CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 07: Bijlage Toelichting: bijlage 4 Verkennend archeologisch onderzoek

Raadsvergadering 9 april 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Deijnsestraat 14 Winssen27.270 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

__________________ „ ro/nsultancy

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN GECOMBINEERD VERKENNEND EN KARTEREND BOORONDERZOEK DEIJNSCHESTRAAT 14 TE WINSSEN GEMEENTE BEUNINGEN

Archeologie

Archeologisch bureauonderzoek en gecombineerd verkennend en karterend booronderzoek Deijnschestraat 14 te Winssen Opdrachtgever

De heer J.G. van Welie Deijnschestraat 14 6645 KC Winssen

Rapportnummer

15874.002

Versienummer1

2

Datum

8 september 2022

Vestiging

Gelderland Fabriekstraat 19c 7005 AP Doetinchem 088 - 5001600 doetinchem@econsultancy.nl

Opsteller

De heer ir. E.M. ten Broeke

Paraaf

Kwaliteitscontrole

De heer drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Doetinchem Foto's en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schríftelijke toestemming van de uitgevers. Econsul­ tancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de advie­ zen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

15874.002

Toponiem

Deijnschestraat 14

Opdrachtgever

de heer J.G. van Welie

Gemeente

Beuningen

Plaats

Winssen

Provincie

Gelderland

Kadastrale gegevens

Gemeente Ewijk, sectie G, nummer 125 (ged.)

Omvang plangebied

Circa 1.000 m2

Kaartblad

39 H (1:25.000)

Coördinaten centrum plangebied

X: 175.783 1 Y: 433.156

Bevoegde overheid

Gemeente Beuningen Postbus 14 6640 AA Beuningen Tel. 14 024 Email: gemeente@beuningen.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

De heer drs. P.F.J. Franzen Gemeentearcheoloog Nijmegen Regioarcheoloog a.i. Mob. 06-46565408 Email: p.franzen@nijmegen.nl

ARCHIS3 Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

Bureauonderzoek

Booronderzoek

5085937100

5085945100

Archeoregio NOaA

Utrechts-Gelders rivierengebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Doetinchem/Provinciaal Archeologisch Depot Gelderland

Uitvoerder

Econsultancy, ir. E.M. ten Broeke

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaar­ heid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsul­ tancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de heer J.G. van Welie een archeologisch vooronderzoek uitge­ voerd voor een plangebied gelegen aan de Deijnschestraat 14 te Winssen in de gemeente Beuningen. De initiatiefnemer is voornemens de nieuwbouw van een vrijstaande woning met een bijgebouw te realiseren. Gespecificeerde archeologische verwachting Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied een middelhoge verwachting op het voorkomen van archeologische resten uit de perioden (Laat-)Paleolithicum t/m het MiddenNeolithicum en een hoge verwachting voor de perioden vanaf de Late-IJzertijd. Gedurende het (Laat)Paleolithicum t/m het Midden-Neolithicum (Jagers-Verzamelaars) had het plangebied een ligging binnen het relatief hoger gelegen Laagterras. De hoger gelegen terrasruggen/opduikingen vormde de meest geschikte locaties waren voor bewoning. Circa 850 meter ten zuidwesten van het plangebied zijn vroeg- tot laat-prehistorische resten aangetroffen in de top van het pakket pleistocene rivierafzettingen. Gedurende de perioden Laat-Neolithicum - Midden-IJzertijd (Landbouwers) had het plange­ bied een relatief lage ligging in een komgebied en vormde geen gunstige bewoningslocatie. Vanaf circa 200 voor Chr. kwam het plangebied binnen de oeverwalzone te liggen.

Deze oeverwal is ge­ vormd in de tijd dat de Waal stroomgordel actief was (voordat bedijking plaatsvond). Archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied, als door particulieren aangetroffen vondstmateriaal, laten zien dat tijdens en na de vorming van relatief hooggelegen oeverwallen langs de rivier de Waal deze gebieden zeer geschikte bewoningslocaties vormde. Hier konden diverse agrarische activiteiten worden ontplooid, vooral na de ontginning van het gebied in de 9^10e eeuw, waardoor het zoge­ naamde Oud Cultuurland werd vormgegeven (het plangebied ligt binnen het Oud Cultuurland). Be­ schikbaar historisch kaartmateriaal laat zien dat het plangebied vanaf in ieder geval het begin van de 19e eeuw al deels in agrarisch gebruik was. Resultaten inventariserend veldonderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek laten zien dat Pleistocene rivierterrasafzettingen op een geringere diepte voorkomt dan werd verwacht vanuit de resultaten van het bureauonderzoek. Grindrijk grof zand komt al voor op een diepte vanaf gemiddeld 235 cm -mv en hierboven bevindt zich een circa 40 cm dikke Laag van Wijchen. In de top van deze stugge kleilaag is sprake van een sterk ontwikkelde vegetatiehorizont.

De sterke mate van bodemontwikkeling duidt op een voormalig maaiveldniveau, waarbij het plangebied waarschijnlijk een relatief hoge ligging had binnen het aanwezige landschap gedurende het einde van het Laat-Glaciaal en het Vroeg-Holoceen. Boven de Laag van Wijchen is een zandige laag en vervolgens een zwaar getextureerde kleilaag aanwezig, tussen circa 140 en 195 cm -mv. Het betreffen waarschijnlijk crevasse-afzettingen afgedekt met komklei, welke mogelijk zijn gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de Winssen stroomgordel. In de top van de komafzettingen is tevens een zwak ontwikkelde laklaag/vegetatiehorizont aan­ wezig. Dit duidt op een periode dat sedimentatie gering was, meest waarschijnlijk ná de actieve fase van de Winssen stroomgordel. De bovenste 140 cm van de bodemopbouw betreft kalkrijke oeverafzettingen gesedimenteerd tijdens de actieve fase van de Waal stroomgordel (en voordat bedijking plaatsvond). In de top heeft zich een kalkhoudende ooivaaggrond ontwikkeld. Er is sprake van een vrij intacte bodemopbouw/recente bodemverstorende ingrepen hebben in beperkte mate plaatsgevonden. Over het algemeen is alleen de bovengrond (tot gemiddeld 55 cm) verstoord/omgewerkt, meest waarschijnlijk door eerder agrarisch gebruik. In het oostelijke deel van het plangebied hebben wat diepere recente verstoringen/vergravingen plaatsgevonden, tot circa 80 cm -mv.

Rapport 15874.002 versie 2

Alleen in de verstoorde bovengrond zijn plaatselijk enkele fijne resten beton^baksteenpuin aangetrof­ fen. Waarschijnlijk gaat om sloopafval dat vooral door agrarische bewerking in de bodem terecht is gekomen (bemestingsresten). Het is niet archeologisch relevant. Verder zijn in het opgeboorde mate­ riaal geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen en ook concentraties van houtskool of fosfaatvlekken, welke een aanwijzing kunnen zijn voor de aanwezigheid van een door de mens ge­ vormde cultuurlaag, zijn niet waargenomen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er op basis van de resultaten van het booronderzoek er geen aanwijzing zijn om restanten van een archeologische vindplaats binnen het plangebied te verwachten in het pak­ ket Holocene afzettingen (oever- op kom- op crevasseafzettingen). Er zijn dus geen gevolgen voor de voorgenomen bodemingrepen. De gespecificeerde archeologische verwachting op basis van het bu­ reauonderzoek, waarbij nog een verwacht gold op de aanwezigheid van archeologische resten uit de perioden vanaf met name de Late-IJzertijd, kan dan ook worden bijgesteld naar geen verwachting. Er is geen aanleiding meer om nog de aanwezigheid van een archeologische vindplaats binnen het pak­ ket Holocene afzettingen en daarmee binnen de geplande verstoringsdiepte (tot circa 1 m -mv) te ver­ moeden.

De middelhoge verwachting voor de perioden (Laat-)Paleolithicum - Midden-Neolithicum blijft wel gehandhaafd. Eventueel aanwezige resten en/of sporen uit deze perioden wordt verwacht in de top van de Pleistocene rivierterrasafzettingen (Wijchen Laag), pas vanaf circa 195 cm -mv, en zul­ len door de geplande ontwikkeling niet worden verstoord. Advies Op grond van het ontbreken van aanwijzingen voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen de geplande verstoringsdiepte (geen archeologische resten aangetroffen in de versneden en verbrokkelde pakket Holocene afzettingen), adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonder­ zoek te laten plaatsvinden. De geplande ingrepen kunnen, voor zover het archeologische waarden betreft, zonder beperkingen worden uitgevoerd. Indien er bij toekomstige ontwikkelingen wel (diepere) bodemverstorende ingrepen gaan plaatsvinden die reiken tot in de Pleistocene afzettingen (dieper dan 195 cm -mv), wordt geadviseerd een vervolg­ onderzoek/aanvullend onderzoek te laten plaatsvinden gericht op het bepalen of wel of geen sprake is van (een) vindplaats(en) van jager-verzamelaars (vuursteenvindplaats(en)). Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeks­ methode.

De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied en binnen de diep­ te tot waar bodemverstorende ingrepen zijn gepland, kan nooit volledig worden uitgesloten. Mochten tijdens de graafwerkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, dan dient hier­ van melding te worden gemaakt conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed). De gemeente is akkoord met het advies van Econsultancy om ten aanzien van de geplande bodem­ ingrepen geen archeologisch vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Ten aanzien van het advies bij toekomstige ontwikkelingen waar bodemverstorende ingrepen gaan plaatsvinden, wordt door de gemeente een buffer van 30 cm boven het niveau van de Pleistocene afzettingen aangehouden. Dat wil zeggen dat bij ingrepen vanaf 165 m -mv, een inventariserend kar­ terend veldonderzoek noodzakelijk is om te bepalen of sprake is van een vindplaats op dit niveau (zie ook bijlage 7).

Rapport 15874.002 versie 2

INHOUDSOPGAVE

1

INLEIDING...................................................................................................................................1

2

BUREAUONDERZOEK...............................................................................................................1 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9

3

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK.............................................................................. 27 3.1 3.2 3.3

4

Doelstelling en onderzoeksvragen....................................................................................1 Methoden...........................................................................................................................1 Afbakening en huidige situatie van het plangebied.......................................................... 2 Toekomstige situatie..........................................................................................................3 Aardwetenschappelijke gegevens.................................................................................... 4 Archeologische waarden...................................................................................................9 Beschrijving van het historische gebruik........................................................................ 22 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel........................................................ 25 Conclusie bureauonderzoek en afweginggekozen onderzoeksmethode......................... inventariserend veldonderzoek....................................................................................... 27

Doelstelling en onderzoeksvragen................................................................................. 27 Methoden........................................................................................................................ 27 Resultaten...................................................................................................................... 28

CONCLUSIE EN ADVIES..........................................................................................................30 4.1 4.2

Conclusie.........................................................................................................................30 Advies ............................................................................................................................ 31

LITERATUUR..................................................................................................................................... 33 BRONNEN ......................................................................................................................................... 35

Rapport 15874.002 versie 2

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Overzicht AMK-terreinen Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-vondsten Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Gespecificeerde archeologische verwachting Algemene bodemopbouw plangebied

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15. Figuur 16. Figuur 17. Figuur 18. Figuur 19.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidsadvieskaart gemeente Beuningen Holocene stroomgordels en afgedekt Pleistoceen Situering van het plangebied binnen de Zandbanenkaart (zanddiepte + deklaag) + 2010 van de provincie Gelderland Situering van het plangebied binnen de Paleo-geografische kaart met archeologische verwachtingen gemeente Beuningen Situering van het plangebied binnen het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met als achtergrond het AHN Situering van het plangebied binnen de Cultuurhistorische kenmerkenkaart gemeente Beuningen Situering van het plangebied binnen de Kadastrale kaart uit 1820 (Minuutplan) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1868 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1920 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1935 (Bonneblad) Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1957 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1977 Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1991 Boorpuntenkaart plangebied met als achtergrond de luchtfoto

BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus Inrichtingsplan Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s van de opgeboorde profielen Boorprofielen Selectiebesluit bevoegde overheid

Rapport 15874.002 versie 2

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van de heer J.G. van Welie een archeologisch vooronderzoek uitge­ voerd voor een plangebied gelegen aan de Deijnschestraat 14 te Winssen in de gemeente Beuningen (zie figuren 1 en 2). De initiatiefnemer is voornemens de nieuwbouw van een vrijstaande woning met een bijgebouw te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeolo­ gisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006). Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase direct gecombineerd met de karterende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 3). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen noodzakelijk zijn (hoofdstuk 4). Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 22 en 23 juni 2021 door ir. E.M. ten Broeke (Senior KNA Pro­ spector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 2 juli 2021 door E.M. ten Broeke (Senior KNA Prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (Senior KNA Archeoloog).

2

BUREAUONDERZOEK

2.1

Doelstelling en onderzoeksvragen

Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwach­ ting voor het plangebied. Hiervoor wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand van deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2

Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (KNA, versie 4.1, 24-05-2018) en conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Ne­ derlandse Archeologie (KNA, versie 4.1, 24-05-2018), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06.2 Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht: ^ ^ ^ ^ ^

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toe­ komstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

2 SIKB

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 1 van 35

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd: ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ ^

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); Atlas van Gelderland; literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Beuningen; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.

2.3

Afbakening en huidige situatie van het plangebied

Afbakening Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1.000 meter rondom het plangebied.3 Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1.000 m2 en ligt aan de Deijnschestraat 14, circa 1,2 kilometer ten westen van de kern van Winssen in de gemeente Beuningen (zie figuren 1 en 2). Vol­ gens het Algemeen Hoogtebestand Nederland (AHN) bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 7,4 m +NAP. Het perceel, waar het plangebied deel van uitmaakt, is kadastraal bekend als ge­ meente Ewijk, sectie G, nummer 125. Volgens de topografische kaart van Nederland, kaartblad 39 H (1:25.000), zijn de coördinaten van het midden van het plangebied X: 175.783 I Y: 433.156. Huidige situatie Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en be­ bouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Hiervoor is gebruik gemaakt van de meest recente gegevens.

Het plangebied is momenteel in agrarisch gebruik (grasland) en langs de westzijde loopt de Deijn­ schestraat. Het plangebied wordt verder omgeven door agrarische percelen en woonervenlboerenerven (zie figuur 3).

3 Binnen deze straal wordt geacht dat er voldoende informatie beschikbaar is om een gefundeerde uitspraak te doen over de archeologische verwachting van het plangebied.

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 2 van 35

Vigerend beleid Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. Het doel van deze wet is te voorkomen dat archeolo­ gische waarden uit het verleden verloren gaan. In deze wet zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het beheer van het bodemarchief binnen hun grondgebied. Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures. Het plangebied valt binnen het bestemmingsplan buitengebied gemeente Beuningen (vastgesteld op 27-09-2018). Volgens dit bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 120 m2 en dieper dan 30 cm -mv.4 De dubbelbestemming is afgeleid van de archeologische beleids- en verwachtingskaart van de ge­ meente Beuningen.

Volgens deze kaart (zie figuur 4) ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting (beleidszone 3, buiten de bebouwde kom).5 Huidig milieuhygiënisch bodemonderzoek Gelijktijdig met het archeologisch vooronderzoek is er voor het plangebied door Econsultancy een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy rapportnummer: 154874.001). De resul­ taten van het milieuhygiënisch bodemonderzoek waren ten tijde van het afronden van het archeolo­ gisch vooronderzoek nog niet bekend. Atlas Gelderland6 Met de Atlas Gelderland wilt de provincie Gelderland inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit binnen de provincie in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat de Bodematlas zien waar vroeger (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Het raadplegen van de Atlas Gelderland heeft voor het plangebied zelf geen aanvullende gegevens opgeleverd. 2.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik/inrichting van het plangebied kan gevolgen hebben op het inVex-situ behoud van de archeologische waarde. De initiatiefnemer is voornemens de nieuwbouw van een vrijstaande woning met een bijgebouw te realiseren (zij bijlage 4). Ter plaatse van de toekomstige bebouwing zal naar verwachting, bij de aan­ leg van een standaard staalfundering, de bodem tot een diepte van maximaal circa 1 m -mv worden afgegraven (bouwput). De funderingsbalken zullen tevens komen te staan op heipalen. De nieuw­ bouw wordt voor zover bekend niet onderkelderd.

4 Portaal voor Ruimtelijke Plannen 5 Heunks & Van Hemmen, 2007 6 httpsV/geoweb.gelderland.nl/WebViewer/Index.htmlîconfigBase^ttpV/geoweb.gelderland.nl/Geocortex/Essentials/ REST/sites/Bodemverontreinigingen/viewers/test/virtualdirectory/Resources/Config/Default

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 3 van 35

2.5

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het land­ schap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens

Gegevensomschrijving

Geologie7

Oeverwal- op komafzettingen van de Formatie van Echteld, op grotere diepte grove grind­ houdende fluviatiele zanden van de Formatie van Kreftenheye. Mogelijk tussen de Formatie van Echteld en Kreftenheye een zandige, stugge kleilaag (Laagpakket van Wijchen).

Geologische-geomorfologische kaart van de

Gelegen buiten bekende meandergordels/stroomgordels. Op grotere diepte liggend binnen

Rijn-Maas delta8

het Laagterras.

Paleo-geografische kaart met archeologische verwachtingen gemeente Beuningen9

tijdens de oude fase van de meandergordel van de Waal, actief tussen circa 210 voor Chr.

Binnen een gebied van komafzettingen bedekt met oeverafzettingen, gesedimenteerd en 500 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroege-Middeleeuwen).

Zandbanenkaart provincie Gelderland10 11

Pleistoceen zand (Laagterras) tussen 3,0 en 4,0 m -mv (code 23).

Geomorfologie11

Binnen een rivieroeverwal (3K25).

Bodemkunde12

Kalkhoudende ooivaaggrond, bestaande uit lichte zavel en lichte klei (Rd10A).

Grondwatertrap

VI

Landschappelijke ontwikkeling13 Het plangebied is gelegen in het rivierengebied en maakt onderdeel uit van de Holocene Rijn-Maas delta. De ondergrond van het plangebied maakt deel uit van een groot preglaciaal bekken, welke gevormd en deels opgevuld is door voorlopers van de Rijn en de Maas. Tijdens het Pleistoceen werden in dit bekken veelal grove, grindhoudende zanden afgezet, vaak onder koude klimaatcondities. Ruwweg 200.000 jaar geleden lag een groot gedeelte van Nederland onder een vanuit Scandinavië naar het zuiden opgeschoven ijskap. De rand van het ijs bestond uit een aantal gletsjertongen. Aan weerszij­ den van deze ijsmassa's werden stuwwallen opgeduwd. Zo liep er een grote W-vormige stuwwal van Arnhem via Nijmegen over Groesbeek naar Kleef tot Montferland.

7 De Mulder et al., 2003 8 Cohen et al., 2012 9 Heunks & Van Hemmen, 2007 10 https:ZZgeoportaal.gelderland.nlZportaalZappsZwebappviewerZindex.html?id^a0682f26ad148e08abf81579488d6e4 Z Cohen et al., 2009 11 Alterra, 2003 12 Stichting voor Bodemkartering, 1974 13 De Mulder et al., 2003/Heunks & Van Hemmen, 2007/Berendsen, 2008/Lodiers, 2008/Cohen et al., 2009

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 4 van 35

De rivieren Rijn en Maas, die een stromingsrichting hadden van zuid naar noord, werden door deze ijskap gedwongen hun weg langs de zuidzijde van het ijs westwaarts naar de zee te zoeken. Daarbij werden enkele brede pradolina’s of oerstroomdalen gevormd. Het grootste oerstroomdal lag onge­ veer ter plaatse van het huidige gebied van de Rijn-Maas delta. In dit dal werden overwegend grove, grindhoudende zanden afgezet, welke behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Het smeltwater van het landijs stroomde aan de buitenzijde van de stuwwallen af richting het stroomdal van de Rijn en de Maas. Hierbij ontstonden aan de voet van de stuwwallen uitgestrekte puinwaaiers van glaciofluviatiele afzettingen, de zogenaamde Sandrs. Gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 120.000 - 10.000 jaar geleden), bereikte het landijs Nederland niet. Toentertijd heerste er in Nederland wel een continentaal periglaciaal klimaat. Dit houdt in dat de omstandigheden erg koud en droog waren. Het landschap in Nederland bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. Ongeveer halverwege de duur van de laatste ijstijd, het Midden-Weichselien (vaak aangeduid als het Pleniglaciaal, 55.000 tot 13.000 jaar geleden) voerde de Rijn zijn water in zijn geheel af in westelijke richting, ten zuiden van het stuwwallengebied van de Veluwe naar de Noordzee.

De kustlijn lag toen op een aanzienlijk afstand van de huidige kustlijn, omdat de zeespiegel tot soms wel 120 m -NAP lag. De Rijn en de Maas hadden een vlechtend karakter, in de vorm van ondiepe, brede en snel verleggende geulen en er werd voorname­ lijk grofzandig en grindrijk sediment afgezet in de vorm van banken en terrassen. De afzettingen be­ horen tot het Laagpakket 5 van de Formatie van Kreftenheye. De destijds gevormde riviervlakte wordt aangeduid als het Pleniglaciaal terras of Laagterras. Aan het einde van het Wiechselien, tijdens het Laat-Glaciaal (13.000 tot 10.150 jaar geleden), waren er perioden dat het minder koud was of soms zelfs vergelijkbaar met ons huidige klimaat. Het land­ schap raakte geleidelijk bedekt met een aaneengesloten vegetatie. Hierdoor verminderde de sedimentaanvoer vanuit het achterland (stroomgebied van de Rijn). Ook de waterafvoer werd regelmati­ ger. Hierdoor begint de Rijn zich in te snijden en veranderd zijn geulpatroon van vlechtend naar me­ anderend, waarbij de afvoer zich concentreerde in één centrale, diepere en meanderende geul. Tij­ dens overstromingen door hoogwater wordt op het hoger gelegen Laagterras een vrij stugge, (sterk) zandige tot siltige kleilaag afgezet en deze staat bekend als de Laag van Wijchen (Wijchen I).

Het definitieve einde van het Laat-Glaciaal, en daarmee van het Weichselien, werd gekenmerkt door een korte, zeer koude en droge fase, het Jonge Dryas (10.500 tot 10.150 jaar geleden). De gesloten vegetatie maakt weer plaats voor toendra en het landschap wordt opener. De Rijn neemt weer een vlechtend patroon aan, waarbij de oude Kreftenheye 5 deels wordt geresedimenteerd in een nieuw gevormd lager gelegen terras, het Late Dryas-terras of Terras X genaamd. De afzettingen worden geologisch gezien gerekend tot het Laagpakket 6 van de Formatie van Kreftenheye. Ter plaatse van het plangebied is de oorspronkelijke top van de rivierterrasafzettingen geërodeerd door Holocene stroomgordels. Omdat de vlechtende geulen frequent droog vielen of voor langere periode niet water­ voerend waren, konden door de sterk heersende (zuid-)westenwinden zand uit de geulen waaien. In de luwte van de begroeide oevers, langs de noordoostelijke zijde van de geulen, werd het verwaaide zand opnieuw afgezet als duinen. Deze rivierduinen behoren tot het Laagpakket van Delwijnen van de Formatie van Boxtel. Na het Jonge Dryas begint het huidige geologische tijdperk van het Holoceen.

Het klimaat verandert definitief met snel stijgende temperaturen, het vallen van meer neerslag en de ontwikkeling van een loofvegetatie op de hogere delen en een broekvegetatie (berken-elzenbroekbos) en de vorming van laagveen in de nattere en lager gelegen gebieden. De Rijn gaat zich weer insnijden en neemt weer een meanderend patroon aan. Tijdens de eerste overstromingen in het Vroeg-Holoceen wordt er weer een sterk zandige, grijsblauw kleurende klei afgezet, aangeduid als de Laag van Wijchen II van de Formatie van Kreftenheye en vergelijkbaar met de Laag van Wijchen I.

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 5 van 35

Door de stijging van de zeespiegel schuift de terrassenkruising, het overgangspunt waar stroomop­ waarts de rivier zich insnijdt en stroomafwaarts aggradeert (ophoogd), naar het oosten op. De terras­ senkruising lang circa 4500 jaar geleden (in de tweede helft van het Subboreaal) ter hoogte van Nij­ megen en Oosterhout. Tijdens jaarlijkse overstromingen werd vooral het zandige materiaal dicht bij de rivierbedding afgezet, in de vorm van hoog gelegen oeverwallen of stroomruggen, de zogenaamde stroomgordelafzettingen. Het fijnere materiaal (vooral klei) werd verder van de rivierloop afgezet als komafzettingen, daar waar het water rustiger stroomde (de lager gelegen komgebieden). Deze afzet­ tingen van de Rijn behoren tot de Formatie van Echteld. Daar waar geen sediment van de Rijn werd afgezet vond veenvorming plaats, aangeduid als de Basisveenlaag en behorend tot de Formatie van Nieuwkoop. Omdat de oeverwallen langs de rivier niet overal even hoog waren was het mogelijk dat bij hoog wa­ ter het water over de laagste delen van de oeverwal stroomde. Door erosie werd een diepe geul (soms enkele meters diep) door de oeverwal uitgesleten, een zogenaamde crevassegeul.

Crevassegeulen gedragen zich als een miniatuur rivierbedding, waarbij in en langs de geulen sedimentatie plaatsvindt, in de vorm van crevasse-afzettingen (vroeger ook wel beschreven als oevergronden of natuurlijke overslaggronden). Crevasse-afzettingen zijn minder dik dan stroomgordelafzettingen, smaller, en meestal slechts over enkele honderden meters, tot hoogstens enkele kilometers te vol­ gen. Hun lithologische opbouw is vaak bijzonder complex; op korte afstand is de lithologische variatie zeer groot. Crevassecomplexen zijn, in relatief zeldzame gevallen, uitgegroeid tot een rivierverlegging (avulsie) in de tijd voordat de bedijking van de grote rivieren plaatsvond. Wanneer de terraskruising het rivierengebied ten noorden van Nijmegen passeert, vanaf ongeveer 4500 jaar geleden (2500 voor Chr.), treden in de omgeving in de loop van de tijd diverse avulsies op. Door externe factoren zoals zeespiegelstijging, tektoniek, variaties in debiet en sedimenttoevoer, wordt de Rijn-Maas delta verder opgevuld met sediment en raakten de flanken van de rivierduinen, of vaak de gehele rivierduin, bedekt met veen of rivierafzettingen (zand en klei). De rivierduinen zijn echter voor lange tijd gunstige bewoningslocaties gebleven, en door bedekking met jonger sediment en veen zijn resten hiervan vaak goed bewaard gebleven.

Na de bedijking (vanaf 1200 na Chr.) zijn als gevolg van dijkdoorbraken, door de kracht van het over­ stromende water, vele uitkolkingsgaten gevormd. Deze worden ook wel aangeduid als wiel of waai. Het materiaal dat ter plaatse van het wiel werd geërodeerd, werd als een waaier aan de stroomaf­ waartse zijde afgezet (overslagen). Geologische-geomorfologische kaart van de Rijn-Maas delta, Zandbanenkaart en Paleo-geografische kaart met archeologische verwachtingen gemeente Beuningen Ter hoogte van Winssen is het pakket holocene afzettingen relatief dun en kunnen hoog opgebouwde oude stroomgordels op een vergelijkbare diepte voorkomen als jonge stroomgordels. Met name ten oosten van Winssen, meer in de omgeving van Beuningen, zijn volgens de geologische-geomorfologi­ sche kaart van de Rijn-Maas delta, op basis van beginfase- en eindfasedatering, drie verschillende meander-Zstroomgordels te onderscheiden: 1.

2.

De Winssen stroomgordel was actief van circa 5400 tot 3900 voor Chr. Tijdens zijn actieve fase vond vooral insnijding in het Pleistocene terrassenlandschap plaats, waardoor er nauwe­ lijks oeverwalvorming plaatsvond. De overgeërfde vlechtende geulen werden verder opgevuld met crevasse-afzettingen. Buiten de stroomgordel werd verder een komkleipakket afgezet. De Waal stroomgordel, vroege fase, was actief van circa 200 voor Chr. tot 500 na Chr. Deze vroege fase wordt vooral gekenmerkt door zijn breedte. Tevens werden de eerste oeverwal­ len gevormd.

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 6 van 35

3.

De Waal stroomgordel, latere fase, was actief van circa 500 tot 1300 na Chr., waarbij de Waal zich lijkt te concentreren tot een smallere gordel. Wel worden er dikkere oeverwallen ge­ vormd.

Vanaf de 13e eeuw is door de systematische bedijkingen de ligging van de Waal min of meer vast komen te liggen. Vanaf dit moment worden veranderingen in de loop van de riviergeulen in toene­ mende mate bepaald door menselijke activiteiten, zoals bijvoorbeeld geforceerde meanderhalsafsnijdingen, kanalisaties en de aanleg van kribben en dammen. De geologische opbouw van de uiter­ waarden wijkt dan ook in hoge mate af van de stroomgordels die voor de bedijking zijn ontstaan. De door de mens gestimuleerde aan- en opwassen van zandbanken en eilanden liggen tegenwoordig circa 0,5 tot meer dan 2 m hoger dan het binnendijkse gebied. Volgens de digitale geologische-geomorfologische kaart van de Rijn-Maas delta (2012) ligt het plan­ gebied buiten bekende meandergordels/stroomgordels (zie figuur 5) en wordt Pleistoceen zand (Laagterras) verwacht tussen 3,0 en 4,0 m -mv (code 23, zie figuur 6). De paleo-geografische kaart met archeologische verwachtingen van de gemeente Beuningen geeft aan dat het plangebied binnen een gebied van komafzettingen ligt bedekt met oeverafzettingen (oeverwalzone, zie figuur 7). Deze oeverafzettingen zullen vooral gesedimenteerd zijn tijdens de oude fase van de meandergordel van de Waal, actief tussen circa 210 voor Chr. en 500 na Chr. (Late-IJzertijd t/m Vroege-Middeleeuwen).

De oeverafzettingen buiten de meandergordels zijn de overgangszones tussen de meandergordels en de komgebieden. Oeverafzettingen worden veelal gekenmerkt door een wigvormige opbouw. Ter­ wijl dicht tegen de meandergordels dikke oeverpakketten zijn afgezet, neemt de dikte van het oeverpakket op grotere afstand geleidelijk af. De oeverafzettingen representeren de bloeifase van een stroomgordel; de rivier is in die fase zo actief dat deze ook op grotere afstand van de actieve bedding zandig materiaal weet af te zetten. In het algemeen liggen oeverafzettingen op komkleiafzettingen waarin de meandergordel zich heeft ingesneden. Het oever-opkomprofiel is dan ook kenmerkend voor de zones aan weerszijden van de meandergordels. De stroomgordel van de Waal is ontstaan ten koste van een groot aantal kleinere stroomgordels die globaal in de Late-IJzertijd geleidelijk buiten werking raakten, zoals de Ressense stroomgordel. De afvoercapaciteit van de stroomgordel van de Waal nam vanaf de Laat-Romeinse tijd snel in betekenis toe, waarbij omliggende oude stroomgordelafzettingen in de loop van de eeuwen als gevolg van een sterke laterale erosie werden opgeruimd. Waarschijnlijk is het stroombed van de Waal ter hoogte van Beuningen in de eerste actieve fase (Late-IJzertijd - Romeinse tijd) erg breed geweest is, waarna deze zich in de Vroege-Middeleeuwen is gaan concentreren in een smallere baan.

Het actieve ka­ rakter van de Waal gaat samen met een snelle verplaatsing van de hoofdgeul en grootschalige erosie en sedimentatieprocessen. Ter plaatse van het plangebied wordt van nature een pakket oever- op komafzettingen verwacht met binnen twee tot drie meter grove grindhoudende fluviatiele zanden van de Formatie van Kreftenheye dan. DINO14 Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. 14 Dinoloket

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 7 van 35

In het Dinoloket zijn enkele boringen bestudeerd.15 Hieruit blijkt dat de ondergrond tot circa 1,6 m -mv bestaat uit voornamelijk zandige klei. Dit zullen voornamelijk oeverwalachtige afzettingen betreffen die gesedimenteerd zijn tijdens de actieve fase van de stroomgordel van de Waal (oude fase) en be­ horen tot de Formatie van Echteld. Tot circa 2,5 m -mv komt zwak siltige klei voor en zullen komafzettingen betreffen welke zullen zijn gesedimenteerd voordat de stroomgordel van de Waal (oude fase) actief werd, voornamelijk gedurende de periode van de Bronstijd t/m de Midden-IJzertijd. Tussen cir­ ca 2,5 en 2,7 komt een stuggere zandige kleilaag voor, waaronder zich vervolgens matig grof en grindrijk Pleistoceen zand bevindt. Dit betreffen rivierafzettingen van de Rijn uit het Weichselien, toen de Rijn een vlechtend riviersysteem was, en zijn afgedekt door de Laag van Wijchen, welke aan het einde van het Weichselien, tijdens het Laat-Glaciaal (13.000 tot 10.150 jaar geleden), is gesedimen­ teerd. Beide afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)16 17 Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetail­ leerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied.

Op het AHN is duidelijk te zien dat het plangebied op een noord naar zuid aflopende oeverwal ligt, vanaf de Waalbandijk in zuidelijke richting overgaand naar de komvlakte (zie figuur 8). Ten noorden van de Waalbandijk ligt het uiterwaardegebied. Bodemkunde en grondwatertrap Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het plangebied gekarteerd als een kalkhoudende ooivaaggrond, bestaande uit lichte zavel (Rd10A met grondwatertrap VI, zie figuur 9). Een ooivaaggrond is een kleigrond met minder dan 80Zo lutum, waarin hydromorfe verschijnselen zoals roest­ vlekken en reductievlekken, dieper dan 50 cm beginnen. In de meeste gevallen is de sedimentaire gelaagdheid tot een meter verdwenen door activiteit van regenwormen en mollen. Ooivaaggronden zijn het meest voorkomend in het Holocene, meanderende rivierkleigebied. Deze gronden zijn bijzon­ der bruikbaar voor de teelt van fruitbomen, een eigenschap waar de omgeving van het plangebied ook bekend om staat. Ook vroeger stonden deze terreinen al bekend om hun vruchtbaarheid. Van­ wege hun uitstekende landkwaliteiten en de toegankelijkheid via de rivieren wordt er sinds de LateSteentijd op de hoog gelegen ooivaaggronden gewoond en geboerd, vooral tijdens de Romeinse tijd is de bewoning intensief. Tabel II geeft een overzicht van de klassengrenzen die worden aangehouden bij de indeling van de grondwatertrappen.

De trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot VII van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Bij sommige grondwatertrappen is een * weergegeven: het gaat hier om tussenliggende grondwatertrappen die een drogere variant vertegenwoordigen. Tabel II. Grondwater­

Grondwatertrappenindeling17 i

II'

III'

IV

V'

VI

VII"

GHG (cm -mv)

-

^0

^0

M0

^0

40-80

s-80

GLG (cm -mv)

^0

50-80

80-120

80-120

s-120

s-120

s-120

VIII

trap

') ")

140 -

Bij deze grondwatertrappen wordt een droger deel onderscheiden Een met een * achter de code als onderverdeling aangegeven "zeer droog deel" heeft een GHG dieper dan 140 cm beneden maaiveld

15 DINO boornummers B39H2178, B39H3253 en B39H2177 16 AHN 17 Locher & De Bakker, 1990

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 8 van 35

Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Grondwatertrap VI en VII) zijn zeer geschikt voor land­ bouw en vormden mede daarom, vooral in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tevens is het grondwaterpeil een indicatie voor de conservering van metalen en organische resten. Het plan­ gebied heeft een grondwatertrap VI en zal waarschijnlijk ook vroeger van nature gekenmerkt werden gekenmerkt door een relatief goede ontwatering, waardoor het geschikt was als bewoningslocatie, in ieder geval vanaf de periode dat het plangebied binnen de oeverzone van de Waal stroomgordel kwam te liggen. Het plangebied behoort volgens de cultuurhistorische kenmerkenkaart van de ge­ meente Beuningen tevens tot het Oud Cultuurland, dat al in de 9V10e eeuw cultuurland vormde, in de vorm van onregelmatige blokvormige verkaveling met een afwisseling van gras- en hooiland, hoog gelegen akkercomplexen en boomgaarden. 2.6

Archeologische waarden

Voor de uitkomst van het bureauonderzoek is het van belang de bekende archeologische waarden (al dan niet volledig onderzocht) te beschrijven. Een belangrijke informatiebron is het landelijke ARCHeo­ logisch Informatie Systeem (ARCHIS), dat beheerd wordt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erf­ goed (RCE).18 In dit systeem worden alle archeologische gegevens verzameld en via internet zijn deze door bevoegden te raadplegen. De bekende archeologische waarden zijn middels kaartmateriaal weergegeven in figuur 10. Hierop staan de in ARCHIS geregistreerde AMK-terreinen, vondstmeldingen en onderzoeksmeldingen bin­ nen een straal van 1.000 meter rondom het plangebied weergegeven. Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Beuningen19 Volgens de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Beuningen die mede gebaseerd is op de Paleo-geografische kaart (zie figuur 7 en g 2.5), ligt het plangebied in een gebied met een hoge archeologische verwachting (zie figuur 4, beleidszone 3). De oeverafzettingen buiten de meandergordels hebben vergelijkbaar gunstige geomorfologische en bodemkundige eigenschappen als de oe­ verafzettingen binnen de meandergordels.

Daar komt bij dat de oeverzones in de gemeente Beunin­ gen over grote oppervlakken de meest stabiele gebieden vormden met aan de noordzijde het dyna­ mische rivierlandschap van de actieve meander (Winssen/Waal) en aan de zuidzijde de geleidelijke overgang naar de laaggelegen komgronden. Met deze fysische eigenschappen vormen de verschil­ lende oeverzones van de gemeente Beuningen door de eeuwen heen de rode draad in de bewoningsgeschiedenis. Echter, zoals eerder aangegeven, heeft er nauwelijks oeverwalvorming plaatsgevonden ten tijde dat de Winssen stroomgordel actief was. De aanwezige oeverwalafzettingen zijn dus zeer waarschijnlijk afgezet ten tijde van de activiteit van de Waal stroomgordel. De Waal stroomgordel is ontstaan vanaf 200 voor Chr. Hierdoor hebben de binnen het plangebied aanwezige oeverafzettingen (alleen maar) een hoge archeologische verwachting vanaf de Romeinse tijd. AMK-terreinen binnen het onderzoeksgebied20 De Archeologische Monumentenkaart (AMK) bevat een overzicht van archeologische monumen­ ten/terreinen in Nederland. De terreinen zijn beoordeeld op verschillende criteria (kwaliteit, zeldzaam­ heid, representativiteit, ensemblewaarde en belevingswaarde).

Op grond daarvan zijn deze ingedeeld in vier categorieën; terreinen met archeologische waarde, een hoge archeologische waarde, een zeer hoge archeologische waarde of een zeer hoge archeologische waarde met een beschermde status.

18 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort 19 Heunks & Van Hemmen, 2007 20 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 9 van 35

Binnen het plangebied liggen geen AMK-terreinen. Binnen het onderzoeksgebied liggen drie AMK-terreinen (zie tabel III en figuur 10). De meest nabij het plangebied gelegen Romeinse AMK-terreinen laten zien dat de gevormde oeverwallen langs de Waal vanaf de Romeinse tijd bewoningactiviteiten plaatsvonden. Daarmee is goed te zien dat bewoningslocaties vooral werden uitgekozen op basis van specifieke landschappelijke ken­ merken, vaak op relatief hooggelegen gebieden en tevens nabij een actieve rivier. Op grotere afstand ten zuidwesten ligt een vroeg- tot laat-prehistorisch AMK-terrein dat een landschappelijke ligging heeft op een rivierterrasmgAopduiking. Tot in de periode van de Bronstijd hadden deze landschappe­ lijke eenheden ook een relatief hoge ligging en vormde daarmee ook gunstige bewoningslocaties. Tabel III.

Overzicht AMK-terreinen

AMK nr.

Situering t.o.v. plangebied

Datering

4157

350 meter ten oosten van

Romeinse tijd

Waarde en omschrijving Complex: Romeins villa(complex)

het plangebied

Waarde: Terrein van zeer hoge archeologische waarde

Het Onland; Waalbandijk te

Betreft een terrein waar door de A.W.N. afdeling Nijmegen en omstreken

Hoek

begin jaren ’70 restanten van een Romeinse villa of villacomplex zijn

Gemeente Beuningen

aangetroffen. De resten zijn in wisselende gave en minder gave staat

Coördinaat: 176102/433251

bewaard gebleven. In 1939 werd eerder nog bepaald dat het terrein grotendeels verstoord was, ondanks het aantreffen van diverse aardewerkfragmenten (o.a. een fragment van een voorraadvat en een ruwwandige (kook)pot), daterend uit de Romeinse tijd. Bij latere verkenningen (jaren '60-'70) bleek dit mee te vallen. In 1972 werden op het terrein sloten opgeschoond en gedempt. De bovenlaag van het terrein is vroeger verlaagd (zie ook de naam "Onland"). Funderingen van de villa zijn hierbij echter (grotendeels) niet aangetast. Tijdens de graafwerkzaamheden verricht door de A.W.N. afdeling Nijmegen en omstreken, zijn o.a. veel aardewerkfragmenten, muurresten van tufsteenbrokken en dakpanfrag­ menten (soms voorzien van een stempel) aangetroffen, daterend uit de Romeinse tijd. Naast de Romeinse resten zijn er ook nog aardewerkfragmenten en delen van een onverharde weg aangetroffen, daterend uit de Middeleeuwen.

4606

800 meter ten oosten van

Romeinse tijd

Complex: Nederzetting

het plangebied

Waarde: Terrein van hoge archeologische waarde

Winssen-West; Geerstraat;

Betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd. Oude

Haneman te Winssen

woongrond, vastgesteld door Stiboka in 1948. Hierbij werd handgevormd

Gemeente Beuningen

en gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd gevonden.

Coördinaat: 176526/432850 15357

850 meter ten zuidwesten van het plangebied Hoekgraaf te Deest

Mesolithicum, Neolithicum - Neolithicum, Bronstijd

Complex: Nederzetting Waarde: Terrein van zeer hoge archeologische waarde Betreft een terrein met sporen van bewoning uit het Mesolithicum - Neoli-

Gemeente Druten

thicum en uit het Neolithicum - Bronstijd. Binnen vindplaats 5 zijn drie

Coördinaat: 175030/432736

aparte concentraties te onderscheiden (op dieptes van 1,8, 1,55 en 2,3 meter beneden maaiveld). Bij karterend onderzoek zijn hier drie vindplaat­ sen aangetroffen; in het rapport vindplaatsen 5, 6a en 6b genoemd. (Waarderend) booronderzoek RAAP, 2001. De coördinaten van dit terrein zijn de coördinaten van vindplaats 5. Geconcludeerd is de conservering en de gaafheid van deze drie vindplaatsen zeer goed is. Het betreft kleine clusters met zeer lage vondstdichtheden met sporen van menselijke activiteit uit het Mesolithicum-Neolithicum. Rondom de clusters ligt een zone waarin verspreid houtskool en/of gebroken kwarts in de boringen voorkomt. Het vondstniveau ligt in een sterk ontwikkelde, humeuze laklaag; in deze laag zijn plantenresten aanwezig. Het vondstniveau van vindplaats 6a ligt in een laklaag die de afzettingen van crevassefase 1 afdekt; plaatselijk zijn archeologische indicatoren in de top van de pleisto­ cene afzettingen aangetroffen. Deze kunnen ook behoren tot vindplaats 6a. De stratigrafische positie onder vindplaats 6b, de absolute hoogteligging, het ontbreken van een duidelijke vondstconcentratie en/of van aardewerk, doen vermoeden dat vindplaats 6a relatief vroeg in het Neolithicum, dan wel in het Mesolithicum gedateerd moet worden. Mogelijk is vindplaats 6a qua ouderdom en landschappelijke ligging verwant met vindplaats 4a (zie voor deze plaats CMA nr. 39H-069).

Vindplaats 6b betreft zeer waarschijnlijk een nederzettingsterrein; zowel het vondstspec-

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 10 van 35

trum (houtskool, verbrande leem, (on)verbrand bot aardewerk, vuursteen en kwarts) als de duidelijke vondstconcentratie wijzen hierop. In vier boringen zijn een of meer fragmenten aardewerk aangetroffen die globaal in het Neolithicum - Bronstijd gedateerd kunnen worden. Het vondstniveau ligt in een sterk ontwikkelde laklaag, is ingebed in zware klei en wordt aan de boven- en onderzijde eveneens begrensd door kleipakketten. Op grond van de kwaliteit van vindplaats 6b en de zeldzaamheid van Neolithische vindplaatsen op crevasse-afzettingen, is vooral deze vind­ plaats behoudenswaardig.

In het verleden uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied21 Binnen het onderzoeksgebied zijn in de afgelopen jaren door verschillende archeologische bedrijven en instellingen in totaal twaalf archeologische onderzoeken uitgevoerd. Het gaat daarbij om tien bu­ reau- en/of booronderzoeken (prospectief onderzoek), een archeologische begeleiding en een opgra­ ving (zie tabel IV en figuur 10). Onderstaande tabel laat zien dat er bij enkele prospectieve onderzoeken archeologisch vondstmateriaal is aangetroffen daterend vanaf de Romeinse tijd en voornamelijk uit de Middeleeuwen en Nieu­ we tijd. Dit komt overeen met de periode dat het plangebied als de omgeving ging behoren tot het Oud Cultuurland, vanaf de 9^10e eeuw. Dit agrarisch gebied zal hebben bestaan uit een variatie aan percelen gras- en hooilanden, akkerpercelen en boomgaarden met verspreid liggende boerenerven (een actief agrarisch landgebruik vanaf de Volle-Middeleeuwen). Ter plaatse van deze boerenerven zijn vaak zogenaamde oude woongronden ontstaan. Een archeologische begeleiding uitgevoerd circa 130 meter ten noorden van het plangebied heeft ook bewoningsresten en -sporen opgeleverd die dateren uit de Late-Middeleeuwen.

Een verkenning/noodopgraving uitgevoerd in 1939 circa 350 me­ ter ten oosten van het plangebied heeft op een verstoord terrein heeft geresulteerd in het aantreffen van talrijke Romeinse resten, maar waarbij bouwsporen al waren vernield. Wel duidt het erop dat er een Romeinse villa heeft gestaan (gelegen binnen AMK-terrein 4157). Verder zijn op een minimale afstand van 1.000 meter ten zuiden van het plangebied, als verder in zuidelijke richting, verschillende onderzoeken uitgevoerd ter plaatse van (beoogde) zandwinningslocaties. Rond het begin van de 21e eeuw zijn karterende en waarderende inventarisaties uitgevoerd, waarbij verschillende archeologische vindplaatsen uit meerdere archeologische perioden zijn be­ grensd. Gravend onderzoek uitgevoerd in de meest noordelijke delen van deze (beoogde) zandwinningslocaties, meest nabij de Van Heemstraweg, hebben geresulteerd in het aantreffen van vuur­ steenvindplaatsen uit het Midden- en Laat-Neolithicum op de hoge pleistocene terrasopduiking, Bronstijd nederzettingslocaties veelal op oude intacte crevasseafzettingen en sporen van agrarische bewerking en gebiedsinrichting uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen in de bovenliggende, veelal zwaar getextureerde komafzettingen. Het laat zien dat er in het gebied vanaf de Late-Steentijd men­ selijke (bewonings)activiteiten hebben plaatsgevonden. Tabel IV.

Overzicht onderzoeksmeldingen

Zaakindentificatie (OM­ nummer) 2189247100 (27329)

Situering t.o.v. plangebied

Aard, uitvoerder en resultaten van het onderzoek

130 meter ten noorden van

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek

het plangebied

Uitvoerder: De Steekproef

Deijsschestraat 15 te Winssen

Datum: 6-3-2008

Gemeente Beuningen

Resultaat: In een zandige kleilaag (overslaggrond) zijn in twee boringen, tussen

Coördinaat: 175715/433287

100 en 130 cm beneden het maaiveld, archeologische indicatoren aangetroffen. Het gaat hier om één fragment inheems-Romeins aardewerk en een fragment Romeins aardewerk, zogenaamd Terra Sigillata. Het aardewerk is niet in een duidelijke cultuurlaag dan wel afvallaag aangetroffen. Vanwege de locatie in de

21 Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort

Rapport 15874.002 versie 2

Pagina 11 van 35

overslaggrond is het dan ook niet duidelijk of het aardewerk uit het plangebied afkomstig is of van elders is aangevoerd. Geadviseerd is om geen graafwerk­ zaamheden uit te voeren die dieper reiken dan 125 cm beneden het maaiveld. Indien het toch noodzakelijk is dieper te graven, dienen deze werkzaamheden te worden uitgevoerd onder archeologische begeleiding (onder het protocol opgra­ ven). 2290318100 (41545)

130 meter ten noorden van

Type onderzoek: archeologische begeleiding, naar aanleiding van de resultaten

het plangebied

van het eerder uitgevoerde bureau- en booronderzoek (zie Zaakindentificatie

Deijnschestraat 15 te

(OM-nummer) 2189247100 (27329))

Winssen

Uitvoerder: RAAP Archeologisch Adviesbureau

Gemeente Beuningen

Datum: 21-6-2010

Coördinaat: 175739/433282

Resultaat: Tijdens de graafwerkzaamheden zijn diverse archeologische resten aangetroffen. Het betreft zowel losse vondsten als archeologische grondsporen. De vondsten wijzen op bewoning van het plangebied in de Volle- en LateMiddeleeuwen. Op basis van de datering van de vondsten worden ook de grond­ sporen, die zich met name aftekenden in het tweede vlak op ca. 100 cm -mv (of op 650 cm +NAP), gedateerd in de Late-Middeleeuwen. Het vele baksteenpuin uit de meest recente greppel (S 1001) houdt mogelijk verband met verdwenen bebouwing in het plangebied in de 19e eeuw. Op basis van de resultaten van de archeologische begeleiding is geconcludeerd dat er binnen het plangebied een nederzetting uit de Volle- en Late-Middeleeuwen aanwezig is. Deze nederzetting strekt zich naar alle kanten buiten de werkput uit. De grenzen van de nederzetting konden op basis van het huidige onderzoek niet worden vastgesteld. Bij bodemingrepen direct grenzend aan het plangebied zal in vroegtijdig stadium archeolo­ gisch onderzoek moeten worden uitgevoerd.

3301043100

140 meter ten zuidoosten van

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek

het plangebied

Uitvoerder: Transect

Deijnschestraat 8A te

Datum: 21-9-2015

Winssen

Resultaat: Volgens het bureauonderzoek ligt het plangebied op oeverafzettingen

Gemeente Beuningen

van de Waal, die een hoge archeologische verwachting hebben voor archeolo­

Coördinaat: 175896/433067

gische resten vanaf de Romeinse tijd. In de ondergrond komen komafzettingen voor. Uit het inventariserend veldonderzoek is gebleken dat het pakket oeverafzettingen een dikte van 80 tot 110 cm heeft. Binnen het pakket komafzettingen zijn ook crevasse-afzettingen aangetroffen en een laklaag. De komafzettingen gaan over in afzettingen van de Laag van Wijchen. Op een diepte van 3,10 m -mv is het pleistocene Laagterras aangetroffen. De top van de oeverafzettingen, het relevante archeologisch niveau, is tot een diepte van 40 tot 70 cm -mv geroerd. In dit geroerde pakket zijn indicatoren aangetroffen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van bewoningssporen vanaf de 13e eeuw. Het sporenvlak wordt op een diepte van 40 tot 70 cm -mv verwacht. Binnen het plangebied is mogelijk sprake van een archeologische vindplaats uit de periode Late-Middeleeuwen/Nieuwe tijd. De vondstlaag is geroerd, maar grondsporen worden op een diepte vanaf 40 tot 70 cm -mv verwacht. Het plangebied wordt tot een diepte van 50 cm -mv ontgraven. Bij de ontgraving wordt het vondstvlak dus deels verstoord. Hier­ door is vervolgonderzoek in principe noodzakelijk. Vanwege de beperkte omvang van het plangebied en omdat de werkzaamheden grotendeels in geroerde grond plaatsvinden, is geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgeno­ men werkzaamheden.

4868890100

250 meter ten noordwesten

Type onderzoek: bureau- en booronderzoek

van het plangebied

Uitvoerder: Transect

Verlengde Molenstraat 7a te

Datum: 17-6-2020

Winssen

Resultaat: Op basis van het bureauonderzoek ligt het plangebied op de oeverwal

Gemeente Beuningen

van de Waal, die vanaf de IJzertijd een gunstige locatie voor bewoning heeft

Coördinaat: 175563/433316

gezorgd. Het plangebied is op basis van historisch kaartmateriaal en AHN niet bewoond geweest gedurende de Nieuwe tijd, maar in gebruik geweest als bouw­ land. In de omgeving van het plangebied zijn archeologische waarden bekend op de pleistocene rivierafzettingen, op een crevasserug of op een vegetatiehorizont binnen de komafzettingen. Ook in het plangebied kunnen op deze landschappelij­ ke eenheden archeologische waarden verwacht worden. De verwachting op de periode Laat-Paleolithicum t/m Bronstijd is hierom middelhoog. Het veldonderzoek heeft de archeologische verwachting niet bevestigd. Op een diepte van 240 cm -mv (5,1 5,2 m +NAP) zijn pleistocene rivierafzettingen waargenomen. Deze zijn aanzienlijk dieper waargenomen dan in de directe omgeving en op locaties waar vindplaatsen bekend zijn op dit niveau. De archeologische verwachting op de pleistocene rivierafzettingen kan hierom naar laag worden bijgesteld. Ook de verwachting voor de periode Neolithicum/Bronstijd kan naar laag worden bijge­ steld vanwege het ontbreken van een vegetatiehorizont binnen de komafzettingen of de aanwezigheid van een crevasse. Ook is uit het booronderzoek gebleken dat

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=45252dc8-f360-4249-b721-2f7fa6abcbe6