CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 05: Bijlage Toelichting: bijlage 2 Quickscan Wet Natuurbescherming

Raadsvergadering 9 april 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Ontwerpbestemmingsplan Deijnsestraat 14 Winssen5.453 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Blom Ecologie b.v. J.G. Van Welie

ADVIES k ONDERZOEK

Deijnschestraat 14 6644 KC Winssen

Zandweg 46 4181 PM Waardenburg

Datum

23 juni 2021

Kenmerk

BE/2021/455/r

Uw kenmerk

Email d.d. 17 april 2021

Auteur(s)

ir. ing. D. de Boer

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

10418 82Û288 e info@blomecologíe.nl i www.blomecologie.nl

KvK 67221904 BTW 856882999B01 IBAN NL21RABÛ0314240683

Quickscan Wet natuurbescherming Deijnschestraat 14 te Winssen Aan de Deijnschestraat 14 te Winssen is een woonperceel gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens om op de noordzijde van dit perceel een tweede woning met bijgebouw te realiseren. De bestaande haag aan de westzijde zal tevens vervangen worden door een nieuwe haag. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Dhr. W. van Zuijlen heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

CCO-IO-giľ (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert 2 die betrekkingen zelf; iXO-IO-gtSi'h (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo-ľfí (de, v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; filll-ìUÌ (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Deijnschestraat 14 te Winssen (figuur 1). De planlocatie betreft een gazon met een hoog onderhoudsbeeld en kort gras door aanwezigheid van een robotmaaier. Op de planlocatie zijn tevens 3 fruitbomen aanwezig welke behouden blijven. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gesitueerd in het buitengebied tussen de kern van Winssen en Deest. De directe omgeving van de planlocatie wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door vrijstaande woningen en agrarische percelen. Op een afstand van circa 800 meter is de Waal gesitueerd. De dichtstbijzijnde snelweg betreft de A50, op een afstand van circa 3,2 km van de planlocatie. Grote (water)wegen vormen voor diverse grondgebonden fauna een barrière.

2

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Deijnschestraat 14 te Winssen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Figuur 2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning met bijgebouw aan de Deijnschestraat 14 te Winssen. Tevens wordt de haag aan de westzijde van het perceel vervangen en zullen er nieuwe groenstructuren worden aangeplant. De inrit zal aan de westzijde van het perceel worden gerealiseerd en zal zich begeven over een reeds drooggevallen en verlande sloot. Aan de noord- en oostzijde van de planlocatie zijn eveneens sloten gesitueerd welke aannemelijk drooggevallen zijn. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling dient de functie van het perceel te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ ^ • • • •

verwijderen van de haag: kap- en rooiwerkzaamheden en afvoer groen; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; aanplant hagen en bomen: hovenierswerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Deijnschestraat 14, Winssen nieuwe situatie

Nieuwe inrit

Nieuwe woning met bijgebouw Fruitbomen handhaven Nieuwe fruitbomen toevoegen Nieuwe haag, soort: bijv. beukenhaag —

Datum: 25-03-2021 Schaal: 1:500 (A3)

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalbrug).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 15 juni 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 200 Celsius en windkracht 0-1 (Bft).

3

Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. Voor een ontwikkeling in een Groene Ontwikkelingszone geldt het 'ja, mits' principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

4

Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaal beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2011-2021). Er zijn geen beschermde vaatplanten aangetroffen tijdens het veldbezoek. De planlocatie betreft een gazon met een hoog onderhoudsbeeld en kort gemaaid gras (door aanwezigheid van een robotmaaier). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, madelief, paardenbloem en kruipende boterbloem. Tevens zijn er drie fruitbomen aanwezig. Deze zullen behouden blijven in de beoogde ontwikkeling. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.

Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtige groeiplaatsen. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten.

5

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, das, egel, haas, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis vos en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever en das. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever leeft in het overgangsgebied tussen land en water. De aanwezigheid van houtige gewassen langs de oever zijn voor deze soort een vereiste. De bever is op een afstand van circa 170 meter van de planlocatie waargenomen (NDFF 2011-2021). De planlocatie wordt aan de noord-, oost- en westzijde omgeven door (voormalige) sloten. Deze sloten zijn van te klein formaat om te functioneren als geschikte watergang voor de bever, en zijn tevens drooggevallen en (deels) verland. Wegens afwezigheid van geschikt aquatisch habitat is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de bever. Tevens zijn er op de planlocatie zelf maar 3 bomen aanwezig (zonder knaagsporen) welke behouden blijven. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de bever zijn uitgesloten. De das leef in gebieden met een combinatie van diverse biotooptypen.

Aanwezigheid van een groot voedselaanbod, goed vergraafbare grond, voldoende dekking en weinig verstoring zijn belangrijke kenmerken van de dassenhabitat (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). De dichtstbijzijnde waarneming van de das is op een afstand van circa 1,2 km van de planlocatie (NDFF 2011-2021). De planlocatie betreft een gazon met een hoog onderhoudsbeeld. Er is derhalve geen sprake van voldoende dekking en weinig verstoring op de planlocatie. Tevens zijn op de planlocatie geen sporen van de das waargenomen (c.q. vluchtpijpen, neusputjes, haren, pootafdrukken of loopsporen). Aangezien de planlocatie niet voldoet aan de eisen van een dassenhabitat, is het uitgesloten dat deze een essentiële functie vervult voor de das. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de das zijn uitgesloten. De planlocatie vervult mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreffen met name de egel en de veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: baardvleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger (NDFF 2011-2021). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Derhalve is het op voorhand uitgesloten dat de beoogde ontwikkeling leidt tot het direct wegnemen van een verblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen. Op de planlocatie zijn alle bomen (c.q. de drie fruitbomen) geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten en loshangende schorsdelen welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats.

Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten en/of loshangende schorsdelen aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling niet leidt tot het wegnemen van verblijfplaatsen van vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt slechts de haag aan de westzijde van de planlocatie vervangen. Deze haag kan gebruikt worden door vleermuizen als oriëntatiestructuur.

6

Gezien de aanwezigheid van voldoende alternatieve structuren is het uitgesloten dat de haag een essentiële functie vervult. Tevens wordt er in de beoogde situatie een nieuwe haag aangeplant. Een negatieve invloed op essentiële foerageergebieden en vliegroutes is uitgesloten. In de luwte van opgaande vegetatie kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Verlichting gericht op de bomen aan de noord- en oostzijde van het perceel dient voorkomen te worden tijdens de werkzaamheden en in de beoogde situatie. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang.

Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Ten noorden, oosten en westen van de planlocatie zijn (voormalige) sloten gesitueerd. In deze sloten was ten tijde van het veldbezoek geen water waargenomen. De sloten waren deels verland en begroeid met grassen. Derhalve waren de sloten tijdens het veldbezoek aannemelijk volledig drooggevallen. Aan de westzijde van het perceel zal een inrit gerealiseerd worden. Deze inrit zal zich over de voormalige sloot begeven (figuur 4). Mogelijk wordt de sloot (voor zoverre dit niet al gebeurd is) lokaal gedempt. Aangezien de sloot aan de westzijde volledig drooggevallen en verland is, is het uitgesloten dat dit leidt tot het wegnemen van aquatisch habitat van (beschermde) amfibieën.

De beoogde ontwikkeling heeft derhalve geen negatieve effecten op het aquatisch habitat van (beschermde) amfibieën.

Figuur 4

7

De locatie van de te realiseren inrit zal zich bevinden over de reeds drooggevallen en verlande sloot op deze afbeelding.

Op het perceel ten noorden van de planlocatie zijn gedurende meerdere jaren kamsalamanders waargenomen (NDFF 2011-2021). Kamsalamanders komen vooral voor in oude, kleinschalige cultuurlandschappen. Binnen enkele honderden meter van het terrestrisch habitat dient geschikt voorplantingswater aanwezig te zijn. Voortplantingswater betreft vrij grote, geïsoleerde, stilstaande, half beschaduwde wateren met een goed ontwikkelde oevervegetatie. Voortplantingswateren betreffen vaak poelen, kasteelvijvers, verlande grachten, gebufferde vennen en heldere sloten. De watergangen moeten in de periode van april t/m augustus/september water bevatten. Het landhabitat van de kamsalamander bestaat uit struikgewas, struweel, ruig grasland en/of bosrijk gebied (BIJ12 Kennisdocument Kamsalamander, 2017). In de sloten ten noorden, oosten en westen van de planlocatie was ten tijde van het veldbezoek geen water waargenomen. Tevens zijn deze sloten ongeschikt voor de kamsalamander doordat deze volledig beschaduwd worden door grassen. De slootdelen aan de noord- en oostzijde blijven tevens onaangetast binnen de beoogde ontwikkeling. Het perceel ten noorden van de planlocatie (c.q. de locatie van de waarnemingen van de kamsalamander) beschikt over zowel geschikte terrestrische- en aannemelijk aquatische onderdelen van het kamsalamander habitat. De planlocatie betreft een gazon met hoog onderhoudsbeeld.

De structuren welke aanwezig dienen te zijn binnen het terrestrisch habitat (c.q. struikgewas, struweel, ruig grasland en/of bosrijk gebied), zijn hier niet aanwezig. Derhalve is het eveneens uitgesloten dat de planlocatie een rol vervult als terrestrisch habitat van de kamsalamander. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de kamsalamander zijn derhalve uitgesloten. De poelkikker en rugstreeppad zijn niet waargenomen binnen een straal van respectievelijk 320 meter en 1,8 kilometer van de planlocatie (NDFF 2011-2021). Tevens vervult de planlocatie, door afwezigheid van oppervlaktewater, geen functie als aquatisch habitat en eveneens aannemelijk, door afwezigheid van structuurrijke vegetatie, geen functie als terrestrisch habitat. Gezien de afstand van 1,8 km tot de dichtstbijzijnde waarneming van de rugstreeppad, is het eveneens uitgesloten dat de planlocatie tijdens de bouwwerkzaamheden (waarbij mogelijk geschikt habitat zoals vergraafbare losse grond en tijdelijke wateren worden gerealiseerd) gekoloniseerd zal worden door de rugstreeppad. Het treffen van maatregelen om kolonisatie van de rugstreeppad te voorkomen is derhalve niet benodigd. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie.

Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011­ 2021). Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. De planlocatie betreft een gazon met hoog onderhoudsbeeld en aanwezigheid van een robotmaaier. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen, hoge onderhoudsbeeld, en de hoge mate van verstoring (door onder andere de robotmaaier) is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde vissoort: grote modderkruiper (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van het volgende beschermde insect: rivierrombout (NDFF 2011-2021). De rivierrombout wordt aangetroffen langs grote rivieren. Larven bevinden zich veelal tussen de kribben van de rivier.

De waarnemingen van de rivierrombout binnen een straal van 2 km zijn allen afkomstig van de oevers van de Waal ^770 m van de planlocatie).

8

Gezien de afstand tussen de planlocatie en de dichtstbijzijnde rivier (c.q. de Waal), is het uitgesloten dat de planlocatie behoort tot het functioneel leefgebied van de rivierrombout. Negatieve effecten van de beoogde ontwikkeling op de rivierrombout zijn derhalve uitgesloten. De planlocatie betreft een gazon met hoog onderhoudsbeeld. Er zijn derhalve geen sprake van specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden, zoals zure vennetjes. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: koolmees, vink en witte kwikstaart. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies (BĮ112 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BĮJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).

Wegens de afwezigheid van bebouwing op de planlocatie is het uitgesloten dat deze een functie vervult als nestlocaties voor de huismus en/of gierzwaluw. Binnen de beoogde ontwikkeling wordt één haag verwijderd. Gezien de aanwezigheid van voldoende alternatieve geschikte groenstructuren is het uitgesloten dat dit leidt tot het wegnemen van functioneel leefgebied van huismussen welke mogelijk in naastgelegen bebouwing een nestlocatie hebben. Van aantasting van nestlocaties van de huismus en gierzwaluw en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Gezien de beperkte omvang van de planlocatie, het zeer korte gras en de grote hoeveelheid agrarische percelen in de directe omgeving, is het uitgesloten dat de planlocatie een functie vervult als essentieel foerageergebied van uilen en roofvogels. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten.

De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Įndien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 270 m ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 5). Op een afstand van circa 200 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 250 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 6).

9

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 270 m tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: geoportaal.gelderland.nl).

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van circa 200 m tot het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 250 m tot de Groene ontwikkelingszone (bron: geoportaal.gelderland.nl).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep.

10

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning met bijgebouw. Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het 'projecteffect'). Gezien er een geringe afstand (270 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.

11

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2 Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend __________onderzoek benodigd is._____________________________________________________________

Soortgroep

Planten Grondgebonden zoogdieren

Nee Nee

Vleermuizen Amfibieën

Nee Nee

Reptielen

Nee

Vissen Insecten en andere ongewervelden

Nee Nee

Vogels (cat. 1 t/m 4) Vogels (cat. 5)

Nee Nee

Tabel 3

Mogelijk functie plangebied

Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

270 m

Stikstof

AERIUS

Gelders natuurnetwerk

200 m

Geen

N.v.t.

Groene ontwikkelingszone

250 m

Geen

N.v.t.

Tabel 4

12

Soortenbescherming Beschermings­ Soortspecifiek regime Wet nb onderzoek

Overzicht van beschermde Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Ja

Ja

N.v.t.

Bomen

Ja

Nee

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS-Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De realisatie van een vrijstaande woning met bijgebouw aan de Deijnschestraat 14 te Winssen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen ^

Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-Calculator.

Te treffen maatregelen ^ •

•

•

•

13

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten of uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (indicatief medio maart t/m medio juli). Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties van algemene broedvogels ruim voorafgaand aan het broedseizoen ongeschikt of ontoegankelijk gemaakt te worden. E.e.a. op aanwijzing van deskundige.

Als werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd die mogelijk resulteren in het wegnemen of verstoren van broedgevallen dient voor aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn.

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.geoportaal.gelderland.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.zoogdiervereniging.nl

14

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

15

Bijlage 1 Fotografische impressie

16

Figuur 1

De planlocatie met de te verwijderen haag (links) en het boomrijke perceel ten noorden van de planlocatie (rechts).

Figuur 2

De planlocatie met het boomrijke perceel aan de linkerzijde.

17

Figuur 3

De planlocatie met de drie fruitbomen (achter de houten omheining).

Figuur 4

De planlocatie vanaf het straataanzicht.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=e5b7cbe6-6166-4a0d-a047-027cfa772fd4