Bijlage 01c toelichting - Archeologisch proefsleuvenonderzoek
Tekst van het document
ŴĄ.f
1
M'Ą&r ^ iJrí '
Transect-rapport 3745 Winssen, Jan Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
'ĩ'-t . 1 Ť. İ/a
Ŵ|íjf*;
Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase
WKZr'S**ZÏĨZ'.\T
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK
ADVIES
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES
' ; *-„' m -R . í.l'jb.
í-
'' -
v
',í'
ag; I
žļpBLg^ìjĚfā y mé..
, * ••••v
-'a.
7 -^ g-a; J': Sįŵ '"t•* ' .*!řũ ^
■
j Wh -
i- V
-
1 -?; ~r
-- ‘ľi^fr~-
1-: r îi^íŕŕl. -
-
W'
■*řiž?
y#í?
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK t ADVIES
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Colofon Titel
Rapportnummer
Winssen, Jan Libottéstraat 8, Gemeente Beuningen (GD). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Transect-rapport 3745
Auteurs Versie Datum
B.J. Rendering Definitief 13-12-2021
Projectnummer Onderzoeksmelding
21080029 5118669100
Opdrachtgever
Buro Waalburg Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen
Uitvoerder
Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
Bevoegde overheid Adviseur namens bevoegde overheid
Gemeente Beuningen Regioarcheoloog regio Nijmegen - Mevr. E.K. Mietes
Beheer en plaats documentatie Omslagafbeelding
Transect b.v., Nieuwegein Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek
Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven Senior KNA Archeoloog
Datum 13-12-2021
Paraaf ^ ‘ '~
ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
transect
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein
T: 030-7620705 E: informatie@transect.nl
Samenvatting In opdracht van Buro Waalburg heeft Transect b.v. in oktober 2021 een archeologisch inventariserend proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase uitgevoerd in een plangebied aan de Jan Libottéstraat 8 in Winssen (gemeente Beuningen). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1700 m2. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied een grasveld. De aanleiding voor het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van het uitbreiden van een gezondheidscentrum. De bestaande huisartsenpraktijk wordt hierbij behouden en uitgebreid aan de noordkant van het pand. De uitbreiding heeft een oppervlakte van circa 390 m2. In het westen van het plangebied worden twee wadi's aangelegd (bufferings- en infiltratievoorzieningen; circa 120 m2). Volgens het vigerende bestemmingsplan 'Kern Winssen' uit 2013 geldt voor het plangebied een Waarde - Archeologie 2. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 1.700 m2) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk was.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek van juli 2021 (Melman 2021) geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late-Middeleeuwen vanaf een diepte van 55 cm -Mv en een hoge verwachting voor de periode Neolithicum - Bronstijd vanaf een diepte van 175 cm Mv. Aan de hand van de resultaten van het bureau- en booronderzoek is geadviseerd in het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden in oktober 2021 en is uitgevoerd conform protocol 4003 'Inventariserend Veldonderzoek, Proefsleuven' van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Conclusie De hoge verwachting op archeologische resten voor de periode Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen wordt door de resultaten van het proefsleufonderzoek niet bevestigd. Enkel wat vondsten uit de (Late) Nieuwe Tijd zijn aangetroffen in de top van de crevasseafzettingen, wat zonder aanwezigheid van sporen geen context bevat. De enige mogelijk oudere scherf lijkt Romeins te zijn maar is sterk verweerd. De verwering in combinatie met de ligging in crevasseafzettingen lijkt te wijzen op verspoeling.
Ondanks dat er in de bodemopbouw drie mogelijk relevante niveaus zijn aangetroffen, in de vorm van vegetatieniveaus in crevasseafzettingen en in de komklei, zijn er op de vondsten in de top na geen archeologische resten aangetroffen. Door het gebrek aan sporen en context en de gedeeltelijke verstoring van de bovenste vegetatiehorizont, scoren de losse vlakvondsten een lage fysieke en inhoudelijke waardering. Ondanks de aanwezigheid van potentieel relevante lagen, is hier geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied. Advies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven). Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. De archeologische vondsten die bij het proefsleuvenonderzoek zijn aangetroffen zijn door de lage waardering als niet-behoudenswaardig bevonden. Aan de hand hiervan wordt geadviseerd het plangebied archeologisch vrij te geven.
Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Beuningen een selectieadvies uit te brengen over de daadwerkelijke omgang met archeologische resten in het plangebied. Selectiebesluit van 13 december 2021 (Beoordeling (concept) onderzoeksrapport door J.J.M. van der Zande/E.K. Mietes): De gemeente is akkoord met het advies en geeft het gebied met betrekking tot archeologie vrij voor de voorgenomen ontwikkelingen. Wij attenderen u er op dat indien bij niet-archeologisch grondwerk alsnog archeologische resten worden aangetroffen, deze conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet moeten worden gemeld. Praktisch gezien, kan dit het beste telefonisch of per e-mail bij de gemeente(-archeoloog).
Inhoud 1.
Aanleiding...............................................................................................................................7
2.
Resultaten vooronderzoek...................................................................................................10
3.
Gespecificeerde archeologische verwachting...................................................................... 12
4.
Aard, doel en onderzoeksvragen.......................................................................................... 13
5.
Onderzoeksmethodiek..........................................................................................................14
6.
Resultaten veldonderzoek....................................................................................................16
7.
Waardestelling......................................................................................................................18
8.
Conclusie en advies...............................................................................................................20
9.
Geraadpleegde bronnen.......................................................................................................21
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland ............................................................... 22
Bijlage 2.
Luchtfoto .............................................................................................................................. 23
Bijlage 3.
Gemeentelijke beleidskaart...................................................................................................24
Bijlage 4.
Allesporenkaart.................................................................................................................... 25
Bijlage 5.
Vlaktekeningen .................................................................................................................... 28
Bijlage 6.
Lagenlijst................................................................................................................................34
Bijlage 7.
Beantwoording van de onderzoeksvragen........................................................................... 35
1. Aanleiding Provincie
Gelderland
Gemeente
Beuningen
Plaats
Winssen
Toponiem
Jan Libottéstraat 8
Kaartblad
39H
Perceelnummer(s)
WSN02-B-2120/2700 en een deel van perceel WSN02-B-2699.
Centrumcoördinaat
176.917 Z 432.678
Oppervlakte plangebied
Circa 1700 m2
Oppervlakte onderzoeksgebied
Circa 1700 m2
Huidig grondgebruik
Bebouwd en grasveld
In opdracht van Buro Waalburg heeft Transect b.v.1 in oktober 2021 een archeologisch inventariserend proefsleuvenonderzoek (IVO-P), karterende en waarderende fase uitgevoerd in een plangebied aan de Jan Libottéstraat 8 in Winssen (gemeente Beuningen; figuur 1). Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 1700 m2. Ten tijde van het onderzoek was het plangebied een grasveld. De aanleiding voor het onderzoek is een bestemmingsplanwijziging ten behoeve van het uitbreiden van een gezondheidscentrum. De bestaande huisartsenpraktijk wordt hierbij behouden en uitgebreid aan de noordkant van het pand. De uitbreiding heeft een oppervlakte van circa 390 m2. In het westen van het plangebied worden twee wadi's aangelegd (bufferings- en infiltratievoorzieningen; circa 120 m2). De beoogde toekomstige situatie in het plangebied is weergegeven in figuur 2. Volgens het vigerende bestemmingsplan 'Kern Winssen' uit 2013 geldt voor het plangebied een Waarde - Archeologie 2. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 1.700 m2) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk was.
Op basis van de resultaten van het vooronderzoek van juli 2021 (Melman 2021) geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode Ijzertijd - Late-Middeleeuwen vanaf een diepte van 55 cm -Mv en een hoge verwachting voor de periode Neolithicum - Bronstijd vanaf een diepte van 175 cm Mv. Aan de hand van de resultaten van het bureau- en booronderzoek is geadviseerd in het plangebied een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven (IVO-P). Dit proefsleuvenonderzoek heeft plaatsgevonden in oktober 2021 en is uitgevoerd conform protocol 4003 'Inventariserend Veldonderzoek, Proefsleuven' van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm 'BRL SIKB 4000', versie 4.0, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: 'KNA Protocol 4001 Programma van Eisen', 'KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven' en 'Protocol 4004 Opgraven', en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
transect
7
177000
K
Fiir,
* V*
fff| O
Tl?!?,
ifflU ÄSŜfeí * : i*
o o o ro k?: ? :ŷ
o
o
?IîI?
?«Ĩ«T
ï«OiO ?: ?:?:?
177000
Legenda plangebied 300 m íWinssen
transect ARCHEIÏLŨÛI.SCH ÍNŪERZŨEK t ADVIES
Figuur 1. De ligging van het plan- en onderzoeksgebied op een topografische kaart (bron kaart: www.opentopo.nl).
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES
8
176900
!
VnLHí'õ
,-pi
iUrW r 1-1
a iú7«i
^
176900 Figuur 2. De beoogde toekomstige indeling in het plangebied (uit: Melman 2021; bron: Buro Waalbrug).
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES
9
2. Resultaten vooronderzoek2 Landschap en landschapsgenese Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Maas en de Rijn (Berendsen, 2005). Volgens de geomorfologische kaart van het rivierengebied van Cohen e.a. (2012) bevindt het plangebied zich op 130 meter ten zuiden van de Waal. Deze rivier kent zijn oorsprong vanaf circa 200 v.Chr. en heeft actief sedimenten afgezet totdat deze bedijkt werd in de 11de en 12de eeuw (Cohen e.a., 2012). Naar verwachting bevindt het plangebied zich op de oevers van deze rivier. Volgens de paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen zijn in het plangebied komafzettingen aanwezig, die zijn afgedekt door oever- en of crevasseafzettingen van de Waal. Op de geomorfologische kaart is het plangebied aangeduid als crevasserug (kaartcode 3B47). Ten noorden en zuiden van het plangebied is een overloop- of crevassegeul gekarteerd (kaartcode 22R44). Op basis van een geologische boring uit het Dinoloket, gezet op 30 m ten zuidoosten van het plangebied, is de verwachting dat in het plangebied sterk stiltige tot zwak zandige klei aanwezig is tot minimaal 4,5 m -Mv (3,1 m +NAP; bron: www.dinoloket.nl, boring B39H2092; 176.964, 432.620 (RD)). De klei is onderdeel van de Formatie van Echteld en betreft holocene rivierafzettingen.
Hieronder bevindt zich naar verwachting zand als onderdeel van de Formatie van Kreftenheye (bron: www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen). Bodemkundig zijn in het plangebied ooivaaggronden gekarteerd (kaartcode Rd10A). Dit zijn rivierkleigronden met een weinig donkergekleurde bovengrond. Daarnaast zijn ze tot op grote diepte homogeen bruin of grijsbruin en komen er geen slappe lagen voor hoog in de grond en evenmin grijze en roestvlekken. Het homogene karakter van de bovengrond wordt veroorzaakt door hoge biologische activiteit die voor een aanzienlijke periode heeft plaatsgevonden. Dit kan enkel het geval zijn indien het gaat om relatief oude sedimenten, waar geen wateroverlast heeft opgetreden en waar het niet Archeologische waarden Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het terrein een hoge archeologische verwachting toegekend vanwege de ligging op een crevasserug (Heunks en Van Hemmen, 2007). De hoge archeologische verwachting in het plangebied is verder deels ook gebaseerd op de ligging ervan vlak naast een vondstmelding (Heunks en Van Hemmen, 2007). Het gaat hierbij om de vondst van een boomstamwaterput uit de Middeleeuwen, direct ten zuiden van het plangebied in het midden van de Jan Libottéstraat (vondstmelding 3101281100).
Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Ook staat het niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Kort samengevat zijn in de omgeving verschillende onderzoeken uitgevoerd, waarbij voornamelijk woongronden zijn gevonden met resten uit de Romeinse Tijd en de Middeleeuwen, alsook enkele vondsten uit de bronstijd. Historische achtergronden Het plangebied ligt in de dorpskern van Winssen die in de 13e eeuw werd gesticht (Van Berkel en Samplonius, 2006). De dorpskern ligt vrij dicht tegen de Waaldijk aan. Dit is het gevolg van een dijkdoorbraak in de Late Middeleeuwen waarbij het noordelijke deel van het oorspronkelijke dorp verwoest is geweest en de dijk later langs de dorpskern is aangelegd (Schulte, 1982). Hierdoor is de dorpsstructuur in de Late Middeleeuwen verlegd naar het zuiden. Verder is op de cultuurhistorische kaart van de gemeente Beuningen te zien dat ten zuiden van het plangebied een smalle restgeul van een crevasse aanwezig. De oude wegstructuren volgen deze geul. 2 De informatie in dit hoofdstuk is (deels) afkomstig uit het Programma van Eisen (Pels-Ouweneel, 2021) en de rapportage van het vooronderzoek (Melman, 2021).
transect
10
Langs de geul is een weg aanwezig, waar na het dichtslibben van de geul bewoning is ontstaan, in ieder geval in de Nieuwe Tijd, te zien aan de Kadastrale Minuutplan uit 1811- 1832. Het plangebied zelf is echter niet bebouwd en volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) in gebruik als bouwland (bron: http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Deze situatie blijft hetzelfde totdat vanaf 1980 bebouwing in het plangebied wordt weergegeven. Het betreffen drie gebouwen. De twee noordelijke hiervan zijn ten tijde van het vooronderzoek gesloopt. Huidig gebruik en bodemverstoringen Ten tijde van onderhavig onderzoek is het plangebied bebouwd met een huisartsenpraktijk (circa 200 m2). De huisartsenpraktijk is gerealiseerd in 1955 volgens gegevens van het Kadaster (bron: bagviewer.kadaster.nl). Er zijn geen bouwtekeningen voorhanden waaraan kan worden vastgesteld in hoeverre er sprake is van een verstoring onder deze bebouwing. Ook ontbreken bouwtekeningen van de reeds gesloopte bebouwing in het noorden van het plangebied. De verwachting is dat in de bovengrond verstoringen te verwachten kunnen zijn door bouw- en sloopwerkzaamheden. Er zijn verstoringen te verwachten door een dijkdoorbraak die in de Late Middeleeuwen heeft plaatsgevonden. Door de kracht van de dijkdoorbraak heeft mogelijk erosie van de oorspronkelijke top van de oevers van de Waal plaatsgevonden (Schulte, 1982).
De overslagafzettingen kunnen echter ook gezorgd hebben voor een afdekking van deze oeverafzettingen en daarom juist een beschermende werking hebben gehad. Verkennend booronderzoek In het plangebied zijn pleistocene beddingafzettingen aangetroffen. Deze zijn overdekt geraakt met een pakket komklei. Vanaf de IJzertijd zijn deze komafzettingen afgedekt door crevasseafzettingen uit de Waal. In de Late Middeleeuwen heeft een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor er overslagafzettingen zijn afgezet in het plangebied. In de top van de komafzettingen is een vegetatieniveau aanwezig. Dit niveau bevindt zich op een diepte van 175 tot 180 cm -Mv (6,5 - 6,6 m +NAP). In de top van de crevasseafzettingen is ook een vegetatieniveau aanwezig dat zich op een diepte van 55 tot 60 cm -Mv (7,7 - 7,8 m +NAP) bevindt. Scherp op het vegetatieniveau in de top van de crevasseafzettingen is een modern verstoringspakket aanwezig. Dit verstoringspakket reikt tot in de overslagafzettingen, maar heeft het archeologisch relevante niveau zelf niet of nauwelijks aangetast.
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES
11
3. Gespecificeerde archeologische verwachting3 Kans op archeologische waarden Middelhoog Laat-Paleolithicum - Bronstijd Hoog IJzertijd t/m Late Middeleeuwen Stratigrafische positie In de top van de afzettingen van Kreftenheije, op bewoonbare komafzettingen, binnen oeverafzettingen van de Waal en op overslagafzettingen (indien aanwezig) Complextypen Nederzettingen, sporen van landgebruik, grafvelden
Periode Op basis van het bureauonderzoek geldt in het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum - Bronstijd. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische vondsten uit deze periode gedaan. Deze bevinden zich op relatief hooggelegen terrassen in de top van de pleistocene afzettingen van Wijchen of op vegetatieniveaus in de holocene komafzettingen. Uit de periode Laat-Paleolithicum en Mesolithicum kunnen archeologische waarden aanwezig zijn op de top van de pleistocene afzettingen. Voor de periode IJzertijd t/m Late Middeleeuwen geldt een hoge verwachting. Dit hangt samen met de ligging van het plangebied op de oevers van de Waal. De oevers van de Waal zijn mogelijk vanaf de vorming ervan in de IJzertijd een gunstige locatie voor bewoning geweest. De oevers hebben zich kunnen vormen totdat het gebied bedijkt werd in de Late Middeleeuwen. In de Late Middeleeuwen heeft bij Winssen een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor een deel van het gebied overspoeld is geraakt. Ook in de omgeving van het plangebied is een overslagdek aangetroffen. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen zodoende ook op de overslagafzettingen worden aangetroffen. De hoge verwachting op IJzertijd - Late Middeleeuwen is wel afhankelijk van welke gevolgen de dijkdoorbraak uit de Late Middeleeuwen op de oeverafzettingen heeft gehad.
Een dijkdoorbraak kan namelijk zorgen voor erosie, en daarmee een verstoring van het archeologisch relevante niveau. De dijkdoorbraak kan ook voor een afdekking van de oevers hebben gezorgd, die het archeologisch relevante niveau juist heeft behoed voor moderne verstoringen. Ook bevindt het plangebied zich langs een overloopgeul. De geulen zelf zijn vermoedelijk te nat geweest voor bewoning, maar erlangs kan wel goed bewoning hebben plaatsgevonden, zoals in de omgeving van het plangebied reeds is aangetoond. Voor de periode Nieuwe tijd kan een lage archeologische verwachting worden aangehouden, aangezien er op historisch kaartmateriaal geen bebouwing is ingetekend ter plaatse van het plangebied. Ook ontbreken aanwijzingen voor de aanwezigheid van een woonheuvel op het AHN.
3 De informatie in dit hoofdstuk is (deels) afkomstig uit het Programma van Eisen (Pels-Ouweneel, 2021) en de rapportage van het vooronderzoek (Melman, 2021).
transect
12
4. Aard, doel en onderzoeksvragen Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Op basis van de onderzoekresultaten kan de bevoegde overheid van de gemeente Beuningen een uitspraak doen over de omgang met eventueel aanwezige archeologische resten in het plangebied (behoud in situ, opgraven, vrijgave). In het Programma van Eisen (PvE, Pels-Ouweneel, 2021) is hiertoe een hoofdvraagstelling opgenomen met enkele onderzoekvragen. De hoofdvraagstelling uit het Programma van Eisen luidt: Zijn in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, zijn deze behoudenswaardig en onder welke randvoorwaarden is behoud mogelijk. Deze vraag wordt aan de hand van de volgende onderzoekvragen beantwoord in bijlage 7 van het huidig rapport: 1.
Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? 2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? 4. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? 7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). 10.
Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? 11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)?
transect
13
5. Onderzoeksmethodiek Conform het PvE zijn tweeproefsleuven aangelegd van 20 bij 4 m; in totaal 160 m2 (circa ÏO'X. van het plangebied). De locatie van de werkputten is weergegeven op de allesporenkaart en vlaktekeningen in bijlagen 4-5. Een sfeerfoto van het veldwerk is opgenomen in de omslagfoto. De werkputten zijn laagsgewijs verdiept waarbij tijdens het aanleggen het vlak zowel visueel als met de metaaldetector is geïnspecteerd op vondsten. Na het aanleggen van het vlak is deze waar nodig nog met de hand opgeschaafd en ingekrast, waarna deze gefotografeerd en ingemeten is. In tegenstelling tot de verwachting zijn per werkput drie vlakken aangelegd. Tijdens het aanleggen van de eerste strek bleek tussen de beide relevante bodemniveaus uit het booronderzoek nog een vegetatiehorizont aanwezig te zijn, waarmee het totaal aan relevante niveaus uit drie bestaat. In beide putten is aan het begin en het eind een profielkolom gezet en gedocumenteerd. Bij het veldonderzoek zijn geen grondmonsters genomen. Vlak 1 is in werkput 1 op circa 7,50 m +NAP aangelegd onder de de eerste vegetatiehorizont in de top van de crevasseafzettingen. In werkput 2 is vlak 1 op dieper niveau aangelegd (tot circa 7,14 m +NAP), doordat de moderne bouwvoor in het westen van het plangebied dieper lijkt te reiken dan in het oosten.
Het tweede vlak is aangelegd op circa 6,90 m +NAP onder de tweede vegetatiehorizont in de crevasseafzettingen. Het derde vlak is aangelegd op circa 6,10 m +NAP onder de vegetatiehorizont in de komklei. Voor de profielen is machinaal verdiept waarbij in profiel 102 beddingzand aangetroffen is. Vlakfoto's van de drie vlakken zijn voor werkput 1 te zien in figuur 3. ŭ'; 'Wťt y.f: X
-:. 1 - :-
ÍŬH... Ííîí-.IV*
.
į . ,VV
'
Şţŗ 'įPţ-
MįŝįL
i mmM
ÄlfįĮ
i
transect
14
19; WMİ&
:ÜÍ íŵfea
■ąķ. į&^.y/'ĉ
ųę^iļ
mm
ïiîí
1ËK İ I Ml :ïWíP
S®A t &S
■jy''- ,į- îi
ftjļfeŕ
'ŵŗ^p «ľx ** .a
itŗ-y-
tóŕlS
*ř' h
mmŖ-ās-ţf.
wļĘķ
mm
‘:*žwâ
mm
Ķïįm -įůìmm
■f
mmt
mmå
í.
'ŠfïŞe*]
t&m
_____________________________
y-
i
■ĩ-f-
r iŗş;
IÜİŠ
----- r2* ’ .įţ T.;
x:-
■V. -ŵ "-Ŝr , ļS.İ aSm
fM "^įįíį.ĩ'jí' *
;^ľv-ylř'ļy.
« J
'įSg&SsĒ
įŴ " s 'èjV- X\: V ŭìt .-' «ÄťS-y
ìIkä:
.
'
'■Vį'-î
(įřîĩāfï 6, ~
Vĩv»^
’
Ifcf ...čUĵ.K
ąiírW&LĆ
Figuur 3. Achtereenvolgend vlakfoto's van vlakken 1, 2 en 3 van werkput 1., naar het noorden genomen.
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES
15
6. Resultaten veldonderzoek Bodemopbouw De bodemopbouw in het plangebied is bestudeerd aan de hand van de vier profielkolommen (figuur 4/5). In bijlage 6 zijn de laagbeschrijvingen te vinden. De ondergrond bestaat aan de basis uit licht oranje-grijs beddingzand (S5000; zeer fijn, goed gesorteerd, sterk siltig zand), wat is aangetroffen in het verdiepte profiel 102. De top van dit beddingzand bevindt zich op circa 5,8 m +NAP. Op het beddingzand is komklei gelegen, bestaande uit licht grijs-blauwe, zwak siltige, matig stevige klei (S4500) met een vegetatiehorizont met enkele houtskoolfragmenten aan de top (S4000). Deze vegetatiehorizont in de komklei wordt op dieper niveau wat humeuzer. De top van dit niveau ligt op circa 6,5 m +NAP. Op de komklei ligt een pakket van crevasseafzettingen. Dit pakket bestaat uit lichtbruin, matig zandige klei (S2500/S3500) waarin twee vegetatiehorizonten aanwezig zijn. Het lager gelegen vegetatiehorizont (S3000) bestaat uit bruin, sterk zandige, humushoudende klei met houtskoolfragmenten, gelegen op circa 7,1 m +NAP. Het hoger gelegen vegetatiehorizont (S2000) is minder sterk ontwikkeld en bestaat uit donker bruine, matig zandige klei met houtskoolfragmenten. Deze horizont is in de top verstoord door de moderne bouwvoor, waarbij de verstoring voornamelijk in het westen van het plangebied (werkput 2) dieper reikt.
De top van de crevasse afzettingen ligt in werkput 1 op circa 7,7 m +NAP ten opzichte van 7,5 m +NAP in werkput 2. De bouwvoor bestaat uit donker bruine, sterk zandige, humusrijke klei. Ondanks meerdere potentiele niveaus, zijn er geen sporen aangetroffen in de twee werkputten.
'
-S.yį»-..-' -;
‘šĩmÅ tļįĘPh* Siêjìįy,
mm»
•T- 'V' fv íi-ipäţ.'- ĵ'ĵ
r
v‘'jridČ t
Figuur 4. Profiel 202 in werkput 2 (westelijke put) en profiel 101 in werkput 1 (oostelijke put).
transect
16
I y**;'
:------
. ' -
WW
aŬŴĥb
«gg|i| i 'įęSÊįįS Ļ-įġį?Q.
-Šŕbpr,
yïŵ4ì:'
siooo
siooo S2000
S2000
S2500
S2500
S3000
S3000
Àļ .
j&Msĩ
y- *yyyŕ.3
,. ŜMr. ,A- VV álåsp S3500
\ A' tř;ì|
ġ
S3500
i-!fvÿìš^s -sí* ’/Vlíí-Ji' -w5 lĩÿţiař
■ļ'ŭ’: \*
;*sa
S4000
, y- *
ĩīŢīM» S4500 'Vvįŵŵ
'İ1Ì88M1ÓÖ
S4000
S4500
SUÍaįíi»
I »ÉÉË
*ŵy v;
İMEİ
Figuur 5. Profielen met laagbeschrijving: profiel 202 in werkput 2 (westelijke put) en profiel 101 in werkput 1 (oostelijke put).
Vondstmateriaal In totaal zijn 12 vondsten aangetroffen. Hierbij zijn twee kiezels verzameld uit vegetatiehorizont S3000 in de crevasseafzettingen, welke uiteindelijk als natuurlijke kiezels bevonden zijn. De overige vondsten zijn aangetroffen in de bovenste vegetatiehorizont S2000. Het gaat hierbij om twee fragmenten dierenbot (waarvan één vingerkootje van mogelijk een rund), drie fragmenten Late Nieuwe Tijds porselein, een fragment steengoed, een pijpenkopje en een fragment baksteen/bouwpuin. Deze vondsten liggen allemaal aan de top van de crevasseafzettingen. De enige oudere scherf is een mogelijk Romeinse, beige scherf gedraaid aardewerk. Deze scherf is sterk verweerd en is lijkt daarmee verspoeld met de crevasseafzettingen. In tabel 1 zijn de aantallen vondsten weergegeven. De vondsten zijn gewassen, gesplitst, gewogen en gedetermineerd. De vondstenlijst is te vinden in bijlage 6. Tabel 1. Aantal vondsten per materiaalcategorie.
Materiaalcategorie
Aantal (N)
Gewicht (gr.)
Keramiek (KER)
6
66,9
Kleipijp (KKP)
1
6,3
Keramiek - Bouwmateriaal (KBW)
1
9,5
Dierlijk bot (ODB)
2
46,2
Steen (SXX)
2
48,3
Totaal
12
177,5
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES
17
7. Waardestelling Archeologische vindplaatsen worden gewaardeerd conform de BRL4000 | KNA-protocol 4003, specificatie VS06 Waarderen en bijlage IV van de KNA 4.1. Vindplaatsen worden gewaardeerd op drie waarden (beleving, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit) en daarbinnen op waarderingscriteria (tabel 2). Op ieder van de in totaal acht waarderingscriteria kan minimaal 1 en maximaal 3 worden gescoord. De waardestelling vindt op het niveau van de betreffende archeoregio plaats. Bij de waardering wordt eerst nagegaan of vindplaatsen vanwege hun belevingswaarde, op basis van hun schoonheid of herinneringswaarde, als behoudenswaardig aangemerkt kunnen worden (figuur 6). De vindplaatsen worden vervolgens op hun fysieke kwaliteit beoordeeld. Een vindplaats is in principe behoudenswaardig, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld scoren (vijf of zes punten). Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria 'hoog' wordt gescoord, wordt de vindplaats ook in principe behoudenswaardig geacht. Dit 'vangnet' heeft tot doel er voor te zorgen dat terreinen die van beperkte fysieke kwaliteit zijn, maar desondanks inhoudelijk van groot belang, uit de beoordeling vallen.
Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit als in principe behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. ^ Eerst vindt een afweging plaats op de eerste drie inhoudelijke kwaliteitscriteria; zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt het monument als behoudenswaardig aangemerkt. ^ Na deze weging wordt bij vindplaatsen met een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven punten) nagegaan of het criterium representativiteit van toepassing is. Zo ja, dan wordt een voorstel gedaan voor een als behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie. ^ De overige vindplaatsen zijn niet behoudenswaardig.
1.
Beleving 2. Fysieke kwaliteit
bovengemiddelde
bovengemiddelde
Voorstel tot selectie
Inhoudelijke kwaliteit lage score
Representativiteit
Niet behoudens waardig
Figuur 6. De waarderingssystematiek op basis van de BRL4000/KNA 4.1.
transect
18
Waardestelling In het plangebied is sprake van enkele vondsten in de vegetatiehorizont in de top van de crevasseafzettingen zonder verdere grondsporen. In tabel 1 zijn de scores van de waardestelling terug te vinden. Bij hoge scores (vijf of zes punten voor de fysieke kwaliteit en/of zeven punten of meer voor de inhoudelijke kwaliteit) wordt een vindplaats als behoudenswaardig beschouwd. Beleving De vindplaats is niet bovengronds zichtbaar en kan daardoor niet beoordeeld worden voor wat betreft de belevingswaarde. Fysieke kwaliteit De vindplaats scoort voor wat betreft de fysieke kwaliteit laag met twee punten. De vegetatiehorizont in de top van de crevasseafzettingen is deels verstoord en bevat slechts enkele (deels verspoelde) fragmenten aardewerk/vondsten. Het ontbreekt aan overige sporen die niet aanwezig zijn geweest. De gaafheid van het archeologisch niveau is daardoor slecht. Inhoudelijke kwaliteit De inhoudelijke kwaliteit van de vondsten is met drie punten matig. De enige archeologische resten die zijn aangetroffen zijn enkele vondsten zonder spoorcontext, welke deels verspoeld zijn. Hierdoor scoren deze vlakvondsten laag op zeldzaamheid, informatiewaarde en ensemblewaarde. Aan de hand van bovenstaande waardering is geen behoudenswaardige vindplaats aangetroffen in het plangebied. Tabel 1. Waardestelling. Waarden Criteria Beleving Fysieke kwaliteit
Inhoudelijke
Score - hoog
Score - middelhoog
Schoonheid
Wordt niet gescoord
Herinneringswaarde
Wordt niet gescoord
Score - laag
Gaafheid
1
Conservering
1
Zeldzaamheid
1
Informatiewaarde
1
Ensemblewaarde Representativiteit
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK k ADVIES
1 nee
19
8. Conclusie en advies Conclusie De hoge verwachting op archeologische resten voor de periode Laat Paleolithicum tot en met de Late Middeleeuwen wordt door de resultaten van het proefsleufonderzoek niet bevestigd. Enkel wat vondsten uit de (Late) Nieuwe Tijd zijn aangetroffen in de top van de crevasseafzettingen, wat zonder aanwezigheid van sporen geen context bevat. De enige mogelijk oudere scherf lijkt Romeins te zijn maar is sterk verweerd. De verwering in combinatie met de ligging in crevasseafzettingen lijkt te wijzen op verspoeling. Ondanks dat er in de bodemopbouw drie mogelijk relevante niveaus zijn aangetroffen, in de vorm van vegetatieniveaus in crevasseafzettingen en in de komklei, zijn er op de vondsten in de top na geen archeologische resten aangetroffen. Door het gebrek aan sporen en context en de gedeeltelijke verstoring van de bovenste vegetatiehorizont, scoren de losse vlakvondsten een lage fysieke en inhoudelijke waardering. Ondanks de aanwezigheid van potentieel relevante lagen, is hier geen sprake van een behoudenswaardige vindplaats binnen het plangebied. Advies Het selectieadvies omvat de volgende mogelijkheden: (1) het vrijgeven van het plangebied; (2) het behoud in situ van vindplaatsen (fysiek beschermen); of (3) het behoud ex situ van vindplaatsen (definitief opgraven).
Het selectieadvies wordt voorgelegd aan de bevoegde overheid, die uiteindelijk een selectiebesluit moet nemen. De archeologische vondsten die bij het proefsleuvenonderzoek zijn aangetroffen zijn door de lage waardering als niet-behoudenswaardig bevonden. Aan de hand hiervan wordt geadviseerd het plangebied archeologisch vrij te geven. Selectiebesluit van 13 december 2021 (Beoordeling (concept) onderzoeksrapport door J.J.M. van der Zande/E.K. Mietes): De gemeente is akkoord met het advies en geeft het gebied met betrekking tot archeologie vrij voor de voorgenomen ontwikkelingen. Bovenstaande vormt een advies. Op basis van het advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Beuningen een selectieadvies uit te brengen over de daadwerkelijke omgang met archeologische resten in het plangebied.
transect
20
9. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden ^ Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. Archeologisch Informatie Systeem (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2015. www.ahn.nl www.pdok.n www.ruimtelijkeplannen.nl www.opentopo.nl www.topotijdreis.nl www.bagviewer.kadaster.nl www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.zoeken.cultureelerfgoed.nl www.arcgis.com www.kadaster.nl www.dinoloket.nl Literatuur SIKB, 2018. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1). Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Van Gorcum, Assen. Berkel, G. van, en K. Samplonius, 2006. Nederlandse plaatsnamen en herkomst en historie. Utrecht: Het Spectrum. Cohen, K.M./E. Stouthamer/H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset. Heunks, E., en F. van Hemmen, 2007. Gemeente Beuningen; een archeologische en cultuurhistorische inventarisatie. RAAP-rapport 1603. Melman, J.G.E. 2021, Winssen, Jan Libottéstraat 8, Gemeente Beuningen (GD), Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend, Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect-rapport 3510, Nieuwegein. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhof, en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland.
Houten. Schulte, A.G., 1982. Het Rijk van Nijmegen. Westelijk gedeelte. Staatsuitgeverij, Den Haag, Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Stouthamer, E., K.M. Cohen, en W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het Land. Utrecht: Perspectief Uitgevers.
transect
21
Bijlage 1.
Archeologische periode-indeling voor Nederland DeelVsubperiode
Periode Recent
Van
Tot
1945 na Chr.
2050 na Chr.
Nieuwe Tijd
Late-Nieuwe Tijd Midden-Nieuwe Tijd Vroege-Nieuwe Tijd
1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.
1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.
Middeleeuwen
Late-Middeleeuwen B 1250 na Chr. Late-Middeleeuwen A 1050 na Chr. Vroege-Middeleeuwen D 900 na Chr. Vroege-Middeleeuwen C 725 na Chr. Vroege-Middeleeuwen B 525 na Chr. Vroege-Middeleeuwen A 450 na Chr.
1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.
Romeinse Tijd
Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A
350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.
450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.
IJzertijd
Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd
250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.
12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.
Bronstijd
Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd
1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.
800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.
Neolithicum
Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A
2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.
2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.
Mesolithicum
Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum
6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.
4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.
Paleolithicum
Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum
18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -
8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES
22
Bijlage 2.
Luchtfoto 176900
176925
176950
Luchtfoto
IVO-P Winssen, Jan Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
176900
176925
176950
transect: archeologie, erfgoed, ruimte
transect
23
Bijlage 3.
Gemeentelijke beleidskaart
176000
176500
177000
177500
Archeologiebeleid
Winssen. Jon Libottestroot 8 Gemeente Beunmgen
Legenda
O. CÄ
plangebied
'4*-
Archeologische monumentenzorg in de gemeente Beuningen Archeologische beleldsadvieskaart RAAP-^pport 2170. kaartbijlage 3, schaal 1:10.000 legenda Beleidszone ■■I
Vrijstellingsgrens diepte 30 cm
Vrijstellingsgrens oppervlakte Om1 i:om» 120 m1
te--
g*ir eente cpens Beunhgen
aai J
't ťr 17: n1: f)
l Tľíì.-n
176500
100
200
300
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK h ADVIES
400
500 m
L775O0
transect
24
Bijlage 4.
Allesporenkaart 1 6800
176925
Allesporenkaart vlak 1
IVO-P Winssen, Jan Libottestraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
Legenda Plangebied Recent Werkput vlak 1
176900
176925
transect: archeologie, erfgoed, ruimte
transect
25
176900
176925
Allesporenkaart vlak 2
IVO-P Winssen, Jan Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
Legenda Plangebied Werkput vlak 2
176900
transect: ai
transect
’rfgoed, ruimte
26
176900
176925
Allesporenkaart vlak 3
IVO-P Winssen, Jan Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
Legenda I
I Plangebied 1 Werkput vlak 3
WP1
1 '6900
transect: archeologie, erfgoed, ruimte
transect
27
Bijlage 5.
Vlaktekeningen
176910
176920
176930
Vlaktekening wpl, vil
IVO-P Winssen, Jon Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
Legenda
J-837
Plangebied Maaiveldhoogte
ŕ8.33
^8.40
Vlakhoogte
.4 7.46
+7.40.
+7A7
th7.55
/7.62
vlak 1 vlak 2 vlak 3 Profiel pin Recent Werkput įļ-8.28
įj-8.34
J-830
^8.34
176910
^8.32
j-8.30
176920
176930
ruimte
transect
28
176910
176920
176930
Vlaktekening wpl, vlZ
tVO-P Winssen, Jon Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
Legenda I
a
I Plangebied Maaiveldhoogte
Vlakhoogte vlak 1 vlak 2 a vlak 3 * Profiel pin 1 llllll 1 Recent I I Werkput a
ŭ
a+6-79
176910
176920
176930
transect: a\
transect
ruimte
29
176910
176920
176930
Vlaktekening wpl, vl3
tVO-P Winssen, Jon Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
Legenda I
a
I Plangebied Maaiveldhoogte
Vlakhoogte vlak 1 vlak 2 a vlak 3 * Profiel pin 1 llllll 1 Recent I I Werkput a
ŭ
-t-5.87
176910
176920
176930
transect: a\
transect
ruimte
30
176S90
176900
176910
Vlaktekening wp2, vl
ŕ 8.30
^8.30
.+7.14
IVO-P Winssen, Jan Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD) .+7.14
ŕ 839
ġf8.32
^8.37
Legenda I
^8.40
b
1 Plangebied Maaiveldhoogte
Vlakhoogte
.+7.31 +7.40
^8.30
+7.4Ö
vlak 1 vlak 2 a vlak 3 * Profiel pin I1I1IIIII1ĴI Recent I I Werkput a
a
ŕ8.34
j-8.39 j-8.30
^8.31
176890
“-7:44-
176900
■Í8.34
176910
transect: a\
transect
ruimte
31
176S90
176900
176910
Vlaktekening wp2, vlZ
ŕ 8.30
^8.30
.+S.84 IVO-P Winssen, Jan Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD) ŕ 839
ġf8.32 J-837
^8.40
Legenda I b
1 Plangebied Maaiveldhoogte
Vlakhoogte .4-6.92
vlak 1 vlak 2 a vlak 3 * Profiel pin I1I1IIIII1ĴI Recent I I Werkput a
^8.30
a
ŕ8.34
.+6.90
j-8.39 j-8.30
^8.31
176890
4-6:88
176900
^■8.34
176910
transect: a\
transect
ruimte
32
176S90
176900
176910
Vlaktekening wp2, vl3
ŕ 8.30
^8.30
IVO-P Winssen, Jan Libottéstraat 8 Gemeente Beuningen (GD)
+6.08
.+6.04
ŕ 839
ġf8.32 J-837
Legenda I
^8.40
b
1 Plangebied Maaiveldhoogte
Vlakhoogte
.+6.13 +5.S7
^8.30
vlak 1 vlak 2 a vlak 3 * Profiel pin I1I1IIIII1ĴI Recent I I Werkput a
a
+5.7S
.+6.13 ŕ8.34
j-8.39 j-8.30
7^5,98-
'+6709
^8.31
176890
176900
^■8.34
176910
transect: a\
transect
ruimte
33
Bijlage 6.
Lagen- en vondstenlijst
Put 01 01 01
Spoor 1000 2000 2500
Spooraard Spoordiepte Vulling BV 1 LG 1 LG 1
Kleur DBR DBR LBR
Kleurstruc heterogeen homogeen homogeen
Textuur O^stof Opmerking kz3 H2 matig stevig, fe2, pr1, kalkrijk kz2 H2 matig stevig, fe2, hk2, kalkrijk kz2 matig stevig, fm2, siltig, kalkrijk
01
3000
LG
1
BR
homogeen
kz3
01 01 01 01
3500 4000 4500 5000
LG LG LG LG
1 1 1 1
LBR LGRBL LGRBL LORGR
homogeen homogeen homogeen homogeen
kz2 ks1 ks1 zs3
H1
matig stevig, siltig, hk2, fm2, kalkarm kalkrijk, siltig, fm2, hk1, stevig matig stevig, fm2. hk1, kalkloos kalkloos, matig stevig, fm9 zeer fijn goed gesorteerd, kalkrijk
Insluitsels FE, MR FE, HK2 FE, MG FE, HK2, MG FE, HK1, MG FE, MG FE, MG FE
Vondstnummer Veldvondst Put Vlak Spoor Spooraard Vulling Vak Categorie Aantal Gewicht Opmerking 0001KBW 0001 01 001 2000 LG 1 KBW 1 9.4 fragmentje baksteen drie stuks porselein (Late Nieuwe Tijd) + een 0001KER 0001 01 001 2000 LG 1 KER 5 50.6 steengoed fragment 0001KKP 0001 01 001 2000 LG 1 KKP 1 6.3 Pijpenkopfragment (geen stempel) 0002SXX 0002 01 001 3000 LG 1 SXX 2 48.3 kiezels, natuurlijk beige, gedraaid aardewerk, mogelijk Romeins, 0003KER 0003 01 001 2000 LG 1 KER 1 16.3 sterk verweerd vingerkootje (mogelijk rund) en ondetineerbaar 0004ODB 0004 02 001 2000 1 1-4 ODB 2 46.6 fragment dierlijk bot.
transect
34
Bijlage 7.
1. 2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
Beantwoording van de onderzoeksvragen
Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? In het plangebied zijn enkel vondsten aangetroffen, zonder dat hier sporen bij zijn gevonden. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? Aan de basis ligt beddingzand, waarop opeenvolgend komklei, crevasseafzettingen en een bouwvoor gelegen zijn. In de top van de komklei is een vegetatieniveau aangetroffen, alsook halverwege en in de top van de crevasseafzettingen. Enkel de bovenste vegetatiehorizont in de top van de crevasseafzettingen lijkt deels te zijn verstoord door de bouwvoor. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? De archeologische resten bestaan uit enkele losse vondsten verspreid in de top van de crevasseafzettingen. Buiten dat het mogelijk deels verspoelde vondsten zijn, is er geen samenhang aanwezig. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? Het gaat hier om enkele fragmenten van Nieuwe Tijds materiaal, waaronder relatief jong porselein, een pijpenkopje en een fragment steengoed.
De enige oudere scherf lijkt te dateren uit de Romeinse tijd, waarbij het gaat om een sterk verweerde gedraaid fragment aardewerk. Deze laatste lijkt door de verwering en zijn ligging in crevasseafzettingen verspoeld te zijn en dus in secundaire context te liggen. Van continuïteit in gebruik of bewoning is dus geen sprake aangezien er slechts binnen een laag enkele deels verspoelde vondsten zijn gedaan. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? In totaal zijn vijf scherven aangetroffen, één fragment van een pijpenkopje, één fragment baksteen en twee fragmenten dierlijk bot. Met deze geringe aantallen valt geen uitspraak te doen over het gebruik van het plangebied buiten dat hier op basis van de aangetroffen resten weinig activiteit geweest is. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? Het bovenste deel van de bodemopbouw bestaat uit verspoelingsmateriaal in de vorm van crevasseafzettingen. Gerelateerd aan de vondsten verklaard dit de verwering van het materiaal.
Doordat de vegetatieniveaus intact zijn, lijkt er echter niet op dat de crevasseafzettingen voor erosie hebben gezorgd op dieper niveau. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? De resultaten komen grotendeels overeen met het vooronderzoek, waarbij echter wel een tweede vegetatieniveau is onderscheden tijdens het proefsleuvenonderzoek die niet is opgemerkt tijdens het booronderzoek. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? De geringe resultaten geeft weinig mogelijk tot vergelijking met de omgeving. Ondanks dat hier potentiele lagen zijn aangetroffen waar in de omgeving archeologie op is aangetroffen, is binnen het plangebied geen sprake van een vindplaats. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? De archeologische resten binnen het plangebied scoren laag voor zowel de fysieke als inhoudelijke kwaliteit. Fysiek is de gaafheid matig doordat de enige laag waar resten in zijn aangetroffen, deels verstoord is door de bovenliggende bouwvoor. Daarnaast is het materiaal wat in deze laag is aangetroffen deels verweerd en mogelijk uit secundaire context. Inhoudelijk dragen de losse vondsten zonder enig sporencontext niet bij aan informatiewinning.
De vondsten zijn ook zeker niet zeldzaam te noemen. De enkele losse vondsten vormen al met al geen behoudenswaardige vindplaats
transect
10.
11.
12.
Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? Het advies is het plangebied archeologisch vrij te geven. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? Niet van toepassing. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)? Het landschap, zoals uit de profielen blijkt, is zoals verwacht werd vanuit het vooronderzoek en gelijkend op wat uit nabijgelegen onderzoeken is gekomen. Ook is, buiten de bovenste vegetatiehorizont, het dieper liggende landschap niet verstoord. Ondanks dat binnen het plangebied potentiële lagen aanwezig zijn, lijkt het hier gewoon weg niet te zitten. De opgraving geeft te weinig resultaat om een reden voor de afwezigheid van een vindplaats met zekerheid te kunnen vaststellen.
transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES
36