CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 04: Toelichting van het bestemmingsplan

Raadsvergadering 14 november 2023, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat15.774 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Herbestemming 8t hergebruik

Bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen Identificatienummer : NL.IMRO.0209.AugustuslaanKrommehoek-vadf

Bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen Identificatienummer: NL.IMRO.0209.AugustuslaanKrommehoek-vadf

^

lycens.nl

Oldenzaal

Zwolle

y

info@lycens.nl

Deventerstraat 10

Schrevenweg 6

Euvelgunnerweg 25A

>

0541 - 570 730

7575 EM Oldenzaal

8024 HA Zwolle

9723 CV Groningen

Groningen

Onderdelen van dit bestemmingsplan 1

Toelichting en bijlagen

2

Regels en bijlagen

3

Verbeelding

Plandeel: T oelichting

Inhoudsopgave

3

Toelichting Hoofdstuk 1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

Inleiding Aanleiding Ligging en begrenzing van het plangebied Vigerend bestemmingsplan De bij het plan behorende stukken Leeswijzer

3 3 3 4 5 5

Hoofdstuk 2 2.1 2.2

Beschrijving van het plan Huidige situatie Beoogde situatie

6 6 6

Hoofdstuk 3

Beleid Rijksbeleid en regelgeving Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

9 9 10 11

Hoofdstuk 4 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12 4.13

Milieu- en omgevingsaspecten Algemeen Bodem Water Erfgoed Flora en fauna Stikstof

14 14 14 15 17 19 20 20 22 23 24 24 27 27

Hoofdstuk 5 5.1 5.2

Juridische plantoelichting Juridische aspecten Handhaving

29 29 31

Hoofdstuk 6 6.1 6.2

Uitvoerbaarheid Financiële uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

32 32 32

3.1 3.2 3.3

2

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Geur Externe veiligheid Kabels en leidingen MER-toets

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Toelichtin

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het nieuwe woongebied gelegen achter de woningen aan de Augustuslaan, Wilhelminalaan en Krommehoekstraat te Beuningen. De initiatiefnemer is voornemens om het plangebied te ontwikkelen met woningbouw. Het plangebied bestaat momenteel uit grasland (en enkele bosschages en sloten). In het geldende bestemmingsplan 'Kern Beuningen' heeft het plangebied een woonbestemming. Ter plaatse zijn echter nog geen woningen toegestaan. Het beoogde plan omvat de realisatie van 50 woningen. De nieuwe woningen passen niet in het geldende bestemmingsplan. Om de gewenste woningen toch te kunnen realiseren is het noodzakelijk het geldende bestemmingsplan voor de gronden in het plangebied te herzien. De realisatie van de woningen wordt juridisch-planologisch mogelijk gemaakt door middel van het onderhavige bestemmingsplan.

1.2

Ligging en begrenzing van het plangebied

Het plangebied is gelegen ten noorden van de Augustuslaan in Beuningen en staat kadastraal bekend als gemeente Beuningen, sectie H, nummers 1606, 1744, 1917 en 1900 waarvan het totale oppervlak circa 16.903 m^ bedraagt. In figuur 1.1 is de globale ligging weergegeven en in figuur 1.2 is de begrenzing weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van het bestemmingsplan.

Figuur 1.1: Ligging van het plangebied, ten opzichte van Beuningen

3

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Figuur 1.2: Begrenzing van het plangebied

1.3

Vigerend bestemmingsplan

Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerende bestemmingsplan "Kern Beuningen". Binnen dit bestemmingsplan geldt de enkelbestemming "Wonen". Binnen de bestemming "Wonen" zijn geen bouwmogelijkheden. Voorliggend plan voorziet in de realisatie van 50 woningen. Dit plan past niet binnen het vigerende bestemmingsplan waardoor een herziening noodzakelijk is.

4

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Figuur 1.3: Uitsnede bestemmingsplan 'Kern Beuningen"

1.4

De bij het plan behorende stukken

Het bestemmingsplan "Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen" bestaat uit de volgende stukken: * toelichting; m verbeelding, schaal 1:1.000 (tek.no. NL.IMRO.0209.AugustusKrommehoek-vadf); * regels.

De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plangebied begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de omschrijving, motivering en verantwoording van het bestemmingsplan.

1.5

Leeswijzer

De toelichting van dit bestemmingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. De opbouw van de hoofdstukken is zodanig dat er sprake is van een logische volgorde in vraagstelling (wat, waarom, waar, hoe). Na dit inleidende hoofdstuk volgt hoofdstuk 2 een beschrijving van de bestaande situatie van het plangebied. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het relevante beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aangetoond. Vanuit de verschillende van invloed zijnde milieu- en omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, luchtkwaliteit, ecologie en water wordt in dit hoofdstuk beschreven dat de ontwikkeling die voorliggend bestemmingsplan mogelijk maakt, uitgevoerd kan worden. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de plansystematiek en de opzet van de regels. Hoofdstuk 6 geeft inzicht in de uitvoerbaarheid van het plan, zowel de economische als maatschappelijke uitvoerbaarheid.

5

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Hoofdstuk 2 2.1

Beschrijving van het plan

Huidige situatie

Ligging en omgeving Het plangebied is gelegen achter de woningen aan de Augustuslaan, Wilhelminalaan en Krommehoekstraat te Beuningen en ligt hier als het ware ingesloten tussen de bestaande woningen. Deze woningen zijn veelal geschakeld en vrijstaand. Aan de zuid en westzijde van het plangebied loopt het wegprofiel van de Augustuslaan als het ware tegen het plangebied aan en wordt afgekapt door hekwerken en begroeiing.

Figuur 2.1: Bestaande situatie plangebied

2.2

Beoogde situatie

Het programma en indeling Het beoogde programma omvat de realisatie van 50 woningen verdeeld over verschillende segmenten. Het programma is als volgt: * 18 sociale huurwoningen * 09 levensloopbestendige rijwoningen * 10 levensloopbestendige tweekappers * 02 levensloopbestendige half vrijstaande woningen * 06 tweekappers * 03 half vrijstaande woningen * 02 vrijstaande woningen In onderstaande afbeelding is het schetsplan weergegeven, in Bijlage 1 Schetsplan is het plan in geheel opgenomen. De beoogde woningen zijn gesitueerd aan de buitenranden van het plangebied, de voorzijden zijn veelal gericht op de groene ruimte. Met deze positionering ontstaat er binnen in het gebied een kwalitatieve groene openbare ruimte. Deze ruimte wordt ingericht met voorzieningen voor bijvoorbeeld waterberging en spelen.

6

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Figuur 2.2: Beoogde situatie van het plangebied Ontsluiting De ontsluiting voor het (gemotoriseerde) verkeer is voorzien aan de west- en aan de zuidzijde van het plangebied, in beide gevallen aansluitend op de Augustuslaan. Omdat aan de westzijde van het plangebied ook een basisschool is gevestigd, is er extra zorgvuldigheid gewenst met betrekking tot de ontsluiting van het plangebied. Dit om de verkeersveiligheid bij en in de directe omgeving van de school te kunnen waarborgen. In 2022 is door BVA Verkeersadviezen een beoordeling uitgevoerd naar de verkeersveiligheid. Dit onderzoek, dat is geactualiseerd in januari 2023, is opgenomen in Bijlage 2 Verkeersonderzoek behorend bij de toelichting. De woningen zijn gesitueerd rondom het al eerdergenoemde groene park. Dit centraal gelegen gebied wordt omringd door een soort ringweg, waarop het leeuwendeel van de woningen direct wordt ontsloten. De ringweg kent aan de westzijde een uitloper in noordelijke en in zuidelijke richting (beide doodlopend), waaraan ook enkele woningen zijn ontsloten. Een vergelijkbare vorm zien we aan de noordoostzijde van het plangebied. De aansluiting in de richting van de omliggende lokale wegen vindt plaats vanaf de genoemde ringweg in noordwestelijke richting en in zuidoostelijke richting. In beide gevallen sluiten deze ontsluitende takken aan op de Augustuslaan.

De realisatie van 50 nieuwe woningen in de groenzone ten noordwesten van de rotonde Wilhelminalaan - Trajanussingel leidt tot extra verkeersbewegingen in de omgeving. Op basis van de invulling van het plangebied wordt een verkeersgeneratie van 400 motorvoertuigbewegingen per etmaal geprognosticeerd. Deze voertuigen gaan zich begeven op het lokale wegennet. De grootste toename van verkeer wordt voorzien aan de zuidzijde van het plangebied op de Augustuslaan. Hier neemt de intensiteit toe met circa 320 voertuigbewegingen per etmaal. Op het centrale deel van de Augustuslaan ter hoogte van de basisschool vinden slechts marginale wijzigingen plaats. Tijdens de periode dat halen en brengen van schoolkinderen plaatsvindt, zal dit leiden tot 2 à 3 voertuigen extra. Deze zijn daarmee niet van invloed. Algemeen bekend is dat er in de omgeving van basisscholen sprake is van een piek tijdens het in- en uitgaan van de school. Uit een observatie ter plaatse blijkt dat dat ook in deze situatie het geval is in de huidige situatie. In de toekomst zal dat niet anders zijn. De realisatie van de nieuwe wijk is hierop echter niet van invloed. Met andere woorden, indien er al sprake zou zijn van een onveilige situatie dan is dat nu ook al het geval.

De toename als gevolg van nieuwe woonwijk gebonden verkeer is hier zo gering (1 voertuig per 7,5 minuten in het spitsuur) dat de invloed hiervan op de situatie rondom de bassischool verwaarloosbaar is. Vanuit dit perspectief is er dan ook geen wijziging in deze verkeerssituatie (veiligheid en afwikkeling) te verwachten in de omgeving van de basisschool en op de het wegvak van de Augustuslaan ten zuiden hiervan (het deel dat is voorzien van de smalle parkeerstrook). Sterker nog, de veiligheidssituatie zal als gevolg van het realiseren van een plateau op de westelijke aansluiting van het plangebied op de Augustuslaan alleen nog maar verbeteren.

7

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Op de wegvakken die zijn voorzien van de smalle parkeerstrook is het bij de aanwezigheid van geparkeerde voertuigen niet mogelijk voor twee personenauto's om elkaar ter plaatse van het geparkeerde voertuig te passeren. Er resteert hier slechts circa 4 meter breedte. Echter, op de wegvakken die zijn voorzien van deze strook zijn diverse uitritten van aanliggende woningen aanwezig, waardoor de strook over grote delen niet benut kan worden om op te parkeren. Immers voor uitritten mag niet geparkeerd worden. Hiermee resteren voldoende passeermogelijkheden voor rijdend verkeer als er voertuigen geparkeerd staan. In algemene zin staat vast dat bij intensiteiten lager dan 4.000 motorvoertuigen per etmaal versmallingen nauwelijks leiden tot vertraging. Van dergelijke intensiteiten is in onderhavige situatie bij lange na geen sprake en om die reden is er dan ook geen vertraging te verwachten. Bij een zeer sterke concentratie van verkeer zoals ten tijde van halen en brengen van schoolkinderen kan deze situatie voor enige hinder zorgen, omdat dan wellicht ook voor de uitritten wordt geparkeerd. Echter de realisatie van de nieuwbouw is hierop zoals al eerder aangegeven niet of nauwelijks van invloed. Ook voor de overige wegvakken geldt dat de toenames niet van zodanige aard zijn dat er afwikkelings- of veiligheidsknelpunten zullen ontstaan.

De maximaal geprognosticeerde intensiteit op de Augustuslaan van ruim 900 motorvoertuigbewegingen per etmaal is van dusdanige omvang dat dit verkeer eenvoudig kan worden afgewikkeld en de intensiteitsrichtwaarden voor 30 km/uur wegen (bij lange na) niet overschrijdt. Kortom, het is niet de verwachting dat de toename van verkeer leidt tot verkeerskundige problemen. Noch voor de afwikkeling, noch voor de verkeersveiligheid worden knelpunten verwacht. Temeer daar het gebied is gelegen binnen een 30 km/uur zone en de snelheid, mede als gevolg van de vormgeving van de verkeersstructuur en het realiseren van een extra plateau in de Augustuslaan, laag zal zijn. Uiteraard is het te allen tijde mogelijk aanvullende snelheidsremmende maatregelen te treffen. Een van de locaties die zich hiervoor leent is het zuidelijk gelegen t-kruispunt in de Augustuslaan. Ook hiervoor geldt dat dit in beginsel los staat van de ontwikkeling van de wijk, maar wel zou kunnen worden meegenomen in de realisatiefase. Parkeren Het parkeerbeleid van de gemeente Beuningen is opgenomen in het bestemmingsplan "Parapluplan Parkeren" (vastgesteld 2018-05-29). Het plangebied valt binnen de gebiedsaanduiding 'rest bebouwde kom'. Afhankelijk van de woningtypes en segmenten die gerealiseerd worden, geldt er een parkeernorm van 2 tot 2,3 parkeerplaatsen per woning (inclusief 0,3 aarkeerplaats per woning voor bezoekers).

In onderstaand overzicht is de parkeerbehoefte berekend.______________________ PARKEERBALANS Project Beuningen CROW-publicatie 317 (oktober 2012) Deelgebied rest bebouwde kom koop vrijstaand koop twee-onder-een-kap koop tussen Z hoek koop etage duur koop etage midden Sociale huur etage

2,3 2,2 2 2,1 1,9 1,4

pppw pppw pppw pppw pppw pppw

P-norm eigen terrein t.o.v. openbaar Garage met lange oprit min. 10m Garage met dubbele oprit min. 4.5m

1,3 1,7

pppw pppw

eigen terrein eigen terrein

BOUWPROGRAMMA levensloopbestendige tweekap patio levensloopbestendige vrijstaand patio levensloopbestendig rij en hoekwoningen appartementen sociaal < G 250.000 tweekappers half vrijstaande woningen (geschakeld) vrijstaande woningen TOTAAL

10 2 9 18 6 3 2 50

P-norm 2,2 2,3 2 1,4 2,2 2,3 2,3

P-norm ET 1,3 1,3 0 0 1,3 1,3 1,7

P-norm OR 0,9 1 2 1,4 0,9 1 0,6

aantal pp OR 9 2 18 25,2 5,4 3 1,2 63,8

Het benodigd aantal parkeerplaatsen zal binnen het plangebied worden gerealiseerd. De te hanteren parkeernorm is in de regels van het bestemmingsplan geborgd, door het overnemen van de bepalingen uit het parapluplan.

8

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Rijksbeleid en regelgeving

3.1.1

Nationale omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten: * Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; * Duurzaam economisch groeipotentieel; » Sterke en gezonde steden en regio's; * Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren.

In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: * Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte. » Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere. * Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie In dit geval is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere planologische kernbeslissingen (pkb's) met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Barro bevat geen regels die van toepassing zijn voor het onderhavige plan. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.

9

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

3.1.3

Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), artikel 3.1.6., tweede lid, zijn eisen opgenomen waaraan een bestemmingsplan moet voldoen als dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen, zoals een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen kunnen ingrijpende gevolgen hebben voor de omgeving. Daarom is het noodzakelijk dat in een bestemmingsplan, maar ook in een inpassingsplan van rijk of provincie of bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan, nadrukkelijk wordt stilgestaan bij de vraag of er behoefte is aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Nieuwe stedelijke ontwikkeling De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een nieuw beslag op de ruimte. Daarvan is in het beginsel sprake als het nieuwe ruimtelijke besluit meer bebouwing mogelijk maakt dan er op grond van het voorheen geldende planologische regime aanwezig was, of kon worden gerealiseerd. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd. Inmiddels heeft jurisprudentie reeds bepaald bij welke minimale omvang sprake is van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'.

Conform jurisprudentie is bij 11 woningen geen sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) en bij 12 woningen wel sprake van een 'nieuwe stedelijke ontwikkeling' (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Bij voorliggend plan worden 50 nieuwe woningen gerealiseerd. Dit is meer dan 12 woningen waarbij sprake is van een stedelijke ontwikkeling waarbij getoetst dient te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking. In voorliggend geval is er sprake van een besluit dat bebouwing mogelijk maakt op een locatie waar dat momenteel niet mogelijk is. Voorliggend plan voorziet in een regionale woningbehoefte. Uit subparagraaf 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland volgt dat de beoogde ontwikkeling past binnen de regionale woningbouwafspraken. Daarnaast wordt met de realisatie van levensloopgeschikte woningen, sociale huurwoningen, tweekappers en rijwoningen kwalitatief gezien een bijdrage geleverd aan de actuele woonbehoefte, in aanvulling op de bestaande woningvoorraad van de gemeente Beuningen. Secundair is er sprake van een ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied. Het plan voldoet daarmee aan de eisen van de ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Gelderland

Het provinciale beleid is vastgelegd in de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland. De visie is vastgesteld door Provinciale Staten op 19 december 2018. Het treedt in werking op 1 maart 2019. In de omgevingsvisie wordt beschreven we wat de provincie wil en moet veranderen en ontwikkelen om het Gelderland van nu door te kunnen geven aan de volgende generaties. De provincie zet daarom een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Met ‘Gezond en veilig' wordt een gezonde leefomgeving met schone en frisse lucht, een schoon milieu, voldoende schoon en veilig (drink)water en de bescherming van flora en fauna bedoeld. Daarnaast wordt ermee bedoeld dat de provincie is voorbereid op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. ‘Schoon en welvarend' betekend dat de provincie een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat kent, dat goed bereikbaar is en een goed functionerende arbeidsmarkt heeft met daarbij behorende goede kennis- en onderwijsinstellingen. Het betekent ook het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen en het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Aan deze ambitie worden met behulp van de volgende zeven onderwerpen nader richting gegeven: * Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. * Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer.

* Circulaire economie; sluiten van kringlopen. » Biodiversiteit: werken met de natuur. * Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. * Economisch vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio. * Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik Het accent van stedelijke ontwikkelingen verschuift van nieuwbouw naar het vitaliseren van bestaande gebieden en gebouwen. Voor een goede afweging van keuzes voor locaties van nieuwe gebouwen staat de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik centraal. Met deze ladder wordt een transparante besluitvorming en een zorgvuldige ruimtelijke afweging nagestreefd. Het gaat om het tijdig afwegen van kansen en mogelijkheden om bestaande gebouwen te benutten bij overwegingen van nieuwe bebouwing.

10

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Als juridische basis gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking die het Rijk heeft vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In elk bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling dienen gemeenten volgens de rijksladder aan de hand van drie stappen die locatiekeuze te motiveren. Deze rijksladder is van provinciaal belang. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Aangezien in subparagraaf 3.1.3 Bro: Ladder voor duurzame verstedelijking is aangetoond dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking en de beoogde woningtoevoeging regionaal is afgestemd, is het plan passend binnen de omgevingsvisie. De omgevingsvisie doet verder geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor de voorliggende ontwikkeling. De omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor de nieuwe burgerwoningen.

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening is een van de instrumenten om de ambities uit Omgevingsvisie te realiseren. Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, wordt de focus bij het uitvoeren van de taken op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland gelegd. In de verordening zijn alleen regels opgenomen als dit nodig is om de provinciale ambities waar te maken of wettelijke plichten na te komen. Net als de Omgevingsvisie richt de Omgevingsverordening zich op de inrichting en kwaliteit van de Gelderse leefomgeving. Daarom zijn bijna alle regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, natuur, water, verkeer en bodem in deze verordening opgenomen. In artikel 2.2 is opgenomen dat een bestemmingsplan alleen nieuwe woningen mogelijk maakt als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda. In de toelichting wordt hierbij aangegeven dat voornoemde betrekking heeft op alle nieuwe woningen die in een ruimtelijk plan worden opgenomen; dus ook woningen die ontstaan door woningsplitsing of woningen die in het kader van functieverandering van kantoren, scholen, zorggebouwen, nieuwe (zorg-)landgoederen, vrijkomende agrarische bebouwing en dergelijke worden gerealiseerd.

Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Aangezien het toevoegen van 50 woningen passend is binnen het gemeentelijke woningbouwprogramma (dat op zijn beurt past binnen de subregionale woonagenda, zie subparagraaf 3.3.3 Woonvisie Beuningen ), is de voorgenomen ontwikkeling niet strijdig met de Omgevingsverordening. Voor het onderhavige plangebied zijn geen andere specifieke doelstellingen geformuleerd in de omgevingsverordening.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1

Omgevingsvisie Beuningen 2040

De gemeentebrede Omgevingsvisie is op 21 december 2021 vastgesteld. De Omgevingsvisie is een integrale en langetermijnvisie tot 2040 over de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van de gemeente Beuningen. Het motto van de Omgevingsvisie bestaat uit de kernwaarden van de gemeente: verbinding, betrokkenheid en mooi plekje. De Omgevingsvisie richt zich op 5 ambities. Deze ambities zijn gebaseerd op de analyse van de trends en ontwikkelingen en de beleidsanalyse, zoals die zijn opgenomen in de Notitie van Uitgangspunten Omgevingsvisie Beuningen. De ambities laten zien welke onderwerpen de gemeente belangrijk vindt en waaraan de gemeente de komende jaren, in gezamenlijkheid met inwoners, organisaties, de regio en overige partners, wil werken. Bij het werken aan de toekomst van Beuningen worden de landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarden beschermd. Deze waarden zijn het uitgangspunt bij ontwikkelingen, samen met de kernwaarden uit het motto. De vijf ambities voor de fysieke leefomgeving in de komende jaren zijn: * Beuningen heeft voldoende woningen en voldoende bereikbare voorzieningen op de juiste plek, waardoor we leefbare kernen hebben; » Beuningen is gezond, inclusief en veilig; * Beuningen is energieneutraal en klimaatbestendig; * Beuningen heeft een schone leefomgeving met een waterkwaliteit, bodemkwaliteit en luchtkwaliteit die voldoen aan de normen.

Ook heeft Beuningen zo min mogelijk hinder van geluid, geur, licht en omgevingsrisico's. Beuningen streeft naar vergroting van de biodiversiteit; * Beuningen is ondernemend en uitnodigend. Voldoende woningen Beuningen is een echte woongemeente. Er is een uiteenlopend aanbod van woonmilieus, van landelijk tot dorpscentrum. Dat is

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

een aanvulling op de meer grootstedelijke milieus in de regio. De gemeente wil dit aanbod blijven bieden, versterken en uitbouwen. Hierbij wordt rekening gehouden met de demografische ontwikkeling en dynamiek op de regionale woningmarkt. Bij de groei staat het behoud van de woonkwaliteiten (groen, blauw, rust en ruimte) voorop. Daarvoor moeten een andere aanpak worden gekozen dan ongebreideld uitbreiden. In samenhang met thema's als duurzaamheid en klimaatverandering is een uitgekiende ontwikkeling nodig. Dit resulteert in de volgende opgaven: * Voldoende woningen voor de eigen behoefte én de regionale groei; » Betaalbare woningen voor diverse doelgrepen, verschillende soorten woningen binnen de wijken, levensloopbestendige woningen en bevordering van doorstroming; * Behoud van de kwaliteit van de bestaande woningvoorraad en geschikte woningen voor toekomstige doelgroepen; * Nieuwe woningen moet zoveel mogelijk duurzaam, klimaatbestendig en circulair worden gebouwd, maar ook de bestaande voorraad moet verduurzamen. Inbreiding Bij nieuwbouw wordt het principe ‘inbreiding voor uitbreiding' gehanteerd. In de bestaande kernen is beperkte ruimte voor inbreiding. Onbebouwde, laag gewaardeerde locaties komen nauwelijks voor. Mogelijkheden ontstaan vooral door functieverandering. De invulling is altijd maatwerk. Dat geldt voor iedere inbreidingslocatie.

Het gaat om goed aanhaken op de bestaande structuur en benutten van mogelijkheden zodat de woningbouw bijdraagt aan versterking van het dorp. Behoud van het eigen, groene karakter is daarbij belangrijk. Naast functieverandering is het in Beuningen beleid om waar mogelijk ook mee te werken aan vervanging van oudere slechtere woningen voor moderne, energieneutrale woningen. Uitbreidingsgebieden Om te voorzien in de woningbouwbehoefte zijn nieuwe uitbreidingsgebieden noodzakelijk. De nieuwbouw sluit aan bij de identiteit van de dorpen. Zo zijn dichter naar Nijmegen meer stedelijke woonvormen passend. De gemeente hanteert daarbij een andere benadering dan grootschalige uitbreidingen om ruimte en lucht te houden tussen de kernen. Dit geldt vooral voor Weurt, Beuningen en Ewijk Deze kernen worden uit elkaar gehouden door landschapszones met recreatie, water en groen. Winssen heeft een eigen positie binnen de gemeente. Deze kern is nog zelfstandig gelegen in het agrarisch landschap, bijna net als vroeger. Hier wil de gemeente het dorpse, landelijke woonmilieu behouden door alleen kleine uitbreiding binnen de bestaande dorpsstructuur toe te passen en een beperkte dorpse verdichting binnen de historische linten. Wonen buiten de kernen In het buitengebied is nieuwbouw van woningen mogelijk ter compensatie van de sloop van (voormalige/agrarische) bedrijfsbebouwing.

Dit is ook het uitgangspunt voor het oeverwallengebied. Hier is echter wel een mogelijkheid om onder voorwaarden op enkele locaties meer woningen toe te staan. Met maatwerk is het mogelijk om in combinatie met kwaliteitsverbetering, behoud en versterking cultuurhistorisch erfgoed, natuur- en landschapsontwikkeling extra woningen toe te voegen in de linten van Ewijk en Winssen. Ook kan gedacht kan worden aan enkele verspreid liggende erfontwikkelingen of buitenplaatsen gekoppeld aan de Van Heemstraweg ten noorden van de kernen Beuningen en Weurt. De situering en omvang van deze ontwikkelingen wordt afgestemd op het omringende landschap. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Voorliggend plan is beoogd op een inbreidingslocatie binnen bestaand stedelijk gebied, hierbij geldt dat maatwerk nodig is. In voorliggend plan is een schetsontwerp opgesteld (zie Bijlage 1) waarin zichtbaar wordt aangetoond dat de ontwikkeling aansluit op de bestaande bebouwingsstructuur aan de randen van het plangebied. Het centrale deel in het centrum van het plangebied wordt gebruikt voor de aanleg van een groene openbare ruimte, waarin waterberging en speelvoorzieningen zijn beoogd. De woningen zijn georiënteerd op deze groene binnenruimte waarmee de ruimtelijke kwaliteitsslag ook beleefbaar is.

Het plan wordt ontsloten via bestaande wegen, waarmee het bereikbaar wordt en de nieuwe woonwijk op natuurlijke wijze wordt verbonden met de omgeving.

3.3.2

Omgevingsprogramma Woningbouw 2040

Woningbouw is één van de onderdelen die in de omgevingsvisie is opnemen, met als belangrijke taak om meer woningen te bouwen voor nu en de toekomst. Het Omgevingsprogramma Woningbouw geeft antwoord op de vraag hoe de gemeente dat wil doen. In het nu gepresenteerde toekomstbeeld tot 2040 is er ruimte voor ongeveer 2000 extra woningen in Beuningen. In de regio Nijmegen is er behoefte aan meer woningen. In de regio is er tot 2040 behoefte aan 60.000 woningen extra. Tot 2040 moeten er regionaal ongeveer 60.000 woningen worden gebouwd. Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Het Omgevingsprogramma Woningbouw gaat alleen over het uitbreiden van locaties voor woningbouw. Binnen de kernen zijn ook bouwplannen, waaronder voorliggend plan. Maar woningen bouwen binnen de kernen is niet voldoende om te voorzien in de woningbehoefte van Beuningen en de regio. Voorliggend plan sluit aan bij de huidige woonbehoefte in Beuningen.

12

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

3.3.3

Woonvisie Beuningen

De gemeenteraad heeft de woonvisie voor de periode 2018 - 2023 op 19 december 2017 vastgesteld. Met deze Woonvisie stelt de gemeente haar woonbeleid voor de komende jaren vast. De Woonvisie vormt de basis voor het woningbouwprogramma in de komende jaren, afstemming met de buurgemeenten en prestatieafspraken met Standvast Wonen. De woonvisie gaat uit van een vitaal, zorgzaam en duurzame gemeente. In de toekomst (stip op de horizon circa 2030) bestaat de gemeente uit dorpen waarin het fijn wonen is voor mensen, ongeacht hun leeftijd, inkomen, mobiliteit of gezondheid. Kernen in een rustige, groene omgeving met de kracht van de nabijheid en bereikbaarheid van werk en voorzieningen in de stedelijke agglomeratie. De kernen zijn aantrekkelijke, duurzame en gezonde leefgemeenschappen, passend bij de (veranderende) vraag van de consument. De gemeente Beuningen is een bewuste keuze voor jonge gezinnen die de stad verlaten om in de gemeente rust en ruimte te zoeken, alsmede voor ouderen en zorgbehoevenden die in de gemeente willen blijven wonen. Met duurzame en zorgzame woonmilieus beschikt Beuningen over een onderscheidend, kwalitatief hoogwaardig palet aan woonmilieus in de regio.

Kwalitatieve opgave: inspelen op de mismatch Het is de ambitie om over voldoende woningen te beschikken én de juiste woningen op de juiste plekken te hebben, passend bij de doelgroepen en woonwensen nu en op langere termijn. De mismatch tussen vraagontwikkeling en huidig woningaanbod is daarbij maatgevend. Binnen de gemeente moet een gevarieerd aanbod aan woonmilieus worden aangeboden: landelijk, dorps en centrum-dorps wonen. Kwantitatieve opgave: bandbreedte Vanzelfsprekend is het inspelen op de kwalitatieve mismatch op de woningmarkt op termijn cruciaal, dat is vertrekpunt. Een kwantitatieve bandbreedte, als kader waarbinnen de juiste kwaliteiten gerealiseerd kunnen worden, blijft echter nodig. Meer dan in het verleden wil de gemeente daarin ruimte voor flexibiliteit creëren, zodat sneller wordt ingespeeld op nieuwe kansrijke initiatieven. De gemeente gaat voor de planperiode uit van een gedoseerde groei van het aantal woningen, gericht op de eigen woningbehoefte, waarbij gedifferentieerd wordt gebouwd voor de juiste doelgroepen (senioren, starters, kleine huishoudens). Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie Voor de gemeenten Berg en Dal, Beuningen, Druten, Heumen, Mook en Middelaar, Nijmegen en Wijchen is sinds 15 december 2020 de nieuwe gezamenlijk regionale 'Woonagenda Nijmegen e.o. 2020-2030' van kracht.

Op basis van een analyse van de regionale behoefte, kunnen in de regio gedurende de looptijd van de agenda circa 20.500 woningen worden gebouwd. Voor Beuningen komt dit neer op circa 1.325 woningen. Met dit bestemmingsplan wordt de realisatie van 50 woningen mogelijk gemaakt. Met de beoogde woningbouwontwikkeling streeft de gemeente kwalitatief gezien naar een vitale wijk. De woonvisie legt de focus op doelgroepen als senioren en middeninkomens. Dit is ook vastgelegd in de woningbouwafspraken met de regio. Door het toevoegen van levensloopgeschikte woningen, sociale huur en de bouw van tweekappers en rijwoningen geeft de initiatiefnemer uitvoering aan het beleid en voorziet ze in de actuele woonbehoefte van deze doelgroepen in aanvulling op de bestaande woningvoorraad van Beuningen.

13

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Hoofdstuk 4 4.1

Milieu- en omgevingsaspecten

Algemeen

Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten.

4.2

Bodem

4.2.1

Algemeen

Bij de verkenning van mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk om te beoordelen of de grond geschikt is voor de beoogde functie. Er mogen namelijk geen nieuwe gevoelige functies op een zodanig verontreinigd terrein worden gerealiseerd, dat schade is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers of het milieu. Bovendien dient een bodemonderzoek uitgevoerd te worden indien gebouwen worden gerealiseerd voor menselijk verblijf.

4.2.2

Onderzoek

Om te bepalen of de bodemkwaliteit passend is voor de nieuwe woonfunctie is door Lycens B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. De aanleiding voor het onderzoek is geplande partiële herziening van het bestemmingsplan, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). De herontwikkeling voorziet in de realisatie van woningen. Het doel van het verkennend bodemonderzoek is het bepalen van de bodemkwaliteit op de locatie en daarmee mogelijke verontreinigingen in grond en grondwater te signaleren welke consequenties kunnen hebben voor de geplande planologische procedure, herontwikkeling van de locatie en de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Het doel van het geohydrologisch onderzoek is het bepalen van de infiltratiecapaciteit van de bodem op basis waarvan vastgesteld kan worden of de bodem geschikt is voor de infiltratie van hemelwater. Dit is ook verwerkt in het hoofdstuk 4.3 Water. De belangrijkste resultaten worden hierna beschreven. Resultaten grond De zintuiglijk met baksteen en/of kolengruis verontreinigde bovengrond bevat licht verhoogde gehalten aan nikkel, lood en minerale olie.

De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate en worden gerelateerd aan de waargenomen bodemvreemde bijmengingen. In de zintuiglijk schone bovengrond zijn geen parameters verhoogd gemeten. In de toplaag van de bodem zijn geen verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen gemeten. In de aanvullend onderzochte bovengrondmonsters ter plaatse van de ontsluitingswegen zijn eveneens geen verhoogde gehalten gemeten. In de ondergrond bestaande uit klei afkomstig van het oostelijke terreindeel is kobalt en minerale olie licht verhoogd gemeten. De gemeten gehalten overschrijden de achtergrondwaarden in geringe mate. Een directe oorzaak voor deze gehalten is op basis van de bekende gegevens niet te geven. Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat hooguit sprake is van licht verhoogde gehalten. De milieuhygiënische kwaliteit van de boven- en ondergrond vormt om die reden geen belemmering voor de geplande planologische procedure, de geplande herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Op basis van de civieltechnische analyses blijkt dat de onderzochte zandlagen in de ondergrond geschikt zijn voor het gebruik als zand in aanvulling of ophoging. De grond is niet geschikt voor gebruik als zand in zandbed of als draineerzand.

Resultaten grondwater In het grondwater zijn geen parameters in een verhoogde concentratie gemeten. Er bestaat ten aanzien van de chemische kwaliteit van het grondwater derhalve geen belemmering tegen de geplande planologische procedure, de herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen).

14

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

Resultaten geohydrologisch onderzoek Uit de meetresultaten blijkt dat de infiltratiecapaciteit in de kleilagen slecht tot zeer slecht is. Deze bodemlagen zijn daardoor niet of nauwelijks geschikt voor infiltratie. In de verzadigde zandlagen direct onder de kleilagen is sprake van een slechte tot plaatselijk matige infiltratiecapaciteit. Hoewel de infiltratiecapaciteit in deze bodemlagen hoger ligt is de beperkte capaciteit vermoedelijk het gevolg van het feit dat deze bodemlagen reeds verzadigd zijn met grondwater.

4.2.3

Conclusie

De opzet van het uitgevoerde onderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen zijn voor de geplande planologische procedure, de herontwikkeling van de locatie en de geplande aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen). Op basis van het geohydrologisch onderzoek kan worden geconcludeerd dat de bodem niet tot nauwelijks geschikt is voor de infiltratie van hemelwater. Bij het dimensioneren van een hemelwaterinfiltratievoorziening wordt geadviseerd hier rekening mee te houden. De gestelde hypothese dat de locatie als "onverdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van chemische parameters is op basis van enkele licht verhoogde gehalten in de grond niet juist gebleken. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter een representatief beeld van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie. De gestelde hypothese dat de toplaag als "verdacht" beschouwd kan worden ten aanzien van bestrijdingsmiddelen is niet juist gebleken aangezien betreffende parameters niet verhoogd zijn gemeten. Op basis van het uitgevoerde onderzoek wordt gesteld dat de bodemkwaliteit past bij de beoogde functie en vormt daarmee geen belemmering voor de geplande ontwikkeling.

4.3

Water

4.3.1

Algemeen

Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plangebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: » Rijksbeleid: Waterwet, Nationaal Water programma 2022 - 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; * Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; * Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2022-2027 'Versterken Verbinden Vergroenen' en de Keur voor waterkeringen en wateren; * Gemeente: Beleidsplan Water en Riolering 2023 - 2027. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot het duurzaam omgaan met water: Doordat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer natuurlijk is, is het beleid erop gericht het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit vertaalt zich in de volgende richtlijnen: Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van het 'hydrologisch neutraal' bouwen. Hierbij moet de hydrologische situatie, voor wat betreft de afvoer van hemelwater, minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar het oppervlaktewater) mag niet overschreden worden.

In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij nieuwe plannen altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan worden. Bij alle nieuwbouwplannen moet (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de riolering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland Voor de periode 2022-2027 is het waterbeheerprogramma "Versterken Verbinden Vergroenen" van kracht.

15

De

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard oppervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater negatief wordt beïnvloed. Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppelen. Het waterschap streeft naar 100 % afkoppeling van schoon hemelwater van verharde oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) waterkering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op het oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht.

Indien compensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: » De T=I0+I0% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaats vindt. Vuistregel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. * De T=I00+I0%-neerslag. Hierbij is een peilstijging toegestaan tot laagste putdekselhoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 66,4 mm. Deze vuistregel geldt vooral voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=I00+I0% het systeem tot aan maaiveld gevuld zijn. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen. Als indicatie voor het ruimtebeslag van de benodigde berging in het plan kan volgens het waterschap worden aanhouden dat circa I5% van de toename van de verharding (mĒ) terug dient te komen als wateroppervlak (mĒ).

Klimaatadaptatie De gemeenten Nijmegen, Beuningen, Druten, Heumen, West Maas en Waal, Wijchen, Berg en Dal, Waterschap Rivierenland en Provincie Gelderland hebben, samen met regionale stakeholders een regionale adaptatiestrategie (RAS) opgesteld. De strategie moet er voor zorgen dat de regio zich de komende jaren klimaatbestendig ontwikkelt: bestand tegen de klimaateffecten te nat, te droog en te warm, alsmede overstromingsgevaar. In het RAS zijn zes thema's benoemd. In het kader van onderhavige ontwikkeling is onder andere het thema ‘groenblauwe stad, groenblauwe dorpen' van belang. Hiermee samen hangt een pakket van maatregelen waarmee verschillende doelstellingen in 2023 en 2035 moeten zijn behaald. Ten aanzien van dit thema wordt er bijvoorbeeld in 2023 gewerkt aan planvorming en uitvoering om met name in de prioriteitswijken te komen tot een geminimaliseerd en acceptabel niveau met betrekking tot wateroverlast en hitte-eilanden. Tevens zal in 2023 gestart zijn met het groenblauw inrichtingen van schoolpleinen en speelterreinen en hebben alle gemeenten een vergroeningsprotocol als leidraad voor integratie in beleid. Ook is er een groennorm en koeltenorm vastgesteld die richtinggevend is voor de openbare ruimte. Er is een aantal uitgangspunten ten behoeve van klimaatadaptatie bedacht.

De realisatie van het grote centrale groene veld draagt bij aan verbetering hittestress, omdat het groen de warmte niet vasthoudt. Hemelwater en hevige buien worden opgevangen in het centraal gelegen groen d.m.v. wadi's. Hemelwater vanaf de wegen vloeit af richting de wadi, hiermee is er geen wateroverlast te verwachten. Qua hittestress wordt gedacht aan behoud en plaatsen van bomen. Hierdoor ontstaan er voldoende schaduwrijke plekken in het groen. Dit zal zorgen voor minder hittestress en minder verwarming binnen het plan. Voor een uitgebreide paragraaf over klimaatadaptatie wordt verwezen naar Bijlage 4 Watertoets + onderzoek, waarin stresstesten omtrent dit aspect zijn uitgevoerd.

4.3.2

Onderzoek

Medio 2022 is het waterschap Rivierenland geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. Het toetsresultaat inclusief onderbouwing is opgenomen in Bijlage 4 Watertoets + onderzoek behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. In het stedenbouwkundige plan is aangegeven dat centraal gelegen in het plangebied een groen park gerealiseerd wordt. Op basis van de tekening van het schetsplan is er voldoende ruimte in het centrum van het plangebied om een wadi te realiseren met voldoende omvang om te voldoen aan de waterbergingseisen van het waterschap Rivierenland. De gemeente Beuningen kent in aanwijzingsgebieden een afkoppelplicht voor nieuwbouwlocaties van het hemelwater. Deze locatie valt onder het aanwijzingsgebied, omdat hier sprake is van een gemengd rioolstelsel. Al het hemelwater wordt op eigen terrein opgevangen en niet naar het riool, maar naar het grondwater afgevoerd. Alleen het vuilwater dat afkomstig is van de nieuwe woningen wordt op de juiste manier gekoppeld aan het bestaande gemengde rioolstelsel. De capaciteitsberging van de bestaande riolering wordt nader onderzocht bij de uitwerking van het inrichtingsplan. De nieuwe riolering moet voldoen aan de geldende wet- en regelgeving en moet voldoen aan de eisen van de gemeente. Het aanleggen van de nieuwe riolering dient

16

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

uitgevoerd te zijn voordat het plan wordt gerealiseerd.

4.3.3

Conclusie

Het plan voldoet aan de eisen voor de watertoets, zoals die zijn gesteld door het waterschap Rivierenland. Om te beschikken over de benodigde waterbergingscapaciteit (compensatie) is het noodzakelijk een wadi te realiseren. De klimaatadaptieve maatregelen dragen bij aan ambities die in de RAS zijn uitgesproken. Derhalve vormt het aspect water geen belemmering voor de voortgang van onderhavig bestemmingsplan.

4.4

Erfgoed

4.4.1

Archeologie

Algemeen Wet op de archeologische monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg (2007) zijn de uitgangspunten van het Verdrag van Malta (1992) binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. De wet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen, waarbij in beginsel geldt: "de veroorzaker betaalt". Het belangrijkste doel van de wet is het behoud van het bodemarchief "in situ" (ter plekke), omdat de bodem de beste garantie biedt voor een goede conservering van de archeologische waarden. Het is verplicht om in het proces van ruimtelijke ordening tijdig rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden. Op die manier komt er ruimte voor overweging van archeologie vriendelijke alternatieven. Sinds 1 juli 2016 bundelt de Erfgoedwet bestaande wet- en regelgeving voor het behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Zolang de Omgevingswet nog niet in werking is getreden, vallen de artikelen waarin de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd, nog in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. Onderzoek Om te bepalen of er in het plangebied archeologische waarden aanwezig zijn is door Lycens B.V.

een inventariserend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in Bijlage 5 Archeologisch onderzoek behorend bij de toelichting van dit bestemmingsplan. Parallel aan de bestemmingsplanprocedure werd nader onderzoek archeologie uitgevoerd, om daadwerkelijk uit te kunnen sluiten dat er geen archeologische resten meer worden verwacht of worden verstoord door de uitvoering van de werkzaamheden. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 Archeologisch onderzoek: Evaluatie- en selectierapport. Bij het uitgevoerde proefsleuvenonderzoek komt hetzelfde beeld naar voren dat ontstaan is op basis van het vooronderzoek. De aangetroffen sporen behoren tot het buitengebied van een nederzetting. In de sporen is zeer beperkt vondstmateriaal aangetroffen, het gaat in alle gevallen om roodbakkend geglazuurd aardewerk met een datering in de nieuwe tijd. Het is zeer goed mogelijk dat de greppels in het geheel in de nieuwe tijd gedateerd kunnen worden en niet gerelateerd zijn aan de Romeinse nederzetting. Dit kan echter niet met zekerheid worden vastgesteld. De sporen in werkput 8 zijn mogelijk wel wat ouder, datering van de monsters kan hierover uitsluitsel geven.

Uitwerkingsplan Structuren, grondsporen, vondstspreidingen Conform het in het PvE opgenomen uitwerkings- en conserveringsplan worden sporen en structuren niet verder uitgewerkt dan nodig is voor het maken van een basisrapportage volgens KNA 4.1. Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een duidelijke en leesbare allesporenkaart. Op deze kaart worden ook verstoorde delen van het onderzoeksgebied aangegeven. Daarnaast wordt per periode en/of fase een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren indien mogelijk. Analyse aardwetenschappelijke gegevens De uitwerking vindt plaats tot een niveau dat noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen geeft voldoende inzicht in de aangetroffen terreinomstandigheden om uitspraken te kunnen doen over de geogenese van de locatie en de geschiktheid voor bewoning en andere vormen van gebruik. De verzamelde aardwetenschappelijke gegevens worden op lithologische, lithogenetische, hydrologische en archeologische kenmerken beschreven. Anorganische artefacten, organische artefacten en Archeozoölogische en botanische resten Aangeraden wordt om een deel van het vondstmateriaal nader te bestuderen conform het selectievoorstel in bijlage 5 van het evaluatie- en selectierapport uit Bijlage 6. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door KNA-gecertificeerde materiaalspecialisten.

De uitwerking van anorganische en organische artefacten zal niet verder gaan dan nodig is voor het beantwoorden van de

17

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

onderzoeksvragen in de basisrapportage. Beeldrapportage Beeldrapportage wordt uitgevoerd conform KNA 4.1. Relevante tekeningen en/of foto's van vlakken, profielen, structuren, belangrijke individuele sporen (vlak en coupe) en vondsten worden voor publicatie gereed gemaakt. Het beeldmateriaal dient de locatie van het onderzoek, de werkwijze en de bevindingen te illustreren. Eindrapportage Op basis van de specialistische rapportages en eventuele dateringen worden de eerste onderzoeksresultaten aangevuld in een basisrapportage conform KNA 4.1. De onderzoeksvragen zoals opgesteld in het PvE kunnen op basis van het uit te voeren specialistische onderzoek ten dele worden beantwoord. Voor een correcte beantwoording van de in het PvE gestelde onderzoeksvragen worden de resultaten vervolgens in een breder historisch kader geplaatst. De eindrapportage wordt binnen twee jaar na de laatste veldwerkdag opgeleverd. De definitieve rapportage wordt ter beschikking gesteld aan de opdrachtgever, het bevoegd gezag, RCE en het depot. De gemeente heeft op basis van hetevaluatie- en selectierapport een nieuw selectiebesluit genomen. De gemeente is akkoord met het uitwerkingsvoorstel van Lycens. Conclusie Op basis van de resultaten van het onderzoek volgt enkel een voorlopige conclusie. De gronden kunnen nog niet worden vrijgegeven.

De eindrapportage wordt binnen twee jaar na de laatste veldwerkdag opgeleverd. In een plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch meer losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet 2016 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

4.4.2

Cultuurhistorie

Algemeen In de visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011) zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang. In de visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat. Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Het Rijk heeft gekozen voor vijf prioriteiten van het gebiedsgerichte erfgoedbeleid in de komende jaren: 1.

werelderfgoed: de samenhang borgen en de uitstraling vergroten; 2. eigenheid en veiligheid: zee, kust en rivieren; 3. herbestemming als (stedelijke) gebiedsopgave: met focus op groei en krimp; 4. levend landschap: synergie tussen erfgoed, economie en ecologie; 5. en wederopbouw: het tonen van een tijdperk.

Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio's te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma's en projecten. Onderzoek Uit de verwachtingskaart erfgoed van Provincie Gelderland blijkt dat in het plangebied geen rijksmonumenten of gemeentelijke monumenten aanwezig zijn. In het plangebied vindt een herinrichting plaats met behoud van aanwezige waarden en karakteristieken van de omgeving. Voorliggend plan zorgt dan ook niet voor een aantasting van bestaande cultuurhistorische waarden in het plangebied en omgeving. Conclusie Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische gewaardeerde aspecten of monumenten aanwezig. De bebouwing in het

18

bestemmingsplan Augustuslaan/Krommehoekstraat, Beuningen

plangebied zijn niet aangewezen als (rijks)monument en het betreffen geen (bijzondere) karakteristieke gebouwen. Daarnaast zijn ook in de (directe omgeving) geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Als gevolg van het onderhavige plan gaan geen cultuurhistorische waarden verloren en worden ook niet aangetast. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de realisatie van het onderhavige plan.

4.5

Flora en fauna

4.5.1

Algemeen

Wet natuurbescherming De natuurwetgeving voor Nederland is per 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Binnen de wet zijn de beschermingsregimes voor Natura 2000-gebieden, soortbescherming en houtopstanden opgenomen als afzonderlijke hoofdstukken, waardoor de wet via duidelijke en eenvoudige regels voorziet in een heldere implementatie van de Europese natuurbeschermingsrichtlijnen. Naast de Wet natuurbescherming bestaat in Nederland het Natuur Netwerk Nederland (NNN), waarvoor de provincies beleid maken. Natura 2000 De wetgeving met betrekking tot Natura 2000-gebieden is vastgelegd in Hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming. Natura 2000-is de overkoepelende naam voor gebieden die op Europees niveau worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Vanuit deze richtlijnen worden specifieke diersoorten en hun habitat beschermd om de biodiversiteit te behouden, te herstellen of uit te breiden. Het ondernemen van projecten, plannen of activiteiten in en in de omgeving van een Natura 2000-gebied kan mogelijkerwijs leiden tot (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen. Indien het niet mogelijk is om negatieve effecten op voorhand uit te sluiten, dan is er sprake van een vergunningsplicht en moet een habitattoets uitgevoerd worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=4832ab04-49bd-4b15-83a1-4c3ac48783b8