Bijlage 04 - Bij toelichting - Ladderonderbouwing
Tekst van het document
BESTEDINGSPOTENTIEEL Het totaal aan detailhandelsbestedingen die door inwoners van een bepaald gebied gedaan kunnen worden. Dit wordt berekend door het inwonertal te vermenigvuldigen met gemiddelde (landelijke) besteding per hoofd van de bevolking, gecorrigeerd naar inkomenssituatie in het betreffende gebied.
BRUTO VLOEROPPERVLAK (BVO) Bebouwd oppervlak van een ruimte of een groep van ruimten is de oppervlakte, gemeten op vloerniveau langs de buitenomtrek van de opgaande scheidingsconstructies, die de desbetreffende ruimte of groep van ruimten omhullen. Meten vindt plaats op basis van NEN 2580.
DAGELIJKSE GOEDEREN Artikelen gericht op voedings- en genotmiddelen en persoonlijke verzorging. In de praktijk wordt een onderscheid gemaakt in supermarkten, speciaalzaken en drogisterijen.
DETAILHANDEL Het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, verkopen en/of leveren van goederen aan de uiteindelijke gebruiker of verbruiker.
DISTRIBUTIEPLANOLOGISCH ONDERZOEK Een marktruimteberekening waarbij vraag en aanbod met elkaar worden geconfronteerd in een bepaald marktgebied. Met een dpo worden de ontwikkelingsmogelijkheden van het detailhandelsaanbod onderzocht.
GROOTSCHALIGE CONCENTRATIE Concentratie van 5 of meer verkooppunten in de detailhandel met een gemiddelde omvang per winkel van minimaal 500 m² wvo (bijvoorbeeld op woonboulevards).
GROOTSCHALIGE DETAILHANDELSVESTIGING (GDV) Winkel met een ondergrens van 1.500 m² bedrijfsvloeroppervlak.
HOOFDWINKELCENTRUM Een hoofdwinkelcentrum is het grootste winkelgebied, met de hoogste verzorgingsgraad in de woonplaats.
KOOPKRACHTAFVLOEIING Het percentage van de bevolking dat buiten de eigen gemeente, regio of provincie aankopen doet.
KOOPKRACHTBINDING Het percentage van de bevolking dat in de eigen gemeente, regio of provincie aankopen doet.
KOOPSTROMEN De mate waarin consumenten in een aankoopplaats bepaalde artikelen koopt (detailhandelsbestedingen), naar plaats van herkomst.
NIET-DAGELIJKSE GOEDEREN
29/30
Alle artikelen die niet behoren tot de dagelijkse goederen. De Locatus-branches Mode & Luxe, Vrije Tijd, In/Om Huis en Overige Detailhandel vallen hier onder.
VLOERPRODUCTIVITEIT Totale omzet in de branche gedeeld door het totale aantal m2 winkelvloeroppervlakte in de branche.
OMNI-CHANNEL Het gebruik van verschillende kanalen (fysieke winkel, website, sociale media, krantadvertentie) om tot een voor de klant afgestemde ervaring te komen.
ONDERSTEUNEND WINKELCENTRUM Naast één centraal winkelgebied kunnen in een plaats een of meerdere ondersteunende winkelcentra worden onderscheiden. Hieronder worden gerekend: winkels in buurt- en wijkwinkelcentra en binnenstedelijke winkelstraten.
PERIFERE DETAILHANDELSVESTIGING (PDV) Detailhandel op locaties buiten reguliere winkelcentra, bijvoorbeeld bedrijventerreinen. Dergelijke locaties worden doorgaans benut voor detailhandel in volumineuze artikelen c.q. detailhandelsvestigingen die een groot winkeloppervlak nodig hebben.
VERSPREIDE BEWINKELING Alle verkooppunten die buiten een van de andere genoemde winkelgebieden vallen, worden tot de verspreide winkels gerekend.
WINKEL Met een winkel wordt een fysiek verkooppunt bedoeld.
WINKELGEBIED Een winkelgebied is een cluster met ten minste vijf winkels.
WINKELVLOEROPPERVLAKTE (WVO) Winkelvloeroppervlakte is het aantal vierkante meters van een winkel dat voor de consument zichtbaar is / toegankelijk is.
30/30