CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 05: Quickscan natuuronderzoek

Raadsvergadering 14 november 2023, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring van geen bedenkingen (VVGB) Projectbesluit Wilhelminalaan 200W Beuningen (Vitens)8.330 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen In het kader van de Wet Natuurbescherming - soortenbescherming

ECOCHORE Dit rapport is gedrukt op 100% FSC-papier

NATUURTECHNIEK \p

INVENTARISATIE, ADVISERING 8t ONTWIKKELING

Juni 2021 rapportnummer: 211358

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

In het kader van de Wet Natuurbescherming ‘soortenbescherming’

In opdracht van: Vitens N.V Postbus 1205 8001 BE ZWOLLE Contactpersoon: Dhr. M. Scheerder Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-15904121 E info@ecochore.nl I www.ecochore.nl Auteur: Bas Voerman Collegiale toetsing: Kees Weiland Veldwerk: Bas voerman Datum:

juni 2021

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Foto voorzijde: Toegangspoort naar het distributiereservoir Beuningen.

Ecochore Natuurtechniek is aangesloten bij het Samenwerkingsverband Ecologie: www.ecochore.nl

Ecochore Natuurtechniek

2

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

INHOUD INHOUD................................................................................................................... 3 1. Aanleiding en doel.............................................................................................. 4 2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING.......................................................... 5 2.1 Onderzoeksmethodiek................................................................................... 5 2.2 Gebiedsbeschrijving....................................................................................... 5 2.3 Geplande werkzaamheden............................................................................ 6 2.4 Volledigheid inventarisatie............................................................................. 6 3. Onderzoeksresultaten........................................................................................8 3.1 Flora.............................................................................................................8 3.2 (Broed)vogels............................................................................................... 8 3.3 Herpetofauna en vissen................................................................................. 9 3.4 Zoogdieren..................................................................................................

10 3.5 Ongewervelden............................................................................................ 10 4. Toetsing Soortenbescherming - Wet Natuurbescherming..................................... 11 4.1 Algemeen................................................................................................... 11 4.2 Flora........................................................................................................... 11 4.3 (Broed)vogels..............................................................................................12 4.4 Herpetofauna en vissen................................................................................13 4.5 Zoogdieren.................................................................................................. 14 4.6 Ongewervelden............................................................................................ 15 5. Conclusie......................................................................................................... 16 Literatuur............................................................................................................ 17

Bijlagen...............................................................................................................17 Bijlage 1: Impressie plangebied...............................................................................18 Bijlage 2: Soortbescherming - Wet Natuurbescherming.......................................... 20

Ecochore Natuurtechniek

3

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

1. Aanleiding en doel Op de locatie van Distributiereservoir Beuningen, is Vitens voornemens onder andere een nieuw reservoir en pompgebouw te realiseren. Naderhand zal het bestaande pompgebouw worden gesloopt. Middels de Wet Natuurbescherming wordt een groot aantal plant- en diersoorten beschermd. Als er plannen zijn om bepaalde (ruimtelijke) handelingen uit te voeren of wijzigingen aan te brengen in het bestemmingsplan, zal er onderzocht moeten worden of deze plannen, of onderdelen hiervan, nadelige effecten kunnen hebben op aanwezige, of mogelijk aanwezige, beschermde flora en fauna. Door het uitvoeren van een natuurtoets kan worden bepaald of dier- en plantsoorten negatieve gevolgen kunnen ondervinden van de werkzaamheden dan wel dat er gezocht moet worden naar mitigerende en/of compenserende maatregelen. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat een ontheffing moet worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. Dit is in de meeste gevallen de betreffende provincie waarin het project ligt. Om aan de zorgplicht te kunnen voldoen, die gesteld wordt in de Wet Natuurbescherming onderdeel soortenbescherming, is aan Ecochore Natuurtechniek opdracht gegeven voor de uitvoering van een quickscan natuurtoets om zo de mogelijk negatieve effecten op flora en fauna in kaart te brengen.

Middels een quickscan wordt een indruk verkregen van de mogelijke waarden van een gebied voor flora en fauna en kan worden beoordeeld of voldoende verspreidingsgegevens van mogelijk aanwezige beschermde dieren en planten voorhanden is of dat nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Dit rapport beschrijft de bevindingen en consequenties van het uitgevoerde quickscan natuuronderzoek ten aanzien van het onderdeel soortenbescherming zoals opgenomen in hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming.

Ecochore Natuurtechniek

4

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

2. INVENTARISATIEOPZET EN GEBIEDSBESCHRIJVING Voor de quickscan is de locatie op 21 mei 2021 door een medewerker van Ecochore Natuurtechniek bezocht om zo een verwachting uit te kunnen spreken van het voorkomen van, dan wel het gebruik maken door, beschermde dier- en plantsoorten in het gebied, zoals vermeld in de Wet Natuurbescherming, Habitatrichtlijn, Vogelrichtlijn en Rode Lijsten.

2.1 Onderzoeksmethodiek Iedere dier- en plantgroep behoeft zijn eigen methode van inventarisatie om zo een zo goed mogelijk beeld te krijgen van de betekenis van het gebied voor de betreffende soorten of groepen. Dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Er is zowel globaal gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna, als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een éénmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het onderzoek zijn de aanwezige ecotopen intensief geïnspecteerd op aanwijzingen van beschermde of Rode lijstgenoteerde flora en fauna. Als aanvulling op het veldbezoek zijn voor handen zijnde verspreidingstabellen en verspreidingsatlassen, met waarnemingen van de locatie en directe omgeving, geraadpleegd op het voorkomen van beschermde of Rode Lijstgenoteerde soorten. Aan de hand van de resultaten van het quickscanonderzoek kan worden aangegeven of nadere inventarisaties gewenst zijn of dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de effecten op aanwezige (beschermde) flora en fauna geen bedreiging opleveren en of ontheffingen in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk zijn. Bezoekdata 21-05-2021

Tijd dagbezoek

Weersgesteldheid

Onderzoeker

bewolking 8/8, windkracht 4-5 Bft ZW, 15 0C

Bas Voerman

Tabel 1: Bezoekdata en specificaties.

2.2 Gebiedsbeschrijving De planlocatie is gelegen aan de Wilhelminalaan 200W in Beuningen, in de gelijknamige gemeente. Het distributiereservoir wordt geheel omsloten door agrarische percelen. Opgaande groen­ structuren zijn alleen aanwezig als laanbeplanting langs de wegen. Langs de zuidzijde van het perceel stroomt de Nieuwe Wetering tussen Nijmegen en Appeltern. Het plangebied bestaat uit verschillende gebouwen waaronder het pompgebouw en het reservoir. Op het terrein ligt naar de gebouwen een halfverharding en gedeeltelijk betonplaten rondom het pompgebouw. De overige delen bestaan uit bloemrijk hooiland met verspreid verschillende kleine houtopstanden. De houtopstanden bestaan voornamelijk uit vrij jong hakhout. In het gebied liggen twee, fraai begroeide c-watergangen. Het pompgebouw bestaat gedeeltelijk uit laagbouw met gemetselde, gespouwde muren. In de buitenmuren zitten diverse open stootvoegen en langs de dakrand van de laagbouw zit een dakrandbetimmering. Het aangebouwde hogere deel is opgetrokken uit damwandprofielplaten. Beide gebouwdelen hebben een plat dak. Het huidige reservoir is opgetrokken uit gemetselde, gespouwde muren en voorzien van een plat dak met grinddek. Langs de bovenzijde van de muren is een groot aantal open stootvoegen aanwezig. Zie voor gebiedsligging figuur 1 en een gebiedsimpressie bijlage 3.

Ecochore Natuurtechniek

5

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

2.3 Geplande werkzaamheden Binnen het plangebied zijn verschillende werkzaamheden gepland: ŵ Q Q Q ŵ

Nieuwbouw reservoir en pompgebouw Sloop huidige pompgebouw Leidingwerkzaamheden Kapwerkzaamheden (hakhoutopstand en een enkele solitaire populier) Dempen en omleggen watergang

Naast het bestaande reservoir zal een nieuw reservoir en pompgebouw worden gerealiseerd. Hiervoor zal een deel van een houtopstand worden gerooid en zal de aanwezige watergang worden verlegd. Na ingebruikname van het pompgebouw zal het huidige pompgebouw worden gesloopt. De werkzaamheden kunnen worden aangemerkt als Ruimtelijke Ingrepen. Op deze definitie is de afweging in het kader van de Wet Natuurbescherming (hoofdstuk 4) gebaseerd.

2.4 Volledigheid inventarisatie De inventarisatie is uitgevoerd middels een quickscan. Bij dit type natuuronderzoek wordt aan de hand van feitelijke veldwaarnemingen, literatuur en expert judgement een inschatting gemaakt van de mogelijke ecologische waarden van het gebied voor beschermde soorten planten en dieren. Hierdoor blijft het onderzoek een steekproef en zullen bepaalde soorten en functies niet zijn waargenomen, terwijl ze (op een ander tijdstip) wel aanwezig kunnen zijn. Voor een compleet beeld kunnen daardoor nadere inventarisaties noodzakelijk zijn. De verkregen verspreidingsgegevens hebben een bepaalde ‘houdbaarheidsdatum’ waardoor het gebruik van verspreidingsgegevens aan een maximale gebruiksperiode is gebonden. Indien aanwezigheid van beschermde soorten, of schade aan deze soorten, kan worden uitgesloten, wordt veelal een bruikbaarheidsperiode van circa 5-6 jaar gehanteerd. Voor zwaar beschermde soorten als bijvoorbeeld vleermuizen en vogels, geldt een bruikbaarheidperiode van circa 2-3 jaar. Na deze periode zijn de gegevens verouderd en dient beoordeeld te worden of de gegevens voldoende upto-date zijn om te kunnen gebruiken bij afwegingen voor ruimtelijke ingrepen. Voor dit alles geldt wel dat de planlocatie niet drastisch is veranderd waardoor nieuwe leefsituaties kunnen zijn ontstaan.

Indien hiervan wel sprake is, kan een gedeeltelijke update of volledig nieuw onderzoek noodzakelijk zijn. Deze afweging dient door een ter zake kundig ecoloog of het bevoegd gezag te worden beoordeeld.

Ecochore Natuurtechniek

6

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Figuur 1. Ligging onderzoeksgebied Bron: Google Maps.

Uitsnede: m Nieuwbouw reservoir m Te slopen pompgebouw m te behouden reservoir

Ecochore Natuurtechniek

7

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

3. Onderzoeksresultaten In dit hoofdstuk worden kort de bevindingen van het veldbezoek weergegeven. Ter aanvulling op de onderzoeksresultaten zijn verspreidingsatlassen geraadpleegd voor het kilometerhok: 179-427. In het volgende hoofdstuk worden de wettelijke consequenties en eventuele aanbevelingen beschreven. Voor een toelichting op de Wet Natuurbescherming wordt verwezen naar bijlage 4.

3.1 Flora Nieuwbouw Dit deel (blauwe rechthoek in figuur 1) bestaat gedeeltelijk uit een jonge opstand van voornamelijk wilgen en elzenhakhout. Als doormenging staat er ruwe berk, rode kornoelje en zomereik. De ondergroei wordt voornamelijk gedomineerd door gewone braam en grote brandnetel. Het overige deel bestaat uit grasland en een c-watergang. In deze delen zijn diverse wilde vaatplanten aangetroffen. In de sloot zijn soorten aanwezig als echte koekoeksbloem, grote lisdodde, waterweegbree, gewone waterbies en holpijp. In het grasland groeien soorten als grote ratelaar, moerasspirea, smeerwortel, pinksterbloem, moerasvergeet-mij-nietje, wolfspoot, blaar­ trekkende boterbloem, rode klaver en dergelijke. Te slopen gebouw De ruimte rondom dit gebouw is verhard met betonplaten. Hierdoor zijn alleen enkele algemene soorten tussen de betonplaten aangetroffen. Overige groene delen van het plangebied Een groot deel van het terrein is begroeid met bloemrijk grasland dat vrij extensief wordt beheerd. Verspreid over het terrein zijn diverse vaatplanten aangetroffen.

Naast de hierboven vermelde soorten zijn ook soorten als madeliefje, scherpe boterbloem, Jacobs kruiskruid, witte klaver, fluitenkruid, slibbladige ooievaarsbek, smalle weegbree, akkerdistel, gewone berenklauw, duizendblad, gewone margriet, gewone paardenbloem, kleine klaver, vogelmuur, akkerwikke, knoopkruid, gekroesde melkdistel, heermoes, hondsdraf, gestreepte witbol, timotheegras en straatgras aangetroffen. Soorten als knoopkruid en Jacobs kruiskruid doen vermoeden dat een deel van de soorten in het verleden is gezaaid. Doordat voor de inventarisatie geen vlakdekkende florakartering is uitgevoerd, zullen niet alle plantensoorten zijn aangetroffen. Binnen het plangebied zijn echter geen beschermde of Rode lijstgenoteerde soorten gevonden. Aan de hand van de opbouw van het plangebied en de mate van onderhoud, zijn beschermde soorten niet te verwachten. Literatuur De NDFF bevat geen waarnemingen van beschermde soorten in de ruime omgeving van het plangebied. Rondom Nijmegen zijn wel diverse groeiplaatsen van wilde kievitsbloem bekend geworden. Deze groeiplaatsen zijn in de verspreidingsatlassen van Floron echter alle aangemerkt als ‘niet wild’. Wel zijn enkele Rode Lijstgenoteerde soorten bekend geworden als korenbloem, krabbescheer, kruisbladwalstro, moeraswolfsmelk, stengelloze sleutelbloem, trosdravik en waterdrieblad.

3.2 (Broed)vogels De aanwezige ecotopen op de planlocatie en de directe omgeving (bos en bebouwing), bieden potentiële broedgelegenheden voor soorten uit ecologische vogelgroepen als: Q Q Q ŵ

Agrarische gebieden Struwelen Graslanden en ruigten Bebouwing en overige groepen

Tijdens het veldbezoek zijn enkele foeragerende en territoriumindicerende vogels aangetroffen: koolmees, houtduif, tjiftjaf en scholekster. Door de vrij harde wind tijdens het veldbezoek, zullen verschillende soorten minder actief zijn geweest en daardoor niet zijn waargenomen. Een paartje scholekster was alarmerend aanwezig op het reservoir. Hierdoor kan worden aangenomen dat de soort op het dak van het reservoir broedt. Overige nesten zijn niet waargenomen. Ecochore Natuurtechniek

8

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Het beschermingsregime van de groep vogelsoorten is opgedeeld in 5 categorieën waarbij de nestlocaties leidend zijn. In bijlage 4 is een toelichting op de 5 verschillende categorieën en bijhorende soorten beschreven. Categorie 1 -4 soorten Van de soorten uit categorieën 1-4 zijn geen waarnemingen binnen het plangebied verricht. De meeste soorten uit deze categorieën zijn voor het bouwen van nesten aangewezen op forsere houtopstanden (als bijvoorbeeld buizerd, havik, wespendief) of op gebouwen (waaronder kerkuil, steenuil, huismus en gierzwaluw). De aanwezige houtopstanden zijn echter te jong (gedeeltelijk hakhout) om voor deze soorten een geschikte broedlocatie te vormen. De aanwezige gebouwen bieden eveneens geen geschikte mogelijkheden voor soorten uit deze categorieën. Er zijn geen open zolders, pannendaken of andere potentiële broedlocaties voorhanden. Langs de Wilhelminalaan staat wel forse laanbeplanting. Een enkele soort als bijvoorbeeld buizerd is in de omgeving als broedvogel daardoor niet geheel uitgesloten. Ook de omliggende erven kunnen broedlocaties vormen voor soorten als huismus en kerk- en steenuil waardoor deze soorten binnen het plangebied foeragerend kunnen worden aangetroffen. Binnen het plangebied zijn broedlocaties echter uitgesloten. Categorie 5 soorten Er is één soort uit categorie 5 aangetroffen: koolmees.

Soorten uit categorie 5 zijn voornamelijk (half-) holenbroeders. Binnen het plangebied zijn dergelijke geschikte broedlocaties nauwelijks voorhanden doordat de houtopstanden vrij jong zijn en daardoor geen geschikte holten hebben. Ook de gebouwen hebben voor deze soorten geen geschikte broedlocaties. Literatuur De atlas van Nederlandse broedvogels laat in het uurhok waarbinnen het plangebied ligt een groot aantal (algemene) broedvogels zien. Van de categorie 1-4 soorten zijn verschillende broedvogels uit de omgeving bekend geworden als sperwer, wespendief, buizerd en ransuil.

3.3 Herpetofauna en vissen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen of vissen waargenomen. Wel zijn twee bastaardkikkers in het water vastgesteld. De aanwezige c-watergangen bieden in potentie geschikte voortplantingsbiotopen voor enkele soorten amfibieën. Doordat de sloten vermoedelijk in delen van het jaar droogvallen zullen vispopulaties hier niet aanwezig zijn. Voor reptielen als levendbarende hagedis, zandhagedis en hazelworm vormt het plangebied eveneens geen geschikt leefgebied. Ook zijn in de ruime omgeving geen populaties van deze soorten bekend geworden. Voor ringslang vormt het plangebied matig geschikt leefgebied. Van deze soort zijn in de NDFF echter eveneens geen waarnemingen of populaties bekend geworden binnen dispersie afstand. Tijdens het veldbezoek is specifiek gezocht naar broeihopen. Deze zijn niet aangetroffen. Mede hierdoor kan een populatie van de soort binnen het plangebied redelijkerwijs worden uitgesloten. Amfibieën De c-watergangen binnen het plangebied vormen potentieel geschikt voortplantingsbiotoop voor enkele amfibieën. Hierdoor kunnen soorten als bruine kikker, gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander binnen het plangebied worden aangetroffen. De sloten vormen eveneens geschikt leefgebied voor poelkikker en kamsalamander. Beide soorten zijn in de ruime omgeving bekend geworden in de NDFF.

Literatuur De verspreidingskaarten van RAVON (Reptielen, Amfibieën en Vissenonderzoek Nederland) en Spitzen-van der Sluijs et al. (2007) van de periode 2006-2015 en de NDFF, laten meerdere beschermde soorten amfibieën in het uurhok zien waarbinnen het plangebied gelegen is. Het betreft licht beschermde soorten als kleine watersalamander, gewone pad, bruine kikker en bastaardkikker (allen Artikel. 3.10 Wet Natuurbescherming). Daarnaast zijn waarnemingen bekend van poelkikker en kamsalamander (Artikel 3.10 Wet Natuurbescherming).

Ecochore Natuurtechniek

9

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

3.4 Zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen of vaste rust- en verblijfplaatsen van grondgebonden en beschermde zoogdieren aangetroffen. De planlocatie, en de directe zone hier omheen, biedt enkele zoogdiersoorten een potentieel geschikt leefgebied. Hierbij moet met name gedacht worden aan soorten als: ware muizen, woelmuizen, spitsmuizen, egel, konijn, haas en de minder algemene kleine marterachtigen. Binnen de strikte begrenzingen van de nieuwbouw zijn geen aanwijzingen gevonden van (mogelijke) verblijfplaatsen. Literatuur De NDFF bezit enkele meldingen van beschermde soorten als bunzing, das, steenmarter, bever, eekhoorn en egel in de omliggende kilometerhokken. Strikt beschermde soorten (Artikel 3.5 Wnb) zijn niet bekend geworden. Vleermuizen Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Het plangebied biedt door de aanwezige houtopstanden en insectenrijke graslanden een potentieel geschikt foerageergebied voor verschillende soorten. In de houtopstanden kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen worden uitgesloten door het ontbreken van boomholten in de vrij jonge houtopstanden. Ook de te kappen populier heeft geen voor vleermuizen geschikte holten.

Het te slopen pompgebouw en het te behouden reservoir bieden wel diverse mogelijkheden voor verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten als gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en mogelijk laatvlieger - zie onderstaande foto. In beide gebouwen zijn diverse open stootvoegen en enkele dilatatievoegen en dakrandbetimmeringen die toegangsmogelijkheden bieden tot de spouw. Ook in gebouwen op erven in de omgeving kunnen verblijfplaatsen van gebouwbewonende soorten aanwezig zijn die door het potentiële insectenrijke vegetatie binnen het plangebied kunnen foerageren. De Nieuwe Wetering langs de zuidzijde en de laanbeplanting van zomereiken langs de Wilhelminalaan, kunnen voor enkele soorten eveneens een vliegroute en foerageerfunctie vormen. Literatuur Verspreidingsatlassen van vleermuizen laten aanwezigheid van verschillende soorten in het kilometerhok zien: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis.

3.5 Ongewervelden Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen beschermde soorten uit deze groep aangetroffen. Het plangebied is voor beschermde of Rode Lijstgenoteerde insectensoorten niet geschikt als leefgebied. Het voorkomen van beschermde ongewervelden, als libellen, gestreepte waterroofkever, platte schijfhoren en dergelijke, is derhalve uitgesloten. Literatuur In de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde of Rode Lijstgenoteerde ongewervelden bekend binnen het kilometerhok en omringende hokken.

Open stootvoegen en dakrandbetimmeringen in het te slopen pompgebouw.

Ecochore Natuurtechniek

10

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

4. Toetsing Soortenbescherming - Wet Natuurbescherming 4.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De soortenbescherming zoals in deze wetgeving is opgenomen, is de opvolger van de Flora- en faunawet uit 2002. In deze wetgeving is de bescherming van soorten opgenomen in drie artikelen: * * *

Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10

Artikel 3.1 beschrijft de vogelsoorten zoals opgenomen in de Europese Vogelrichtlijn. Deze lijst omvat alle inheemse vogelsoorten. Verstoring of opzettelijke verontrusting van broedende vogels is niet toegestaan. Daarnaast zijn er enkele soorten die jaarrond gebruik maken van dezelfde broedlocaties of die afhankelijk zijn van specifieke locaties; deze locaties zijn jaarrond beschermd. Voor vogels is slechts ontheffing mogelijk voor belangen die betrekking hebben op bescherming van flora en fauna, veiligheid voor het vliegverkeer of volksgezondheid. Soorten die vermeld staan in artikel 3.5 betreffen soorten die zijn opgenomen in bijlage VI van de Europese Habitatrichtlijn, bijlage II van het Verdrag van Bern en bijlage I en het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de ingreep en het effect op beschermde soorten, kunnen nadere onderzoeken met toetsing aan de wetgeving noodzakelijk zijn. Bij eventuele negatieve effecten kan een ontheffing noodzakelijk zijn. De mogelijkheid voor ontheffing wordt getoetst aan de belangen zoals opgenomen in de Europese richtlijnen. Onder dit Artikel vallen bijvoorbeeld alle soorten vleermuizen die door de vermelding op bijlage IV van de Europese Habitatrichtlijn, Europese bescherming genieten. Soorten als bedoeld onder dit artikel worden in deze rapportage aangeduid als strikt beschermde soorten.

Soorten die vermeld staan in artikel 3.10 zijn soorten van nationaal belang. Voor deze soorten geldt een iets milder beschermingsregime. Daarnaast zijn per provincie enkele soorten op de vrijstellingslijst geplaatst voor belangen als ruimtelijke ingrepen en bestendig beheer. Afhankelijk van de aard van de werkzaamheden of doelstelling, kunnen soorten binnen dit artikel zijn vrijgesteld van ontheffing of is nader onderzoek en ontheffing noodzakelijk. Zie voor een uitgebreidere toelichting bijlage 4.

4.2 Flora Binnen het onderzoeksgebied zijn tijdens de quickscan geen beschermde plantensoorten waargenomen. Van beschermde soorten zijn geen groeiplaatsen binnen het gebied te verwachten en ook niet bekend geworden in de literatuur. De locatie biedt geen geschikte groeiplaatsen voor beschermde vaatplanten waardoor deze kunnen worden uitgesloten. Uitzondering hierop is de wilde kievitsbloem waarvan enkele groeiplaatsen aan de westzijde van de bebouwde kom van Nijmegen bekend zijn. Doordat de soort hier is aangeplant is deze niet als wilde vaatplant aan te merken en daardoor niet beschermd. Voor de bouw van het nieuwe reservoir en pompgebouw, zal een deel van de sloot worden verlegd om voldoende noodzakelijke berging in het gebied te behouden. De huidige watergang heeft een goed ontwikkelde vegetatie met wilde koekoeksbloem, waterweegbree, gewone waterbies, moerasspirea, holpijp en dergelijke. Mede hierdoor vormt de sloot voor verschillende soortgroepen een geschikt onderdeel in het leefgebied. Het is daarom aan te bevelen om de nieuw te graven sloot te enten met groeiplaatsen vanuit het te dempen deel om zo snel mogelijk na het graven te functioneren als leefgebied. Hierbij is het belangrijk dat de te enten delen zo goed mogelijk op overeenkomstige plekken worden geplaatst; bodemzodes ook in de nieuwe situatie op de bodem en taludzodes ook in de taluds.

Het is raadzaam dit in overleg met een ecoloog uit te voeren om zo de meest geschikte zodes te verplanten. Door het ontbreken van beschermde soorten is voor het dempen en vergraven van de sloot ten aanzien van vaatplanten geen ontheffing noodzakelijk. Ook voor het kappen van een deel van de houtopstand is geen ontheffing en zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

11

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Aangezien beschermde soorten ontbreken is geen schade aan deze soorten te verwachten en is nader onderzoek of een ontheffing niet noodzakelijk. Wel wordt geadviseerd om groeiplaatsen/zodes vanuit de te dempen sloot te verplanten naar de nieuw te graven sloot.

4.3 (Broed)vogels Alle inheemse vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet Natuurbescherming. Ontheffing voor deze diergroep is in de meeste gevallen niet mogelijk. Dit betekent dat het (opzettelijk) verstoren, verontrusten, doden en anderszins van vogels en nesten in beginsel niet is toegestaan. Voor vogels geldt dat deze tijdens de broedperiode het meest gevoelig zijn voor verstoring. De rest van het jaar zijn zij flexibeler en is de kans op nadelige effecten door de werkzaamheden voor de individuen aanzienlijk minder. Hierdoor is het sterk aan te bevelen buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden waardoor bij aanvang van het broedseizoen het verstoringeffect op vogels minimaal is. Globaal kan worden gezegd dat de broedperiode, voor de mogelijk aanwezige soorten, ligt tussen 1 maart en 15 juli. Hierbij dient wel te worden op gemerkt dat indien broedende vogels in een andere periode van het jaar worden aangetroffen, hierbij zorgvuldig dient te worden omgegaan zodat verstoring van de broedende vogels wordt voorkomen. Niet alle vogels maken jaarlijks een nieuw nest om te broeden. Een deel van de soorten gebruikt jaarlijks hetzelfde nest of dezelfde locatie om hun jongen groot te brengen. Ook zijn er soorten die jaarrond gebruik maken van vaste verblijfplaatsen.

Voor deze soorten geldt dat de nest- of verblijflocaties jaarrond beschermd zijn en dat inzichtelijk gemaakt moet worden welke gevolgen de werkzaamheden voor deze soorten hebben. De provincie hanteert een lijst met vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn: ‘Aangepaste lijst beschermde vogelnesten’ - zie ook bijlage 4. De nestlocaties en vaste verblijfplaatsen van de hierin beschreven soorten zijn ook in perioden beschermd als er tijdelijk geen gebruik van de nestlocatie wordt gemaakt. De betreffende soorten zijn verdeeld in 5 categorieën. Categorie 1 -4 soorten Binnen de te ontwikkelen locaties zijn geen soorten of broedlocaties van soorten uit categorie 1-4 aangetroffen. Voor verschillende soorten is het plangebied wel geschikt als foerageergebied. In de omgeving kunnen soorten als buizerd, huismus, kerkuil en steenul mogelijk een broedlocatie hebben en daardoor binnen het plangebied foeragerend worden aangetroffen. Voor deze soorten blijft het gebied behouden en voldoende functioneren. Het totale bebouwde oppervlak zal uiteindelijk met circa 800 m2 toenemen. De ruimte van het huidige pompgebouw zal na sloop eveneens als onderdeel in het foerageergebied fungeren. Voor voornoemde soorten zal deze verandering geen significant negatief effect hebben.

Indien de werkzaamheden (nieuwbouw en sloop) binnen de broedperiode van vogels wordt uitgevoerd, is een nadere afweging door een ecoloog, gecombineerd met veldbezoek noodzakelijk om te bepalen of nestlocaties in de directe omgeving aanwezig zijn, of dat door de werkzaamheden verstoring kan optreden en op welke wijze eventuele verstoring van broedende vogels kan worden voorkomen. Indien de start van de werkzaamheden ruim voor het broedseizoen aanvangt, is er bij aanvang van het broedseizoen sprake van aanwezige geluid- of trillingsbelasting. Bij vogels die op dat moment een territorium gaan bezetten binnen de geluids- of trillingscirkel, zal daardoor gewenning zijn opgetreden waardoor sprake is van acceptatie en geen sprake van overlast/verstoring. Categorie 5 soorten In de te slopen gebouwen en op de locatie van het nieuw te bouwen productiebedrijf, zijn geen broedlocaties van soorten uit deze categorie aangetroffen. In de omringende, opgaande struwelen zullen redelijkerwijs enkele soorten een broedbiotoop bezetten. Eveneens kan worden gesteld dat van de aangetroffen en mogelijk aanwezige categorie-5-soorten binnen het plangebied en in de directe omgeving, voldoende potentieel geschikte broedlocaties behouden blijven. De duurzame instandhouding van de populaties van deze soorten zal hierdoor niet in het geding zijn.

De locatie van de te slopen gebouwen zal na de sloop een natuurlijke inrichting krijgen. Mede hierdoor kan redelijkerwijs worden gesteld dat er eveneens voldoende foerageermogelijkheden in de directe omgeving behouden blijven waardoor populaties van soorten uit deze categorie geen negatieve gevolgen zullen ondervinden. Ecochore Natuurtechniek

12

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Door de voorgenomen nieuwbouw en sloop zijn geen significant negatieven effecten te verwachten op soorten uit categorie 1-4. Hierdoor is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen starten of worden uitgevoerd, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord doordat enkele soorten als broedvogel niet zijn uit te sluiten. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld.

4.4 Herpetofauna en vissen Nieuwbouwlocatie De c-watergangen binnen het plangebied vormen een potentieel voortplantingsbiotoop voor verschillende soorten amfibieën Dit zijn soorten als bastaardkikker, bruine kikker, kleine watersalamander en gewone pad. Deze soorten zijn beschermd conform Artikel 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Deze soorten zijn echter opgenomen in de provinciale vrijstellingslijst en zijn daardoor vrijgesteld van ontheffing bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast vormen de watergangen op het terrein eveneens mogelijke voortplantingsbiotopen voor de strikter beschermde soorten poelkikker en kamsalamander (Artikel 3.5 van de Wet Natuurbescherming). Van beide soorten zijn waarnemingen in de omgeving bekend geworden. Hierdoor en doordat het plangebied potentieel geschikt habitat vormt, kunnen de soorten niet binnen het plangebied worden uitgesloten. Naast voortplantingsbiotopen vormen de houtopstanden potentieel geschikte landbiotopen voor beide soorten. Hoewel de biotoopeisen van beide soorten enigszins verschillen, komen deze wel grotendeels overeen. De onderstaande voorstellen zijn daardoor op beide soorten gericht. Doordat de twee strikt beschermde soorten zeer waarschijnlijk binnen het plangebied kunnen worden aangetroffen, zijn nadere maatregelen noodzakelijk om schade aan de populaties en individuen te voorkomen.

Indien onderstaande maatregelen kunnen worden toegepast is geen ontheffing of nader onderzoek noodzakelijk. 1. 2. 3.

Werken buiten kwetsbare perioden Biotoopcompensatie Ecologische begeleiding

Ad 1: Werken buiten kwetsbare perioden De meest kwetsbare perioden van de poelkikker en kamsalamander zijn de voortplantingsperiode en de winterrustperiode. De voortplantingsperiode loopt van half maart totdat de larven uit het water verdwenen zijn, veelal half september. Ei-klompen en larven zijn aanwezig vanaf mei tot en met half september. De kwetsbare periode van de winterrust loopt van half oktober tot en met half april. Doordat de werkzaamheden zowel een potentieel voortplantingshabitat beïnvloeden als ook een potentieel winterhabitat (houtopstand) is het van belang dat de werkzaamheden aan de watergang en de houtopstand in de periode september-oktober plaatsvinden. Samenvattend: * Alleen dempen sloot * Alleen houtopstanden verwijderen * Dempen en houtopstand verwijderen

- half september-maart - half april-half oktober - half september-half oktober

Ad 2. Biotoop compensatie De oppervlaktevermindering van het landhabitat - de te kappen houtopstand - zal voor deze soorten en geen significant negatief effect hebben doordat het een zeer beperkte oppervlakte betreft ten opzichte van de te behouden houtopstanden binnen het plangebied. Wel is het aan te bevelen om de oppervlakte landhabitat binnen het plangebied te behouden door het aanleggen van nieuw landhabitat. Dit kan worden gerealiseerd door binnen het terrein, met vrijkomende grond, een lichte verhoging van enkele decimeters aan te leggen en dit te beplanten met bosplantsoen. Bij voorkeur minimaal een gelijke oppervlakte van de te verwijderen houtopstand. Door voor de oppervlakte minimaal de oppervlakte van het te verwijderen houtopstand te kiezen, blijft het totale aanbod aan potentieel landhabitat behouden.

Ecochore Natuurtechniek

13

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Voortplantingshabitat Het is van belang dat de oppervlakte voortplantingshabitat minimaal behouden blijft, dan wel wordt versterkt. De nieuwe, aan te leggen sloot, zal een gelijke of iets grotere lengte hebben ten opzichte van het bestaande te dempen deel van de watergang. Door deze nieuwe sloot natuurtechnisch in te richten, afgestemd op de ecologie van de soorten, kan behoud en een versterking van het voortplantingshabitat worden gerealiseerd. Het natuurtechnisch inrichten van dit nieuwe deel bestaat uit twee stappen: * De meest zonbeschenen oever dient, vanaf de slootbodem, een flauwer talud te krijgen, bij voorkeur 1:5, echter minimaal 1:3. * In het nieuw te graven deel worden verspreid op geschikte plekken zodes vanuit de bestaande, te dempen, sloot aangebracht, zowel op het talud als op de slootbodem. Hierdoor zal het eerst volgende groeiseizoen een belangrijke mate van beplanting aanwezig zijn waardoor deze watergang direct als voortplantingsbiotoop kan fungeren. Van belang is dat de nieuw te graven sloot als nieuw voortplantingsbiotoop voorafgaande aan het dempen dan wel gelijktijdig met het dempen van de huidige sloot wordt uitgevoerd. In dat geval is er geen voortplantingseizoen sprake van een vermindering aan geschikt biotoop voorhanden. Ad 3.

Ecologische begeleiding Het dempen van de sloot (gehele jaar) en het verwijderen van de houtopstand (in de periode oktober-maart) dient onder ecologische begeleiding te worden uitgevoerd. Hierbij dienen de te vergraven delen te worden doorzocht op aanwezige dieren waarbij deze kunnen worden gevangen en verplaatst naar veilige zones buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Indien bovenstaande onderdelen worden toegepast, is geen ontheffing of nader onderzoek noodzakelijk. Indien hiervan wordt afgeweken, is nadere afstemming met een ecoloog noodzakelijk. Te slopen pompgebouw Ten behoeve van het te slopen pompgebouw zijn geen nadere maatregelen noodzakelijk. Doordat twee strikt beschermde soorten vermoedelijk van het plangebied gebruik maken, zijn nadere maatregelen opgenomen en aanzien van realisatie nieuw habitat in de te graven sloot en ecologische begeleiding tijdens het dempen en bij het ontgraven. Van deze maatregelen zullen alle aanwezige amfibieën profiteren. Indien de genoemde onderdelen worden toegepast, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.

4.5 Zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Ondanks dat geen waarnemingen van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn aangetroffen, kunnen in het plangebied diverse soorten worden aangetroffen. Alle binnen het plangebied mogelijk aanwezige soorten vallen onder Artikel 3.10 van de Wet Natuurbescherming. Diverse soorten als ree, ware muizen, woelmuizen, algemene spitsmuizen, egel en dergelijke zijn vrijgesteld van ontheffing voor ruimtelijke ontwikkelingen waardoor bij aanwezigheid geen ontheffing noodzakelijk is. Het plangebied is eveneens geschikt voor kleine marterachtigen (bunzing, wezel en hermelijn) en steenmarter. In de structuurrijke ecotopen binnen het plangebied kunnen verblijfplaatsen en foerageergebied van deze soorten niet worden uitgesloten. Het aanwezige hekwerk dat de huidige bebouwing omsluit, vormt voor deze soorten geen directe belemmering. De nieuwbouwlocatie ligt echter grotendeels buiten de huidige afrastering. Binnen het gehele terrein van het Reservoir Beuningen, zijn, met name in de houtopstanden, en de zomen diverse mogelijkheden voor verblijfplaatsen van deze soorten. Het overgrote deel hiervan blijft behouden. Een relatief klein deel zal worden bebouwd. Door het relatief kleine gebied van enkele aren, en het behoud van voldoende aaneengeschakeld habitat, is geen nader onderzoek noodzakelijk.

Het aanleggen van een houtopstand zoals beschreven onder paragraaf 4.4 ten behoeve van amfibieën, zal ook voor deze marterachtigen een versterking vormen van het leefgebied en extra mogelijkheden bieden voor verblijfplaatsen.

Ecochore Natuurtechniek

14

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Doordat de mogelijk aanwezige populaties niet in het geding zijn, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Voor grondgebonden zoogdieren is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Vleermuizen Door de bouw van het nieuwe reservoir zullen geen verblijfplaatsen verdwijnen en zullen geen grote negatieve ingrepen in de foerageerkwaliteit van het terrein of vliegroutes plaatsvinden. Hierdoor zijn door de geplande nieuwbouw voor vleermuizen geen negatieve effecten te verwachten. In het huidige, te slopen gebouw zijn verschillende open stootvoegen en ruimten achter dakrandbetimmeringen en dergelijke aanwezig die mogelijkheden bieden voor verblijfplaatsen van vleermuizen. Tijdens het onderzoek zijn geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Deze sporen zijn echter veelal niet zichtbaar doordat kleinere groepen vleermuizen weinig sporen achterlaten en eventuele sporen door weersinvloeden snel kunnen verdwijnen. De locatie is met name (potentieel) geschikt voor gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis en in mindere mate voor andere soorten. Door de voorgenomen sloop kunnen daardoor verblijfplaatsen verdwijnen waardoor vooraf nader onderzoek noodzakelijk is. Verblijfplaatsen van boombewonende soorten zijn niet binnen het plangebied te verwachten door het ontbreken van geschikte boomholten.

Nader onderzoek Om meer inzicht te krijgen of de geplande sloopwerkzaamheden negatieve effecten kunnen hebben op aanwezige soorten en te beoordelen of, en zo ja welke, maatregelen noodzakelijk zijn, doordat verblijfplaatsen worden verwijderd, is het noodzakelijk nader onderzoek naar deze soortgroep uit te voeren. Voor deze afweging is het Vleermuisprotocol opgesteld door het Netwerk Groene Bureaus in samenwerking met Gegevensautoriteit natuur en de zoogdiervereniging leidend. Tijdens het onderzoek dient inzichtelijk gemaakt te worden of er vleermuizen gebruik maken van de planlocatie, welke soorten het betreft, welke typen verblijfsfuncties (kraam- of zomerverblijven of balts- en paarlocaties) de gebouwen hebben en welke effecten de werkzaamheden zullen hebben op de individuen en locale populaties. Hiervoor zijn verschillende onderzoeksmomenten noodzakelijk, verspreid over het zomerhalfjaar (april-september). Het onderzoek dient te worden uitgevoerd door een vleermuisdeskundige, zie onderstaande tabel voor een specificatie van het onderzoek. soortgroep Vleermuizen: kraam - en zomerverblijven Vleermuizen: Balts- en paarverblijven

Aantal bezoeken

Tijdstip onderzoek

Type onderzoek

Periode van onderzoek

3

avond/nacht en ochtend

bat-detector

mei - 15 juli

2

nacht

bat-detector

15 aug - eind sept

Tabel 3: overzicht noodzakelijk aanvullende onderzoeken vleermuizen.

Gezien het bovenstaande is voor de bouw van het nieuwe reservoir geen nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Voorafgaande aan de sloop van het huidige pompgebouw, dient wel een vleermuisonderzoek te worden uitgevoerd voordat de sloopwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd.

4.6 Ongewervelden Zowel de nieuwbouwlocatie als het te slopen deelgebied vormen geen geschikt voortplantings- of leefgebied voor beschermde en Rode lijstgenoteerde vlinders, libellen en overige insecten. Beschermde soorten zijn niet te verwachten aangezien de soorten van deze groepen veelal erg kritisch zijn op het biotoop. Voor de groep ongewervelden zijn voor de huidige plannen geen nadere maatregelen of ontheffing noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

15

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

5. Conclusie Vitens is voornemens een nieuw reservoir en pompgebouw te realiseren op de locatie van Distributiereservoir Beuningen. Het nieuwe reservoir met pompgebouw zal naast het bestaande reservoir worden gebouwd. Hiervoor zal een deel van een houtopstand worden gerooid en zal de aanwezige watergang worden verlegd. Na ingebruikname van het pompgebouw zal het huidige pompgebouw worden gesloopt. Op de planlocatie is een natuuronderzoek uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Aan de hand van de hierdoor verkregen gegevens, aangevuld met literatuuronderzoek, is een goed beeld ontstaan van de waarde van de planlocatie voor beschermde dier- en plantsoorten. Flora Beschermde vaatplanten ontbreken op de planlocatie waardoor geen schade aan deze soorten te verwachten is en geen nader onderzoek of een ontheffing noodzakelijk is. Wel zijn adviezen opgenomen om groeiplaatsen/zodes vanuit de te dempen sloot te verplanten naar de nieuw te graven sloot. Vogels Door de voorgenomen nieuwbouw en sloop zijn geen significant negatieven effecten te verwachten op soorten uit categorie 1-4. Hierdoor is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk.

Indien de werkzaamheden binnen het broedseizoen starten of worden uitgevoerd, kunnen maatregelen noodzakelijk zijn om te voorkomen dat door de werkzaamheden broedende vogels worden verstoord doordat enkele soorten als broedvogel niet zijn uit te sluiten. Dit dient door een ecoloog te worden beoordeeld. Herpetofauna en vissen Binnen het plangebied zijn twee strikt beschermde amfibieënsoorten op voorhand niet uit te sluiten. Hierom zijn nadere maatregelen opgenomen en aanzien van het aanbrengen van nieuw habitat in de te graven sloot en ecologische begeleiding tijdens het dempen en bij het ontgraven. Van deze maatregelen zullen alle aanwezige amfibieën profiteren. Indien de genoemde onderdelen worden toegepast, is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Voor grondgebonden zoogdieren is geen nader onderzoek of ontheffing noodzakelijk. Vleermuizen Voor de bouw van het nieuwe reservoir en pompgebouw is geen nader onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk. Voorafgaande aan de sloop van het huidige pompgebouw, dient wel een vleermuisonderzoek te worden uitgevoerd voordat de sloopwerkzaamheden kunnen worden uitgevoerd. Ongewervelden Voor de groep ongewervelden zijn voor de huidige plannen geen nadere maatregelen noodzakelijk.

Samenvattend - Soortenbescherming: Voor aanvang van de bouw van het nieuwe reservoir en pompgebouw is geen nader soortenonderzoek noodzakelijk. Hierbij is het wel van belang dat de beschreven maatregelen ten aanzien van amfibieën worden toegepast. Indien de genoemde onderdelen niet worden toegepast, is nader onderzoek naar amfibieën wel noodzakelijk. Voor de sloop van het huidige pompgebouw is nader vleermuisonderzoek noodzakelijk voordat de sloop kan worden uitgevoerd.

Ecochore Natuurtechniek

16

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Literatuur ŵ Q Q Q ŵ ŵ Q Q Q ŵ

www.gelderland.nl www.zoogdieratlas.nl www.verspreidingsatlas.nl www.ravon.nl www.floron.nl www.vogelatlas.nl www.vlindernet.nl www.bij12.nl - kennisdocument poelkikker - kennisdocument kamsalamander www.NDFF.nl

Q

Limpens, H. et al. 1997; Atlas van de Nederlandse Vleermuizen - Onderzoek naar verspreiding en ecologie; KNNV-uitgeverij. Linde, B. te en L-J van den Berg. 2003; Atlas van de flora van Oost-Gelderland. Stichting de Maandag. Sierdsema H. 1995. Broedvogels en beheer. Het gebruik van broedvogelgegevens in het beheer van bos- en natuurterreinen. SBB-rapport 1995-1, SOVONonderzoeksrapport 1995/04. SBB/SOVON, Driebergen/Beek-Ubbergen. Smit, J. en R. Krekels. 2008. Vliegend hert op de Veluwe - beschermingsplan 2009­ 2013. EIS en Bureau Natuurbalans. Spitzen - van der Sluis, A.M., G.W. Willink, R. Creemers, F.G.W.A. Ottburg, R.J. de Boer, P.M.L. Pfaff, W.W. de Wild, D.J. Stronks, R.J.H. Schröder, M.T. de Vos, D.M. Soes, P. Frigge en R.P.J.H. Struijk, 2007. Atlas reptielen en amfibieën in Gelderland. 1985-2005. Stichting RAVON, Nijmegen. Voerman, B. 2010. Quickscan natuuronderzoek infiltratiegebied Koekenberg Epe. Rapportnummer: 10263. Ecochore Natuurtechniek. Voerman, B. 2011. Aanvullend natuuronderzoek infiltratiegebied Koekenberg Epe. Rapportnummer: 11316. Ecochore Natuurtechniek. Weeda, Drs. E.J. et al. 2003; Nederlandse Ecologische Flora - Wilde planten en hun relaties. KNNV-uitgeverij.

Q Q

ŵ Q

Q Q Q

Bijlagen Bijlage 1: Impressie plangebied Bijlage 2: Toelichting Wet Natuurbescherming - soortenbescherming

Ecochore Natuurtechniek

17

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Bijlage 1: Impressie plangebied Nieuwbouwlocatie

Te slopen pompgebouw

Ecochore Natuurtechniek

18

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Overige terreindelen

Ecochore Natuurtechniek

19

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Bijlage 2: Soortbescherming - Wet Natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet Natuurbescherming van kracht. Deze wet is de soortgerichte implementatie van de Europese Habitat- en Vogelrichtlijn en vervangt de Flora- en faunawet, de Natuurbeschermingswet 1998 en de Boswet. Hoofdstuk 3 van de Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van flora en fauna op soortniveau. Activiteiten waarbij schade wordt gedaan aan beschermde dieren of planten zijn in principe verboden, tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak om, waar mogelijk, activiteiten uit te voeren zonder schade aan beschermde dieren en planten aan te brengen. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende dieren. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen waarin van iedereen wordt geacht voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten (niet alleen de beschermde) en hun leefomgeving. Dit is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming.

Naast de aandacht voor beschermde soorten geldt voor alle in het wild levende dieren en planten een zorgplicht. Deze is vastgelegd in Artikel 1.11 van de Wet Natuurbescherming. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt.

Voor de in deze rapportage gemaakte toetsing zijn met name de onderstaande artikelen met verbodsbepalingen van toepassing: Q Artikel 3.1 Q Artikel 3.5 en3.8 lid 5 Q Artikel 3.10

ŝ 3.1 - Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

ŝ 3.2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Ecochore Natuurtechniek

20

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen

Artikel 3.8 - lid 5 5. Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: i. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ii. ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; iii. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; iv. voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of v. om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben; c.

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. ŝ 3.3. Beschermingsregime andere soorten - nationaal Artikel 3.10 2. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 3. Artikel 3.8 (ontheffingen voor soorten genoemd in Artikelen 3.5 Red.), met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang. 4. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden.

Ontheffing en Vrijstellingsregeling Wanneer beschermde soorten, zoals bedoeld onder Artikel 3.1, 3.5 en 3.10, voorkomen in een gebied dienen er maatregelen getroffen te worden om behoud van de lokale populatie, bescherming van individuen en de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen te garanderen. Hiervoor dienen mitigerende en mogelijk compenserende maatregelen getroffen te worden. Om zeker te zijn of de maatregelen voldoende zijn, dienen ze vooraf beoordeeld te worden door het bevoegd gezag. Met dit besluit kan aangetoond worden dat de initiatiefnemer zich houdt aan de bepalingen in de Wet Natuurbescherming. Het besluit heeft de initiatiefnemer bijvoorbeeld nodig als iemand bezwaar maakt tegen het project of vraagt om handhaving van de Wet Natuurbescherming. Indien vaste verblijfplaatsen worden beschadigd of weggehaald of behoud van de lokale populatie dan wel bescherming van de aanwezige individuen niet voldoende kan worden gegarandeerd, dienen compenserende maatregelen te worden uitgevoerd én dient een ontheffing te worden aangevraagd bij het bevoegd gezag. In de meeste gevallen zal dit de betreffende provincie zijn. Voor deze soorten geldt echter dat alleen ontheffing wordt verleend op grond van een wettelijk belang genoemd in de betreffende Artikelen.

Elke provincie heeft een soortenlijst gepubliceerd waarin soorten, zoals bedoeld in Artikel 3.10, in die betreffende provincie zijn vrijgesteld voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden en bestendig beheer en onderhoud.

Ecochore Natuurtechniek

21

Quickscan natuuronderzoek Distributiereservoir Beuningen Vogels Verblijfplaatsen van broedvogels zijn door de Wet Natuurbescherming beschermd. Tijdens werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van vogels. De Wet Natuurbescherming kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is. De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 3.1. Voor deze soorten is geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest. Deze groep is opgedeeld in enkele categorieën waarop de verbodsbepalingen van artikel 3.1 lid 2 jaarrond van kracht zijn: 1. 2.

3.

4.

Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust en verblijfplaats. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen.

Het betreft de vogelsoorten: Q Q Q Q Q Q Q Q Q Q Q Q Q Q Q Q

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Oehoe Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw

(Falco subbuteo) (Buteo buteo) (Apus apus) (Motacilla cinerea) (Accipiter gentilis) (Passer domesticus) (Tyto alba) (Bubo bubo) (Ciconia ciconia) (Asio otus) (Corvus frugilegus) (Falco peregrinus) (Accipiter nisus) (Athene noctua) (Pernis apivorus) (Milvus migrans).

Er zijn ook vogelnesten die worden aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet strikt beschermd. 5.

Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.

Categorie 5-soorten zijn wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Wanneer een jaarrond beschermd nest wordt aangetroffen, dan dient altijd een omgevingscheck uitgevoerd te worden. Een deskundige dient te onderzoeken of er voor de soort in de omgeving voldoende plekken en materiaal aanwezig zijn om zelf een vervangende locatie te vinden en een vervangend nest te maken. Indien dit niet mogelijk is, dient een vervangende nestlocatie aangeboden te worden. Wanneer dit ook niet mogelijk blijkt, dient een ontheffing aangevraagd te worden. Ontheffing kan alleen verkregen worden op grond van een wettelijk belang uit de Vogelrichtlijn. Wettelijke belangen zijn: Q Q Q

bescherming van flora en fauna; veiligheid van het luchtverkeer; volksgezondheid of openbare veiligheid.

Gedragscode Voor regulier voorkomende werkzaamheden en ruimtelijke ontwikkeling kan een vrijstelling van de verbodsbepalingen mogelijk zijn als u handelt conform een goedgekeurde gedragscode. Het kan gaan om handelingen in het kader van bestendig beheer of onderhoud, bestendig gebruik en ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. Zo is het onder de Wet Natuurbescherming mogelijk om via een gedragscode Europees beschermde vogel- en andere dier- en plantensoorten vrij te stellen bij ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, míts er sprake is van een bij respectievelijk Vogelrichtlijn of Habitatrichtlijn genoemd belang. In een gedragscode is beschreven hoe zorgvuldig gewerkt wordt opdat schade aan beschermde dieren en planten wordt voorkomen of tot een minimum beperkt. Voorwaarde is wel dat gewerkt dient te worden volgens een door de minister vastgestelde gedragscode. Hierbij is het van belang dat de gedragscode op de juiste wijze is geïmplementeerd in de organisatie of in het totaalplan van de werkzaamheden. Voor meer informatie over de toepassing van de Wet Natuurbescherming: zie de brochure van het ministerie van Economische Zaken: “Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen” - 3 december 2016.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=77875b03-f7e5-4996-8484-d8f9688ffe23