Bijlage 08: Toelichting: quick-scan Wet Natuurbescherming
Tekst van het document
BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
Quickscan Wet natuurbescherming Ooigraaf ong. te Beuningen Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
blomecologie.nl
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0358
Datum:
21 april 2023
Samensteller:
ing. M. Smit
Collegiale toets:
ing. D.F. Knoops
Opdrachtgever:
Buro Waalburg
Contactpersoon:
S. Rijcken MSc.
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
BLOM rt ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
6
2 Methode
7
2.1
Uitvoering onderzoek
7
2.2
Soortenbescherming
7
2.3
Gebiedsbescherming
9
2.4
Houtopstanden
10
2.5
Houdbaarheid en toepassing
10
3 Beoordeling
11
3.1
Soortenbescherming
11
3.2
Gebiedsbescherming
16
3.3
Houtopstanden
19
4 Samenvatting
20
4.1
Soortenbescherming
20
4.2
Gebiedsbescherming
20
4.3
Houtopstanden
20
5 Conclusie
21
5.1
Conclusie
21
5.2
Uitvoerbaarheid
21
5.3
Vervolgstappen
21
5.4
Te treffen maatregelen
21
BLOM ri ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving
1 Inleiding Aan de Ooigraaf ong. is een voormalige maïsakker met omliggende sloten gesitueerd. Sinds de laatste oogst heeft men deze akker laten verruigen en er bevindt zich nu tussen de maisstoppels kruidenrijke vegetatie. Rondom de akker is vorig voorjaar een bloemmengsel ingezaaid of heeft men een strook braak laten liggen. De initiatiefnemer is voornemens op de planlocatie een zwembad te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet reeds in de beoogde ruimtelijke ingreep en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Buro Waalburg begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? ^ Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Ooigraaf ong. te Beuningen.
4
BLOM r~ì ECOLOGIE
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Ooigraaf ong. te Beuningen (figuur 1.2). De planlocatie betreft een voormalige maïsakker met omliggende sloten en struweel. Tussen de maisstoppels bevindt zich kruidenrijke vegetatie en rondom de akker is vorig voorjaar een bloemmengsel ingezaaid of heeft men een strook braak laten liggen. De watergangen bevatten een lichte stroming en hebben afwisselende steile en hellende oevers. Een deel van de oevers is verhard door middel van grasbetonstenen. Het perceel is gesitueerd naast een sportpark en een nieuwbouwwijk. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Ooigraaf ong. te Beuningen.
De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door nieuwbouwwoningen en parkeerplaatsen. Op circa 2 km ten westen van de planlocatie ligt snelweg A50 en op circa 1,2 kilometer ten zuiden ligt de snelweg A73. Rivier de Waal ligt 2 km ten noorden van de planlocatie.
5
BLOM r~ì ECOLOGIE
Figuur 1.3
1.2
Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een zwembad. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ ^ ^ ^ ^
verwijderen van struweel: afvoer snoeimateriaal; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie zwembad: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
6
BLOM r~ì ECOLOGIE
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 3 april 2023 en is uitgevoerd door ing. C.F. van der Vlugt onder begeleiding van ing. A.H.M. Ruit. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 70 Celsius en windkracht 2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2
Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2.
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
7
BLOM r~ì ECOLOGIE
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn.
Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Havik Buizerd Huismus Gierzwaluw Kerkuil Grote gele kwikstaart Oehoe Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Ekster Boerenzwaluw Gekraagde roodstaart Bonte vliegenvanger Glanskop Boomklever Grauwe vliegenvanger Boomkruiper Groene Specht Bosuil Grote bonte specht Brilduiker Hop Draaihals Huiszwaluw Eider IJsvogel
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.
8
BLOM r~ì ECOLOGIE
In de Omgevingsverordening van de Provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland.
Vrijgestelde soorten
Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Huisspitsmuis
Tweekleurige bosspitsmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Veldmuis
Dwergspitsmuis
Konijn
Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het Gelders Natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang geldt een compensatieplicht.
Groene Ontwikkelingszone Een nieuwe ontwikkeling in de Groene Ontwikkelingszone is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat. Deze onderbouwing dient te worden vastgelegd in een versterkingsplan. Weidevogelgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels. Ganzenrustgebied Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterende ganzen zoveel mogelijk worden beperkt, en na uitvoering minimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen
9
BLOM
r~ì ECOLOGIE
functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn.
2.4
Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5
Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
10
BLOM r~ì ECOLOGIE
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde planten: kluwenklokje en kruiptijm (NDFF 2013-2023). Zowel het kluwenklokje als kruiptijm komen voor op kalkgraslanden met voedselarme, zonnige bodems (FLORON Verspreidingsatlas, 2022). De planlocatie bestaat uit een voormalig akkerland en aangezien deze regelmatig bemest worden, kan aangenomen worden dat de bodem voedselrijk is. Ook is er op de locatie dauwbraam aangetroffen, wat ook wijst op een voedselrijke bodem. Derhalve kan de aanwezigheid van het kluwenklokje en kruiptijm worden uitgesloten. De planlocatie is een voormalige maïsakker waarop tussen de maisstoppels kruidachtige vegetatie aanwezig is. Ook is er rondom de akker een braakliggende strook waar men mogelijk vorig voorjaar een bloemmengsel ingezaaid heeft.
Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: dauwbraam, hondsdraf, kleefkruid en paardenbloem. Het onderzoeksgebied bevat verharding op de oever in het noordwestelijke deel van de planlocatie in de vorm van grasbetonstenen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2013-2023).Voor deze soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen; bever, das, rode eekhoorn en steenmarter (NDFF 2013-2023). De rode eekhoorn leeft in loofbos, naaldbos of gemengd bos maar komt ook voor in tuinen, parken en houtwallen in de buurt van bos.
Deze soort kan ook voorkomen in bebouwd gebied mits er voldoende voedsel aanwezig is, in de vorm van eikels, noten of zaden (Zoogdiervereniging eekhoorn, 2022). De planlocatie betreft een voormalige maïsakker met kruidachtige vegetatie. Gezien er geen bos of houtwallen aanwezig zijn en er ook geen voedsel aanwezig is, kan de aanwezigheid van de rode eekhoorn worden uitgesloten. Bevers komen voor in waterrijke en boomrijke gebieden en leven op het overgangsgebied van water en land. Voor deze soort is het van belang dat het water diep genoeg is zodat de ingang van de burcht permanent onderwater kan zijn. Een andere habitateis van de bever is dat via het land een andere watergang te bereiken is. Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig waardoor het voedselaanbod in de oeverzone van de sloten te beperkt is. Ook vindt er verstoring plaats van de nabijgelegen weg en de nieuwbouwwijk. Derhalve kan worden aangenomen dat de planlocatie geen essentieel leefgebied voor de bever betreft. Ook kan aangenomen worden dat de locatie niet wordt gebruikt als migratieroute, aangezien er verstoring plaatsvindt door de nabijgelegen weg en nieuwbouwwijk.
11
BLOM
r~ì ECOLOGIE
De das heeft een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap. Hierbij is het van belang dat er voldoende dekking, een groot voedselaanbod en weinig verstoring is. Daarnaast is het van belang voor de das dat er vergraafbare grond aanwezig is en het leefgebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Tijdens het veldbezoek zijn geen kenmerkende sporen zoals neusputjes of latrines aangetroffen. De planlocatie bevat geen vergraafbare grond en is naast een weg en woonwijk gesitueerd, waardoor er verstoring optreedt. Ook is er weinig struweel aanwezig welke dekking kunnen bieden aan de das. Tussen de locatie waar de waarneming van de das gedaan is en de planlocatie bevinden zich daarnaast barrières zoals een aantal wegen en industrieterreinen. Derhalve kan de aanwezigheid van de das worden uitgesloten.. De steenmarter is een soort die zich vaak in de menselijke omgeving vertoond. De aanwezigheid van groenstroken, heggen en greppels zijn hierbij van belang omdat ze kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied. Op het perceel is een kleine groenstructuur aanwezig in de vorm van braamstruweel. Echter is dit braamstruweel dermate klein, dat deze niet als essentieel leefgebied voor de steenmarter wordt aangemerkt. Daarnaast bevat de directe omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden voor deze soort.
Er zijn geen sporen, zoals latrines, uitwerpselen en prooiresten waargenomen op de planlocatie. Negatieve effecten op de steenmarter kunnen derhalve worden uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, haas, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis en meervleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat.
Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4). Op de planlocatie en in de directe omgeving daarvan zijn geen bomen aanwezig welke kunnen dienen als verblijfplaats. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen of verstoren van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De planlocatie bevat geen bebouwing en derhalve kan worden aangenomen dat er met de beoogde werkzaamheden verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen worden weggenomen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Op de locatie zijn lijnvormige structuren aanwezig in de vorm van watergangen die mogelijk gebruikt kunnen worden als vliegroute voor vleermuizen. Ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep worden deze structuren niet aangetast. Om verstoring van mogelijke vliegroutes te voorkomen dient lichtuitstraling richting deze watergangen ten alle tijden voorkomen te worden (zie H5.4).
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: Alpenwatersalamander, bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, groene kikker, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Alpenwatersalamander, kamsalamander, knoflookpad en poelkikker.
12
BLOM
r~ì ECOLOGIE
Amfibieën leven zowel in een aquatisch als terrestrische omgeving. Deze omgevingen betreffen voortplantingswater, foerageergebieden en overwinteringsstructuren. Deze habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De Alpenwatersalamander is een soort die vooral voorkomt in heidegebieden, bossen, agrarisch gebied op zandgronden. Gebieden met hoogveen, rivier- en zeeklei worden hierbij gemeden (RAVON, 2018). Het voortplantingswater van deze soort betreft vennen, poelen in bossen en tuinvijvers. De Alpenwatersalamander overwinterd veelal op het land onder stronken of houtstapels. Het is hierbij van belang dat de overwinteringsplaats en het voortplantingshabitat op korte afstand van elkaar liggen (Creemers & Van Delft, 2009). De planlocatie bevat geen stronken of houtstapels en is daarom niet geschikt als overwinteringsplaats. Dergelijke structuren zijn ook niet aangetroffen in de omgeving van de planlocatie, wat het gebruikt van de watergangen als voortplantingshabitat uitsluit. Ook vindt er veel verstoring plaats op de planlocatie door de aangelegen woonwijk en wegen. Tevens is de verwachting dat er vis aanwezig is in de watergangen. Derhalve kan de aanwezigheid van de Alpenwatersalamander worden uitgesloten. De kamsalamander komt voor in bosrijke gebieden met houtwallen of struweel.
Het is hierbij van belang dat er een rijke watervegetatie aanwezig is en de poelen op korte afstand van elkaar liggen(RAVON, 2018).Het voortplantingswater van de kamsalamander betreft diepe, grote poelen met stilstaand water. Locaties die deze soort gebruikt om te overwinteren en om te foerageren zijn vochtige, beschutte en vorstvrije plekken, bijvoorbeeld tussen stapels stenen. Daarnaast wordt de kamsalamander zelden aangetroffen in sloten in agrarische gebieden (BIJ12 kennisdocument Kamsalamander, 2017). De planlocatie bevindt zich niet in een bosrijk gebied en de watergangen bevatten geen rijke watervegetatie. Daarnaast zijn er op de planlocatie geen diepe, grote poelen aanwezig met stilstaand water en is er geen vorstvrije plek aanwezig die de kamsalamander kan gebruiken als overwinteringsstructuur. De sloten zijn direct naast agrarisch gebied gelegen. De aanwezigheid van de kamsalamander kan derhalve worden uitgesloten. De knoflookpad is gebonden aan stroomdalen van beken en rivieren. Deze soort heeft hierbij een voorkeur voor diepe poelen met veel onderwater- en oevervegetatie. Ook is het hierbij van belang dat er vergraafbare zandplekken aanwezig zijn. Het voortplantingshabitat voor de knoflookpad betreft grote poelen die elke twee jaar droogvallen. In de zomer verblijft deze soort in halfopen rivierduinen.
De planlocatie bevat geen diepe poelen die droogvallen en de open plekken op de planlocatie bestaan uit een kleiige bodem en zijn derhalve niet goed vergraafbaar. Derhalve kan de aanwezigheid van de knoflookpad worden uitgesloten. De poelkikker komt voor in schoon, stilstaand water omgeven door weilanden en bossen. Deze soort komt voor in agrarisch landschap wanneer het water niet te sterk geëutrofieerd is, de watergang verbonden is met andere kleine watersystemen en er een goed begroeide oever aanwezig is. De aanwezigheid van de poelkikker kan derhalve niet worden uitgesloten. Echter worden de sloten op de planlocatie niet gedempt of aangetast tijdens de beoogde werkzaamheden. Ook zijn er in de omgeving van de planlocatie genoeg (tijdelijke) uitwijkmogelijkheden voor deze soort. Negatieve effecten op de poelkikker kunnen derhalve worden uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2013-2023).
Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Door de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het
13
BLOM
r~ì ECOLOGIE
plangebied uitgesloten. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2013 2023). Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van de algemene zorgplicht geldt dat bij het ontstaan van trillingen door mogelijke heiwerkzaamheden de vissen voldoende uitwijkmogelijkheden buiten de verstoringszone kennen gezien de watergangen aan de rand van de planlocatie zijn verbonden met die in de omgeving. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout en teunisbloempijlstaart(NDFF 2013-2023). De rivierrombout komt voor langs grote beken en rivieren. Een habitateis van deze soort is dat er zand en\of slib wordt afgezet op de locatie, zoals op ondiepe stromingsluwe delen van rivieren (Vlinderstichting rivierrombout, 2022). De planlocatie ligt op een afstand van circa 2 km van de Waal en de rivierrombout is een mobiele soort. Derhalve kan niet worden uitgesloten dat de soort de planlocatie als migratieroute kan gebruiken.
Echter bevat de planlocatie geen geschikte voortplantingsplekken voor deze soort, en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. De teunisbloempijlstaart is een soort die voorkomt op open plekken in vochtige bossen en warme open plaatsen, voornamelijk braakliggende of ruderale terreinen. De waardplant van deze soort is voornamelijk de teunisbloem, maar wilgenroosje, basterdwederik en grote kattenstaart kunnen ook gebruikt worden. Gezien de planlocatie niet voldoet aan deze habitateisen en de waardplanten niet aanwezig zijn, kan de aanwezigheid van de teunisbloempijlstaart worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
14
BLOM Ai ECOLOGIE
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: grauwe gans, knobbelzwaan waterhoen en wilde eend. Gedurende het veldbezoek zijn individuen, nesten en/of sporen niet aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023). Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Door de afwezigheid van bebouwing op de planlocatie kan het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie derhalve uitgesloten worden. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot zeer beperkte aantasting van groene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De planlocatie bevat geen bebouwing.
Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Aangezien de planlocatie omgeven is door agrarisch landschap kan worden aangenomen dat de planlocatie geen essentieel leefgebied betreft. Ook bevat de omgeving van de planlocatie genoeg uitwijkmogelijkheden. Negatieve effecten op uilen en roofvogelsoorten kunnen derhalve worden uitgesloten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen ten zuidwesten van de planlocatie vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
15
BLOM r~ì ECOLOGIE
3.2 Gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa 1,7 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 3.1).
Figuur 3.1
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,7 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een zwembad. Ondanks dat deze buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieve effecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ruimtelijke ingreep in de gebruiksfase tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. Gezien de functie van de nieuwbouw kan een toename in stikstofuitstoot niet uitgesloten worden in de gebruiksfase. Gedurende de bouwfase kan er een tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. Per 2 november 2022 geldt dat de algemene bouwvrijstelling onbruikbaar is en dat activiteiten van de bouwsector onderdeel moeten zijn van de beoordeling. Tussen de planlocatie en het dichtbijzijnde Natura 2000-gebied is er sprake van een afstand van circa 1,7 km en de planlocatie is op circa 1,8 km afstand gelegen van een stkstofgevoelig habitattype (AERIUS, 2023).
Gezien in de beoogde ontwikkeling een zwembad gerealiseerd wordt, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Derhalve dient een stikstofberekening uitgevoerd te worden middels de AERIUS-Calculator. Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,1 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,7 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 3.2). Op een afstand van circa 6,2 km ligt Weidevogelgebied (figuur 3.3). Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 2,5 km van de planlocatie (figuur 3.4). Op een afstand van circa 4,3 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur
16
BLOM r~ì ECOLOGIE
(figuur 3.5). Ten aanzien van provinciaal aangewezen gebieden geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 3.2 De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,1 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op 1,7km van de Groene Ontwikkelzone (bron: gldanders.planoview.nl).
Figuur 3.3 De planlocatie ligt op een afstand van circa 6,2 gldanders.planoview.nl).
km tot het weidevogelgebied (bron:
17
BLOM r~ì ECOLOGIE
Figuur 3.4 De planlocatie ligt op een afstand van circa 2,5 gldanders.planoview.nl).
km tot het Ganzenrustgebied (bron:
Figuur 3.5 De planlocatie ligt op een afstand van circa 4,3 km tot de Beschermingszone natte landnatuur (bron: gldanders.planoview.nl).
18
BLOM r~ì ECOLOGIE
3.3
Houtopstanden Wet natuurbescherming In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Algemene Plaatselijke Verordening Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
19
BLOM r~ì ECOLOGIE
4 Samenvatting 4.1
Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart - 15 juli). Tabel 4.1
Overzicht van de Soortenbescherming.
Soortgroep
Bescherming Wnb
Soortspecifiek onderzoek
Planten
Nee
Grondgebonden zoogdieren
Nee
Vleermuizen
Nee
Amfibieën
Nee
Reptielen
Nee
Vissen
Nee
Insecten en andere ongewervelden
Nee
Vogels (cat. 1 t/m 4)
Nee
Vogels (Algemeen en cat. 5)
Nee
Mogelijke functie planlocatie
4.2 Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. Tabel 4.2
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Mogelijke effecten
Nader onderzoek
Natura 2000 Gelders Natuurnetwerk Weidevogelgebied Ganzenrustgebied Beschermingszone natte landnatuur
1,7 km 1,1 km 6,2 km 2,5 km
Stikstof Geen Geen Geen
AERIUS N.v.t. N.v.t. N.v.t.
4,2 km
Geen
N.v.t.
4.3 Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
20
BLOM r~ì ECOLOGIE
5 Conclusie 5.1
Conclusie De beoogde ruimtelijke ingreep aan de Ooigraaf ong. is uitvoerbaar in het kader van de Wet natuurbescherming.
5.2
Uitvoerbaarheid De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
5.3
Vervolgstappen Voor de beoogde ruimtelijke ingreep dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.
5.4
Te treffen maatregelen ^
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (algemene zorgplicht).
^
Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.
^
Eventueel aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) voorafgaand aan de werkzaamheden gefaseerd verwijderen. Dit om grondgebonden dieren de kans te bieden zelfstandig de planlocatie te verlaten.
^
Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
^
De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Dit geldt met name richting de watergangen gezien mogelijke vliegroutes van vleermuizen. Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).
^
De bouwwerkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.
21
BLOM r~ì ECOLOGIE
Bronvermelding Geraadpleegde documenten (BIJ12, 2017) Kennisdocument Bever (Castor fiber) Kennisdocument Das (Meles meles) Kennisdocument Gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) Kennisdocument Gierzwaluw (Apus apus) Kennisdocument Huismus (Passer domesticus) (2023) Kennisdocument Ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl Bijlage 1
Fotografische impressie
Bijlage 2
Vervolgstappen Wet natuurbescherming soortenbescherming
22
BLOM r~ì ECOLOGIE
Bijlage 1
Fotografische impressie
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Ooigraaf ong. en bestaat uit een voormalige maïsakker. De beoogde ruimtelijke ingreep betreft de realisatie van een zwembad.
Figuur 2
Enkele oevers zijn zeer flauw en zijn braakliggend waardoor deze inheemse flora bevatten.
23
BLOM r~ì ECOLOGIE
Figuur 3
De watergang is troebel en licht stromend.
Figuur 4
Ten zuiden van de planlocatie bevindt zich dauwbraam.
24
BLOM r~ì ECOLOGIE
Bijlage 2
Vervolgstappen Wnb
Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit 'Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
25
BLOM r~ì ECOLOGIE
Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; 2. in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; 3. ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; 4. ter bescherming van flora of fauna; 5. voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of 6. om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan; c) de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee).
De voorwaarden zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5). Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a) er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b) zij is nodig: 1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 2. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; 3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; 4. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of 5.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c) er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
26
BLOM r~ì ECOLOGIE
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ruimtelijke ingreep dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven en zijn aanvullend op de belangen die voor Habitatrichtlijnsoorten kunnen worden aangevoerd (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 1. 2. 3.
4. 5. 6.
7. 8.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of in het algemeen belang.
27
BLOM
r~ì ECOLOGIE
BLOM ECOLOGIE Verbindt natuur en samenleving Koeweistraat 2 4181 CD Waardenburg 0418 820 288
blomecologie.nl