CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 02 Ruimtelijke onderbouwing Koningstraat 53 - 55 Winssen

Commissie Ruimte 4 oktober 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel verklaring van geen bedenkingen t.b.v. omgevingsvergunning Koningstraat 53-55 te Winssen12.937 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De loods zal worden gebruikt voor stalling en opslag van het materieel en de materialen en producten, verbonden aan het uitoefenen van het bestaand in het plangebied gevestigde loonbedrijf. Met wat gestald en opgeslagen wordt, is geen sprake van een risicobron. De beoogde uitbreiding van de bedrijfsbebouwing zorgt ook niet voor toename van in het plangebied werkzame personen. Een toetsing en nadere verantwoor­ ding met betrekking tot het plaatsgebonden risico en het groepsrisico kan hier zodoende achterwege blijven. Conclusie Vanuit externe veiligheid zijn geen belemmeringen aanwezig voor dit ruimtelijk plan.

27

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

4.1.7

BODEM Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening dient bij een ontwikkeling waarmee er sprake is van een functiewijziging, beoordeeld te worden of de bodemkwaliteit van het plangebied geschikt is voor de beoogde functie. Of daarvoor een onderzoek noodzakelijk is, is met name afhankelijk van de aard en/of omvang van de functiewijziging. Voor het plangebied geldt dat het bodemaspect niet recentelijk onderzocht is. Onderhavig ruimtelijk plan voorziet echter niet in een functiewijziging. Voor de beoogde uitbreiding van de bedrijfsbebouwing, de te herbouwen loods, is geen vergroting noodzakelijk van het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’, zoals dat in het geldend bestemmingsplan ter plaatse van het plan­ gebied is vastgelegd ten behoeve van het bestaand aanwezige loonbedrijf van aanvrager. De te herbouwen loods is ruim binnen de grenzen van dit vlak gesitueerd. Aangezien deze loods ook niet bedoeld en niet geschikt is als verblijfsruimte voor mensen, in de loods zullen geen mensen langer verblijven dan 2 uur per dag, ziet dit plan op een afwijking van het geldend bestemmingsplan waarvoor op zichzelf geen (verkennend) bodemonderzoek is vereist. Conclusie Vanuit het aspect bodem(kwaliteit) zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

4.2

WATER Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van het Rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rivierenland. Voor het plan­ gebied is het volgende waterhuishoudkundige beleid van toepassing: » » » »

Rijksbeleid: Waterwet (straks Omgevingswet), Nationaal Water Programma 2022 2027, Waterbeleid in de 21e eeuw en Nationaal Bestuursakkoord Water; Provinciaal beleid: Omgevingsvisie Gelderland; Waterschapsbeleid: Waterbeheerprogramma 2022 - 2027, Nota riolering ‘Samen door één buis’ (2019) en de Keur voor waterkeringen en wateren; Gemeente: het gemeentelijk riool- en waterplan 2018 - 2022.

Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder ver- en nieuwbouwplannen, hanteert de overheid het volgende criterium met betrekking tot duurzaam omgaan met water. Door­ dat een toename van het verhard oppervlak ertoe leidt dat het afvoerverloop niet meer na­ tuurlijk is, is het beleid erop gericht om het regenwater zoveel mogelijk te infiltreren naar het freatisch grondwater, waardoor er een meer natuurlijk afvoerverloop ontstaat. Dit ver­ taalt zich in de volgende richtlijnen: 1. Nieuwe plannen moeten voldoen aan het principe van ‘hydrologisch neutraal bouwen’. Hierbij moet de hydrologische situatie voor wat betreft de afvoer van hemelwater minimaal gelijk blijven aan de oorspronkelijke situatie. De oorspronkelijke landelijke afvoer (naar op­ pervlaktewater) mag niet overschreden worden;

28

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

2. In aansluiting op het landelijk beleid hanteert het waterschap het beleid dat bij een nieuw plan altijd onderzocht moet worden hoe met het schone hemelwater omgegaan kan wor­ den; 3. Bij alle nieuwbouwplannen moeten (vuil) afvalwater en (schoon) hemelwater gescheiden worden behandeld. Het schone en vuile water worden daarbij apart aangeleverd aan de ri­ olering of, indien mogelijk, wordt het schone water aan de natuur teruggegeven. Dit is ook het geval als er in openbaar gebied nog steeds een gemengd rioolstelsel aanwezig is. Bij de inrichting, het bouwen en het beheer moeten zo min mogelijk vervuilende stoffen aan het bodem- en oppervlaktewatersysteem worden toegevoegd. Hierbij verdient het materiaalgebruik speciale aandacht: uitloogbare of uitspoelbare bouwmaterialen moeten worden vermeden om watervervuiling te voorkomen. Uitgangspunten Waterschap Rivierenland De uitgangspunten die door het waterschap worden gehanteerd in het kader van de watertoets kunnen worden verwoord als: a. Waterneutraal inrichten. Om te voorkomen dat door de aanleg van nieuw verhard op­ pervlak wateroverlast ontstaat, is de aanleg van extra waterberging van belang om het verlies aan waterberging in de bodem te compenseren. b. Schoon inrichten. Om te voorkomen dat de waterkwaliteit van het oppervlaktewater ne­ gatief wordt beïnvloed.

Binnen het stedelijk gebied zal daarom schoon hemelwater van nieuwbouwprojecten gescheiden van het vuilwater moeten worden afgevoerd: afkoppe­ len. Het waterschap streeft naar 1000Zo afkoppeling van schoon hemelwater van verhar­ de oppervlakken (gebouwen, wegen en ander terreinverharding). c. Veilig inrichten. Door nieuwbouwplannen mag de veiligheid van een (primaire) water­ kering, het waterkerend vermogen, niet worden aangetast. Dit geldt niet alleen voor de dijk zelf, maar tevens voor de beschermingszones ter weerszijden van de dijk. Voor het lozen van overtollig hemelwater op oppervlaktewater, hetzij rechtstreeks, hetzij via een bestaande of een nieuwe inrichting (zoals een regenwaterriool), is een watervergunning noodzakelijk. Daarnaast moeten in die gebieden die onderhevig zijn aan rivierkwel de effecten van de voorgenomen plannen op de kwel in beeld worden gebracht. Indien com­ pensatie vereist is hanteert Waterschap Rivierenland de volgende twee ontwerpbuien ten aanzien van de benodigde bergingscapaciteit: De T=10+10% neerslag. Hierbij mag het peil (van het oppervlaktewater) niet meer dan 0,2 of 0,3 m stijgen, afhankelijk van het deelgebied waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Vuistre­ gel hierbij is 436 m3 berging per ha verhard oppervlak, overeenkomend met een neerslag van 43,6 mm. De T=100+10%-neerslag.

Hierbij is een peilstijging toegestaan tot de laagste putdeksel hoogte op wijkniveau. Vuistregel hierbij is 664 m3 berging per ha verhard oppervlak, over­ eenkomend met 66,4 mm neerslag. Deze vuistregel geldt met name voor droogvallende voorzieningen. Indien de waterberging wordt gerealiseerd in de vorm van droogvallende retentie, wordt er onderscheid gemaakt tussen systemen waarbij infiltratie naar de ondergrond wel en niet mogelijk is. In dat laatste geval moet de bodem van de voorziening zich gelijk of hoger dan de GHG bevinden en mag bij een ontwerpbui T=100+10% het systeem gevuld zijn tot aan maaiveld. De ledigingstijd van het systeem moet 48 tot 96 uur bedragen.

29

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

Volgens de Beleidsregels Keur Waterschap Rivierenland geldt er vanaf nieuw verhard op­ pervlak een vrijstelling van de compensatieplicht voor toename tot 500 m2 voor stedelijk ge­ bied en 1.500 m2 voor buitengebied. Als peildatum voor eenmalig gebruik is 1 januari 2010 aangehouden, dit betekent dat er alleen aanspraak gemaakt kan worden op de vrijstelling als er in het verleden (na 1 januari 2010) nog geen gebruik van is gemaakt. Uitgangspunten gemeente De raad van de gemeente Beuningen heeft in januari 2018 het Gemeentelijk riool- en waterplan vastgesteld. Hierin is het beleid voor de zorgplicht voor het afvalwater, het afvloeiend hemelwater en het grondwater vastgelegd. Samengevat hieruit het volgende: Wateroverlast De gemeente streeft ernaar wateroverlast te voorkomen, maar kan dit niet uitsluiten. Dit houdt in dat de gemeente er voor kiest op basis van theoretische benadering, via rioolberekeningen, water op straat te accepteren gedurende een minimale periode (de norm is op 1 keer per 2 jaar gesteld). Indien in de praktijk schade ontstaat aan eigendommen, wordt door de gemeente onderzocht of adequate maatregelen te treffen zijn. Klimaatverandering De gemeente maakt per typegebied verschillende acceptatieniveaus. Het betekent een verbreding ten opzichte van de traditionele aanpak: niet alleen het ondergrondse afvoer­ systeem beschouwen, maar ook het bovengrondse.

De gemeente laat dit een rol spelen bij inrichting van de openbare ruimte. Van een perceelseigenaar wordt heden ten dage meer verwacht. Het nieuwe uitgangspunt is dat deze zelf het regenwater moet verwerken. Hierdoor komt er minder regenwater in het riool terecht, wat ten goede komt aan de werking van de zuiveringsinstallatie. Als ver­ werking op eigen terrein in redelijkheid niet mogelijk is, dan kan het overtollige regenwater afgevoerd worden naar het openbare terrein, al waar het afvoeren de verantwoordelijkheid van de gemeente is. Doorvertaling ruimtelijk plan Onderhavige ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van uitbreiding van bedrijfsbebouwing. Er vindt echter geen toename van het verhard oppervlak plaats in het plangebied; de gronden waar de te herbouwen loods is gesitueerd zijn in de bestaande si­ tuatie al van erfverharding voorzien. Er hoeft op basis van het beleid van het waterschap niet te worden voorzien in extra waterberging; er geldt geen compensatieplicht. Het plangebied wordt aan de zuidwestzijde begrensd door een B- en C-watergang. De B-watergang valt helemaal buiten het plangebied. De ter uitbreiding van de bedrijfsbebouwing te herbouwen loods is niet gesitueerd binnen de beschermingszones van de B- en C-watergangen. Er bestaat daarnaast geen noodzaak om vanwege de uitbreiding de inrichting van de watergangen aan te passen.

Voor het project is de digitale watertoets doorlopen (www.dewatertoets.nl). Op basis hiervan adviseert het waterschap de ‘normale procedure’. In de bijlage is de watertoets opgenomen. Conclusie Vanuit het aspect water zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimtelijk plan.

30

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

4.3

NATUUR Op 1 januari 2017 trad de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking. Deze wet heeft de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet vervangen. De Wnb voorziet in vereenvoudigde regels voor bescherming van natuur, in decentralisatie van bevoegd­ heden naar de provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Ook wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en wordt een duidelijker onderscheid ge­ maakt tussen Europees en nationaal beschermde soorten. De Wnb is als gevolg van het samenvoegen van genoemde wetten zowel gericht op gebieds- als soortenbescherming.

4.3.1

GEBIEDSBESCHERMING Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet beoordeeld worden of een ruimte­ lijke ontwikkeling van invloed zou kunnen zijn op de instandhouding en/of kwaliteit van de in of in de nabijheid van het plangebied gelegen beschermde natuurgebieden. De Wnb bepaalt dat nieuwe of uitbreidingen van bestaande economische activiteiten moe­ ten worden getoetst op hun mogelijk effecten op de instandhouding(sdoelstellingen) van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij het plangebied gelegen Natura 2000-gebied betreft ‘Rijntakken’. Dit gebied ligt ten noorden van het plangebied, op een afstand van ±1,6 kilo­ meter. Wanneer de afstand van het plangebied tot Natura 2000-gebied zo groot is zoals hiervoor genoemd, kan alleen wat betreft de veroorzaakte stikstofemissie en -depositie sprake zijn van een mogelijk effect. In dit geval is om het volgende met zekerheid te stellen dat onder­ havig ruimtelijk plan op Natura 2000-gebieden geen negatief effect gaat hebben: » Het plan heeft betrekking op een bestaand loonbedrijf, dat enkel vanwege voertuigbe­ wegingen stikstofemissie en -depositie veroorzaakt; » Zoals in paragraaf 4.5 nader is onderbouwd, leidt de voorgenomen uitbreiding van de bedrijfsbebouwing ten dienste van het loonbedrijf niet tot een toename van voertuig­ bewegingen vanuit en naar het plangebied.

Hierdoor is wat de gebruiksfase betreft ook zonder stikstofberekening duidelijk dat er geen effect zal zijn qua stikstofemissie en zo stikstofdepositie; » Op grond van de per 1 juli 2021 in werking getreden Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering geldt nu voor het aspect stikstof een vrijstelling voor de bouw- of aanlegfase (sloop-, bouw- en eenmalige aanlegactiviteiten). Conclusie Vanuit het oogpunt van gebiedsbescherming zijn geen belemmeringen aanwezig voor on­ derhavig ruimtelijk plan.

4.3.2

SOORTENBESCHERMING Bij de uitvoering van voorgenomen ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met het huidige voorkomen van de op grond van de Wet natuurbescherming beschermde soorten. Het plan waar dit ruimtelijk plan betrekking op heeft, houdt in dat er in het plange­ bied een loods wordt herbouwd om te komen tot een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing van het bestaand ter plaatse aanwezige loonbedrijf. Te constateren is dat de te herbouwen loods centraal binnen het bestemmingsvlak ‘Bedrijf’ is gesitueerd, wat in het geldend bestemmingsplan is vastgelegd ter plaatse van het plan-

31

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

gebied. Hiermee is het te midden van een bestaand bouwperceel gesitueerd. Ter plaatse van betreffende gronden is bestaand erfverharding aanwezig en vindt reeds jaren buiten­ stalling en -opslag plaats van het materieel en de materialen en producten, verbonden aan het uitoefenen van een loonbedrijf. Voor realisatie van de loods is geen sloop nodig van bestaande bebouwing. Gelet hierop bestaat er wat betreft het bouwplan waar dit ruimtelijk plan op ziet, geen aanleiding voor onderzoek naar aanwezigheid van verblijfplaatsen en/of verstoring van eventueel aanwezige beschermde soorten. Het is redelijkerwijs aanneme­ lijk dat het plan niet voorziet in ingrepen die leiden tot een beschadiging of vernietiging van mogelijke verblijfplaatsen en/of verstoring van beschermde en/of algemene soorten. Conclusie Vanuit het oogpunt van soortenbescherming zijn geen belemmeringen aanwezig voor on­ derhavig ruimtelijk plan.

4.4

ERFGOED

4.4.1

ARCHEOLOGIE Het archeologisch bodemarchief is de belangrijkste bron voor onze oudste geschiedenis. Sinds 1 juli 2016 regelt de Erfgoedwet de bescherming en het behoud van archeologische waarden in de bodem. Belangrijkste doel van de wet is de bescherming van archeologische waarden op de oorspronkelijke plek, dus in de bodem zelf (behoud in situ). Een gemeente heeft volgens de wet de verplichting om in ruimtelijke plannen rekening te houden met het mogelijk aanwezig zijn van archeologische waarden. Ten behoeve van onderhavig ruimtelijk plan is geen archeologisch onderzoek vereist. Voor het plangebied geldt dat archeologische (verwachtings)waarden ter plaatse zijn beschermd, doordat hieraan met het geldend bestemmingsplan ‘Buitengebied’ de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ is toegekend. Gezien de regels voor deze dubbelbestemming be­ hoeft het bouwplan geen archeologisch onderzoek: de oppervlakte van de te herbouwen loods bedraagt minder dan 2.000 m2. Conclusie Vanuit het aspect archeologie zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruimte­ lijk plan.

4.4.2

CULTUURHISTORIE Volgens de Erfgoedwet die sinds 1 juli 2016 van kracht is, moet er bij ruimtelijke plannen rekening worden gehouden met het aanwezige culturele erfgoed. De wet maakt zo integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk.

32

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

» Figuur 4.2: Uitsnede Cultuurhistorische kaart provincie Gelderland (bron: www.gelderland.nl/Kaartenencijfers)

In het plangebied en in de directe omgeving daarvan zijn geen beschermde monumenten of andere beschermde cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. De Koningstraat wordt gezien figuur 4.2 wel beschouwd als een historisch lijnelement. Wat dit betreft geldt echter dat de in het plangebied te realiseren uitbreiding van de bedrijfsbebouwing niet van invloed is op de ligging en/of inrichting ervan. Conclusie Vanuit het aspect cultuurhistorie zijn geen belemmeringen aanwezig voor onderhavig ruim­ telijk plan.

4.5

VERKEER EN PARKEREN De bedrijfsbebouwing en het buitenterrein van het ter plaatse van het plangebied geves­ tigde loonbedrijf van aanvrager zijn via een aparte bestaande ^-/uitrit rechtstreeks op de Koningstraat ontsloten. Deze bestaand aanwezige ontsluiting blijft gehandhaafd. Er wordt een nieuw bedrijfsgebouw ten dienste van het loonbedrijf van aanvrager van ca. 1.132 m2 geplaatst ten behoeve van stalling en opslag. Het gezamenlijke bebouwde opper­ vlak aan bedrijfsgebouwen van het loonbedrijf van aanvrager komt hiermee uit op 5.318 m2. De gemeente Beuningen heeft met het eveneens ter plaatse van het plangebied geldend bestemmingsplan ‘Parapluplan Parkeren’ bepaald dat er voor voldoende parkeergelegen­ heid voldaan moet worden aan de gemiddelde parkeernormering die voor de betrokken functie volgt uit publicatie 381 van het CROW. Deze publicatie geeft voor een arbeids- en bezoekersextensief bedrijf, gelegen in ‘weinig stedelijk gebied’ en ‘buitengebied’ een ge­ middelde parkeernorm van 1,05 parkeerplaatsen per 100 m2 brutovloeroppervlak. Bij die norm zou de te realiseren uitbreiding van de bedrijfsbebouwing vragen om de aanleg van 12 parkeerplaatsen extra. En met het nieuwe gezamenlijke bebouwd oppervlak aan bedrijfsge­ bouwen zouden er totaal 56 parkeerplaatsen ten behoeve van het loonbedrijf benodigd zijn op eigen terrein.

In dit geval is rekening houdend met de aard van het bedrijf ter plaatse

33

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

echter aan te voeren dat het theoretisch benodigd aantal parkeerplaatsen (veel) hoger uit­ valt, dan voor de bedrijfsvoering en zo in de praktijk noodzakelijk. Bij een loonbedrijf als dat van aanvrager zijn de bedrijfsgebouwen hoofdzakelijk bestemd voor inpandige stalling en opslag van het materieel en de materialen en producten, ver­ bonden aan het uitoefenen van het bedrijf. Op enige kantoor- en kantineruimten na is er inpandig geen sprake van ruimten waar personeel werk verricht of bezoekers worden ont­ vangen. Op zich logisch, want essentie van de bedrijfsactiviteiten is dat wat aan materieel, materialen, producten beschikbaar is, op andere locaties dan het vestigingsadres in worden gezet om werk te verrichten. De te herbouwen loods waar dit ruimtelijk plan op ziet, betekent een uitbreiding van de bedrijfsbebouwing ter plaatse van het plangebied. De loods dient echter puur om een deel van het materieel, de materialen en producten wat nu nog buiten moet worden gestald en opslagen, ook inpandig te kunnen gaan stallen en opslaan. Zodoende zal de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing niet gepaard gaan met een uitbreiding in personeel en een toename qua aantal bezoekers. Bij het loonbedrijf van aanvrager zijn volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel drie personen werkzaam. Dit en het bovenstaande in acht genomen kan in dit geval worden gesteld dat: »

»

De uitbreiding van de bedrijfsbebouwing die onderhavig ruimtelijk plan ter plaatse van het plangebied mogelijk maakt, niet leidt tot een toename van de parkeerbehoefte ten behoeve van het hier uitgeoefende loonbedrijf; Met de tien parkeerplaatsen voor personenauto’s, drie parkeerplaatsen voor vrachtau­ to’s en ruimte voor buitenstalling van landbouwvoertuigen als ingetekend op de als bij­ lage 3 bij deze onderbouwing opgenomen situatietekening wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein voor personeel en bezoekers, gekeken naar de be­ drijfsvoering en praktijk van het in het plangebied uitgeoefend loonbedrijf.

In de situering van hiervoor bedoelde parkeerplaatsen en buitenstalling is rekening gehou­ den met de omvang van de gebruikte (landbouw)voertuigen en de ruimte die nodig is om deze voertuigen in te parkeren en er mee te manoeuvreren. De twee bedrijfswoningen ter plaatse van het plangebied hebben elk een eigen ontsluiting op de Koningstraat. Ter hoogte van elke woning is bestaand een aparte in/uitrit aanwezig, met aansluitend een oprit. Op de opritten is plaats om conform de voor deze woningen toe­ passelijke parkeernorm twee personenauto’s te kunnen parkeren. Uit het bovenstaande is tevens af te leiden dat de uitbreiding van de bedrijfsbebouwing die onderhavig ruimtelijk plan ter plaatse mogelijk maakt, niet tot gevolg zal hebben dat ten opzichte van de bestaande situatie sprake is van een toename van verkeersbewegingen vanuit en naar het plangebied. Zodoende heeft dit plan geen effect op de verkeersintensi­ teit of vereiste inrichting van wegen in de omgeving van het plangebied. Het voorgaande maakt dat geconcludeerd kan worden dat er ook in de beoogde nieuwe situatie geen parkeer- of verkeersoverlast te verwachten valt op de openbare wegen. Conclusie Onderhavig ruimtelijk plan heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeerssituatie ter plaat­ se en vereist geen aanpassing van de bestaande verkeersstructuur en wegen.

34

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

4.6

KABELS EN LEIDINGEN Er zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen leidingen aanwezig die een belem­ mering zouden kunnen vormen voor de beoogde plannen en planologische bescherming behoeven.

35

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

Uitvoerbaarheid 5.1

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID Deze ruimtelijke onderbouwing wordt op grond van paragraaf 3.10 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) samen met het ontwerpbesluit over de aanvraag omgevingsvergunning voor een periode van zes weken voor iedereen ter inzage gelegd. Gedurende de inzagetermijn is het voor iedereen mogelijk om de stukken in te zien en hier op te reageren door middel van het indienen van een zienswijze. In het kader van de definitieve besluitvorming over de aanvraag omgevingsvergunning wordt er in deze paragraaf of een aparte bijlage bij het besluit verslag gedaan van de terinzagelegging voor zienswijzen. Beschreven wordt of er zienswijzen zijn ingediend en zo ja, in hoeverre die volgens de zienswijzenbeantwoording hebben geleid tot het aanpassen van het plan en/of besluit.

5.2

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Op grond van art. 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet wat betreft de uitvoerbaarheid van een ruimtelijk plan ook worden ingegaan op economische aspecten. Het gaat hierbij om de aspecten kostenverhaal en planschade. Volgens art. 6.12, lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) moet de gemeenteraad in het kader van een bestemmingsplan of een projectafwijkingsbesluit een exploitatieplan vaststellen voor de in het plan of besluit begrepen gronden als het betrekking heeft op een in art. 6.2.1 Bro aangewezen bouwplan. In art. 6.12, lid 2 Wro is bepaald dat de raad kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen indien het verhaal van kosten over de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is. In dit geval is sprake van een in het Bro aangewezen bouwplan, want het bouwplan ziet op het bouwen van een ander hoofdgebouw dan een woning. In dit geval kan de gemeenteraad echter op grond van art. 6.12, lid 2 Wro besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen. Tot de in de vergunning begrepen kosten behoren in dit geval de door de gemeente te maken plankosten en eventuele door de gemeente uit te keren tegemoetkomingen voor mogelijk uit het projectafwijkingsbesluit voortvloeiende planschade.

Om te verzekeren dat de gemeente deze kosten op aanvrager kan verhalen en deze voor zijn rekening en risico komen, wordt er indien noodzakelijk tussen partijen een anterieure overeenkomst over de grondexploitatie of een aparte planschadeverhaalsovereenkomst gesloten. Als er voor eerstgenoemde overeenkomst geen noodzaak bestaat, zijn de plankosten in rekening te brengen als leges op grond van de gemeentelijke legesverordening. Met genoemde overeenkomsten en/of het heffen van leges zal de economische uitvoerbaarheid voor de gemeente gewaarborgd zijn. De uitvoering van het bouwplan komt

36

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

op basis hiervan volledig voor rekening en risico van aanvrager, aanvrager neemt alle daarmee verband houdende kosten voor zijn rekening. Conclusie Op basis van het bovenstaande is voor de gemeente de economische uitvoerbaarheid van onderhavig projectafwijkingsbesluit gewaarborgd.

37

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

Conclusie In deze ruimtelijke onderbouwing is uitgebreid ingegaan op de ruimtelijke, functionele en milieuhygiënische gevolgen van onderhavig ruimtelijk plan. Beschreven is hoe het plan voor het ter plaatse herbouwen van een van een locatie elders afkomstige loods zich verhoudt tot de bestaande situatie van plangebied en directe omgeving. Daarnaast is het plan getoetst aan het ruimtelijk relevant beleid en beoordeeld of onderzocht op relevante omgevingsaspecten. Gelet hierop is er voldaan aan het volgende: » »

de afwijkingen van het geldende bestemmingsplan zijn gemotiveerd als basis voor het bij omgevingsvergunning afwijken van dat plan; zowel de ruimtelijk-functionele als milieuhygiënische aanvaardbaarheid is aangetoond.

Gelet hierop kan geconcludeerd worden dat onderhavig ruimtelijk plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Het legt dan ook de vereiste planologisch-juridische basis om het ter plaatse herbouwen van een van een locatie elders afkomstige loods mogelijk te maken.

38

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

Bijlagen BIJLAGE 1: Landschappelijk inpassingsplan, Ir Guido W.F.M. Paumen, nummer: PNR 6645KN55-040521/290921, datum: 29 september 2021 BIJLAGE 2: Brief inzake uitkomst regionale afstemming uitbreiding Koningstraat 53-55 Winssen, gemeente Beuningen, kenmerk: UI22.01302, datum: 25 februari 2022 BIJLAGE 3: Situatietekening, Agrifirm NWE BV Exlan Advies, kenmerk: BV-00 gewij­ zigd A, datum: 20 juli 2020 BIJLAGE 4: Resultaat Digitale watertoets, datum: 21 maart 2022

39

Ruimtelijke onderbouwing, Koningstraat 53-55 te Winssen

Agrifirm Group BV Landgoedlaan 20,7325 AW Apeldoorn, Nederland Postbus 20000,7302 HA Apeldoorn, Nederland

T 0884881000 F 088 488 18 00

info@agrifirm.com www.agrifirm.com

agrifirm

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=e5f18ea0-a513-4ce2-89a0-d2ce4d99d457