Bijlage 06: Toelichting Quickscan ecologie
Tekst van het document
Blom Ecologie b.v. W.v.Z. Holding B.V.
ADVIES ét ONDERZOEK
T.a.v. dhr. W. van Zuijlen Blatenplak 2a
Zandweg 46
6644 CJ Ewijk
4181 PM Waardenburg
10418 820 288
Datum
22 mei 2020
e inro@blomecologje.nl
Kenmerk
BE/2020/335/r
i www.blomecologie.nl
Uw kenmerk
Email d.d. 17-01-2020
KvK 67221904
Auteur(s)
ing. G. Fairhurst
BTW 856882999B01
ir. ing. K.J. Rebergen
IBAN NL21RABO0314240683
Collegiale toets
Quickscan Wet natuurbescherming Klaphekstraat ong. te Ewijk Aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk is een grasperceel gesitueerd. Het perceel is gelegen ten noorden van de woningen aan de Klaphekstraat 27b en 27c. De initiatiefnemer is voornemens op het perceel een woning te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? ^ Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
eco lo gie (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert, 2 die betrekkingen zelf; eco logisch (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo ríl (de; v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; JOU Oil (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk (figuur 1). Het betreft een grasperceel ten noorden van de woning aan de Klaphekstraat 27b en 27c. Langs de noordkant van het perceel ligt een ondiepe watergang, deze blijft behouden in de beoogde ontwikkeling. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door zowel stedelijk gebied (ten noorden) en landelijk gebied. Aan de noordoostzijde wordt reeds een nieuwe woonwijk gerealiseerd. Het perceel wordt omringd door soortgelijke kavels en ten noorden wordt een nieuwe woonwijk gerealiseerd. Op 1,2 km ten westen ligt de A50 en op circa 1,4 km ten zuiden ligt de A73.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. (links) Het perceel met op de achtergrond een aantal van de onlangs gerealiseerd woningen in de nieuwbouwijk. (rechts) de sloot welke behouden zal blijven.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft het realiseren van een woning. Hierbij vindt er een functieverandering plaats. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ ^ ^
egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 16 april 2020 en is uitgevoerd door ing. ir K.J. Rebergen en ing. D. F. Knoops. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 130 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:
3
Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker Gewone pad Ree Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. 4
Vaatplanten In de directe omgeving, binnen een straal van 1 km, van de planlocatie is het voorkomen bekend van het kluwenklokje (NDFF 2010-2020). Dit is een plantensoort die veelal wordt aangetroffen in bermen, dijken, ruderale terreinen, uiterwaarden en struwelen in rivierengebied. De soort komt voor op kalkhoudende zand, klei of leem bodems en heeft een lichte tolerantie voor bemesting. De voorkeur gaat echter uit naar drogere delen. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: engelwortel, fluitenkruid, gewone ereprijs, hondsdraf, kleine brandnetel, kleine kruiskruid, kleine veldkers, paarse dovenetel, pinksterbloem, scherpe boterbloem, speenkruid, veldzuring en witte klaver. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. De planlocatie betreft een grasweide met voorheen een agrarische functie hierdoor en door planten die wijzen op een hoge voedselrijkdom als kleine brandnetel en witte klaver kan aanwezigheid van het kluwenklokje en andere beschermde soorten uitgesloten worden.
Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving, binnen een straal van 2 km, is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, vos en wezel (NDFF, 2010-2020). Voor de bever, bunzing, das en wezel geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn van deze jaarrond beschermde soorten geen sporen aangetroffen. Voor de overige voorgenoemde soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie betreft een weiland met daarlangs een smalle watergang. Het leefgebied van de bever, bestaande uit overgangsgebieden tussen land en water (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017) met stromend water en bomenrijke oevers ontbreekt op de planlocatie. Aanwezigheid van en negatieve effecten op de bever kunnen worden uitgesloten. De wezel en bunzing zijn kleine marterachtige die vaak oude holen van konijnen, ratten en muizen gebruiken als verblijfplaats (Zoogdierverenging Wezel, 2019; Zoogdiervereniging Bunzing, 2019).
Binnen de planlocatie zijn dergelijke holen niet aangetroffen. Door het ontbreken van dergelijke holen ontbreekt het tevens aan een (essentieel) foerageergebied voor de soortgroep. Door het lage kwaliteitsbeeld zijn er veel hoge grassoorten aanwezig. Dit biedt voldoende dekking voor de soortgroep. De planlocatie betreft echter geen essentiële migratieroute voor de soort. De ruig begroeide sloot zal namelijk in de beoogde ontwikkeling behouden blijven. Daarbij zal slechts een deel van het perceel bebouwd worden. Negatieve effecten van de ontwikkeling ten opzichte van marterachtigen zijn uitgesloten. De das leeft in gebieden die zowel hooggelegen als laaggelegen zijn en op korte afstand van elkaar liggen zoals kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen voor dekking. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond en dat er in het gebied weinig verstoring is (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Gezien de planlocatie tussen stedelijk gebied ligt waarin ook recente bouwactiviteiten plaatsvinden, ontbreekt het aan een gunstige migratieroute zonder verstoring voor de soort. De planlocatie biedt teven geen geschikt leefgebied door de afwezigheid van voldoende dekking.
Door het ontbreken van functioneel leefgebied in combinatie met afwezigheid van sporen uit neusputjes, uitwerpselen en wissels, aanwezigheid van en daardoor negatieve effecten op de das uitgesloten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, haas, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.
5
Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Daarnaast wegens het ontbreken van bebouwing kan de aanwezigheid van rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen uitgesloten worden. De planlocatie heeft tevens weinig potentie als foerageergebied of migratieroute doordat het enkel een weiland (c.q. monotoon beeld) betreft zonder luwten van bomen of gebouwen.
Daarnaast zorgt de eenzijdige begroeiing van de planlocatie (grasland) voor een beperkt voedselaanbod voor vleermuizen. Tijdens het foerageren maken vleermuizen met name gebruik van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. In de directe omgeving van de planlocatie zijn dergelijk luwten aanwezig door de bomenrijen en omliggende woningen en stallen. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd, hierdoor kunnen vliegroutes toegankelijk blijven. Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2010-2020). Voor de kamsalamander, knoflookpad en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen.
De planlocatie betreft een grasperceel met aan de noordzijde parallel gelegen een smalle watergang, welke sterk begroeid is met gele lis, lisdodde en riet en hierdoor sterk aan het verlanden is. De kamsalamander, knoflookpad en poelkikker zijn vrij kritische soort betreft het voortplantingswater en aanwezigheid van deze soorten wordt niet verwacht doordat de sloot sterk aan het verlanden. Hierdoor is er te weinig water aanwezig waarin de eieren en larven zich snel genoeg in kunnen ontwikkelen voordat de watergang volledig droog valt. Hierdoor maakt de planlocatie geen onderdeel uit van het functioneel leefgebied van deze soorten en kan aanwezigheid van deze soorten uitgesloten worden. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid van beschermde reptielensoorten niet bekend (NDFF 2010 2020). Reptielen worden tevens niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten.
Vissen Naast de planlocatie ligt een smalle watergang, welke aan het verlanden is. In de directe omgeving is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF, 2010-2020).
6
Door bovengenoemde en doordat er geen werkzaamheden aan de watergang is beoogd kunnen negatieve effecten op (beschermde) vissen worden uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden In de directe omgeving van de planlocatie komt voor zover bekend één beschermde soort voor: de rivierrombout (NDFF, 2009-2020). De rivierrombout is een libellen soort die alleen voorkomt langs grote rivieren en beken. Belangrijk voor de soort is het habitat van de larven. Deze worden aangetroffen in kribben en ondiepe luwten van de rivier met een slip of zandbodem. Dit type habitat komt niet voor op de planlocatie, waardoor functioneel leefgebied voor de rivierrombout kan worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn tevens geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor beschermde ongewervelde zoals vlinders, een waardplant vormen. Verder is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: boerenzwaluw, fazant, graspieper, groenling, houtduif, vink en witte kwikstaart. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat.
1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Het voorkomen van nestlocaties en functioneel leefgebied van huismus op de planlocatie kan uitgesloten worden door de afwezigheid van bebouwing en groenblijvende hagen en struiken. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BĮ112 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. Wegens het ontbreken van bebouwing kan de aanwezigheid van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen functioneel leefgebied aanwezig van roofvogels en uilen als de buizerd, kerkuil, ransuil, sperwer of steenuil door de afwezigheid van (hoge) bomen, uitzichtpunten en bebouwing als stallen en schuren. Het gras is te hoog waardoor het jagen van soorten als kerkuil en torenvalk wordt bemoeilijkt.
Door bovengenoemde is uit te sluiten dat de planlocatie deel uitmaakt van functioneel leefgebied van roofvogel en uilensoorten. Negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. Het hoge gras en de oevers vormen voor algemene broedvogels zoals meerkoet en kieviet mogelijk geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Įndien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
7
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 1,4 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 4). Op een afstand van circa 1 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,3 km ligt een Groene Ontwikkelingszone (figuur 5).
8
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natura 2000-gebieâ 'Rijntakken' (bron: Arcgis.com).
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,3 km tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1 km tot een Groene ontwikkelingszone (bron: Arcgis.com).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van één woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een zeer beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het 'projecteffect'). In de handreiking 'woningbouw en AERIUS' (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: ^ ^ ^
Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Gezien de afstand (1,4 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een zeer beperkte toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Een melding in het kader van Wnb is niet van toepassing.
9
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, algemene amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Aerius-berekening, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig. Een kapmelding in het kader van Wnb is derhalve niet van toepassing.
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten. grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
+A
-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+A
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,4 km
geen
n.v.t.
Natuurnetwerk Nederland
1 km
geen
n.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
1,3 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
nee
nee
n.v.t.
Bomen
nee
nee
n.v.t.
-
n
-
-
-
-
-
+A
-
-
n
n
n
n
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
10
Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarde (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullend onderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen ^ Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
11
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
12
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. G. Fairhurst Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
13
Bijlage 1 Fotografische impressie
14
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk en bestaat uit een grasweide.
Figuur 2
De planlocatie met op de achtergrond de onlangs gerealiseerde nieuwbouwwijk.