CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 04: Uitgangspuntennotitie

Raadsvergadering 5 maart 2024, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Wijziging Gemeenschappelijke Regeling BVO DRAN5.701 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Uitgangspuntennotitie na de regionale raadsbijeenkomst over de Wijzigingswet Wet gemeenschappelijke regelingen Wijchen, 27 maart 2023

1. Inleiding Op 27 maart 2023 heeft in de regio Rijk van Nijmegen een werkbijeenkomst voor raadsleden plaats gevonden in het kader van de gewijzigde Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr), hierna de Wijzi­ gingswet. De focus van deze werkbijeenkomst lag op de vijf beleidsrijkere samenwerkingen die elk jaar centraal staan tijdens regionale raadsbijeenkomsten in het kader van de kaderbrief, de begroting en de jaarrekening. Dit betreft de volgende gemeenschappelijke regelingen: -

Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen (GMR) Veiligheidsregio Gelderland-Zuid (VRGZ) Gemeenschappelijke Gemeentelijke Gezondheidsdienst Gelderland-Zuid (GGD) Modulaire Gemeenschappelijke Regeling Rijk van Nijmegen (MGR) Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN)

In werkgroepen van raads- en collegeleden zijn er per regeling gesprekken gevoerd over mogelijke varianten van de in te zetten instrumenten die de Wijzigingswet biedt. Zie voor de samenstelling per groep bijlage 1 en de achterliggende informatie over de Wijzigingswet de gespreksnotitie in bijlage 2.

2. Uitgangspuntennotitie en vervolg Deze uitgangspuntennotitie is de opbrengst van de werkbijeenkomst van 27 maart. Het doel van de werkbijeenkomst was om een basis te leggen voor gelijkluidende raadsvoorstellen over de gevolgen van de Wijzigingswet voor de betreffende regeling. Het betrof een procesmatige, dus geen politieke bijeenkomst. Deze uitgangspuntennotitie wordt op 17 april aan de raden teruggekoppeld. Vervolgens zullen de colleges worden voorgesteld om deze uitgangspuntennotitie naar de besturen van de vijf gemeen­ schappelijke regelingen te zenden met het verzoek om deze uitgangspunten mee te nemen bij het ontwerpen van de gewijzigde gemeenschappelijke regeling. De reden waarom deze uitgangspunten tevens naar de besturen van de gemeenschappelijke regelin­ gen worden verzonden is dat vanuit die regelingen het proces om te komen tot een wijziging van de regeling wordt gecoördineerd. Het resultaat moet namelijk één tekstvoorstel worden dat door alle deelnemende colleges en raden wordt vastgesteld. Vervolgens start dan in het vierde kwartaal van 2023 het formele besluitvormingsproces ten aanzien van de ontwerpregelingen. In het geval de voor­ keursvariant niet wordt gevolgd, wordt dit bij de aanbieding van de ontwerpregeling gemotiveerd. Door het geven van een zienswijze (eind 2023/begin 2024) kan een raad hierop nog reageren.

1

r

Terugkoppeling opbrengst raadswerkavond

17 april 2023 l_____________ â

Colleges zenden conceptregeling naar raden voor zienswijze

i

B B iL._ 1 November 2023

___________ J

r

Colleges stellen regelingen vast en vragen raden om toestemming wijziging GR-en

i

April 2024 L.

J

ļM ļH r

^

r

^

Besluitvorming raden

Publicatie gewijzigde GR-en

Juni 2024

Vóór 1 juli 2024 L____________ j

3. De keuze voor instrumenten per gemeenschappelijke regeling Tijdens de raadswerkbijeenkomst zijn de verschillende instrumenten waarbij een keuze gemaakt kan worden voorgelegd. Per instrument zijn varianten benoemd ten aanzien van de intensiteit of de vorm waarin het instrument ingezet gaat worden. In deze paragraaf treft u per instrument én per gemeen­ schappelijke regeling, het advies van de diverse (raads)werkgroepen aan. Van elk instrument zijn drie varianten voorgelegd om het gesprek te voeren en een keuze te maken. Variant 1 betreft een specifieke keuze, variant 2 de dynamische keuze en variant 3 is de minimale va­ riant. Deze worden in de tabel steeds beschreven. Vervolgens staat de keuze van de werkgroep, be­ staande uit raadsleden en collegeleden, vermeld, gevolgd door een motivering of argumentatie.

2

3.1 Groene Metropoolregio Instrument Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke be­ sluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) ziens­ wijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek offinancieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voor­ gelegd.

Keuzevariant Geen ex­ pliciete voorkeur. Variant 3 niet.

Motivering/toelichting Variant 1: Het expliciet vastleggen geeft duidelijkheid, maar kan ook een beper­ king geven als het strikt wordt nageleefd. De doorlooptijd kan worden ingeschat. De ambtelijke inzet kan worden inge­ schat. Variant 2: Goed om van tevoren aan te geven wat wordt verstaan onder 'aan­ zienlijk politiek of financieel belang'. Hierover zou de Agendacommissie kun­ nen worden geraadpleegd door het be­ stuur en een advies kunnen geven. Een Langetermijnagenda zou hierin behulp­ zaam kunnen zijn.

Actieve informatieplicht Variant 2 Variant 1: In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) op­ nemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen be­ stuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt ge­ deeld (al dan niet met zienswijze vooraf­ gaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepa­ ling dat het bestuur (algemeen en dage­ lijks) gevraagd en ongevraagd aan de ra­ den alle inlichtingen verstrekt door toezen­ ding die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur ge­ voerde en te voeren beleid.

Deze variant sluit aan bij de praktijk van de huidige regeling.

Evaluatie Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de be-

- Van tevoren vastleggen dat er sowieso geëvalueerd gaat worden, omdat er an­ ders het risico is dat er geëvalueerd wordt, wanneer er "gedoe" is.

Variant 1

3

treffende GR) waarbij ook wordt vastge­ legd op welke punten in ieder geval geëva­ lueerd wordt. Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie ge­ start kan worden en dat het algemeen be­ stuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoor­ beeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijfjaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evalua­ tie.

- Niet in het jaar van de gemeenteraads­ verkiezingen evalueren. Voorkeur voor afronding evaluatie (vlak) na het zomerreces van het jaar vooraf­ gaand aan de gemeenteraadsverkiezin­ gen. - Afstemmen met andere GR-en, zodat niet alle evaluaties in hetzelfde jaar plaatsvinden.

Wijze van uittreden Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimi­ teit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen be­ stuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter ziens­ wijze is voorgelegd.

Variant 1 Variant 1 is goed als principe uitgangs­ en 2 punt, maar variant 2 heeft als pluspunt (geen dui­ dat met deze variant er wat meer flexibi­ delijke liteit is omdat in de loop der jaren uit­ keuze) gangspunten kunnen wijzigen, zonder dat daar oog voor is geweest of voor de consequenties van de gewijzigde uit­ gangspunten. Bovendien werd in variant 2 aantrekke­ lijk gevonden dat in het algemeen be­ stuur bij unanimiteit, dus ook nog met de uittredende partij in het AB, bepaald kan worden dat afgeweken kan worden.

Participatie Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke be­ sluiten participatie van belanghebbenden

Variant 3 met toe­ voeging

Het goede van de huidige praktijk moet bewaard blijven, zoals de regiotafels die vanuit de GMR georganiseerd worden.

4

en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en be­ langhebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoeringen evalua­ tie van beleid via de gebruikelijke moge­ lijkheden bij de gemeenten waar de be­ stuursorganen van deelnemen aan de GR. Gemeenschappelijke Adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappe­ lijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie in­ gezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor an­ dere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacommis­ sies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Variant 3

Niet wenselijk om nog meer commissies op te tuigen.

5

3.2

Veiligheidsregio Gelderland-Zuid

Instrument Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke beslui­ ten (naast de wettelijk verplichte, zoals bij­ voorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aan­ zienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd. Actieve informatieplicht Variant 1. In de GR expliciteren welke informatie in ie­ der geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) opnemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen be­ stuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt ge­ deeld (al dan niet met zienswijze vooraf­ gaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) ge­ vraagd en ongevraagd aan de raden alle in­ lichtingen verstrekt door toezending die no­ dig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren be­ leid.

Keuzevariant Variant 2

Motivering/toelichting Deze variant geeft enige mate van flexibiliteit als dat nodig is. Variant 1 is te star en variant 3 is te beperkt.

Variant 3

Hierbij wordt benadrukt dat onder deze variant ook de stukken vallen die een aanzienlijk politiek of financieel belang hebben. Heeft een relatie met de keuzevariant over Zienswijze (bij besluiten met aanzienlijk politiek of fi­ nancieel belang).

Evaluatie Variant 2 Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opne­ men (passend bij de cyclus van de betref­ fende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt.

- Geen termijn noemen in de regeling. - Verzoek om na te gaan wat wijsheid is m.b.t. het wel of niet voorleggen van de onderzoeksopdracht voor zienswijze aan de raden.

6

Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur be­ slist over het wel of niet en over de onder­ zoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijfjaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de on­ derzoeksopdracht ter zienswijze aan de ra­ den wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen af­ spraken gemaakt worden over evaluatie. Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, ten­ zij het algemeen bestuur bij unanimiteit be­ paalt dat afgeweken wordt van de betref­ fende uittreedregeling, waarbij het una­ nieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder ge­ val gelden voor het proces en voor de bepa­ ling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel na­ dat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorgelegd.

Geen keuze

Participatie Variant 2 Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke beslui­ ten participatie van belanghebbenden en in­ gezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke on­ derwerpen een bijeenkomst voor ingeze­ tenen en belanghebbenden wordt gehouden.

Betreft hier een verplichte samenwer­ king. Nader moet worden onderzocht wat hier hierover zou moeten worden opgenomen.

Het regionaal belang komt hiermee het beste tot zijn recht, op lokaal ni­ veau zijn er genoeg instrumenten.

7

Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en be­ langhebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR. Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 3 Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een se­ lectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het be­ houden van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijzi­ ging van de agendacommissies in een ge­ meenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Deze regeling is (ook op wat meer af­ stand) heel goed te volgen. Er is geen behoefte aan het instellen van een Adviescommissie.

8

3.3

GGD Gelderland-Zuid

Instrument Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzien­ lijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wettelijk ver­ plichte, er geen aanvullende besluiten ter ziens­ wijze aan de raden worden voorgelegd.

Keuzevariant Variant 2

Motivering/toelichting De term 'aanzienlijk' dient na­ der te worden uitgewerkt.

Actieve informatieplicht Variant 1. In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullingen) opnemen in een (door het algemeen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke infor­ matie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) ge­ vraagd en ongevraagd aan de raden alle inlich­ tingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het be­ stuur gevoerde en te voeren beleid.

Geen expli­ ciete keuze.

Formulering waarbij er een in­ formatieplicht is voor die stuk­ ken van de GGD die voor de ra­ den nodig zijn om hun contro­ lerende en kaderstellende rol uit te kunnen voeren.

Evaluatie Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opne­ men (passend bij de cyclus van de betreffende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt. Variant 2:

Geen keuze benoemd.

Er is gekozen voor een evalua­ tie op het meerjarenplan/stra­ tegie op onderdelen en verder kunnen de raden er om vragen als het nodig is.

9

Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evaluatie gestart kan worden en dat het algemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksop­ dracht. Ook kan een maximum worden opgeno­ men, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijfjaar. Eventueel kan wor­ den opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen af­ spraken gemaakt worden over evaluatie. Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleggen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepa­ len van de uittreedsom vastleggen, tenzij het al­ gemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat af­ geweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het al­ gemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorge­ legd.

Gecombi­ neerde vari­ ant 2 en 3

Basisafspraken met maatwerk.

Participatie Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke besluiten participatie van belanghebbenden en ingeze­ tenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onder­ werpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belang­ hebbenden inbreng kunnen hebben op de voor­ bereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via

Variant 2 met toevoeging

Het AB of de raad laten beslui­ ten (al dan niet na zienswijze) wanneer, op welk onderwerp en op welke schaal een bijeen­ komst voor ingezetenen en be­ langhebbenden wordt gehou­ den.

10

de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeen­ ten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR. Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meer­ dere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daar­ van of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behou­ den van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacommissies in een gemeenschappelijke adviescommissie worden overwogen.

Variant 3

Er is op dit moment geen be­ hoefte om een adviescommis­ sie in te richten.

11

3.4

Modulaire gemeenschappelijke regeling (MGR)

Instrument Zienswijze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk verplichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wette­ lijk verplichte, er geen aanvullende be­ sluiten ter zienswijze aan de raden wor­ den voorgelegd.

Keuzevariant Variant 1

Motivering/toelichting Verstandig om in ieder geval stukken als de kadernota en de voorlopige jaarrekening ter zienswijze voor te leggen vanwege het grote financiële en inhoudelijk belang van beide stukken. Daarnaast zou het mogelijk moeten zijn om een extra categorie daar­ aan toe te voegen: de stukken met een aanzienlijk politiek en bestuurlijk belang en de stukken met een aanzienlijk financieel belang. Waarbij het van belang is om deze 2 categorieën nader te specificeren. Bij die laatste door een concreet bedrag te noe­ men. Ook wordt de mogelijkheid geopperd om de invulling wat is nu een politiek/be­ stuurlijk belang voor te bespreken in de agendacommissie of de nog te vormen regi­ onale raadsadviescommissie.

Actieve informatieplicht Variant 1. In de GR expliciteren welke informatie in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvullin­ gen) opnemen in een (door het alge­ meen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vast­ legt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met ziens­ wijze voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene be­ paling dat het bestuur (algemeen en da­ gelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen verstrekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid.

Variant 2

Het huidige informatieprotocol in de situa­ tie van de MGR werkt goed, daarom deze werkwijze dan ook zo veel mogelijk conti­ nueren.

Evaluatie Variant 1:

Variant 2 met aan­ passing

Variant 2 met de aanpassing "als de meer­ derheid van de raden daarom verzoekt".

12

In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de betreffende GR) waarbij ook wordt vast­ gelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt. Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evalua­ tie gestart kan worden en dat het alge­ meen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opgenomen, bijvoor­ beeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijfjaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter zienswijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evalua­ tie. Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vastleg­ gen, waarbij zowel het proces als de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleg­ gen, tenzij het algemeen bestuur bij una­ nimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het al­ gemeen bestuur eventueel ook ter ziens­ wijze aan de raden voorgelegd dient te worden.

Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ieder geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het algemeen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorge­ legd.

Het woord "en" aan het einde van de eer­ ste zin wordt vervangen door "of". Hier­ door is het mogelijk dat het initiatief tot het starten van de evaluatie zowel uit kan gaan van één van de deelnemende gemeenten als van het AB. Het initiatief tot een evalua­ tie is bij de MGR ook recent genomen door de MGR, zowel voor de WBRN als voor de IRvN evaluatie. Dat initiatief werd door de werkgroep als positief beoordeeld. Een vaste cyclus van bijvoorbeeld eenmaal in de 4 jaar werd als minder wenselijk ge­ zien. Ook omdat dit tot gevolg kan hebben dat te veel evaluaties in dezelfde periode aan de raden gezonden worden die ook al­ lemaal in ongeveer dezelfde periode beoor­ deeld en besproken moeten worden. (aan­ gegeven is dat het niet wenselijk is dat het AB beslist over of een evaluatie wel of niet wordt uitgevoerd.).

Geen va­ riant ge­ noemd

Aansluiten bij de bestaande situatie (be­ staande uittreedregeling).

13

Variant 2 Participatie Variant 1: met Specifiek in de GR benoemen bij welke voor­ besluiten participatie van belanghebben­ waarde den en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeenkomst voor ingezetenen en belanghebbenden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng kunnen heb­ ben op de voorbereiding, uitvoeringen evaluatie van beleid via de gebruikelijke mogelijkheden bij de gemeenten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR.

De voorwaarde is dat er, gelet op de sa­ menhang, dan ook een gemeenschappelijke Adviescommissie komt.

Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappe­ lijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacom­ missies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als variant hierop een wijziging van de agendacom­ missies in een gemeenschappelijke ad­ viescommissie worden overwogen.

Het is van belang om nader te formuleren dat het bij de rol van de adviescommissie met name gaat over de kwaliteit van de in­ formatievoorziening. Nadrukkelijk wordt niet gekozen voor optie 2 vanwege de veel­ heid aan GR-en die onderling qua inhoud onvergelijkbaar zijn. Per GR moet je kijken wat het doel is en op welke manier dit wordt georganiseerd. En optie 3 valt ook af vanwege de ervaren werking van de be­ staande agendacommissie. Daarbij werd opgemerkt dat hier steeds een discussie plaatsvond over wat wel en wat niet door de agendacommissie besproken zou kun­ nen worden. Het onderscheid tussen in­ houd en proces. Proces valt wel onder de competentie van de agendacommissie, in­ houd niet. Over de interpretatie van beide begrippen is in het verleden vaak discussie geweest, aldus de werkgroep-leden.

Variant 1

14

3.5

Omgevingsdienst Rijk van Nijmegen (ODRN)

Instrument Zienswjze over specifieke besluiten van het bestuur Variant 1: In de GR expliciet vastleggen op welke besluiten (naast de wettelijk ver­ plichte, zoals bijvoorbeeld de conceptbegroting) zienswijze gegeven moet worden. Variant 2: In de GR bepalen dat alle besluiten die aanzienlijk politiek of financieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten wor­ den voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat buiten de wet­ telijk verplichte, er geen aanvullende besluiten ter zienswijze aan de raden worden voorgelegd.

Keuzevariant Combina­ tie van variant 1 en 2

Actieve informatieplicht Licht aan­ Variant 1. gepaste In de GR expliciteren welke informatie variant 2 in ieder geval op welke wijze gedeeld wordt en details (of eventuele aanvul­ lingen) opnemen in een (door het alge­ meen bestuur) vast te stellen informatieprotocol. Variant 2: In de GR vastleggen dat het algemeen bestuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt gedeeld (al dan niet met zienswijze voorafgaand aan het

Motivering/toelichting In de GR bepalen dat alle besluiten die aan­ zienlijk politiek offinancieel belang hebben door het algemeen bestuur ter zienswijze aan de raden moeten worden voorgelegd, waarbij het tenminste gaat om de kadernota, de concept-begroting, de jaarrekening, het informatieprotocol (zie onder 2), een af­ wijkende uittreedregeling (zie onder 4) en de periodieke evaluatie (zie onder 3). Verder stelt de werkgroep voor dat de defi­ nitie van 'besluiten met een aanzienlijk poli­ tiek of financieel belang' nog verder wordt uitgewerkt. Argumentatie: - Raden hebben de behoefte om bij de ODRN meer aan het stuur te willen zitten ge­ zien de vele budgetuitbreidingen bij de ODRN van de afgelopen jaren waar raden een oplossing voor hebben moeten vinden; - De komende tijd zijn er de nodige wijzigin­ gen rondom de ODRN te verwachten ivm de uitwerking van het rapport van de commis­ sie Aartsen en de mogelijke wijzigingen in het Gelders Stelsel, maar ook ivm de gevol­ gen van de wet Kwaliteitsborging en de Omgevingswet. Het tijdig kunnen meegeven van zienswijzen bevordert de gewenste sturing door raden. In de GR vastleggen dat het Algemeen Be­ stuur in een informatieprotocol vastlegt welke informatie op welke wijze wordt ge­ deeld, met een zienswijze door de raden voorafgaand aan het vaststellen van het informatieprotocol.

Voorkeur voor een protocol met een be­ paalde looptijd, zodat het protocol kan wor­ den geëvalueerd en zo nodig kan worden aangepast. Zie ook bij instrument Evaluatie. Argumentatie: - Een informatieprotocol geeft duidelijkheid én kun je af en toe evalueren en dan weer 15

vaststellen van het informatieprotocol). Variant 3: Er wordt volstaan met de algemene bepaling dat het bestuur (algemeen en dagelijks) gevraagd en ongevraagd aan de raden alle inlichtingen ver­ strekt door toezending die nodig zijn voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voe­ ren beleid.

tegen het licht houden: is de geleverde infor­ matie voldoende dekkend? - Raden moeten een stempel kunnen druk­ ken op het informatieprotocol. Vandaar de wens om daar ook weer een zienswijze op in te dienen. - Variant 2 geeft ruimte en vrijheid, als je het in de regeling vastlegt is het wijzigen ervan ingewikkeld en duurt dat 9 maanden. Een evaluatie- of herzieningsbepaling in het in­ formatieprotocol is wél gewenst.

Evaluatie Variant 1: In de GR een vaste cyclus van evaluatie opnemen (passend bij de cyclus van de betreffende GR) waarbij ook wordt vastgelegd op welke punten in ieder geval geëvalueerd wordt. Variant 2: Opnemen in de GR dat op verzoek van één of meer van de deelnemers evalu­ atie gestart kan worden en dat het al­ gemeen bestuur beslist over het wel of niet en over de onderzoeksopdracht. Ook kan een maximum worden opge­ nomen, bijvoorbeeld maximaal eens in de drie jaar, of eens in de vijfjaar. Eventueel kan worden opgenomen dat het besluit om wel of niet te evalueren of de onderzoeksopdracht ter ziens­ wijze aan de raden wordt voorgelegd. Variant 3: In de GR opnemen dat op voorhand geen afspraken gemaakt worden over evaluatie.

Variant 1

Wijze van uittreding Variant 1: In de GR alle afspraken precies vast­ leggen, waarbij zowel het proces als

Variant 2 met kleine aanpas­ sing.

Belangrijk is een goede informatiecyclus met onderstaande opbouw: 1. Jaarlijks een management review gekop­ peld aan het jaarplan, dus als jaarverslag. Hebben we de doelstellingen gehaald die we wilden behalen? Dit weergegeven in een zeer kort rapport met o.a. de volgende pun­ ten: - score op dienstverlening - cijfers tav doelstelling: hebben we dat gehaald? - analyse in vergelijking met de cijfers van vorig jaar - goed kijken naar leesbaarheid: jaar­ lijks een vergelijkbare lay-out 2. Vervolgens eens per twee jaar of vier jaar een wat grotere en diepgaandere evaluatie. 3. Het jaarlijks rapport kan onderwerp van gesprek zijn met de raadsadviescommissie (zie bij instrument Gemeenschappelijke Ad­ viescommissie) Argumentatie: - Niet evalueren om te evalueren. - Jaarlijks een korte review gekoppeld aan de vaste P&C momenten zorgt ervoor dat raad­ sleden jaarlijks een vergelijkbaar rapport ontvangen (zorgt voor vertrouwdheid met de informatie) én dat er geen willekeur op­ treedt; er wordt immers steeds op hetzelfde moment gerapporteerd. - Voor de ODRN is het op dit moment nood­ zakelijk om vinger aan de pols te houden. In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vastleggen, ten­ zij het algemeen bestuur bij unanimiteit be­ paalt dat afgeweken wordt van de betref-

16

de wijze van het bepalen van de uittreedsom in de GR wordt vastgelegd. Variant 2: In de GR de procedure en de wijze van het bepalen van de uittreedsom vast­ leggen, tenzij het algemeen bestuur bij unanimiteit bepaalt dat afgeweken wordt van de betreffende uittreedregeling, waarbij het unanieme besluit van het algemeen bestuur eventueel ook ter zienswijze aan de raden voor­ gelegd dient te worden. Variant 3: In de GR opnemen welke kaders in ie­ der geval gelden voor het proces en voor de bepaling van de uittreedsom en op basis van die kaders het alge­ meen bestuur een uittredingsrichtlijn laten vaststellen, eventueel nadat deze uittredingsrichtlijn aan de raden ter zienswijze is voorgelegd. Participatie Variant 1: Specifiek in de GR benoemen bij welke besluiten participatie van belangheb­ benden en ingezetenen plaats vindt en op welke manier. Variant 2: Het algemeen bestuur laten besluiten (al dan niet na zienswijze) wanneer en op welke onderwerpen een bijeen­ komst voor ingezetenen en belangheb­ benden wordt gehouden. Variant 3: In de GR opnemen dat ingezetenen en belanghebbenden inbreng kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoerin­ gen evaluatie van beleid via de gebrui­ kelijke mogelijkheden bij de gemeen­ ten waar de bestuursorganen van deelnemen aan de GR.

fende uittreedregeling, waarbij het una­ nieme besluit van het AB ook ter zienswijze aan de raden voorgelegd dient te worden. Argumentatie: - Variant 2 geeft flexibiliteit, je kunt van te voren niet alle situaties bedenken; - Omdat er een unaniem besluit wordt ge­ vraagd van het AB, blijft een eerlijk speelveld gewaarborgd; - Door zienswijzen aan de raad te vragen, heeft de raad ook invloed.

Variant 3 met toe­ voeging

In de GR opnemen dat ingezetenen en be­ langhebbenden inbreng/inspraak kunnen hebben op de voorbereiding, uitvoering en evaluatie van beleid via de gebruikelijke mo­ gelijkheden bij de gemeenten waar de be­ stuursorganen van deelnemen aan de GR. Daarnaast opnemen dat: Het AB kan beslui­ ten om voor bepaalde onderwerpen een bij­ eenkomst te houden of een langduriger pa­ nel in te zetten voor ingezetenen en belang­ hebbenden. Argumentatie: - De verantwoordelijkheid ligt bij de ge­ meenten en de provincie, de ODRN voert al­ leen maar uit. - Mensen weten AB-vergaderingen van de ODRN ook minder te vinden. AB vergaderin­ gen hebben vaak onderwerpen die niet inte­ ressant zijn voor ingezetenen. - Participatie wordt al in veel processen meegenomen. - Voor de toevoeging uit variant 2 is gekozen omdat de werkgroep meerwaarde ziet in het organiseren van participatie op de meer lange termijn door de ODRN zelf, bijvoor­ beeld een vast burgerpanel, of klanttevredenheidonderzoek.

17

Variant 1 Gemeenschappelijke adviescommissie Variant 1: Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is en in de GR expliciteren wat het doel is en de wijze waarop de raadsadviescommissie ingezet wordt. Variant 2: Eén regionale raadsadviescommissie voor meerdere GR-en formeren (alle vijf, een selectie daarvan of mogelijk nog voor andere GR-en). Variant 3: Huidige situatie laten voortbestaan (het behouden van de huidige agendacommissies bij de MGR en de Groene Metropoolregio). Eventueel kan als va­ riant hierop een wijziging van de agen­ dacommissies in een gemeenschappe­ lijke adviescommissie worden overwo­ gen.

Per GR bepalen of een gemeenschappelijke raadsadviescommissie gewenst is. Men wil voor de ODRN een gemeenschappelijke Adviescommissie instellen en dit vastleggen in de GR. Argumentatie: - Alleen een agendacommissie is beperkend. Het gevaar van meer inhoud is dat dingen al politiek worden af gekaart en dat heeft voordelen en nadelen. - Afstemming met andere raden is wenselijk. - Het vastleggen van het bestaan van de commissie in de regeling is belangrijk; precieze taakomschrijving van de commissie kan in het instellingsbesluit en in het reglement van orde.

Bijlagen: 1. Deelnemerslijst 2. Gespreksnotitie raadsavond Rijk van Nijmegen. PROOF dd 20 maart 2023 3. PowerPoint van plenaire deel van de bijeenkomst van 27 maart 2023. 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=40091d08-738b-4178-bf1f-9e0586597586