Bijlage 02 - Ruimtelijke onderbouwing wijzigingen - ZonXP A73
Tekst van het document
Middels de beleidskaart heeft de gemeente aangegeven dat de locatie onderzoeksplichtig is. 1 In november 2022 en januari 2023 is daartoe door Aeres Milieu een bureauonderzoek en aansluitend een verkennend veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd. Op basis van deze onderzoeken werd geconcludeerd dat het plangebied, vanwege de ligging op een rivierkomvlakte welke op een Laat-Glaciaal rivierterras is afgezet (12.900 – 10.950 jaar geleden), welke in het noordoosten van het plangebied doorsneden wordt door een (rest)geul, een middelhoge verwachting heeft voor het aantreffen van archeologische waarden van jager-verzamelaars uit de periode laat-paleolithicum en mesolithicum en een middelhoge verwachting voor het aantreffen van archeologische waarden van boeren samenlevingen uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen. Het advies was dan ook om vervolgonderzoek uit te laten voeren. Gezien de aard van de voorgenomen graafwerkzaamheden (aanleg kabelgeulen en CCTV-lijn, slootaanleg en slootverbreding, onderhoudspaden, bouw trafohuisjes en inkoopstation) in het plangebied, wordt om deze redenen een proefsleuvenonderzoek variant archeologische begeleiding (conform BRL SIKB 4000 – protocol 4003) met een doorstart protocol opgraven variant begeleiding (conform BRL SIKB 4000 – protocol 4004) geadviseerd.
Selectiebesluit gemeente Beuningen2: In het plangebied is sprake van de volgende potentiële archeologische niveaus: -
Kreftenheye 5 terras uit het pleniglaciaal, langs de geul.
-
Kreftenheye 6 terras uit de Jonge Dryas, langs de geul – indien sprake bewoning op het hoger gelegen Kreftenheye 5 terras.
-
De geul – indien sprake is van bewoning op het hoger gelegen Kreftenheye 5 terras.
-
De Laag van Wijchen uit het Bølling-Allerød.
-
De Laag van Wijchen uit het vroeg-Holoceen.
-
De oeverafzettingen van het lokale geulsysteem.
-
De komafzettingen indien sprake is van een vegetatiehorizont/laklaag.
1 RAAP-rapport 5337 (2022), kaartbijlage 2. 2 J.J.M. van der Zande (beleidsmedewerker Ruimtelijke ordening) en E.K. Mietes (Regioarcheoloog regio Nijmegen), 6 maart 2023: Beoordeling (concept) onderzoeksrapport versie 2.4, concept d.d. 28 februari 2023. Pagina | 7
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Dit betekent dat er nog geen zones kunnen worden uitgesloten van vervolgonderzoek omdat er geen volledig en onderbouwd beeld van het plangebied is. De bodemingrepen in het plangebied waarbij sprake is van ontgraving of verharding komen in aanmerking voor archeologische begeleiding. De oppervlakte van de te plaatsen zonnepanelen is nihil (verstoring van totaal 10,1 m2 binnen 10 ha). Ook de aanleg van de onderhoudspaden langs de centrale sloten ten behoeve van de trafo huisjes vervalt. Deze zones worden derhalve niet meegenomen in het vervolgonderzoek. In het voorliggende PvE staan de eisen verwoord waaraan dit onderzoek dient te voldoen.
Figuur 1. Impressie van de toekomstige situatie in het plangebied, aangegeven met het rode kader. De rode vlakjes duiden de plaatsen aan van de transformatorhuisjes; de groene en gele lijnen de locaties van de diverse kabelgeulen en -kruisingen, de grijze lijnen de onderhoudspaden vanuit het inkoopstation (Bron: aangeleverd door de opdrachtgever, d.d. 19- 12-2022). (Bron: aangeleverd door de opdrachtgever, d.d. 19-12-2022).
Pagina | 8
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
3. Eerder uitgevoerd onderzoek Eerder uitgevoerd onderzoek Bureauonderzoek Uitvoerder
Aeres Milieu
Uitvoeringsperiode
November 2022
Rapportage
Kruithof, L. en D. Hagens, 2022: Archeologisch bureauonderzoek Schoenaker - A73 te Beuningen (gemeente Beuningen), Aeres Milieu-rapport AM22498
Vondsten/ Monsters/ Documentatie
n.v.t.
Bureauonderzoek en verkennend veldonderzoek d.m.v. boringen Uitvoerder
Aeres Milieu
Uitvoeringsperiode
Januari 2023
Rapportage
Kruithof, L. en D. Hagens, 2023: Archeologisch verkennend veldonderzoek door middel van boringen Schoenaker - Rijksweg A73 te Beuningen (gemeente Beuningen), Aeres Milieu-rapport 22498-2
Vondsten/ Monsters/ Documentatie
n.v.t.
Pagina | 9
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
4. Archeologische verwachting3 4.1
Regionale archeologische en cultuurlandschappelijke context
Het plangebied ligt in de Rijn-Maasdelta 4 en maakt deel uit van het Utrechts-Gelders rivierengebied. Het ligt in een landschappelijk gebied dat tijdens het Holoceen (vanaf circa 11.700 jaar geleden) tot stand is gekomen door (voormalige) meanderende riviersystemen. Tijdens het Weichselien (circa 115.000 – 11.700 jaar geleden) werden in het plangebied door de Rijn zand en grindrijke materiaal afgezet door vlechtende rivieren. Deze afzettingen behoren tot de Formatie van Kreftenheye. In het Laat-Glaciaal (LaatWeichselien, 14.700 – 11.700 jaar geleden) kregen de rivieren een meanderend karakter en werden de vlechtende rivierafzettingen afgedekt met komafzettingen, die tijdens overstromingen werd afgezet. Deze zandige, stugge kleilaag wordt gerekend tot de Laag van Wijchen. Nog voordat de verschillende stroomgordels actief werden, maakt de omgeving van het plangebied onderdeel uit van het Pleistocene dekzandlandschap. Het dekzand werd tijdens het Pleniglaciaal (circa 73.000 – 14.700 jaar geleden) onder invloed van wind afgezet. Het dekzand kan buiten de geulen van de voormalige rivierlopen nog goed intact zijn.5 Deze Pleistocene rivierafzettingen zijn tijdens het Holoceen (11.700 jaar tot heden) bedekt met jonge rivierafzettingen en/of zijn geërodeerd door deze rivierafzettingen. Het klimaat werd tijdens het Holoceen warmer en ook vochtiger.
Hierdoor is de Rijn gaan meanderen en heeft daarbij zand en klei heeft afgezet. De rivierafzettingen van meanderende rivieren kunnen worden onderverdeeld in stroomgordelafzettingen, bestaande uit beddingafzettingen en oeverafzettingen (zand en zandige klei) en komafzettingen (zwak siltige klei, plaatselijk met veenlagen). 6 Deze Holocene rivierafzettingen (van de Waal) worden tot de Formatie van Echteld gerekend. De rivierafzettingen van meanderende rivieren kunnen worden onderverdeeld in beddingafzettingen (grind en zand), oeverafzettingen (zand, zavel en zandige klei), komafzettingen (zwak siltige klei) en crevasseafzettingen (zand, zavel en lichte klei).7 De beddingafzettingen werden in de binnenbochten afgezet. Langs de geulen werden oeverafzettingen (sedimentatie) afgezet, als de rivier buiten haar bedding trad. In de lagere delen achter de oeverwallen vonden komafzettingen plaats. 8 Oeverwaldoorbraakafzettingen of crevasseafzettingen ontstaan tijdens hoogwater als de rivier buiten haar oevers treedt en de gevormde oeverwallen braken. Hierdoor wordt ontstonden kleinere waterstromen die sediment naar de kom transporteert. Crevassevorming treedt vooral op aan het begin- en eindfase van de ontwikkeling van een stroomgordel.9 In de beginfase zijn de oeverwallen nog niet goed ontwikkeld, waardoor de rivier tijdens hoog water al snel buiten haar bedding treedt.
Echter in de eindfase zijn de oeverwallen goed ontwikkeld en hoog opgeworpen waardoor het verval met de kom dan zo hoog is dat de oeverwallen regelmatig zullen doorbreken en het sediment ver de kom in transporteren.
3 Kruithof en Hagens, 2022. 4 Rensink et al., 2016. 5 Berendsen, 2019. 6 Berendsen 2011. 7 Berendsen 2011, 266-267. 8 Zonneveld 1981, 142-143; Berendsen 2008. 9 Makaske 1998, 220-224; Van Dinter/ Van Zijverden. Pagina | 10
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Verschillende Rijntakken hebben zich tijdens deze periode diverse keren in loop verlegd. Hierdoor bevinden zich meerdere oude stroomgordels in (de ondergrond van) het rivierengebied. Op de stroomgordelkaart ligt het plangebied binnen een stroomgordel uit het Laat-Glaciaal (actief 12.900 – 10.950 jaar geleden).10 Deze is onderdeel van de Rijn-Maas stroomgordel. Op deze stroomgordel worden voornamelijk vindplaatsen vanaf het laat-paleolithicum verwacht. De stroomgordel lag tot aan het laat-neolithicum of de vroege bronstijd aan het oppervlak. Volgens de Geomorfologische kaart 11 ligt het plangebied binnen een rivierkomvlakte. De gemeentelijke Archeologische Waarden- en Verwachtingenkaart geeft aan dat de zuidwestelijke helft van het plangebied grotendeels binnen een Pleistocene terrasrug is gelegen. Ten noordoosten ligt een geulinsnijding uit het Vroeg Holoceen. De uiterste zuidwestelijke en noordoostelijke hoeken van het plangebied zijn onderdeel van een komgebied die op een pleistoceen terras is gelegen. De zanddieptekaart van de provincie Gelderland geeft aan dat op de terrasrug het Pleistoceen zand binnen circa 1 – 2 meter beneden maaiveld kan worden aangetroffen. Ter hoogte van de komgebieden ligt het Pleistoceen zand op circa 2 – 3 meter beneden maaiveld en bij de geulinsnijding op circa 3 – 4 meter beneden maaiveld.
Op het kaartbeeld van het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN3)12 is het oude rivierterras niet duidelijk zichtbaar. De oude polderstructuur is aanwezig en is in het plangebied zichtbaar als evenwijdig gelegen stroken. De maaiveldhoogte varieert van 7,2 tot 7,5 meter +NAP. Op basis van het uitgevoerde verkennend veldonderzoek door middel van boringen kan worden gesteld dat in het plangebied de fluviatiele afzettingen zijn gevormd in het Laat-Glaciaal en Holoceen. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een bouwvoor met daaronder achtereenvolgens komafzettingen van de Waal, Winssen en Distelkamp-Afferden, oever- en komafzettingen van vermoedelijk de stroomgordel van Winssen, rivierduinen13 en Laat-Glaciale beddingafzettingen. Ter plaatse van de komafzettingen is mogelijk sprake van een vegetatiehorizont/laklagen. In het noordoostelijk deel van het plangebied is een restgeul aangetroffen die (vermoedelijk) in het Vroeg-Holoceen en mogelijk ook eerder actief was. Dit betekent dat het plangebied tijde van de jager-verzamelaars in een gradiëntzone lag. Op basis blijft de middelhoge verwachting voor deze periode gehandhaafd. De top van de potentiële archeologische laag wordt verwacht op circa 80 tot 300 centimeter (circa 4,30 tot 6,43 meter +NAP, Figuur 3).
In de oeverafzettingen van vermoedelijk de Winssen stroomgordel kunnen archeologische resten uit de periode neolithicum – vroege middeleeuwen worden verwacht. De top van dit pakket is aangetroffen op circa 30 tot 115 centimeter onder maaiveld (circa 5,95 tot 7,08 meter +NAP, Figuur 4).
10 Cohen et al. 2012. 11 Alterra 2019. 12 www.ahn.nl. 13 De mogelijke aanwezigheid van de oeverafzettingen van de Winssen stroomgordel en de rivierduinen zijn als zodanig geïnterpreteerd in het betreffende vooronderzoek. Nader onderzoek kan uitsluitsel geven of hiervan sprake is of dat bij oeverafzettingen mogelijk een geulsysteem betreft. Pagina | 11
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
De gemeente Beuningen heeft de volgende potentiële archeologische niveaus aangemerkt voor een vervolgonderzoek:
-
Kreftenheye 5 terras uit het Pleniglaciaal, langs de geul.
-
Kreftenheye 6 terras uit de Jonge Dryas, langs de geul – indien sprake van bewoning op het hoger gelegen Kreftenheye 5 terras.
-
De geul – indien sprake is van bewoning op het hoger gelegen Kreftenheye 5 terras.
-
De Laag van Wijchen uit het Bølling-Allerød.
-
De Laag van Wijchen uit het vroeg-Holoceen.
-
De oeverafzettingen van het lokale geulsysteem.
-
De komafzettingen indien sprake is van een vegetatiehorizont/laklaag.
Figuur 3. Zanddieptekaart van de top van de Formatie van Kreftenheye (rivierbedding en rivierduin) (Bron Aeres Milieu-rapport AM22498-2).
Pagina | 12
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Figuur 4. Kaart met de hoogteligging van de top van de oeverafzettingen Bron Aeres Milieu-rapport AM22498-2).
Archeologische waarden In de omgeving van het plangebied (binnen een straal van 750 meter) zijn volgens de gegevens uit Archis3 twee archeologische monumenten en meerdere archeologische waarnemingen en onderzoeksmeldingen bekend (Tabel 1). De archeologische onderzoeken liggen, tenzij anders vermeld, op dezelfde stroomrug. Monumentnummer 299 – Heuvel Park; Krommehoekstraat; Trajanussingel (circa 680 meter ten noorden van het plangebied) Betreft een terrein dat 5 percelen beslaat met daarin de overblijfselen van een nederzetting uit de Romeinse Tijd. Op dit terrein is een park aangelegd. Hierin werd de archeologie zichtbaar gemaakt. Om een verhoging in het terrein te bewerkstelligen, is grond van het terrein van kasteel Blanckenburg op dit terrein opgebracht! Bij toekomstig onderzoek dient hiermee rekening te worden gehouden. Gesitueerd op een duidelijke verhoging in het voormalige stroomgebied van de Waal. Een donkere bewoningslaag met veel fosfaat en talrijke vondsten wijzen op langdurige bewoning, mogelijk vanaf de ijzertijd. Buiten het wettelijk beschermd terrein liggen meer sporen daterend vanaf de ijzertijd tot en met de (vroege-) middeleeuwen. Op het terrein zijn ook Neolithische vondsten gedaan als vuursteen en glazen La Tène armbanden.
Tot de vondsten uit de Romeinse tijd behoren onder andere fibulae, munten (ook Keltische munten en laat-Romeinse (gouden) munten), en stukken paardentuig. Een dakpan met het stempel [VEX] BRI[T] werd bij een kartering door een amateur in 1975 gevonden. Monumentnummer 309 – Ewijksche Velden; Woerdje aan de Ooygraaf; Schoenaker-West (circa 725 meter ten noordwesten van het plangebied): Terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd. In verband met uitbreiding van het industrieterrein Schoenaker-West, is voor dit monument een gedeeltelijke ontheffing verleend. Pagina | 13
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Er is archeologisch onderzoek verricht. Sporen (o.a. een huisplattegrond) en losse vondsten vallen binnen het tijdspan van de 1e en 2e eeuw na Chr. Leden van de AWN-afdeling Nijmegen e.o. hebben even ten oosten van de ROB-opgraving neolithische bewoningssporen, mogelijk Michelsbergcultuur, aangetroffen. In 1999 een waarderend booronderzoek uitgevoerd. Daarbij zijn op een diepte van 30 tot 60 cm onder maaiveld (ingebed in een pakket oeverwalafzettingen) onverbrand bot, houtskool, fragmenten aardewerk en fosfaatconcentraties aangetroffen. Het aardewerk was te gefragmenteerd om gedateerd te worden. Grondgebruik: grasveld en industrieterrein.
Onderzoeken in de omgeving van het plangebied Zaakidentificatie 5150314100
Afstand Binnen het plangebied
Soort onderzoek Bureauonderzoek
Omschrijving Er is niet meer informatie in Archis3/ DansEasy.
door Antea in 2022.14 4923564100
Circa 320 meter ten westen
Bureauonderzoek
Binnen het plangebied worden vijf windturbines gerealiseerd.
van het plangebied
door Vestigia in
Er is een vervolgonderzoek geadviseerd voor de te
2020.
ontwikkelen delen die binnen het verwachte Pleistocene
15
maasterras zijn gelegen. 4770782100
Circa 475 ten noordwesten
Bureau- en
Het plangebied ligt 350 meter ten zuiden van de Winsen-
4770774100
van het plangebied
booronderzoek door
stroomgordel. Bij het veldonderzoek zijn de top van het
Econsultancy in
Pleniglaciale terras met de verwachte geul niet in het
2020.16
plangebied aangetroffen. Hierboven liggen afzettingen van de Winssen stroomgordel. Voor het noorden van het plangebied blijft de hoge verwachting voor het neolithicum tot de Romeinse tijd gehandhaafd. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd.
4553467100
Circa 165 meter ten
Bureau- en
Het plangebied ligt op een Laat-Pleistoceen terras met een
4553126100
noordwesten van het
booronderzoek door
verwachting
plangebied
Econsultancy in
veldonderzoek zijn de afzettingen uit het Pleistoceen op circa
2017.17
2 meter beneden maaiveld aangetroffen. In de bovenliggende
voor
resten
tot
de
bronstijd.
Bij
het
Holocene afzettingen zijn geen archeologische indicatoren waargenomen. Er is geadviseerd het plangebied vrij te geven. 2840421100
Circa 665 meter ten noorden
Vondstmelding
Archeologische inspectie. Er zijn vondsten gedaan uit de
van het plangebied
(1967)
ijzertijd en de Romeinse tijd. Het gaat hier om bot en aardewerkvondsten.
2840365100
2473735100
Circa 700 meter ten noorden
Vondstmelding
Bij niet archeologisch graafwerk zijn meerdere aardewerk en
van het plangebied
(1971)
metaalvondsten uit de ijzertijd en de Romeinse tijd gedaan.
Circa 690 meter ten zuiden
Bureau- en
In de top van de pleistocene afzettingen worden vindplaatsen
van het plangebied
booronderzoek door
uit het laat-paleolithicum – midden neolithicum verwacht.
RAAP in 2015.18
Rondom boring 4 zijn indicatoren uit het laat neolithicum – bronstijd aangetroffen op een diepte van circa 70 centimeter
14 Geen rapportage beschikbaar 15 Vestigia rapport V2013 16 Econsultancy rapport 11852.002. 17 Econsultancy rapport 4077.003. 18 RAAP-rapport 5100. Pagina | 14
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Zaakidentificatie
Afstand
Soort onderzoek
Omschrijving beneden maaiveld. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd. Deze heeft tot op heden niet plaatsgevonden.
2355978100
Circa 720 meter ten
Bureau- en
Binnen het plangebied zijn twee terrasniveaus aangetroffen.
zuidoosten van het
booronderzoek door
Het Late Dryas terras in het zuidelijke deelgebied bevatte een
plangebied
BAAC in 2012.19
watervoerende geul tot in het vroeg Holoceen. Op het Pleniglaciaal terras in het oostelijke deelgebied geldt een hoge verwachting op steentijd vindplaatsen. Er kan een archeologisch niveau op 120 en 155 centimeter beneden maaiveld worden aangetroffen. Er is een vervolgonderzoek aanbevolen. Deze heeft tot op heden niet plaatsgevonden.
2201306100
Circa 55 meter ten zuiden van
Bureau- en
Bij het veldonderzoek zijn de beddingafzettingen in vijf van
het plangebied
booronderzoek door
de negen boringen aangetroffen op een diepte van 140 – 270
BAAC in 2008.
centimeter beneden maaiveld. In boring 4 en 5 zijn
20
geulafzettingen waargenomen. Het gaat hier om twee Kreftenheye terrassen. Er worden archeologische niveaus verwacht in de Wijchen afzettingen (60-130 centimeter beneden maaiveld) en de Kreftenheye afzettingen (140 – 160 centimeter beneden maaiveld. Er is een vervolgonderzoek geadviseerd. Deze heeft tot op heden niet plaatsgevonden. 2179770100
Circa 555 meter ten zuiden
Bureau- en
Binnen een toekomstig aardgastracé heeft het vooronderzoek
2158361100
van het plangebied
booronderzoek door
plaatsgevonden. Er zijn nabij onderhavig plangebied geen
RAAP in 2007.
vindplaatsen gevonden.
21
Tabel 1. Overzicht van relevante Archismeldingen binnen een straal van 750 meter rond het plangebied.
Op het Laat-Glaciale stroomterras waar het plangebied op is gelegen zijn tot op heden geen concrete vindplaatsen opgegraven. Wel zijn er bij (verkennende) booronderzoek indicatoren waargenomen die kunnen wijzen op vindplaatsen uit de perioden van het laat-paleolithicum tot en met het laat-neolithicum. Op deze locaties hebben echter tot op heden geen vervolgonderzoeken in de vorm van gravend onderzoek plaatsgevonden. Op kaartmateriaal vanaf het begin van de 19e eeuw is het plangebied onbebouwd en in gebruik als weiland. Het is niet aannemelijk dat ter plaatse van deze komgronden bewoning heeft gekend sinds de ontginning en altijd als weiland in gebruik is geweest. Op basis van deze gegevens geldt voor het plangebied een lage verwachting voor de periode late middeleeuwen en nieuwe tijd.
19 BAAC Rapport V-12.0017. 20 BAAC Rapport V-080148. 21 RAAP-Rapport 1588. Pagina | 15
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Resultaten verkennend booronderzoek: Op basis van het verkennend booronderzoek kan worden gesteld dat in het plangebied de fluviatiele afzettingen zijn gevormd in het Laat-Glaciaal en Holoceen. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een bouwvoor met daaronder achtereenvolgens komafzettingen van de Waal, Winssen en Distelkamp-Afferden, oever- en komafzettingen van vermoedelijk de stroomgordel van Winssen, rivierduinen22 en Laat-Glaciale beddingafzettingen. Ter plaatse van de crevasse-/ komafzettingen is mogelijk sprake van een vegetatiehorizont/laklagen. In het noordoostelijk deel van het plangebied is een restgeul aangetroffen die (vermoedelijk) in het Vroeg-Holoceen en mogelijk ook eerder actief was. Dit betekent dat het plangebied tijde van de jager-verzamelaars in een gradiëntzone lag. Op basis blijft de middelhoge verwachting voor deze periode gehandhaafd. In de oeverafzettingen van vermoedelijk de Winssen stroomgordel kunnen archeologische resten uit de periode neolithicum – vroege middeleeuwen worden verwacht. Op basis van het verkennend booronderzoek en de bevindingen van de bevoegde overheid kan het gespecificeerde archeologische verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek genuanceerd worden. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van crevassen in het onderzoeksgebied. Er is sprake is van de volgende potentiële archeologische niveaus: -
Kreftenheye 5 terras (Pleniglaciaal) en Kreftenheye 6 terras (Jonge Dryas) langs de geul en mogelijk de geul zelf.
-
De Laag van Wijchen (Bølling-Allerød en uit het vroeg-Holoceen).
-
De oeverafzettingen van het lokale geulsysteem (mogelijk van de aanwezige stroomgordel van Winssen).
-
De komafzettingen van de Waal, Winssen en Distelkamp-Afferden (indien sprake is van een vegetatiehorizont/laklaag).
4.2
Aard en ouderdom van de vindplaats(en)
Vooralsnog is er geen vindplaats aangetroffen en kan er over de aard en ouderdom geen concrete uitspraak gedaan worden. Volgens het vooronderzoek is er echter een middelhoge kans dat er jachtkampementen uit de periode laat paleolithicum en mesolithicum aangetroffen kunnen worden en eveneens een middelhoge kans op het aantreffen van nederzettingsresten van boerensamenlevingen uit de periode neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen.
4.3
Begrenzing en oppervlakte van de vindplaats(en)
Vooralsnog is er geen vindplaats aangetroffen en kan er vooralsnog geen concrete uitspraak gedaan worden over de omvang en begrenzing van een vindplaats. Maar mogelijk bevinden er zich vindplaatsen geheel of gedeeltelijk binnen de contouren van het plangebied.
22 De mogelijke aanwezigheid van de oeverafzettingen van de Winssen stroomgordel en de rivierduinen zijn als zodanig geïnterpreteerd in het betreffende vooronderzoek. Nader onderzoek kan uitsluitsel geven of hiervan sprake is of dat bij oeverafzettingen mogelijk een geulsysteem betreft. Pagina | 16
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
4.4
Structuren en sporen
Nederzettingsresten van jagers en verzamelaars kunnen voorkomen in de vorm van haardkuilen en vuursteenstrooiingen. Nederzettingsresten van sedentaire samenlevingen kunnen voorkomen als concentraties van vondstmateriaal (aardewerk, bouwsteen, natuursteen) of als vullingen van afvalkuilen, paalkuilen, waterputten, e.d. Daarnaast kunnen sporen aangetroffen worden behorend tot agrarische activiteiten, zoals perceleringsgreppels, erfscheidingen, etc.
4.5
Anorganische artefacten
Naar verwachting zullen met name anorganische artefacten worden aangetroffen tijdens het onderzoek. Het kan hierbij gaan om resten van aardewerk, metaal, bouwkeramiek, glas, natuursteen en mogelijk ook (bewerkte) vuursteen. De datering van de vondsten kan variëren van de steentijd tot de vroege middeleeuwen.
4.6
Organische artefacten
De verwachting op het aantreffen van organische vondsten is relatief laag vanwege de lage grondwaterstand (GWT VIu) waardoor binnen 80 cm-mv geen organische resten worden verwacht. Enkel onder de grondwaterstand en in waterverzadigde contexten, zoals bijvoorbeeld een waterput, een diepe greppel of gracht, kunnen organische artefacten worden gevonden. Te denken valt hierbij onder andere aan voorwerpen van hout, vlechtwerk, textiel, been en leer.
4.7
Archeozoölogische en botanische resten
Bij het aantreffen van een waterverzadigde context of onder de grondwaterstand kunnen eveneens archeozoölogische en botanische resten worden aangetroffen. Het is ook mogelijk dierbegravingen aan te treffen van bijvoorbeeld runderen of paarden. Buiten de waterverzadigde context is de verwachting dat de botanische resten enkel in verkoolde toestand bewaard zijn gebleven. Hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om houtskool of zaden en pollen.
4.8
Archeologische stratigrafie en diepte van vondstlagen
Mogelijk aanwezige resten uit het laat-paleolithicum kunnen in de top van de Formatie van Kreftenheye worden aangetroffen. Deze wordt verwacht op een diepte van circa 80 tot 300 centimeter (circa 4,30 tot 6,43 meter +NAP, Figuur 3) en worden in eerste instantie langs de aanwezige geul (noordoostelijk deel van het plangebied) op het terras worden aangetroffen en bij aanwezigheid van dergelijke resten ook ter plaatse van de geul zelf. Aanvullend kunnen ook archeologische resten uit het laatpaleolithicum B worden aangetroffen in de mogelijk aanwezige Laag van Wijchen uit het Bølling-Allerød en uit het vroegHoloceen. Archeologische resten vanaf het neolithicum tot en met de vroege middeleeuwen worden in de top van de oeverafzettingen worden aangetroffen op een diepte van circa 30 tot 115 centimeter onder maaiveld (circa 5,95 tot 7,08 meter +NAP, Figuur 4). Aanvullend kunnen ook archeologische resten uit de genoemde perioden worden aangetroffen in de komafzettingen indien ter plaatse sprake is van een laklaag/vegetatiehorizonten. Deze kunnen onder de bouwvoor worden verwacht. Pagina | 17
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
4.9
Gaafheid en conservering
Wat betreft de conservering en gaafheid van eventueel aanwezige archeologische resten kan het volgende gesteld worden: Wegens de verwachte aanwezigheid van kalkloze poldervaaggronden zijn archeologische resten afgeschermd door jongere kleilagen. Oudere vindplaatsen kunnen hierdoor goed bewaard zijn gebleven in de diepere ondergrond. Echter, een overstromingsfase kan er ook voor gezorgd hebben dat oudere niveaus zijn geërodeerd. De kans op het nog aantreffen van een vindplaats wordt in zo’n geval juist kleiner. Anorganische en organische vondsten en sporen zijn in dergelijke gronden kunnen in goede toestand worden aangetroffen. De grondwaterstand is van gemiddeld niveau (GWT IVu). Organische resten zullen onder de grondwaterspiegel goed bewaard zijn gebleven. Vooralsnog is het alleen bekend dat er in het noorden van het plangebied kabels en leidingen voor het landelijke hoogspanningsnet ingegraven zijn, die voor mogelijke verstoringen hebben gezorgd. In het overige deel van het plangebied is de bodem niet verstoord geraakt door de aanleg van kabels en/of leidingen.
Pagina | 18
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
5. Doelstelling en vraagstelling 5.1
Doelstelling
Het doel van het archeologisch proces opgraven (landbodems) is het documenteren van gegevens en het uitwerken en veiligstellen van materiaal van vindplaatsen conform het Programma van Eisen (PvE), om daarmee informatie te behouden die van belang is voor de kennisvorming over het verleden. Deze informatie is vervat in projectdocumentatie en in vondsten en monsters.
5.2
Relatie met de NOaA en/of andere onderzoekskaders
Er is nog geen vindplaats aangetroffen, waardoor datering en complextype ontbreken. Daarom kan vooralsnog niet vastgesteld worden wat de relatie is van de eventueel aanwezige vindplaats in relatie tot de NOaA 2.0. In het eventueel op te stellen evaluatierapport zullen daarom nadere vragen met betrekking tot de NOaA geformuleerd worden.
5.3
Vraagstelling
De vraagstelling voor een opgraving betreft de vragen waarop het onderzoek antwoord moet geven. De relatie met de NOaA of regionale en lokale onderzoek agenda’s moet worden aangegeven evenals de mogelijke synergie met ander onderzoek. De vraagstelling richt zich eveneens op de volgende aspecten: sporen en structuren, artefacten van verschillende materiaalcategorieën, bodemkunde, fysische geografie en geologie, archeozoölogie, archeobotanie, fysische antropologie en 14C-, dendrodateringsonderzoek of een andere dateringsmethode.
5.4
Onderzoeksvragen
Voor zover mogelijk dient antwoord te worden gegeven op de volgende vragen: Algemeen: •
Wat is de aard, datering, omvang, locatie (horizontaal en verticaal) van archeologische resten, grondsporen en structuren?
•
Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van archeologische resten, grondsporen en structuren?
•
Hoe ziet de bodemopbouw binnen het plangebied eruit en wat zegt dit over de gaafheid van de eventueel aanwezige sporen?
•
Wat is de landschappelijke ligging van het plangebied en hoe is de aangetroffen bodem gevormd?
•
Wat is de synchrone en diachrone ensemblewaarde van de vindplaats met andere bekende vindplaatsen in de omgeving?
•
Hoe sluiten de resultaten van het onderzoek aan bij de NOaA?
Pagina | 19
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Specifiek: •
Zijn er archeologische resten in situ bewaard gebleven, vanaf welke diepte en dient hier in de toekomst rekening mee te worden gehouden bij ontwikkelingen in het plangebied en de directe omgeving?
•
Op welke afzettingen bevinden zich de aangetroffen resten en uit welke periode dateren deze? Geef per type afzetting aan welke periodes erop aangetroffen zijn. Komt dit overeen met het verwachtingsmodel?
•
Hoe verhouden de bevindingen zich tot de onderzoeksresultaten van het vooronderzoek en onderzoek in de directe omgeving?
•
Tijdens het vooronderzoek zijn twee laklagen aangetroffen. Kan er door middel van vondstmateriaal een datering aan deze lagen gegeven worden?
•
Indien sprake is van crevasse, kan er vastgesteld worden wat voor type crevasse er binnen het plangebied aanwezig is?
•
Wat is de datering van de archeologische vondsten en tot welke vondsttypen of vondst categorieën behoren zij?
•
Wat is de landschappelijke ligging van de site(s). Meer in het bijzonder, wat is de geologische, geomorfologische en bodemkundige context?
•
Is er sprake van (sub)recente verstoring en postdepositionele processen?
•
Wat is de relatie tussen het gebruik en de geschiedenis van de onderzoekslocatie en de historische, historischlandschappelijke en overige cultuurhistorische aspecten van zijn omgeving?
•
Waar en in welke mate is deze locatie geschikt voor paleo-ecologisch en natuurwetenschappelijk onderzoek? Welke methoden zijn het meest kansrijk?
•
Indien er geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijv. alleen losse vondsten zonder enige context) oplevert, welke verklaring kan hieraan worden gegeven? Is er bijvoorbeeld sprake van aantoonbare afwezigheid van bewoning en/of actief landgebruik, verstoringen van antropogene aard, beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van bodemprocessen of beperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden als gevolg van werk- en/of weersomstandigheden?
•
Hoe kan de vindplaats gewaardeerd worden op basis van de fysieke en archeologisch inhoudelijke kwaliteit? Welke waarde is er samenvattend te geven aan het onderzoeksgebied en de daarin te onderscheiden delen (binnen verticale en/of horizontale grenzen; complextypen, periode, sites)? Beschrijf en beredeneer de verschillen in waarde conform de waarderingstabel uit de KNA 4.1.
Pagina | 20
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
6. Methoden en technieken 6.1
Methoden en technieken
Algemeen: Het onderzoek dient conform de in de vigerende KNA 4.1 (Centraal College van Deskundigen 2018) verwoorde richtlijnen te worden uitgevoerd. Aanvullend daarop geldt het volgende: In eerste instantie wordt het onderzoek als proefsleuvenonderzoek – variant begeleiding (BRL SIKB 4000 protocol 4003) met een doorstart naar een opgraving (BRL SIKB 4000 protocol 4004) en conform onderstaande methoden uitgevoerd. Met uitzondering dat alle sporen gecoupeerd, bemonsterd (indien relevant) en afgewerkt dienen te worden. Aangezien er geen kans is om terug te keren na het proefsleuvenonderzoek, dient het veldwerk uitgevoerd te worden als opgraving. Indien blijkt dat er een vindplaats aanwezig is, zal er contact opgenomen moeten worden met de bevoegde overheid om te bepalen of de vindplaats behoudenswaardig is en dus opgegraven dient te worden. Waarbij mogelijk nadere onderzoekvragen gedefinieerd dienen te worden. Een opgraving - variant archeologische begeleiding heeft als doel ‘het documenteren van gegevens en het veiligstellen van vondsten en monsters om daarmee informatie te behouden die van belang is voor kennisvorming over het verleden’. Deze informatie is vervat in projectdocumentatie en in vondsten en monsters. Het onderzoek wordt uitgevoerd conform protocol 4004 Opgraven. •
Er worden bij aanvang foto’s gemaakt van de algemene situatie, waaronder terrein en omgeving bij aanvang van het werk, de vlakken, de profielen, de grondsporen in het vlak en de coupes. Tevens worden er van belangwekkende en/of kwetsbare vondsten op de plaats van aantreffen foto’s gemaakt. Ten behoeve van publicatie of expositie worden ook actie- of illustratieve foto’s gemaakt.
•
De aanleg van het ‘vlak’ dient te gebeuren met een gladde, gesloten bak onder toezicht van een senior KNAarcheoloog.
•
Het onderzoek staat fulltime onder leiding van een senior KNA-archeoloog die archeologische gegevens conform de KNA documenteert.
•
Ten behoeve van de aanleg van het vlak wordt een profiel aangelegd om de bodemopbouw in kaart te brengen en de juiste hoogte van het aan te leggen vlak te bepalen.
•
Bij de aanleg van- en het verdiepen tot het vlak zal gebruik gemaakt worden van een metaaldetector. De metaaldetector wordt ook gebruikt bij het couperen van sporen. Daarnaast wordt er ook de stort mee afgezocht.
•
Bij het laagsgewijs verdiepen met de graafmachine dient men ook alert te zijn op archeologische mobilia (vuursteen, houtskool en/of crematieresten). Indien vuursteen, spikkels houtskool of crematieresten worden getraceerd, dan de locatie als bult laten staan. Locatie vervolgens met schep schavende wijs verdiepen. Indien er aanwijzingen zijn voor spoorvervaging (uitloging) zal een dieper controlevlak aangelegd moeten worden.
•
Tijdens het onderzoek wordt profiel- en vlakinformatie altijd gecombineerd. Dit houdt in dat profielen niet achteraf worden schoongemaakt, d.w.z. nadat het vlak reeds is onderzocht. Pagina | 21
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
•
Puinlagen en recente verstoringen worden laagsgewijze afgegraven tot het niveau van ongestoorde vlakken, nadat deze in het eerste vlak zijn gedocumenteerd.
•
Alle archeologische sporen worden opgeschaafd en zorgvuldig (met kraspin) ingekrast. De lijnen worden vervolgens zorgvuldig en met voldoende meetpunten ingemeten zodat de correcte vorm van het spoor wordt gedigitaliseerd.
•
Alle sporen zullen worden voorzien van unieke volgnummers en geregistreerd worden op een daartoe geëigend formulier.
•
Vondsten in de bouwvoor worden, alleen wanneer daar een bijzondere reden voor is, in vakken van 5x4 m verzameld voor zover dat mogelijk is. Anders wordt zoveel mogelijk binnen de beschikbare, ontgraven ruimte verzameld
•
Alle vondsten worden verzameld per stratigrafische laag in vakken van maximaal 5x4 m (voor zover dat mogelijk is) danwel per spoor, en binnen een spoor per spoorvulling, ook binnen een spoor wordt gelet op de stratigrafie van het spoor. Anders wordt zoveel mogelijk verzameld binnen de beschikbare, ontgraven ruimte verzameld.
•
Vondsten zullen worden geregistreerd op een daartoe geëigend formulier en voorzien van een vondstnummer.
•
Bij het aantreffen van (bewerkt) vuursteen dient het vlak rondom deze vuursteenvondst opgeschaafd te worden. Indien daarbij meerdere fragmenten (bewerkt) vuursteen of vuurstenen afslagen aangetroffen worden, dient er overlegd te worden met de bevoegde overheid over de te volgen strategie. De archeologisch uitvoerder doet hier een voorstel voor. Deze kan bijvoorbeeld zijn zoals beschreven in de strategie voor het opgraven van “vuursteenvindplaatsen”.
•
Hoogtematen zullen worden genomen van de vlakken, het maaiveld en alle sporen. Voor de sloten en alle diverse typen kabelgeulen/lijnelementen dient om de 5 meter in raaien met (indien van toepassing qua breedte) en een tussenafstand van 3 meter hoogtematen te worden genomen. Ook om de 5 meter een hoogtemaat van het maaiveld. Met betrekking tot de trafohuisjes en het inkoopstation volstaat een hoogte per vlak en van het maaiveld.
•
Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, dienen tijdens het onderzoek alle sporen te worden gecoupeerd om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. Een uitzondering vormen recente sporen en verstoringen (van na 1950). Indien onduidelijkheid bestaat over het wel of niet couperen dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid.
•
Grotere sporen worden in secties of door middel van kwadranten onderzocht.
•
Er wordt altijd een vlaktekening gemaakt, ook wanneer geen grondsporen of structuurresten zichtbaar zijn. Deze vlaktekening is altijd in het veld aanwezig (ook bij digitaal intekenen).
•
Alle sporen, verstoringen en bodemverkleuringen worden ingetekend op de vlaktekeningen.
•
Metingen worden uitgevoerd in RD-stelsel.
•
Sloten en greppels dienen zodanig gecoupeerd en leeg geschaafd te worden dat de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden. Tevens dient gelet te worden op het voorkomen van sporen in of onder de sloten en greppels (bijvoorbeeld door delen van de greppels in de lengterichting te couperen). Pagina | 22
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
•
Bij het aantreffen van bijzondere archeologische resten buiten de archeologische verwachting (zie hoofdstuk 4) worden opdrachtgever, depotbeheerder en bevoegde overheid onmiddellijk gewaarschuwd. In gezamenlijk overleg tussen de partijen zal vervolgens worden bepaald hoe met deze resten dient te worden omgegaan.
•
Alle sporen worden gedocumenteerd door de gecoupeerde sporen te fotograferen en te tekenen (vlakfoto’s en vlaktekening). Dit gebeurt op schaal 1:50. Coupes en profielen zullen ook worden gefotografeerd en getekend. Dit dient te gebeuren op schaal 1:20.
•
Indien archeozoölogische resten worden aangetroffen worden deze volledig geborgen en wordt niet volstaan met het nemen van een monster. Wanneer de sporen daartoe geschikt zijn, moeten alle sporen van één en dezelfde structuur bemonsterd worden ten behoeve het verzamelen van macroresten. Voor deze systematische monstername dient een specialist in het veld geraadpleegd te worden.
•
Indien sloten en greppels tot een erf behoren, dienen op regelmatige afstand monsters uit coupes genomen te worden, teneinde informatie over activiteitencentra op de erven te verzamelen.
•
Waar mogelijk en relevant voor de onderzoeksvragen worden monsters genomen voor 14C of dendrochronologische dateringen en voor botanisch onderzoek uit kansrijke sporen. Bij het aantreffen van sporen van uitzonderlijke aard wordt contact opgenomen met de bevoegde overheid.
•
Bij het aantreffen van waterputten/beerputten dient de aard en omvang ervan te worden vastgesteld middels boringen. Couperen dient in het vervolgonderzoek te gebeuren. Tenzij al meteen duidelijk is dat de vindplaats niet behoudenswaardig is. Dan dienen alle sporen conform protocol 4004 onderzocht te worden.
•
Bij het aantreffen van vermoedelijke graven, dient een segment te worden uitgenomen om de aard van het spoor en de datering ervan vast te kunnen stellen. Daarna dient het spoor, vanwege de kwetsbaarheid, direct conform protocol 4004 opgegraven te worden.
•
De bevoegde overheid ontvangt gedurende de uitvoering wekelijks de dag- en weekrapporten.
•
Aan het einde van het veldwerk worden de opdrachtgever en de bevoegde overheid op de hoogte gebracht voor de eerste resultaten van het onderzoek.
Pagina | 23
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
6.2
Strategie
Ten behoeve van het te realiseren zonnepark zullen er vijf sloten verbreed worden; drie dwars door het plangebied (nummers 3, 5 en 6), één langs de westelijke rand van het plangebied (nummer 1) en één langs de noordelijke rand van het plangebied (nummer 4) (Figuur 1). Aan de zuidkant van het plangebied wordt een nieuwe sloot gegraven (nummers 2a en 2b). Deze sloot wordt tot circa 0,5-1,0 meter diepte aangelegd/verdiept. In de bestaande sloten zullen ook enkele duikers geplaats worden. Daarnaast zullen er vier transformatorhuisjes en een inkoopstation met onderhoudspaden gerealiseerd worden, die middels kabel en leidingsleuven met de zonnecollectoren verbonden worden. De bevoegde overheid (gemeente Beuningen) heeft op basis van een eerder door Aeres Milieu opgestelde Strategie ten behoeve van het vervolgonderzoek reeds aangeven dat: •
De nieuw te graven sloten komen in aanmerking voor actieve archeologische begeleiding.
•
De trafohuisjes en het inkoopstation komen in aanmerking voor actieve archeologische begeleiding.
•
De uit te breiden sloten komen in aanmerking voor passieve archeologische begeleiding.
•
De kabelgeulen komen in aanmerking voor passieve archeologische begeleiding.
•
Het palenplan van de zonnepanelen en de onderhoudspaden komen niet in aanmerking komen voor archeologische begeleiding.
Zowel de passieve als de actieve begeleiding worden uitgevoerd door een team bestaande uit een senior KNA-specialist fysisch geograaf en een senior KNA-archeoloog. Waar passieve archeologische begeleiding inhoudt dat er, afhankelijk van de situatie, maar bij voorkeur één keer per dag, door het team de graafwerkzaamheden komt inspecteren en nagaat of er archeologische waarden blootgelegd zijn. Indien dit het geval is moeten deze gedocumenteerd worden. Op basis van hetgeen al dan niet aangetroffen wordt, dient de archeologische begeleiding geïntensiveerd te worden of juist minder frequent uitgevoerd te worden. Een intensieve archeologische begeleiding houdt in dat de werkzaamheden continu onder archeologische begeleiding van het archeologisch team uitgevoerd dienen te worden. Daarbij dienen alle bodemingrepen gedocumenteerd te worden. Op relevante plaatsen moeten profielkolommen gedocumenteerd worden. Op zijn aanwijzingen dient tijdens het uitgraven van de nieuwe sloot de grond laagsgewijs verwijderd te worden, tot het niveau waarop sporen zichtbaar zijn. Veelal is dit ook min-of-meer de ontgravingsdiepte van de aannemer, maar dit kan ook al op een hoger niveau zijn. Indien sporen op een hoger niveau zichtbaar worden dient in eerste instantie op dit niveau een archeologisch vlak aangelegd te worden. Indien relevant dient muurwerk daarbij vrij gelegd te worden.
Het beoogde opgravingsvlak wordt op aanwijzingen van de archeoloog schoon gemaakt en dient zo vlak mogelijk aangelegd te worden. Op relevante plaatsen dient een profielkolom gedocumenteerd te worden. Bij voorkeur wordt op de startlocatie, indien mogelijk, begonnen met een verdiept profielkolom. Het onderzoek is erop gericht om een eventueel aanwezige vindplaats te waarderen op basis van de fysieke en inhoudelijke kwaliteit. Daartoe dient het vondstmateriaal verzameld te worden en de aanwezige sporen onderzocht te worden.
Pagina | 24
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Om tot een goede waardering van de vindplaats te komen, dienen tijdens het onderzoek alle sporen te worden gecoupeerd en afgewerkt om de kwaliteit en conservering van de sporen te kunnen inschatten. In geval van afwijkende sporen waar dit qua aard en omvang een belemmering zou worden, dient contact te worden opgenomen met het bevoegd gezag. Indien onduidelijkheid bestaat over het wel of niet couperen dient eveneens contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid. Indien sporen of structuren aangetroffen worden, die zich buiten het ontgravingsvlak voortzetten, zoals bij een graf, dan wordt het ontgravingsvlak ter plekke uitgebreid, voor zover dat zinvol en noodzakelijk is voor de beantwoording van de onderzoeksvragen. Indien deze sporen/structuren zich tot ver buiten het ontgravingsvlak uitstrekken, dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid. Bij bijzondere en/of in situ behoudenswaardige vondsten dient overleg plaats te vinden met de bevoegde overheid, diens adviseur en de opdrachtgever over de te volgen strategie, vóórdat deze verwijderd mogen worden. Richtlijn bij het onderzoek is de Veldhandleiding Archeologie. Het veldwerk vindt plaats conform de vigerende versie van de KNA (4.1). Indien tijdens het onderzoek een vindplaats wordt aangetroffen, dan dient tijdens het veldwerk contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid.
Ook bij het ontbreken van een vindplaats dient dit bij de bevoegde overheid, of diens adviseur gemeld te worden aan het einde van het veldwerk. Vuursteenvindplaatsen Indien tijdens het laagsgewijs machinaal verdiepen van de sleuven 2 of meer vuursteenartefacten per 4 m2 worden aangetroffen, kan een concentratie aanwezig zijn. Dit wordt gecontroleerd door het handmatig opschaven van de betreffende zone. Op de locatie van vuursteen wordt de sleuf niet verder met de kraan verdiept, maar wel doorgetrokken tot op het niveau van de vondsten tot aan de vermoedelijke grens van de concentratie. Er dient contact opgenomen te worden met de bevoegde overheid en de opdrachtgever om de vervolgstrategie te bepalen. Alle vuursteenartefacten in het vlak worden 3D ingemeten.
6.3
Omgang kwetsbare vondsten en monsters
Conform OS11/ OS11wb en de KNA-Leidraad ‘Eerste hulp bij kwetsbaar vondstmateriaal’ •
Bij bijzondere of kwetsbare vondsten zullen materiaalspecialisten ingeschakeld worden voor de berging. Mochten deze niet beschikbaar zijn, zullen dergelijke vondsten en-bloc worden gelicht.
•
Conform KNA 4.1 worden kwetsbare en voor degradatie gevoelige vondsten binnen 1 week aan een daartoe erkend specialist aangeleverd.
Pagina | 25
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
6.4
Structuren en grondsporen
Het vooronderzoek heeft uitgewezen dat er mogelijk een vindplaats of vindplaatsen aanwezig zijn binnen het plangebied. Naar verwachting zal deze zich met name kenmerken door de aanwezigheid van paalgaten/kuilen van spiekers, boerderijen en andere erfstructuren. Ook kunnen er vindplaatsen aanwezig zijn die zich met name kenmerken door de aanwezigheid van een vondststrooiing van vuursteen en mogelijk haardkuilen •
Alle grondsporen worden gecoupeerd en afgewerkt om de onderzoeksvragen te beantwoorden (bijv. aard, datering, conservering, gaafheid). Uitzondering hierop vormen zeer grote sporen als water- of beerputten. Hiervan zal getracht worden de diepte vast te stellen d.m.v. een boring. Indien geschikt wordt de boorkern bemonsterd voor archeobotanisch onderzoek.
•
Sporen behorend bij een één gebouw worden zoveel mogelijk in dezelfde richting gecoupeerd.
•
Van aanwezige lagen zullen representatieve aandelen monster en vondsmateriaal worden verzameld. Daarnaast zal ook de vorm, omvang en dikte van deze lagen worden bepaald.
•
Van structuren wordt een overzichtsfoto gemaakt. Bij voorkeur voordat de sporen gecoupeerd zijn, alsook daarna.
•
Structuren worden in zijn totaliteit gefotografeerd, voor zover mogelijk.
•
Van de aangetroffen structuren worden, indien dit niet de constructie in gevaar brengt, monsters genomen van de gebruikte bouwmaterialen (bakstenen, hout, mortel etc.).
•
6.5
Resten uit de Tweede Wereldoorlog worden behandeld als archeologische resten.
Aardwetenschappelijk onderzoek
Van iedere ontgravingsvlak dient een goede bodemkundige beschrijving te worden opgesteld om inzicht te krijgen in de landschappelijke en bodemkundige context van het onderzoeksgebied (o.a. benaming van horizonten, textuur en bodemtype, zie KNA 4.1 - voor verdere specificaties OS05). Hiervoor dienen om de 25 meter profielopnames van één meter breed gemaakt te worden, bij voorkeur worden deze verdiept tot minimaal 25 cm onder het ontgravingsvlak. Deze profielen dienen te worden gefotografeerd, getekend en beschreven. De beschrijving van de profielen dient te worden opgesteld door een KNA-specialist fysisch geograaf. De tekening van de profielen dient op schaal 1:20 te gebeuren; hierop moeten tevens de NAP-hoogtes en de grens met het opgravingsvlak worden aangegeven. Verder dient bij afwijkende patronen in de bodemopbouw of grondsporen in de wand van het ontgravingsvlak (te denken valt aan lokale depressies, afvallagen, restanten van oud loopvlak et cetera) het hele profiel te worden getekend en gefotografeerd (schaal 1:20). De profielen worden beschreven en getekend op basis van archeologica, textuur, kleur, structuur en lithostratigrafie. Indien dit niet mogelijk is bij lijn-elementen of bij zones onder het waterniveau, dan dienen relevante delen voor zover mogelijk te worden beschreven, getekend en gefotografeerd.
Indien sprake is van bijzondere fenomenen als veen- of oude cultuurlagen, dan worden deze selectief (d.w.z. in relatie tot de onderzoeksvragen) bemonsterd voor pollenanalyse en/of slijpplaatonderzoek. Hiertoe wordt aanvullend in het veld een specialist geraadpleegd.
Pagina | 26
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
6.6
Anorganische artefacten
Conform PS06 en OS11/OS11wb. •
Alle vondsten zullen worden geborgen conform Specificatie PS06 Richtlijnen voor (de)selectie van vondsten, KNA 4.1, met uitzondering van bijzondere vondsten of uitzonderlijk grote hoeveelheden. In dergelijke gevallen zal – na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten.
•
Indien er sprake is van vondsten van groot belang of vondsten welke aanvullende kosten met zich meebrengen zal hierover eerst overleg gepleegd worden met de initiatiefnemer en de bevoegde overheid.
•
(Fragmenten van) Kookpotten (ongeglazuurd) uit een gesloten context zullen met handschoenen aan in het veld worden verpakt met aluminiumfolie. Dit om eventueel residu-onderzoek mogelijk te maken.
•
Conform KNA 4.1 worden kwetsbare en voor degradatie gevoelige vondsten binnen 1 week aan een daartoe erkend specialist aangeleverd.
•
Monsters worden uitsluitend genomen voor zover ze bijdragen aan beantwoording van de vraagstelling. Datering en aard zijn hierbij de belangrijkste selectiecriteria.
•
Indien er sprake is van uitzonderlijk rijke vondstcontexten welke niet direct geborgen kunnen worden, dienen deze te worden afgedekt door betonplaten zonder hijsogen (géén Stelcon), danwel ná het afdekken van de locatie te worden voorzien van opgebrachte grond.
6.7
Organische artefacten
Conform PS06 en OS11/OS11wb. •
Organische vondsten zullen worden geborgen conform Specificatie PS06 Richtlijnen voor (de)selectie van vondsten, KNA 4.1, met uitzondering van bijzondere vondsten of uitzonderlijk grote hoeveelheden. In dergelijke gevallen zal – na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten.
•
In het veld zullen ze een tijdelijke verpakking krijgen om verslechtering van de conditie te minimaliseren. Dergelijke vondsten worden dagelijks afgevoerd naar beter controleerbare omstandigheden.
•
Bij het aanleveren van kwetsbare materialen aan specialisten (derden) worden afspraken gemaakt over de bewaarcondities van de aangeleverde materialen.
6.8
Archeozoölogische, archeobotanische en fysisch antropologische resten
Conform PS06 en OS11/OS11wb. Ten behoeve van paleo-ecologisch onderzoek zullen sporen en lagen worden bemonsterd conform de leidraad KNA Eerste hulp bij Kwetsbaar vondstmateriaal, zowel door middel van algemene bodemmonsters als door middel van slaan van pollenbakken.
Pagina | 27
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
6.9
Overige resten
Conform PS06 en OS11/OS11wb.
Overige resten worden behandeld als de hierboven genoemde artefacten met uitzondering van bijzondere vondsten of uitzonderlijk grote hoeveelheden. In dergelijke gevallen zal – na overleg met de opdrachtgever en de bevoegde overheid – specialisten op de betreffende gebieden geraadpleegd en of ingeschakeld worden bij het onderzoeken van de sporen en het bergen van de vondsten.
6.10
Dateringstechnieken
Datering van sporen en structuren zal primair geschieden op basis van determinatie van het vondstmateriaal. Uit kansrijke sporen dienen monsters voor 14C-datering te worden genomen. Tevens dient in geval van daartoe in aanmerking komend hout monsters te worden genomen voor dendrochronologie.
6.11
Beperkingen •
Onvoorziene omstandigheden (vertraging, vorst, zwaar weer, lekkages, instorten profielen, ed.) waardoor niet aan de eisen gesteld in dit PvE kan worden voldaan dienen tijdens het veldwerk gemeld te worden bij de opdrachtgever, de bevoegde overheid en diens adviseur.
•
Indien blijkt dat bij het aantreffen van graven of uitzonderlijk rijke contexten deze niet voor het einde van de dag geborgen kunnen worden, dienen deze afdoende beschermd te worden (Stelcon volstaat hiervoor niet, wenselijker is het gebruik van betonplaten zonder bevestigingsogen, danwel te worden voorzien van opgebrachte grond ná het afdekken van de locatie).
•
Er is voor zover bekend geen specifieke kans op het aantreffen van NGE (Niet Gesprongen Explosieven) uit de Tweede Wereldoorlog. Indien onverhoopt munitie of andere niet gesprongen explosieven worden aangetroffen, dan zal melding worden gedaan aan de betrokken instanties en alarmdiensten. De werkzaamheden worden bij aantreffen stilgelegd.
•
In geval van grondwateroverlast of overlast van hemelwater dienen grondwaterbemaling of pompen aanwezig te zijn. Hiervoor dient door de opdrachtgever zorggedragen te worden. Dit is niet van toepassing bij de reeds aanwezige sloten of de verbreding van deze sloten.
•
In geval van waarneembare verontreiniging zullen de werkzaamheden worden stilgelegd. De bevindingen van eventueel uitgevoerde milieukundige bodemonderzoek dienen voorafgaand aan het veldonderzoek te worden verstrekt door de opdrachtgever.
Pagina | 28
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
7. Uitwerking en conservering 7.1
Evaluatierapport •
Na het veldwerk en na de technische uitwerking wordt door de projectleider – zo nodig na specialistisch advies- een evaluatierapport opgesteld volgens specificatie OS12, tenzij door projectleider en archeologisch adviseur van de bevoegde overheid bij overleg tijdens of na het veldwerk is vastgesteld dat direct met het eindrapport kan worden begonnen.
•
In het evaluatierapport worden de bevindingen van het veldwerk samengevat en wordt een voorstel gedaan voor nadere analyse van sporen, monsters en vondsten (waaronder laboratoriumonderzoek), voor de conservering van objecten en voor de opzet van het eindrapport, waaronder de keus van de te tekenen, te fotograferen en af te beelden objecten. Voorgesteld wordt welke vondsten en monsters niet bewaard (gedeponeerd) hoeven te worden. Geëvalueerd wordt in welke mate de onderzoeksvragen beantwoord kunnen worden en of voor de uitwerking gewijzigde of aanvullende onderzoeksvragen gesteld moeten worden. Geëvalueerd wordt of aanvullende of gewijzigde eisen gesteld moeten worden aan de hieronder genoemde eisen van uitwerking en conservering.
•
Het evaluatierapport wordt binnen acht weken na het veldwerk digitaal bij de opdrachtgever ingediend. Deze dient het evaluatierapport ter beoordeling voor te leggen aan de bevoegde overheid.
•
Het evaluatierapport wordt getoetst en vastgesteld door de bevoegde overheid en fungeert daarna als aanvulling van dit Programma van Eisen.
•
Na vaststelling van het evaluatierapport door de bevoegde overheid geeft de vergunningaanvrager opdracht tot uitwerking, rapportage en conservering volgens het vastgestelde evaluatierapport, rekening houdende met de vastgestelde termijn voor oplevering van het concepteindrapport.
•
Na goedkeuring van het evaluatierapport vindt de wetenschappelijke uitwerking plaats, waarbij materiaal- en andere specialisten worden ingeschakeld, eventueel laboratoriumonderzoek plaats vindt, objecten worden getekend en gefotografeerd en geconserveerd. De resultaten van het veldwerk worden geanalyseerd. Vondsten en monsters worden verder gewaardeerd en geanalyseerd en de gegevens worden verwerkt in teksten en in een database.
7.2
Structuren, grondsporen, scheepwrak of vliegtuig, vondstspreidingen
Uitwerking van de aangetroffen sporen en structuren dient conform de eisen in de KNA, versie 4.1 en bijbehorende protocollen te worden uitgevoerd. Sporen worden minimaal uitgewerkt tot op het niveau dat noodzakelijk is om bovengenoemde onderzoeksvragen en eventueel aanvullend gestelde vragen te beantwoorden. De beschrijving van de sporen dient zoveel mogelijk in te gaan op de aard, karakter, datering, gaafheid en conservering van de aangetroffen vindplaatsen. Alle gekarakteriseerde vondsten, sporen en structuren worden geregistreerd in een digitaal gegevensbestand en worden afgebeeld op een allesporenkaart of op (bij een complexe stratigrafie) op gecombineerde vlaktekeningen.
Pagina | 29
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
Typochronologische analyse en determinatie van structuren en sites vindt plaats binnen het kader van de archeoregio. Alle sporen en structuren worden afgebeeld op een allesporenkaart (ASK) voorzien van het landelijke coördinatengrid. Daarnaast wordt per periode een overzichtskaart gemaakt van alle sporen en structuren. Tenslotte zal nog een overzichtskaart worden gemaakt van de landschappelijke situatie met de sporen daarop geprojecteerd. In de synthese van de onderzoeksbevindingen wordt de analyse van bodemopbouw, sporen, vondsten en monsters en andere gegevens in logisch verband geplaatst, voorzien van deugdelijke argumentatie, referenties aan de wetenschappelijke literatuur en ondersteund door tabellen, foto’s en tekeningen. In de synthese worden complexen en perioden onderscheiden en in een breder (ten minste regionaal) kader geplaatst.
7.3
Analyse aardewetenschappelijke gegevens
Fysisch-geografische analyse (beschrijving bodemopbouw, analyse van gaafheid) vindt zoveel mogelijk plaats binnen de technische uitwerking. In de analyse dient in ieder geval de (paleo)landschappelijke context voor de aangetroffen activiteiten en functies beredeneerd te worden (locatiekeuzeanalyse) en de wisselwerking tussen antropogeen landgebruik en de vorming van het landschap. Hierbij dient ook de relatie met de aangetroffen archeologische resten te worden behandeld.
7.4
Anorganische artefacten
Alle geselecteerde anorganische artefacten worden per spoor, laag en vondstnummer beschreven en gedetermineerd in een digitaal gegevensverband, conform het Archeologisch Basis Register (ABR) of andere in de beroepsgroep geldende richtlijnen (bijv. Deventer Classificatiesysteem voor post/middeleeuws aardewerk en glas), indien hierdoor meer details te vergaren zijn. De beschrijving wordt voorafgegaan door motivatie t.a.v. selectie van materiaal. Al het aangetroffen vondstmateriaal wordt gewassen (tenzij niet toegestaan in verband met de conservering). Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. Deze specialist beoordeelt of er extra maatregelen voor de berging of conservering getroffen moeten worden. De vondsten worden goed verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Van metaalvondsten, waarvan de aard niet duidelijk is, wordt een röntgenfoto gemaakt. Voor de evaluatiefase worden alle vondsten op basisniveau geanalyseerd en geteld (minimaal op niveau van vondstcategorie). Een senior specialist materialen zal het vondstmateriaal analyseren en determineren.
Hij/zij doet vervolgens een uitwerkingsvoorstel welke wordt opgenomen in het evaluatierapport (Welke vondsten analyseren, bijzondere contexten, vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak oppervlakkig bekijken of juist niet?) De uitwerking zal eveneens door een senior KNA-specialist materialen worden uitgevoerd. Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd, sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht, kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord. In de bijlagen van het rapport wordt een vondstenlijst gepresenteerd. De informatie uit de deelrapportages wordt meegewogen in het beantwoorden van de onderzoeksvragen en het opstellen van de synthese.
Pagina | 30
Programma van Eisen Beuningen - Solarfields/DO -variant AB
7.5
Organische artefacten
Al het aangetroffen vondstmateriaal wordt gewassen (tenzij niet toegestaan in verband met de conservering). Vondsten uit de bouwvoor en losse vondsten van de stort of het vlak worden slechts oppervlakkig bekeken en slechts bij bijzondere vondsten nader beschreven en geanalyseerd. Een archeoloog (senior KNA-specialist materialen) zal het vondstmateriaal analyseren en determineren en waarderen ten behoeve van de evaluatie. Deze specialist of een senior KNA-archeoloog beoordeelt of er extra maatregelen voor de berging of conservering getroffen moeten worden. De vondsten worden goed verpakt zodat de conditie van het materiaal zo optimaal mogelijk blijft. Bij bijzonder kwetsbare vondsten wordt een specialist geraadpleegd. In de evaluatiefase dienen de monsters te worden gescand zodat duidelijk is of deze de gestelde onderzoeksvragen kunnen beantwoorden. Indien noodzakelijk voor de beantwoording van de onderzoeksvragen dienen de betreffende vondsten te worden voorgelegd aan een materiaalspecialist. Per materiaalcategorie wordt een rapportage opgesteld waarbij minimaal een overzicht van het aangetroffen materiaal wordt gepresenteerd, sleutelvondsten en/of nieuwe types worden uitgelicht, kenmerkende objecten worden afgebeeld middels foto en/of tekening. Bijzonderheden worden beschreven en afgebeeld. Specifieke onderzoeksvragen uit onderhavig PvE worden beantwoord.