

e.

8.

Schoolbesturen faciliteren passend onderwijs door leerlingen met een zorgbehoefte onderwijs te bieden (zie bouwsteen 2, bullit 11). Dit stelt eisen aan de huisvesting.

9.

Daarnaast biedt de gemeente Beuningen ruimte aan speciaal basisonderwijs (SBO).

10. Positionering en omvang onderwijsvoorzieningen: bij ontwikkeling van nieuwe woningbouwgebieden dient rekening gehouden te worden met onderwijsvoorzieningen zodat deze ruimtelijk goed gepositioneerd zijn. 11. Het streven is een optimale afstemming tussen vraag en aanbod: daarbij gaat het direct ook om het voorkomen van leegstand en ruimtetekorten bij scholen. Daarvoor is een aantal instrumenten geformuleerd (in willekeurige volgorde): a. Indien er nieuwe toetreders zijn op het gebied van onderwijs en kinderopvang wordt de dialoog gezocht met deze nieuwe toetreders van onderwijs en kinderopvang om gezamenlijk te verkennen of en hoe een nieuwe initiatief kan worden ingepast in de structuur van bestaande voorzieningen. Hierbij wordt aangesloten voor onderwijs op de wet- en regelgeving vanuit de wet ‘ruimte voor nieuwe scholen’. b. Rekening houden met flexibiliteit bij nieuwbouw. In gebouwen wordt zo veel mogelijk rekening gehouden met flexibiliteit, om deze toekomstbestendiger te maken. Bijvoorbeeld door ruimten efficiënt in te zetten en bouwdelen

Referentie: 1647803-0040.1.4.

afstootbaar te maken. Afstoten van een ruimteoverschot is alleen een optie in bijzondere gevallen. Clusteren van scholen Verhuur of medegebruik van ruimten kan, na toestemming van de gemeente, een oplossing zijn voor een ruimteoverschot. De inkomsten van schoolbesturen voor onderhoud en exploitatie zijn afhankelijk van het aantal kinderen. Bij leegstand moet een schoolbestuur met minder inkomsten, hetzelfde aantal vierkante meters onderhouden. Ook afstoten van leegstand kan een mogelijkheid zijn. Er wordt rekening gehouden met het KC beleid op het gebied van medegebruik en verhuur conform Bouwsteen 6. Verwijzen is ook mogelijk. Dit betreft het in medegebruik geven van leegstand in een school aan een school met een ruimtetekort. Deze situatie dient zo veel mogelijk voorkomen te worden, omdat het onderwijskundig minder wenselijk is. Voorwaarde voor verwijzen naar een ruimteoverschot zijn: a. Afstandscriterium (PO: 2 km), mits via een veilig begaanbare route. b. Uitwonen (een gedwongen dislocatie bij een andere school in huis) bij voorkeur met twee groepen of meer tegelijkertijd in het PO, omdat het anders voor de inwonende school eenzaam/onherkenbaar wordt.

12. Voldoende diversiteit aanbieden betekent inspelen op de groeiende flexibiliteit/arbeidsmobiliteit van de ouders. De reisafstand tot de basisscholen is gemiddeld langer dan in het verleden. De ouders kiezen vaker bewust voor scholen verder van huis als zij de voorkeur geven aan specifieke onderwijsvormen. De flexibiliteit van de ouders is hiermee flink toegenomen waardoor de hele infrastructuur in beweging is. Dit hangt ook samen met de carrières van de ouders: het toegenomen gebruik van kinder- en naschoolse opvang heeft ook invloed op de mobiliteit van de gezinsleden. Kinderopvang ligt vaak op een andere locatie - en gemiddeld verder van huis - dan de basisschool. Door de sterke toename in het aanbod (kindcentra) neemt de gemiddelde afstand tot deze voorzieningen de laatste jaren flink af, ook in de landelijke gebieden. Dit houdt in dat ouders nu en in de toekomst steeds flexibeler worden in de keuze voor een school. 13. Inspelen op de groei van de regio . Hierbij valt te denken aan ruimere openingstijden van kindcentra, nieuwe onderwijsconcepten, nieuwe

Pagina 15 van 40

samenwerkingen etc. Dit kan zelfs leiden tot het overtreffen van leerlingenprognoses en dient gemonitord te worden in het Bestuurlijk Overleg.

termijn (5 jaar) niet nodig zijn voor het onderwijs van de eigen school (conform de meest actuele prognose) en er geen nieuwbouw/renovatie plaatsvindt binnen 5 jaar. In aansluiting op de Wet op het primair onderwijs (WPO) is de minimale duur van het huurcontract 3 jaar. De gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties hebben gezamenlijk de intentie om de huur voor langere tijd te laten voortbestaan. Indien er toch een capaciteitsvraagstuk ontstaat voor het onderwijs gaan partijen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk in gesprek en op zoek naar een passende oplossing.

de

14. Onderwijs voor nieuwkomers (statushouders): door wereldwijde ontwikkelingen is er in de afgelopen jaren steeds meer behoefte aan onderwijs(huisvesting) voor nieuwkomers. De omvang hiervan is echter moeilijk te duiden. Er dient nader onderzoek gedaan te worden naar de vormgeving van onderwijs (met name taal) voor nieuwkomers(schakelklassen). Voor de aanvraag van huisvesting wordt verwezen naar de procedure zoals gesteld in de verordening. Deze ontwikkeling en de impact hiervan op de huisvesting wordt in het Bestuurlijk Overleg besproken. 15. We vinden het belangrijk dat er een passend en kwalitatief aanbod wordt gerealiseerd voor de peuters in onze gemeente (zie Opvang voor alle peuters, Peuteropvang en voor- en vroegschoolse educatie in Beuningen, Januari 2024 december 2026, gemeente Beuningen). Belangrijk is het dat de opvanglocaties voor peuteropvang en VVE-groepen zoveel mogelijk aangesloten zijn bij KClocaties van het basisonderwijs en dat er samenwerking en gelijkwaardigheid is tussen peuteropvang en het onderwijs. Op KC-locaties kan ook kinderdagopvang aanwezig zijn. Hierdoor wordt de drempel voor ouders om kinderen mee te laten doen aan een educatieprogramma verlaagd.

3.9. Bouwsteen 6: medegebruik / verhuurbeleid bij KC’s Deze bouwsteen omschrijft de beleidskeuzes bij medegebruik/verhuur van KC’s voor zowel bestaande als nieuwe situaties. Deze uitgangspunten kunnen tevens richtinggevend zijn bij medegebruik en verhuur door andere partijen in schoolgebouwen. Er wordt een onderscheid gemaakt in vier thema’s en in bestaande en nieuwe situaties per thema. 1.

Capaciteit: de wijze waarop om wordt gegaan met huurbescherming voor kinderopvangorganisaties en het onderscheid tussen medegebruik en verhuur. a.

Bestaande situaties: Bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO kan capaciteit worden onttrokken aan de onderwijsbestemming en komt dit te vallen onder een huurcontract met marktconforme huur en bijdrage aan de exploitatiekosten, indien de lokalen op

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Bij volgtijdelijk gebruik door BSO gaat men uit van medegebruik in plaats van verhuur. De gemeente wordt jaarlijks geïnformeerd over het volgtijdelijk gebruik. Ook kunnen de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang in gesprek gaan over de mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op ruimten voor BSO welke in eigendom zijn van kinderopvang en waar overdag ruimte is voor onderwijs indien er een capaciteitsvraagstuk ontstaat. b.

Nieuwe situaties Bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO kan extra capaciteit worden gerealiseerd en valt dit onder een huurcontract met een kostendekkend tarief. Er wordt uitgegaan van langjarige huurcontracten van minimaal 10 jaar. De gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties hebben gezamenlijk de intentie om de huur voor langere tijd te laten voortbestaan. Indien er toch een capaciteitsvraagstuk ontstaat voor het onderwijs gaan partijen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk in gesprek en op zoek naar een passende oplossing. Bij volgtijdelijk gebruik door BSO gaat men uit van medegebruik in plaats van verhuur. De gemeente wordt jaarlijks geïnformeerd over het volgtijdelijk gebruik. Ook kunnen de gemeente, de schoolbesturen en de kinderopvang in gesprek gaan over de mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op ruimten voor BSO welke in eigendom zijn van kinderopvang en waar overdag ruimte is voor onderwijs indien er een capaciteitsvraagstuk ontstaat. Daarnaast onderschrijven gemeente, schoolbesturen en de kinderopvangorganisaties het belang van de BSO in het kader van een aanbod voor de gehele dag. De BSO

Pagina 16 van 40

maakt vaak gebruik van gemeenschappelijke ruimten, die bij groei van het onderwijs gevorderd of ingezet kunnen worden. Dit houdt in dat de BSO functie niet langer kan worden ingevuld. Gemeenten, schoolbesturen en kinderopvang streven daarom naar oplossingen voor capaciteitsgebrek waarbij de BSO functie niet hoeft te wijken. 2.

3.

Eigendom: de wijze waarop de eigendomssituatie wordt bepaald. a. Bestaande en nieuwe situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO wordt er lokaal maatwerk geleverd of wordt een heroverweging gedaan ten aanzien van de gewenste eigendomsverhouding voor het gedeelte van de kinderopvang: gemeente eigenaar, schoolbestuur/schoolbesturen eigenaar of een vereniging van eigenaren met daarbij inachtneming van de voor- en nadelen bij elke situatie. Tariefstelling: de wijze waarop het tarief wordt bepaald tussen de gemeente en de KOV. a. Bestaande situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO wordt een uniform tarief bepaald op basis van de totale lasten methode. De huur wordt gebaseerd op de totale kapitaalslasten, belastingen, verzekeringen en een opslag voor vandalisme van alle schoolgebouwen in de gemeente waarvoor er nog geen afspraken zijn gemaakt over markconforme kostprijs dekkende huur na nieuwbouw of renovatie. Deze lasten worden opgeteld en gedeeld door het aantal m2’s waardoor er een huurprijs per m2 ontstaat. Om dit terug te rekenen naar een totaal bedrag wordt per locatie het aantal m2’s in beeld gebracht (huurprijs = prijs per m2 x aantal m2’s). Het uniforme tarief wordt jaarlijks geïndexeerd (prijsindex CBS) en om de vijf jaar geactualiseerd. b.

Nieuwe situaties: bij exclusief gebruik door KOV en/of BSO wordt een tarief bepaald op basis van de kostprijs dekkende methode.

c.

Uitzondering nieuwe situatie: voor nieuwe situaties waarbij er geen KC tot stand kan komen bij een bepaling van een tarief op basis van de kostprijs dekkende methode (door een te beperkte omvang van het aantal kinderen wat kinderopvang afneemt) komen gemeente, schoolbesturen en kinderopvangorganisaties overeen dat er bij exclusief gebruik door KOV er

een correctie kan plaatsvinden op de kostprijs dekkende methode naar rato van de bezetting van de ruimte, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan: a. Er wordt middels onderzoek aangetoond dat er onvoldoende aanbod is aan kinderopvang. b. Er wordt middels een businesscase aangetoond dat KOV ook niet rendabel te maken is door de combinatie van KOV en/of BSO, andere partners en/of middelen. c. In lijn met wet markt en overheid. 4.

Financiering: de wijze waarop de ruimten worden gefinancierd. a. Nieuwe situaties: voorfinanciering door de gemeente alsmede financiering door kinderopvangorganisaties blijven beide mogelijk. Gezien de onderstaande voorwaarden ligt voorfinanciering door de gemeente voor de hand. In het geval dat de gemeente financiert wordt gesproken over voorfinanciering, omdat het doel is dat de kapitaallasten volledig door huuropbrengsten worden terugverdiend. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: • Het gaat om exclusief gebruik van ruimten door een aanbieder van kinderopvang. • De kapitaallast wordt binnen een redelijke termijn terugverdiend uit de huurinkomsten. • Het beoogde gebruik is beargumenteerd aan de hand van een behoefteonderzoek. • Voordat wordt over gegaan tot voorfinanciering wordt een risicoanalyse door de gemeente uitgevoerd. b.

Referentie: 1647803-0040.1.4.

In het geval dat de kinderopvang financiert zijn de volgende richtlijnen van toepassing, welke in het project nader uitgewerkt en project specifiek worden gemaakt: • De organisatie voor kinderopvang maakt met de bouwheer afspraken over de betrokkenheid van de ondernemer bij het ontwerp en de

Pagina 17 van 40

•

•

realisatie van de kinderopvangruimten. Deze afspraken worden contractueel vastgelegd. De organisatie voor kinderopvang participeert risicodragend in het totale proces van ontwerp en realisatie (aanbestedingsrisico, meer/minderwerk e.d.). De organisatie voor kinderopvang eigendom krijgt voor hetgeen zij financiert. Dit resulteert in het oprichten van een VVE. Hierbij dienen duidelijke eigendomsafspraken te worden gemaakt over de onderliggende grond (denk bijvoorbeeld aan een erfpachtconstructie).

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Pagina 18 van 40

4. Opgaven schoolgebouwen Beuningen In dit hoofdstuk wordt de opgave per school benoemd. De opgaven worden onderbouwd aan de hand van een tweetal toegepaste methodieken (zie bijlage 3 voor een nadere toelichting van de methodieken), de capaciteitsanalyse en de quickscanscores, en daarnaast strategische overwegingen. De opgaven en de prioritering zijn tot stand gekomen in samenspraak met de schoolbesturen.

Op basis van de quickscanscores uit 2018 is voor elke school de periode gedefinieerd waarin renovatie of (ver)nieuwbouw gepleegd dient te worden. Bij de huidige herijking van het voorgaande IHP zijn de periodes zoals toen vastgesteld met 5 jaar verschoven (zie onderstaande afbeelding). Bij de Montijn heeft op verzoek van het schoolbestuur en gemeente nog een extra locatiebezoek plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat de staat van het gebouw slechter is dan dat de herijkte quickscans aangeven. In de definiëring van de opgaven is hier rekening mee gehouden. Het schoolgebouw van de Hoeven bestaat uit verschillende delen die in uiteenlopende jaren zijn gebouwd. Hierdoor verschilt de bouwkundige staat per gedeelte. Deze wordt nader toegelicht in het hoofdstuk Scenario's.

Totaalscore

Ten aanzien van de opgaven in dit hoofdstuk geldt het volgende aandachtspunt: er wordt nog niet voor elke opgave een afweging gemaakt ten aanzien van nieuwbouw of vernieuwbouw (renovatie gelijkwaardig aan nieuwbouw). Deze afweging vereist bij de uitvoering van het IHP per locatie een gedegen afweging middels haalbaarheidsonderzoeken/businesscases.

4.1. Quickscans

Schoolbestuur Stichting Groeisaam

Bouwjaar 1986/1990

Schoolnaam SBO Klavervier

0-5 jaar 5-10 jaar

Stichting montessorischool de Montijn

1982

Montessorischool de Montijn - oudbouw

Stichting Groeisaam

1998

BO De Peppel schoolwoningen

5-10 jaar

Stichting montessorischool de Montijn

2003

Montessorischool de Montijn - uitbreiding

10-20 jaar

Stichting Groeisaam

1997

BO De Vuurvlinder

10-20 jaar

Stichting Groeisaam

2016

MFA De Ruyter

10-20 jaar

1976/1995/2005 BO De Hoeven

>20 jaar

Stichting Groeisaam Stichting Groeisaam

1988

BO De Peppel

>20 jaar

Stichting Groeisaam

2009

MFA De Reuzepas

>20 jaar

Stichting Groeisaam

2010

BO De Wegwijzer

>20 jaar

Stichting Groeisaam

nieuwbouw

BO De Dromedaris

>20 jaar

Referentie: 1647803-0040.1.4.

Pagina 19 van 40

4.2. Capaciteitsanalyse (scholenlandschap) De capaciteitsanalyse/ het scholenlandschap op de volgende pagina maakt de opgaven inzichtelijk die in samenspraak met de schoolbesturen tot stand zijn gekomen. Hieronder volgt een toelichting over hoe de kaart en labels gelezen moeten worden: • Het label toont de quickscan-score, het bouwjaar en de totale omvang van het gebouw. Dit gebouw bestaat uit een deel dat door het onderwijs wordt gebruikt en een deel dat eigendom is van de opvang. • In sommige gevallen maakt de opvang gebruik van onderwijs-m². In de kolom werkelijk gebruik opvang staat het totaal aantal m² dat door de opvang wordt gebruikt, bestaande uit het eigendomsdeel en het deel in medegebruik. • Het label geeft de teldatum van 2025 en de leerlingenprognose van 2029, 2037 weer. De prognoses zijn afkomstig van Pronexus11 en worden gebaseerd op de leerlingenprognose van 2025. Ten tijde van een nieuw project worden de meest actuele prognoses gebruikt en wordt het exacte leerlingenaantal voor een project vastgesteld. De leerlingenaantallen in het IHP zijn vooralsnog een indicatie ter bepaling van de omvang van een opgave. • Het label geeft de bijbehorende ruimtebehoefte, bestaande m² bvo van het gebouw en ruimtetekorten/-overschotten weer. Overschotten worden hierbij in het groen weergegeven en tekorten in het rood.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=d0fda9ad-dfdd-4a5e-b85e-27bd891a6524