Bijlage 01b toelichting - Archeologisch onderzoek
Tekst van het document
Transect-rapport 3510 Winssen, Jan Libottéstraat 8 x.
Gemeente Beuningen (GD) Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase
ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK
ADVIES
transect; archeologie, erfgoed, ruimte
?.ľř •Wf *
' '
.
«B5
rpf'^-
ípşspjŗļ fc’Vigr
v - .Tí-.-Kfr'-vv.'.
ţfmkįji-
a*. 3
f0::: ŗ.
-
.,
"
,- : ;
v
^ ’: įfţį&sĘ&įįlåį
-i-stf
'ìí.c; -' -Lr:
Ëmmâ ' í&ŕšź.
rä&Ä; Sįÿäį;
,į.į. ;ï; 1S Míšš. ÜÜP W&SKi ■SIŞŠŴJ&S " ^-ŵfcw'ÍA-'Sa.wŵt • «.'tWÄÎfT.+f - - e*rį;y Kįj*S! •V'í'-.'X'';. - ',-.X' - , ; v: '* IŞMŵŕ
įşşiSfķ-f kei*®
wmm - i'V
.
mĚĚm 5ShbBRS XV ;' f’- i"4
* - - ' - - T . . ■•Z
íįįįfc *
į g\ ;-;lvv^,;į
|
transect- archeologie, erfgoed, ruimte
Overijsselhaven 127
T: 030-7620705
3433 PH Nieuwegein
E: informatie@transect.nl
V
Auteur Versie
J.G.E. Melman MSc Versie 1.1
Projectcode Datum
21030010 12-07-2021
Opdrachtgever
Buro Waalbrug Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen Transect
Uitvoerder
Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein Onderzoeksmelding Bevoegde overheid
5093542100 Gemeente Beuningen
Status
Nog te beoordelen door bevoegde overheid
Beheer documentatie
Transect, Nieuwegein
Voorblad
Foto van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek (13-07-2021)
Autorisatie Naam Drs. T. Nales Senior prospector
Datum 23-07-2021
Paraaf
ISSN: 2211-7067
© Transect, Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
transect archeologie, erfgoed, ruimte
t
Samenvatting
In opdracht van Buro Waalbrug heeft Transect in juli 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Jan Libottéstraat 8 in Winssen (gemeente Beuningen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de beoogde bestemmingsplanwijziging om de realisatie van een gezondheidscentrum mogelijk te maken. Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen. Voor de periode Laat-Paleolithicum - Bronstijd geldt een middelhoge archeologische verwachting. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische vondsten uit deze periode gedaan. Deze bevinden zich op relatief hooggelegen terrassen in de top van de pleistocene afzettingen van Wijchen of op vegetatieniveaus in de holocene komafzettingen. De archeologische verwachting in het plangebied hangt met name samen met de ligging van het plangebied op oevers of een crevasse van de Waal.
De oevers van de Waal zijn mogelijk vanaf de vorming ervan in de IJzertijd een gunstige locatie voor bewoning geweest. De oevers hebben zich kunnen vormen totdat het gebied bedijkt werd in de Late Middeleeuwen. In de Late Middeleeuwen heeft bij Winssen een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor een deel van het gebied overspoeld is geraakt. Ook in de omgeving van het plangebied is een overslagdek aangetroffen. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen zodoende ook op de overslagafzettingen worden. De archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen is hierom hoog. Het plangebied bevindt zich langs een overloopgeul. De geulen zelf zijn vermoedelijk te nat geweest voor bewoning, maar erlangs kan wel bewoning hebben plaatsgevonden, zoals in de omgeving van het plangebied reeds is aangetoond. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting, aangezien er op historisch kaartmateriaal geen bebouwing is ingetekend ter plaatse van het plangebied. Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat er twee vegetatieniveaus in de ondergrond aanwezig zijn. Het diepste vegetatieniveau heeft zich gevormd in de top van de komafzettingen en bevindt zich op een diepte van 175 tot 180 cm -Mv (6,5 - 6,6 m +NAP). Op dit niveau bestaat een verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum - Bronstijd.
De verwachting is hoog, aangezien er in de omgeving ook voorbeelden van bewoning uit deze periodes bekend zijn. Het tweede vegetatieniveau bevindt zich in de top van de crevasseafzettingen op een diepte van 55 tot 60 cm -Mv (7,7 - 7,8 m +NAP). Er kunnen in dit niveau in theorie vindplaatsen uit de periode IJzertijd Late Middeleeuwen aangetroffen worden. De verwachting hierop is hoog aangezien het plangebied zich langs een geul bevindt en aangezien er in de omgeving al relatief veel vindplaatsen uit deze periodes bekend zijn. Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Mesolithicum worden verwacht in de top van de pleistocene afzettingen, ofwel de terrasafzettingen of komafzettingen van de Laag van Wijchen. Op deze afzettingen ontbreken vegetatieniveaus en hierom kan deze verwachting naar laag worden bijgesteld. De lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen in het plangebied is bevestigd door het booronderzoek. De overslagafzettingen zijn verstoord geraakt bij recente bouw- en sloopwerkzaamheden.
4 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
Advies In het plangebied bestaat het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen en een gezondheidscentrum te realiseren. Op basis van het vooronderzoek geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen vanaf een diepte van 55 cm -Mv en een hoge verwachting voor de periode Neolithicum - Bronstijd vanaf een diepte van 175 cm -Mv. Wij adviseren om de hoge archeologische verwachting op te nemen in het bestemmingsplan. Hierbij adviseren wij een diepte van 35 cm -Mv vrij te stellen van archeologisch vervolgonderzoek (met een buffer van 20 cm tot het archeologisch relevante niveau). Indien bij de werkzaamheden bodemingrepen dieper dan 35 cm -Mv zijn gepland, adviseren wij om de verwachting aanvullend te toetsen met een karterend en waarderend archeologisch onderzoek, in ieder geval naar het hoogste vegetatieniveau (op 55 - 60 cm -Mv). Indien de werkzaamheden ook het diepere niveau (op 175 - 180 cm -Mv) zullen verstoren, adviseren wij om ook dit niveau mee te nemen in het vervolgonderzoek. Het vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat door de gemeente is beoordeeld en goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies.
Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Beuningen) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
5 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
Inhoud 1.
Aanleiding
1
2.
Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek
2
3.
Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied
3
4.
Planvorming en consequenties toekomstig gebruik
5
5.
Beleidskader
6
6.
Landschap, geomorfologie en bodem
7
7.
Archeologische verwachting en bekende waarden
10
8.
Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen
13
9.
Gespecificeerde archeologische verwachting
19
10. Resultaten veldonderzoek
21
11. Beantwoording onderzoeksvragen
24
12. Conclusie en Advies
25
13. Geraadpleegde bronnen
27
Bijlage 1: Archeologische beleidskaart van de gemeente Beuningen
29
Bijlage 2: Archeologische verwachtingskaart
30
Bijlage 3: Paleogeografie
31
Bijlage 4: Stroomruggen
32
Bijlage 5: Geomorfologie
33
Bijlage 5: Maaiveldhoogte
34
Bijlage 6: Maaiveldhoogte - detail
35
Bijlage 7: Bodem
36
Bijlage 8: Archeologie
37
Bijlage 9: Cultuurhistorie
38
Bijlage 10: Boorpuntenkaart
40
Bijlage 11: Foto's van de boringen
41
Bijlage 12: Boorbeschrijvingen
42
1 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
1. Aanleiding In opdracht van Buro Waalbrug heeft Transect1 in juli 2021 een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in een plangebied aan de Jan Libottéstraat 8 in Winssen (gemeente Beuningen). De aanleiding voor het onderzoek vormt de beoogde bestemmingsplanwijziging om de realisatie van een gezondheidscentrum mogelijk te maken. Volgens het vigerende bestemmingsplan 'Kern Winssen' uit 2013 geldt voor het plangebied een Waarde - Archeologie 2. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 1700 m2) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is. Het onderzoek is uitgevoerd in overeenstemming met de eisen van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1 en het Plan van Aanpak (Melman, 2021).
1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm 'BRL SIKB 4000', versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: 'KNA Protocol 4001 Programma van Eisen', 'KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven' en 'Protocol 4004 Opgraven', en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.
1 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
2. Aard en doel van het archeologisch vooronderzoek Het archeologisch vooronderzoek bestaat uit een gecombineerd onderzoek, te weten een archeologisch Bureauonderzoek (BO) en een Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Het doel van het archeologisch bureauonderzoek is het specificeren van de archeologische verwachting, dat wil zeggen het aan de hand van beschikbare en nieuwe informatie over de archeologie, cultuurhistorie, geomorfologie, bodemkunde en grondgebruik, bepalen van de kans dat binnen het plangebied archeologische resten kunnen voorkomen. Hiervoor is onder andere het centraal Archeologisch Informatiesysteem (Archis) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geraadpleegd, waarin de Archeologische MonumentenKaart (AMK) is opgenomen. Aanvullende (cultuur)historische informatie is verkregen uit divers voorhanden historisch kaartmateriaal. Om inzicht te krijgen in de opbouw en ontwikkeling van het landschap zijn onder andere de bodemkaart en beschikbaar geologisch-geomorfologisch kaartmateriaal geraadpleegd. Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen en waar mogelijk bijstellen van de gespecificeerde archeologische verwachting, door het verzamelen van informatie over de feitelijke bodemopbouw, bodemreliëf en bodemintactheid in het plangebied.
Hiermee ontstaat inzicht in de landschapsvormende processen en landschappelijke eenheden uit het verleden. Op basis hiervan kan een oordeel worden gegeven over waar, wanneer en in hoeverre het gebied in het verleden geschikt was voor de mens. Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd in de vorm van een booronderzoek (IVO-O). Het onderzoek probeert hiermee aan de hand van feitelijke informatie antwoord te geven op de volgende vragen: ^ ^ ^ ^
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog?
Het resultaat van het archeologisch vooronderzoek is dit rapport met een conclusie omtrent het risico dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden verstoord als gevolg van de voorgenomen plannen. Op basis van dit rapport neemt het bevoegd gezag een beslissing in het kader van de vergunningverlening of planprocedure. Het rapport bevat waar mogelijk gegevens over de - verwachte - aan- of afwezigheid, aard, omvang, ouderdom, gaafheid, conservering en (relatieve) kwaliteit van archeologische waarden. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform protocollen 4002 (bureauonderzoek) en 4003 (inventariserend veldonderzoek) van de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).
2 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
3. Afbakening van het plan- en onderzoeksgebied Gemeente
Beuningen
Plaats
Winssen
Toponiem
Jan Libottéstraat 8
Kaartblad
39H
Centrumcoördinaat
176.917 7 432.678
Binnen het archeologisch bureauonderzoek is onderscheid gemaakt in het plangebied en het onderzoeksgebied. Het plangebied is het gebied waarin de geplande bodemingrepen zullen plaatsvinden. Het onderzoeksgebied omvat het plangebied en een deel van het direct omringende gebied en wordt bij het onderzoek betrokken om tot een beter inzicht te komen in de archeologische, (cultuur)historische en bodemkundige situatie in het plangebied. Het onderzoeksgebied beslaat een straal van circa 500 meter rond het plangebied. Het plangebied omvat een huisartsenpraktijk en grasveld aan de Jan Libottéstraat 8 in Winssen (Beuningen). De ligging ervan is weergegeven in figuur 1. Kadastraal gezien omvat het plangebied de gehele percelen WSN02 sectie B nummer 2120 en 2700 en een deel van het perceel WSN02 sectie B nummer 2699. Het plangebied wordt in het zuiden begrensd door de Jan Libottéstraat, in het westen door de Alex Willemsstraat, in het noordwesten door de bestaande verharding en in het noordoosten en oosten door de grenzen met aanliggende percelen. Ten tijde van onderhavig onderzoek is het plangebied bebouwd met een huisartsenpraktijk (circa 200 m2). Een deel is verhard met stenen en in gebruik als parkeerplaats (220 m2) en de rest is in gebruik als gras. In totaal beslaat het een oppervlakte van 1700 m2.
3 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
177000
?!0
O.* 7 «r 'WĽT
/*-
irLi
tįļMįt
o o o o
o o
o.fi Y' î ‘ŷ ’ v Y 0 ? ŷ~ ĩ'Y’ O ļotígeļĶąn1pJ 0.0 t î ľ? ľfi
WÍľŴÍ
O.O.T "Ŷ ' î ' ĩ ' T Y.Y.Y.O 0.0=0 0.0.0.O f Î f
177000
Legenda plangebied
atèfljü
300 m
.Winssen
transect
Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven; bron kaart: www.pdok.nl).
4 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
4. Planvorming en consequenties toekomstig gebruik Kader
Wijziging bestemmingsplan
Planvorming
Nieuwbouw gezondheidscentrum
Bodemverstorende werkzaamheden
Graafwerkzaamheden
De aanleiding voor het onderzoek wordt gevormd door een beoogde bestemmingsplanwijziging die de realisatie van een gezondheidscentrum mogelijk moet maken. Er zijn nog geen concrete bouwtekeningen beschikbaar, waaraan de omvang en diepte van de verstoring ten behoeve van de nieuwbouw kan worden vastgesteld. Wel is bekend dat de bestaande huisartsenpraktijk behouden blijft en dat deze ten noorden wordt uitgebouwd. De uitbreiding heeft een oppervlakte van circa 390 m2. In het oosten van het plangebied worden twee wadi's aangelegd (circa 120 m2). De beoogde toekomstige situatie in het plangebied is weergegeven in figuur 2.
176900
mm
*
ŵ
176900
Figuur 2: De beoogde toekomstige indeling in het plangebied. Bron: Buro Waalbrug
5 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
5. Beleidskader Onderzoekskader
Wijziging bestemmingsplan
Beleidskader
Bestemmingsplan 'Kern Winssen'
Onderzoeksgrens
100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv
In 1992 heeft Nederland het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed ondertekend; ook wel het Verdrag van Malta of Valletta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het is ondertekend. Het Verdrag is in 1998 geratificeerd en op 1 september 2007 via de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz) geïmplementeerd. De Wamz is een wijzigingswet en omvat een wijziging van de Monumentenwet 1988, de Wet Milieubeheer, de Ontgrondingenwet en de Woningwet, op grond waarvan overheden onder andere bij bodemingrepen verplicht rekening moeten houden met het behoud van archeologische waarden. Sinds juli 2016 (Erfgoedwet) is het behoud en beheer van het Nederlandse erfgoed geregeld door één integrale Erfgoedwet. De omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving zal in de nieuwe Omgevingswet worden geregeld, die in 2022 in werking zal treden. Het archeologiebeleid van de gemeente Beuningen inzake het plangebied staat verwoord in het vigerende bestemmingsplan 'Kern Winssen' uit 2013, waarin het plangebied een Waarde Archeologie 2 heeft. Deze is gebaseerd op de beleidskaart van de gemeente Beuningen. Hierop staat vastgelegd welke verwachting een bepaalde gebieden hebben. Het plangebied bevindt zich volgens de archeologische beleids- en verwachtingskaarten van de gemeente in een zone met een hoge archeologische verwachting (bijlage 1 en 2).
Aan deze zone zijn in het bestemmingsplan planregels geformuleerd ten behoeve van de bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. In het plangebied geldt aan de hand hiervan een archeologische onderzoekplicht voor bodemingrepen met een omvang vanaf 100 m2 en 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 1700 m2) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk is.
6 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
6. Landschap, geomorfologie en bodem Archeoregio
Midden-Nederlands rivierengebied
Geomorfologie
Crevasserug
Maaiveld
8,3 m +NAP
Bodem
Ooivaaggrond
Grondwater
VI
Landschap Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied in het stroomgebied van de Maas en de Rijn (Berendsen, 2005). Reeds in het midden van de laatste ijstijd (het Weichselien, 50000 tot 15000 jaar geleden) maakte dit gebied deel uit van een brede riviervlakte, waarbinnen de riviergeulen in een verwilderd ("vlechtend") patroon verspreid lagen. In deze geulen werd grof zand en grind afgezet, dat geologisch gezien wordt gerekend tot de Formatie van Kreftenheije (De Mulder e.a., 2003). De aanwezigheid van grof zand en grind wijst op hoge stroomsnelheden en sterke variaties in de (piek)afvoer (als gevolg van grote hoeveelheden (smelt)water). Op andere momenten lag de bedding van de riviervlakte langere perioden droog. Op basis van een geologische boring, gezet op 100 m ten noorden van het plangebied, bevinden deze afzettingen in het plangebied zich op een diepte van circa 2,6 m -Mv (5,2 m +NAP; bron: www.dinoloket.nl, boring B39H2093; 176.969, 432.811 (RD)). Vanuit de drooggelegen vlakte kon fijner rivierzand door sterke winden worden verstoven, dat vervolgens langs de randen van de riviervlakte werd afgezet. Hierdoor konden op grote schaal rivierduinen ontstaan (Berendsen en Stouthamer, 2001). Vanaf 15000 jaar geleden begon dit beeld enigszins te veranderen onder invloed van een warmer wordend klimaat.
In eerste instantie was sprake van enkele relatief kortdurende warmere perioden (respectievelijk het B0lling- en Aller0d-interstadiaal, 15900 tot 15000 v. Chr. en 14800 tot 13400 v. Chr.). Gedurende deze periodes nam de vegetatie toe en werd de afvoer van rivierwater beter verdeeld. De riviergeulen begonnen te meanderen en sneden zich in de riviervlakte in, waardoor langzamerhand een rivierdal ontstond. In het dal werd tijdens overstromingen zogenaamd "Hochflutlehm" afgezet, ook wel bekend als het Laagpakket van Wijchen (De Mulder e.a., 2003; Bennema en Pons, 1952). Pas vanaf 10000 jaar geleden, in het Holoceen, zette de warmere klimaatomstandigheden definitief door, waardoor de toenemende vegetatie de verstuivingen van rivierzand aan banden legde en de oevers van de rivieren door de alsmaar kleiner wordende verschillen in afvoer zich stabiliseerden. Door deze stabilisatie traden de rivieren alleen nog bij hoogwater buiten de oevers. De klei, die bij hoogwater buiten de rivieren werd afgezet, wordt eveneens gerekend tot het Laagpakket van Wijchen. De zich insnijdende meanderende rivieren gingen onder invloed van een voortdurend stijgende zeespiegel in het Holoceen over in accumulerende meanderende rivieren, die meermalen hun loop verlegden en daardoor verschillende stroomgordels ontwikkelden.
Hierdoor vond in het grootste deel van het rivierengebied afzetting plaats van zand (beddingafzettingen), zandige klei (oeverafzettingen) en zware klei (komafzettingen), die werden afgewisseld door veen. Daarbij werden de oudere afzettingen door jongere begraven. Het moment waarop dit optreedt, hangt af van de ligging van de zogenaamde terrassenkruising (Berendsen en Stouthamer, 2001). De terrassenkruising is het punt waarop de netto insnijding overgaat in een netto accumulatie van sediment (Berendsen, 2005). De ligging van dit punt ligt niet vast maar is afhankelijk van het debiet, de sedimentlast van een rivier en de stijging c.q. daling van de zeespiegel. Berendsen en Stouthamer (2001) vermoeden dat de 7 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
terrassenkruising rond 4000 v. Chr. in de omgeving van Winssen heeft gelegen. Daarna raakten de Laat-Pleistocene en Vroeg-Holocene afzettingen afgedekt met holocene rivierafzettingen en kon veenvorming optreden op de plekken die verder verwijderd van de rivier lagen. Uiteindelijk raakte het volledige laat-pleistocene dal opgevuld met holoceen sediment en konden rivieren buiten het oude rivierdal treden. Geomorfologie Volgens de geomorfologische kaart van het rivierengebied van Cohen e.a. (2012) bevindt het plangebied zich op 130 meter ten zuiden van de nog steeds watervoerende Waal (bijlage 4). Deze rivier kent zijn oorsprong vanaf circa 200 v.Chr. en heeft actief sedimenten afgezet totdat deze bedijkt werd in de 11de en 12de eeuw (Cohen e.a., 2012). Naar verwachting bevindt het plangebied zich op de oevers van deze rivier. Volgens de paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen zijn in het plangebied komafzettingen aanwezig, die zijn afgedekt door oever- en of crevasseafzettingen van de Waal (bijlage 3). Op de geomorfologische kaart is het plangebied aangeduid als crevasserug (kaartcode 3B47). Ten noorden en zuiden van het plangebied is een overloop- of crevassegeul gekarteerd (kaartcode 22R44). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat de omgeving van het plangebied relatief vlak is. Het maaiveld ter plaatse van het plangebied ligt op circa 8,5 m +NAP.
De oorspronkelijke crevassegeulen zoals ten zuiden van het plangebied gelegen, liggen relatief gezien lager op circa 7,6 m +NAP. Het maaiveld loopt geleidelijk af richting het zuiden, naar 7,2 m +NAP. Het maaiveld in het plangebied zelf is vlak. Lithologie en geologie Op basis van een geologische boring uit het Dinoloket, gezet op 30 m ten zuidoosten van het plangebied, is de verwachting dat in het plangebied sterk stiltige tot zwak zandige klei aanwezig is tot minimaal 4,5 m -Mv (3,1 m +NAP; bron: www.dinoloket.nl, boring B39H2092; 176.964, 432.620 (RD)). De klei is onderdeel van de Formatie van Echteld en betreft holocene rivierafzettingen. Hieronder bevindt zich naar verwachting zand als onderdeel van de Formatie van Kreftenheye (bron: www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen). Bodem Bodemkundig zijn in het plangebied ooivaaggronden gekarteerd (kaartcode Rd10A; bijlage 4). Dit zijn rivierkleigronden met een weinig donkergekleurde bovengrond. Daarnaast zijn ze tot op grote diepte homogeen bruin of grijsbruin en komen er geen slappe lagen voor hoog in de grond en evenmin grijze en roestvlekken. Het homogene karakter van de bovengrond wordt veroorzaakt door hoge biologische activiteit die voor een aanzienlijke periode heeft plaatsgevonden.
Dit kan enkel het geval zijn indien het gaat om relatief oude sedimenten, waar geen wateroverlast heeft opgetreden en waar het niet regelmatig wordt verstoord door landgebruik (De Bakker, 1966). Grondwatertrap De grondwatertrap is een maat voor de vochttoestand in de bodem. Informatie hieromtrent is vanuit archeologische optiek met name relevant met betrekking tot het bepalen van een verwachte mate van conservering van eventuele archeologische resten in het plangebied. In het plangebied is een grondwatertrap VI gekarteerd. Een grondwatertrap VI duidt over het algemeen op droge gronden waarbij de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich tussen de 40 en 80 cm -Mv bevindt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) onder de 120 cm -Mv aangetroffen wordt. Dit betekent dat eventuele (onverbrande) organische, archeologische resten niet bewaard zullen zijn gebleven binnen de 120 cm -Mv. Onder de 40 cm -Mv zullen ze waarschijnlijk (geheel) gedegradeerd zijn door 8 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
een schommelende waterstand. Anorganische resten kunnen daarentegen wel goed bewaard zijn gebleven.
9 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
7. Archeologische verwachting en bekende waarden Wettelijk beschermd monument
Nee
AMK terrein
Nee
Verwachting gemeentelijke kaart
Hoog
Archeologische waarden en/of informatie
Nee
Archeologische verwachting Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Ook staat het niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het terrein een hoge archeologische verwachting toegekend vanwege de ligging op een crevasserug (Heunks en Van Hemmen, 2007). De hoge archeologische verwachting in het plangebied is verder deels ook gebaseerd op de ligging ervan vlak naast een vondstmelding (Heunks en Van Hemmen, 2007). Bekende waarden In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied zijn onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen bekend. De resultaten hiervan worden in dit hoofdstuk besproken. ^
^
^
^
Direct ten zuiden van het plangebied, in het midden van de Jan Libottéstraat, is de vondst van een boomstamwaterput uit de Middeleeuwen. De vondstomstandigheden zijn niet vermeld (vondstmelding 3101281100). 150 m ten noorden van het plangebied zijn twee vondstmeldingen bekend. Het betreft een oude woongrond uit de Middeleeuwen. Aan het maaiveld zijn scherven uit de Vroege en Late Middeleeuwen opgeraapt. Ook is een duidelijke verhoging aan het maaiveld zichtbaar, dat erop wijst dat er een oude woongrond op de stroomrug aanwezig is (vondstmelding 2814275100 en 3108726100). 370 m ten westen van het plangebied is een AMK- terrein van hoge waarde aanwezig (nr. 4606). Dit betreft een terrein met sporen van bewoning uit de Romeinse tijd. Het betreft een oude woongrond, waarbij handgevormd en gedraaid aardewerk uit de Romeinse tijd is gevonden. o Direct ten noorden van dit terrein is een vondsmelding gemaakt (3108734100). De vondsten zijn afkomstig uit een profielkuil, gegraven bij een niet archeologische veldkartering. Het betreft vier scherven uit de Midden Romeinse Tijd en een scherf uit de Late Middeleeuwen De vondsten zijn gedaan op 65 cm -Mv. o In het noordelijk gedeelte van het AMK-terrein heeft er archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden door middel van boringen.
De ondergrond bestaat uit meerdere fases van activiteit van de Waal stroomrug, bestaande uit overslagafzettingen op oeverafzettingen op crevasseafzettingen. Er ontbreken archeologische lagen en indicatoren en hierom is de verwachting naar laag bijgesteld (Van der Kuijl, 2015; onderzoeksmelding 3978821100). 380 m ten westen van het plangebied, aan de Molenstraat 20, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. In de ondergrond zijn komafzettingen waargenomen. In de top van de natuurlijke ondergrond is een laag klei aanwezig met verhoogde siltigheid. Dit betreft vermoedelijk een restant van oeverafzettingen van de Waal. De top is vergraven geraakt tijdens 10 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
^
^
^ ^
^
^
^
^
de inrichting van het terrein. Hierom is de archeologische verwachting laag (Lepage, 2019; onderzoeksmelding 4649841100). 340 m ten westen van het plangebied is een vondstmelding bekend. Het betreft een oude woongrond, dat tussen inbraakgeulen ligt. Er zijn enkele fragmenten aardewerk uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Er wordt echter vermeld dat het een ongunstige locatie betreft voor het zoeken naar oppervlaktevondsten (vondstmelding 3101273100). 130 m ten westen van het plangebied, aan de Hendrik de Haardtstraat, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Bij dit onderzoek is vastgesteld dat er komafzettingen onder oeverafzettingen aanwezig zijn. In de basis van de oeverafzettingen zijn fosfaatvlekken waargenomen en kleine fragmenten metaalslak en baksteenspikkels. Dit wijst mogelijk op de aanwezigheid van een vindplaats in de oeverafzettingen. Deze vondsten zijn gedaan op circa 140 cm -Mv (Stiekema, 2006; onderzoeksmelding 2118355100). 125 m ten westen van het plangebied is een vondstmelding geregistreerd van fragmenten kogelpot en handgevormd aardewerk uit de 13e - 14e eeuw (vondstmelding 2724770100). 200 m ten zuiden van het plangebied is in het kader van het uitgaven van waterbergingen een archeologisch proefsleuvenonderzoek en opgraving uitgevoerd. De ondergrond bestaat uit komafzettingen, waarin zich twee vegetatieniveaus hebben gevormd.
In deze niveaus (op circa 92 -172 en 59 - 113 cm -Mv) zijn archeologische vondsten uit de periode Bronstijd en Romeinse tijd aangetroffen. Deze worden afgedekt door oeverafzettingen en crevasseafzettingen. Ook is er een crevassegeul aanwezig die zich in de oeverafzettingen insnijdt. Archeologische resten uit de periode Vroege Middeleeuwen bevinden zich direct onder de moderne bouwvoor (circa 30 cm Mv). De vindplaatsen uit de periode Bronstijd en Romeinse tijd zijn als niet behoudenswaardig benoemd (Hendriksen, 2019; onderzoeksmelding 4720115100). De vindplaats uit de Vroege Middeleeuwen is wel behoudenswaardig en deze is voorafgaand aan de werkzaamheden opgegraven (onderzoeksmelding 4720115100). 220 m ten zuiden van het plangebied, aan de Leegstraat, heeft een archeologisch vooronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2228775100). Het onderzoeksrapport is niet openbaar raadpleegbaar, maar er wordt melding gemaakt dat in de boringen ijzerslak uit de Romeinse Tijd en aardewerkfragmenten uit de Vroege Middeleeuwen - Nieuwe Tijd zijn gevonden (Nillesen e.a., 2010). Er heeft tevens een proefsleuvenonderzoek in het plangebied plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2264009100). Er zijn enkele sporen en vondsten gedaan uit de Volle Middeleeuwen, die niet wijzen op een nederzettingsterrein maar in het context staan van een actief landbouw gebruik (Loopik en Claeys, 2010).
360 m ten zuiden van het plangebied heeft aan de Karmijn een verkennend booronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2099459100 en 2359006100). In het gebied bestaat de bodemopbouw uit oever- op komafzettingen. Op een diepte van 5.50-6.0 m +NAP is grof zand aangetroffen wat duidt op stroomrugafzettingen. In een aantal boringen zijn archeologische indicatoren aangetroffen (o.a. houtskool, puin, mortel en aardewerkscherven). Op basis van de vondsten is de verwachting dat er mogelijk archeologische waarden in het gebied aanwezig zijn uit de IJzertijd - Romeinse tijd tussen 110 cm en 150 cm -Mv. Ter hoogte van de boringen met archeologische indicatoren is een aanvullend booronderzoek uitgevoerd. In twee extra boringen werden ook archeologische indicatoren aangetroffen (Ras en Van Wilgen, 2006). 400 m ten oosten van het plangebied, aan de Notaris Stephanus Roesstraat 16, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. In dit gebied is in het westen een geul tot minimaal 5,0 m -Mv aangetroffen. In het oosten zijn rivierafzettingen onder een verstoringspakket van 150 cm aanwezig. Er zijn geen (intacte) archeologische lagen aanwezig (Lepage en Melman, 2019; onderzoeksmelding 4714535100). 500 m ten oosten van het plangebied, aan de Ingenieur van Stuivenbergweg, heeft een verkennend booronderzoek plaatsgevonden (onderzoeksmelding 2440273100).
De ondergrond 11 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
bestaat uit oeverafzettingen op beddingafzettingen. De top van de beddingafzettingen van de Waal ligt op circa 220 cm -Mv. In het midden en in het noorden ligt op de oeverafzettingen een omgewerkte en opgehoogde laag van 70 tot 120 cm dik. In het zuiden is de oorspronkelijke bodemopbouw verstoord tot minimaal 150 cm diep. (Hanemaaijer en Eimermann, 2014).
12 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
8. Historische situatie, huidig gebruik en bodemverstoringen Historische bebouwing
Nee
Historisch gebruik
Bouwland
Huidig gebruik
Huisartsenpraktijk en grasveld
Bodemverstoringen
Mogelijk door landbewerking, bouw- en sloopwerkzaamheden
Historische achtergronden Het plangebied ligt in de dorpskern van Winssen die in de 13e eeuw werd gesticht (Van Berkel en Samplonius, 2006). De dorpskern ligt vrij dicht tegen de Waaldijk aan. Dit is het gevolg van een dijkdoorbraak in de Late Middeleeuwen waarbij het noordelijke deel van het oorspronkelijke dorp verwoest is geweest en de dijk later langs de dorpskern is aangelegd (Schulte, 1982). Hierdoor is de dorpsstructuur in de Late Middeleeuwen verlegd naar het zuiden. Verder is op de cultuurhistorische kaart van de gemeente Beuningen te zien dat ten zuiden van het plangebied een smalle restgeul van een crevasse aanwezig. De oude wegstructuren volgen deze geul. Langs de geul is een weg aanwezig, waar na het dichtslibben van de geul bewoning is ontstaan, in ieder geval in de Nieuwe Tijd, te zien aan de Kadastrale Minuutplan uit 1811- 1832 (figuur 3). Het plangebied zelf is echter niet bebouwd en volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) in gebruik als bouwland (bron: http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl). Deze situatie blijft hetzelfde totdat vanaf 1980 bebouwing in het plangebied wordt weergegeven. Het betreffen drie gebouwen. De twee noordelijke hiervan zijn ten tijde van het veldonderzoek reeds gesloopt. Huidig gebruik en bodemverstoringen Ten tijde van onderhavig onderzoek is het plangebied bebouwd met een huisartsenpraktijk (circa 200 m2).
De huisartsenpraktijk is gerealiseerd in 1955 volgens gegevens van het Kadaster (bron: bagviewer.kadaster.nl). Er zijn geen bouwtekeningen voorhanden waaraan kan worden vastgesteld in hoeverre er sprake is van een verstoring onder deze bebouwing. Ook ontbreken bouwtekeningen van de reeds gesloopte bebouwing in het noorden van het plangebied. De verwachting is dat in de bovengrond verstoringen te verwachten kunnen zijn door bouw- en sloopwerkzaamheden. Er zijn verstoringen te verwachten door een dijkdoorbraak die in de Late Middeleeuwen heeft plaatsgevonden. Door de kracht van de dijkdoorbraak heeft mogelijk erosie van de oorspronkelijke top van de oevers van de Waal plaatsgevonden (Schulte, 1982). De overslagafzettingen kunnen echter ook gezorgd hebben voor een afdekking van deze oeverafzettingen en daarom juist een beschermende werking hebben gehad. In het plangebied kunnen verstoringen hebben plaatsgevonden door het agrarische landgebruik, door bijvoorbeeld ploegwerkzaamheden. In het Bodemloket staat het noordelijke deel van de bestaande bebouwing aangeduid als 'gegevens aanwezig, status onbekend'. Hier heeft in 2000 een verkennend onderzoek plaatsgevonden, maar de resultaten hiervan zijn niet bekend (bron: www.bodemloket.nl).
Volgens gegevens van het Kadaster liggen er in het zuiden van het plangebied, tussen de bestaande bebouwing en de Jan Libottéstraat diverse kabels- en leidingen. Hier kan een plaatselijke verstoring worden verwacht. Er is geen vergunning afgegeven voor het ontgronden van het plangebied (bron: ontgrondingenkaart provincie Gelderland).
13 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
176700
176800
177000
176900
177100
177200
177100
177200
250 m 176700
176800
177000
176900
Figuur 3: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-32. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: Beeldbank RCE.
176700
176800
176900
177000
177100
9 * * 450 ^
176700
100
176800
176900
177000
177100
Figuur 4: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1880. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
14 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
176700
176800
176900
177000
177100
•4 V fc į-^íSįrji
«10Ĩ j3P 176700
« *176800
176900
« *
*
i « 9
«
250 m 177000
177100
Figuur 5: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1900. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
176700
176800
176900
177000
177100
176700
176800
176900
177000
177100
Figuur 6: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1930. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
15 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
176700
176800
176900
177000
177100
250 m
176700
176800
176900
177000
177100
Figuur 7: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1955. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
176700
176800
176900
177000
177100
176700
176800
176900
177000
177100
Figuur 8: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1980. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
16 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
176700
176800
176900
177000
177100
177000
177100
Toren
176700
176800
176900
Figuur 9: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1997. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.
176900
176900
Figuur 10: Recente luchtfoto van het plangebied. Bron: www.pdok.nl.
17 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
176900
i(SilL.ŵ
176900
Figuur 11: Kabels en leidingen in het plangebied. Bron: KLIC
18 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
9. Gespecificeerde archeologische verwachting Kans op archeologische waarden
Middelhoog Hoog
Periode
Laat-Paleolithicum - Bronstijd IJzertijd t/m Late Middeleeuwen
Complextypen Stratigrafische positie
Nederzettingen, sporen van landgebruik, grafvelden Vanaf maaiveld In de top van de afzettingen van Kreftenheije, op bewoonbare komafzettingen, binnen oeverafzettingen van de Waal en op overslagafzettingen (indien aanwezig)
Aanwezigheid en dichtheid De archeologische verwachting in het plangebied hangt met name samen met de ligging van het plangebied op de oevers van de Waal. De oevers van de Waal zijn mogelijk vanaf de vorming ervan in de IJzertijd een gunstige locatie voor bewoning geweest. De oevers hebben zich kunnen vormen totdat het gebied bedijkt werd in de Late Middeleeuwen. In de Late Middeleeuwen heeft bij Winssen een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor een deel van het gebied overspoeld is geraakt. Ook in de omgeving van het plangebied is een overslagdek aangetroffen. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen zodoende ook op de overslagafzettingen worden aangetroffen. Bekende archeologische waarden uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door bewoningsresten op verhoogde huisplaatsen, zoals bij onderzoeken in de omgeving zijn aangetoond. De archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen is hierom hoog. Dit is wel afhankelijk van welke gevolgen de dijkdoorbraak uit de Late Middeleeuwen op de oeverafzettingen heeft gehad. Een dijkdoorbraak kan namelijk zorgen voor erosie, en daarmee een verstoring van het archeologisch relevante niveau. De dijkdoorbraak kan ook voor een afdekking van de oevers hebben gezorgd, die het archeologisch relevante niveau juist heeft behoed voor moderne verstoringen.
Ook bevindt het plangebied zich langs een overloopgeul. De geulen zelf zijn vermoedelijk te nat geweest voor bewoning, maar erlangs kan wel goed bewoning hebben plaatsgevonden, zoals in de omgeving van het plangebied reeds is aangetoond. Voor de periode Nieuwe tijd kan een lage archeologische verwachting worden aangehouden, aangezien er op historisch kaartmateriaal geen bebouwing is ingetekend ter plaatse van het plangebied. Ook ontbreken aanwijzingen voor de aanwezigheid van een woonheuvel op het AHN. Op basis van het bureauonderzoek geldt in het plangebied een middelhoge verwachting voor de periode Laat-Paleolithicum - Bronstijd. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische vondsten uit deze periode gedaan. Deze bevinden zich op relatief hooggelegen terrassen in de top van de pleistocene afzettingen van Wijchen of op vegetatieniveaus in de holocene komafzettingen. Uit de periode Laat-Paleolithicum en Mesolithicum kunnen archeologische waarden aanwezig zijn op de top van de pleistocene afzettingen. Stratigrafische positie In het plangebied zijn drie potentiële archeologische niveaus te onderscheiden: ^ De top van de pleistocene afzettingen betreffen het archeologisch relevante niveau voor de periode Laat-Paleolithicum en Mesolithicum.
Deze bestaan ofwel uit pleistocene beddingafzettingen (Formatie van Kreftenheije) of uit vroegholocene komafzettingen (Laagpakket van Wijchen). 19 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
^
^
Op de pleistocene afzettingen zijn naar verwachting laatholocene komafzettingen aanwezig. Over het algemeen vormen komafzettingen geen gunstige ondergrond voor bewoning. In de omgeving van het plangebied zijn echter wel vegetatieniveaus aangetroffen, waarop ook archeologische resten aanwezig zijn. Deze niveaus kenmerken zich door een gerijpte, donkergekleurde en humeuze laag binnen de komafzettingen. De oeverafzettingen van de Waal zijn een archeologisch relevant niveau voor de periode IJzertijd Nieuwe tijd. Deze kunnen zich direct vanaf de moderne bouwvoor bevinden. Het is echter ook goed mogelijk dat er meerdere niveaus binnen de oeverafzettingen aanwezig zijn. Het plangebied bevindt zich namelijk direct naast een overloopgeul, van waaruit ook sedimentatie heeft kunnen plaatsvinden. Ook is mogelijk een pakket overslagafzettingen afgezet tijdens een dijkdoorbraak in de Late Middeleeuwen. Als er sprake is van de aanwezigheid van overslagafzettingen, dan vormen deze de archeologisch relevante laag voor de periode Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd. Deze afzettingen zijn namelijk gevormd in de Late Middeleeuwen en hebben na herbedijking van de Waal een bewoonbaar niveau gevormd.
Complextypen In het plangebied worden in principe nederzettingsterreinen, sporen van landgebruik en grafvelden verwacht. Nederzettingsterreinen in het rivierengebied zouden zich kunnen kenmerken door een cultuurlaag of dichte vondstenstrooiing, hetgeen met name te danken is aan de langdurigheid van bewoning op een bepaalde plek. In een vochtige omgeving als die van het rivierengebied was de bewegingsruimte voor nederzettingen namelijk niet al te groot, waardoor bewoning vaak geconcentreerd bleef op vaste plekken. Daarentegen zullen sporen van landgebruik (waaronder ook grafvelden) zich juist kenmerken door grondsporen en verkleuringen in de bodem en in veel mindere mate door de aanwezigheid van vondstmateriaal. Derhalve kan over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen enkel uitspraken gedaan worden op basis van de mate van intactheid van de bodem. Over de aanwezigheid van laatstgenoemde complexen kan enkel uitspraak gedaan worden op basis van de mate van intactheid van de bodem. Deze is naar verwachting in delen van het plangebied door landbouwwerkzaamheden aangetast, maar in hoeverre daardoor eventueel aanwezige archeologische resten verdwenen zijn, is niet bekend. Hierom is een verkennend booronderzoek in het plangebied uitgevoerd om hierover meer uitspraken te kunnen doen.
20 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
10. Resultaten veldonderzoek Onderzoeksmethodiek Het doel van het booronderzoek is het toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting in het plangebied, zoals deze is opgesteld in Hoofdstuk 9. Hiertoe is in het plangebied een verkennend booronderzoek uitgevoerd (conform het Plan van Aanpak; Melman, 2021). De boringen zijn daarbij gebruikt om de landschappelijke ligging, de bodemopbouw en de mate van intactheid hiervan te bepalen. Hiermee wordt inzicht verkregen in de gebruiksmogelijkheden voor de mens in het verleden. Op basis van deze gegevens wordt antwoord gegeven op de onderzoeksvragen zoals opgesteld in hoofdstuk 2 van dit rapport. In totaal zijn in het plangebied vijf boringen gezet (boringen 1-5). De boringen hebben een diepte van maximaal 380 cm -Mv en zijn handmatig gezet met behulp van een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. Onder het grondwater is gebruik gemaakt van een steekguts met een diameter van 3 cm. De boringen zijn gefotografeerd en beschreven volgens de NEN5104 en de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode (ASB; SIKB 2008). Foto's van een aantal boringen zijn opgenomen in bijlage 11, de beschrijvingen in bijlage 12. Na beschrijving zijn de monsters handmatig doorzocht op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De locatie van de boringen is met een meetlint bepaald aan de hand van de bestaande topografie in het plangebied.
De hoogteligging van de boringen is bepaald aan de hand van het AHN (bijlagen 5 en 6). Veldwaarnemingen Het plangebied is ten tijde van het veldonderzoek deels bebouwd met een huisartsenpraktijk in het zuidoosten, waar ten zuiden van parkeergelegenheid is gerealiseerd. De rest van het terrein is in gebruik als grasveld. Er zijn geen opvallende maaiveldhoogteverschillen waargenomen in het plangebied. Foto's van het plangebied zijn weergegeven in figuur 12.
■k\řZ'»'ll,rr
:;'V- ĩ '
åmŝmi 7 S&v ; , 1 -S:-’
■.••į-V ---____
msSk f&gjļj :
şåÊĚĚÉ
Figuur 12. Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek.
21 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
Ondergrond en lithologie Onder in boring 4, vanaf een diepte van 350 cm -Mv (4,8 m +NAP) is een pakket sterk siltig, matig fijn zand aanwezig. Het is grijsbruin tot geelbruin van kleur. In de top zijn roestvlekken aanwezig. Het zand is kalkrijk. Het zandpakket is geïnterpreteerd als pleistocene beddingafzettingen van de Formatie van Kreftenheije. Op de beddingafzettingen is een pakket matig siltige klei aanwezig. Het is grijsbruin van kleur en bevat roest- en mangaanvlekken. De klei is kalkloos en is matig stevig tot stevig. De afzettingen zijn geïnterpreteerd als (holocene) komafzettingen. De top van de komafzettingen is stevig en zwak humeus. Het is hierom geïnterpreteerd als een vegetatiehorizont. De top van deze vegetatiehorizont is aangetroffen op een diepte van 175 tot 180 cm -Mv (6,5 - 6,6 m +NAP). De komafzettingen worden afgedekt door een pakket zwak zandige, bruingrijze klei. De klei is kalkrijk en bevat roest- en mangaanvlekken. De afzettingen zijn matig stevig. In boring 3 en 4 kenmerkt het pakket zich door zand- en kleilagen. In boring 1 ontbreken deze. Er zijn plantenresten in aanwezig. De afzettingen zijn geïnterpreteerd als crevasseafzettingen vanuit de Waal. De zand- en kleilagen wijzen op wisselende stroomsnelheden, die kenmerkend zijn voor geulachtige omstandigheden.
Het plangebied bevindt zich vermoedelijk in of nabij een overloop/crevassegeul, zoals op basis van het bureauonderzoek ook werd verwacht. In de top van de crevasseafzettingen is een matig tot zwak humeus niveau aanwezig. De kleur is donkergrijs. Het is matig stevig en bevat roestvlekken. In boring 4 is grind en houtskool aanwezig. Dit betreft een vegetatiehorizont op de top van de crevasseafzettingen. De top bevindt zich op een diepte van 55 tot 60 cm -Mv (7,7 - 7,8 m +NAP). Scherp op de crevasseafzettingen is een laag sterk zandige klei aanwezig. Het is matig humeus en donkerbruingrijs. De klei bevat zandbrokken en plantenresten. Ook zijn er fragmenten modern, rood baksteenpuin, mortel, plastic en grind in aangetroffen. Dit betreft een moderne verstoringslaag in de oorspronkelijke overslagafzettingen. Boring 2 en 5 is gestaakt in ondoordringbaar bouwpuin op een diepte van 50 tot 70 cm -Mv. De dikte van het moderne verstoringspakket is 55 tot 70 cm. Archeologische interpretatie Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat er twee vegetatieniveaus in de ondergrond aanwezig zijn. Het diepste vegetatieniveau heeft zich gevormd in de top van de komafzettingen en bevindt zich op een diepte van 175 tot 180 cm -Mv (6,5 - 6,6 m +NAP). Dit vegetatieniveau is een oud loopniveau dat geschikt is geweest voor bewoning en landgebruik.
Aangezien het zich heeft gevormd in holocene komafzettingen, onder crevasseafzettingen vanuit de Waal. Op basis hiervan bestaat in dit niveau een verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum - Bronstijd. De verwachting is hoog, aangezien er in de omgeving ook voorbeelden van bewoning uit deze periodes bekend zijn. Het tweede vegetatieniveau bevindt zich in de top van de crevasseafzettingen op een diepte van 55 tot 60 cm -Mv (7,7 - 7,8 m +NAP). Er kunnen in dit niveau in theorie vindplaatsen uit de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen aangetroffen worden. De verwachting hierop is hoog aangezien het plangebied zich langs een overloopgeul bevindt en aangezien er in de omgeving al relatief veel vindplaatsen uit deze periodes bekend zijn. Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Mesolithicum worden verwacht in de top van de pleistocene afzettingen, ofwel de terrasafzettingen of komafzettingen van de Laag van Wijchen. Op deze afzettingen ontbreken vegetatieniveaus en hierom kan deze verwachting naar laag worden bijgesteld. 22 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
Voor wat betreft de periode Nieuwe tijd was de archeologische verwachting reeds laag vanuit het bureauonderzoek. Op basis van de boringen is deze verwachting bevestigd. De top van de ondergrond, bestaande uit overslagafzettingen, is recent verstoord geraakt. Deze verstoring hangt mogelijk samen met bouw- en sloopwerkzaamheden in het verleden. De verstoorde laag bestaat vermoedelijk uit overslagafzettingen die tijdens een dijkdoorbraak in de Late Middeleeuwen is afgezet.
23 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
11. Beantwoording onderzoeksvragen 1.
Hoe heeft het plangebied oorspronkelijk in het natuurlijk landschap gelegen? In het plangebied zijn pleistocene beddingafzettingen aangetroffen. Deze zijn overdekt geraakt met een pakket komklei. Vanaf de IJzertijd zijn deze komafzettingen afgedekt door crevasseafzettingen uit de Waal. In de Late Middeleeuwen heeft een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor er overslagafzettingen zijn afgezet in het plangebied.
2.
Zijn er binnen de bodemopbouw archeologisch relevante niveaus te onderscheiden en hoe diep liggen deze? In de top van de komafzettingen is een vegetatieniveau aanwezig. Dit niveau bevindt zich op een diepte van 175 tot 180 cm -Mv (6,5 - 6,6 m +NAP). In de top van de crevasseafzettingen is ook een vegetatieniveau aanwezig dat zich op een diepte van 55 tot 60 cm -Mv (7,7 - 7,8 m +NAP) bevindt.
3.
In hoeverre zijn de archeologisch relevante niveaus nog intact (verstoring, erosie, afdekkend substraat)? Scherp op het vegetatieniveau in de top van de crevasseafzettingen is een modern verstoringspakket aanwezig. Dit verstoringspakket reikt tot in de overslagafzettingen, maar heeft het archeologisch relevante niveau zelf niet of nauwelijks aangetast.
4.
Wat is de archeologische verwachting van het plangebied en in hoeverre is deze te differentiëren in laag, middelhoog en hoog? Voor de periode Laat-Paleolithicum - Mesolithicum kan een lage verwachting worden aangehouden. In de pleistocene afzettingen ontbreken vegetatieniveaus die erop wijzen dat de afzettingen langere periode droog genoeg waren voor bewoning. Voor de periode Neolithicum - Bronstijd geldt een hoge archeologische verwachting vanwege de aanwezigheid van een vegetatieniveau in de top van de (holocene) komafzettingen. Dit niveau is droog genoeg geweest voor bewoning en/of landgebruik en in de omgeving van het plangebied zijn enkele voorbeelden bekend van archeologische sporen en vondsten in dit niveau. Vanaf de IJzertijd zijn de komafzettingen afgedekt geraakt met crevasseafzettingen. In de top van de crevasseafzettingen is een vegetatiehorizont aanwezig dat een loopniveau uit de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen betreft. De verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten in dit niveau is hoog. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. Dit is gebaseerd op het ontbreken van bebouwing op historisch topografische kaarten en de moderne verstoring van de overslagafzettingen.
24 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
12. Conclusie en Advies Conclusie Op basis van het bureauonderzoek geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen. Voor de periode Laat-Paleolithicum - Bronstijd geldt een middelhoge archeologische verwachting. In de omgeving van het plangebied zijn enkele archeologische vondsten uit deze periode gedaan. Deze bevinden zich op relatief hooggelegen terrassen in de top van de pleistocene afzettingen van Wijchen of op vegetatieniveaus in de holocene komafzettingen. De archeologische verwachting in het plangebied hangt met name samen met de ligging van het plangebied op oevers of een crevasse van de Waal. De oevers van de Waal zijn mogelijk vanaf de vorming ervan in de IJzertijd een gunstige locatie voor bewoning geweest. De oevers hebben zich kunnen vormen totdat het gebied bedijkt werd in de Late Middeleeuwen. In de Late Middeleeuwen heeft bij Winssen een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor een deel van het gebied overspoeld is geraakt. Ook in de omgeving van het plangebied is een overslagdek aangetroffen. Archeologische resten uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd kunnen zodoende ook op de overslagafzettingen worden. De archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen is hierom hoog. Het plangebied bevindt zich langs een overloopgeul.
De geulen zelf zijn vermoedelijk te nat geweest voor bewoning, maar erlangs kan wel bewoning hebben plaatsgevonden, zoals in de omgeving van het plangebied reeds is aangetoond. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting, aangezien er op historisch kaartmateriaal geen bebouwing is ingetekend ter plaatse van het plangebied. Op basis van het veldonderzoek is vastgesteld dat er twee vegetatieniveaus in de ondergrond aanwezig zijn. Het diepste vegetatieniveau heeft zich gevormd in de top van de komafzettingen en bevindt zich op een diepte van 175 tot 180 cm -Mv (6,5 - 6,6 m +NAP). Op dit niveau bestaat een verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum - Bronstijd. De verwachting is hoog, aangezien er in de omgeving ook voorbeelden van bewoning uit deze periodes bekend zijn. Het tweede vegetatieniveau bevindt zich in de top van de crevasseafzettingen op een diepte van 55 tot 60 cm -Mv (7,7 - 7,8 m +NAP). Er kunnen in dit niveau in theorie vindplaatsen uit de periode IJzertijd Late Middeleeuwen aangetroffen worden. De verwachting hierop is hoog aangezien het plangebied zich langs een geul bevindt en aangezien er in de omgeving al relatief veel vindplaatsen uit deze periodes bekend zijn.
Archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum - Mesolithicum worden verwacht in de top van de pleistocene afzettingen, ofwel de terrasafzettingen of komafzettingen van de Laag van Wijchen. Op deze afzettingen ontbreken vegetatieniveaus en hierom kan deze verwachting naar laag worden bijgesteld. De lage verwachting voor de periode Late Middeleeuwen in het plangebied is bevestigd door het booronderzoek. De overslagafzettingen zijn verstoord geraakt bij recente bouw- en sloopwerkzaamheden.
Advies In het plangebied bestaat het voornemen om het bestemmingsplan te wijzigen en een gezondheidscentrum te realiseren. Op basis van het vooronderzoek geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late Middeleeuwen vanaf een diepte van 55 cm -Mv en een hoge verwachting voor de periode Neolithicum - Bronstijd vanaf een diepte van 175 cm -Mv. Wij adviseren om de hoge archeologische verwachting op te nemen in het bestemmingsplan. Hierbij adviseren wij een diepte van 35 cm -Mv vrij te stellen van archeologisch vervolgonderzoek (met een buffer van 20 cm tot het archeologisch relevante niveau). Indien bij de werkzaamheden bodemingrepen dieper dan 35 cm -Mv zijn gepland, adviseren wij om de verwachting aanvullend te toetsen met een karterend en waarderend archeologisch onderzoek, in ieder geval naar het hoogste 25 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
vegetatieniveau (op 55 - 60 cm -Mv). Indien de werkzaamheden ook het diepere niveau (op 175 - 180 cm -Mv) zullen verstoren, adviseren wij om ook dit niveau mee te nemen in het vervolgonderzoek. Het vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor het proefsleuvenonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk dat door de gemeente is beoordeeld en goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal het bevoegd gezag (de gemeente Beuningen) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied.
26 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
13. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden ^ Archeologische Monumenten Kaart (AMK), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2007. ^ Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. ^ Beleidskaart van de gemeente Beuningen ^ Verwachtingskaart van de gemeente Beuningen ^ Paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen ^ Cultuurhistorische kaart van de gemeente Beuningen ^ www.ahn.nl ^ www.ruimtelijkeplannen.nl • www.bodemloket.nl ^ www.dinoloket.nl • bagviewer.kadaster.nl • topotijdreis.nl Afbeeldingenlijst Figuur 1: Ligging van het plangebied (met rode lijnen aangegeven; bron kaart: www.pdok.nl)..............4 Figuur 2: De beoogde toekomstige indeling in het plangebied. Bron: Buro Waalbrug........................... 5 Figuur 3: Uitsnede van de kadastrale Minuutplan uit 1811-32. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: Beeldbank RCE....................................................................................................... 14 Figuur 4: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1880. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.................................................................................................14 Figuur 5: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1900.
Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.................................................................................................15 Figuur 6: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1930. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.................................................................................................15 Figuur 7: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1955. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.................................................................................................16 Figuur 8: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1980. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.................................................................................................16 Figuur 9: Detailuitsnede van een topografische kaart uit 1997. Het plangebied is met rode lijnen weergegeven. Bron: www.topotijdreis.nl.................................................................................................17 Figuur 10: Recente luchtfoto van het plangebied. Bron: www.pdok.nl................................................... 17 Figuur 11: Kabels en leidingen in het plangebied. Bron: KLIC..................................................................18 Figuur 12.
Foto's van het plangebied ten tijde van het veldonderzoek................................................... 21 Literatuur ^ ^ ^ ^
Bakker, H. de, 1966. De subgroepen van het systeem voor bodemclassificatie voor Nederland. In: Boor en Spade Bennema, J. en L.J. Pons, 1952, Donken, fluviatiel Laagterras en Eemzee-afzettingen in het westelijk gebied van de grote rivieren. Boor en Spade 5: 126-137 Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland, Assen Berendsen, H.J.A. en E. Stouthamer (eds.), 2001. Palaeogeographical development of the RhineMeuse delta, the Netherlands. Assen. 27 transect: archeologie, erfgoed, ruimte
V
^ ^ ^
^ ^ ^ ^ ^
^ ^ ^ ^ ^ ^
Berkel, G. van, en K. Samplonius, 2006. Nederlandse plaatsnamen en herkomst en historie. Utrecht: Het Spectrum Cohen, K.M., E. Stouthamer, H.J. Pierik, A.H. Geurts, 2012. Digitaal Basisbestand Paleogeografie van de Rijn-Maas Delta. Dept. Fysische Geografie. Universiteit Utrecht. Digitale Dataset Hanemaaijer, M., en E. Eimermann, 2014. Ir. van Stuivenbergweg 39, Winssen, gemeente Beuningen: een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen. Bureau voor Archeologie Rapport 2014.43 Hendriksen, M.T.C., 2019. Waterberging Kennedysingel te Winssen, gemeente Beuningen, archeologisch vooronderzoek. Proefsleuvenonderzoek. RAAP-rapport 4115. Heunks, E., en F. van Hemmen, 2007. Gemeente Beuningen; een archeologische en cultuurhistorische inventarisatie. RAAP-rapport 1603. Kuijl, E.E.A., van der, 2015. Bureauonderzoek en Karterend Booronderzoek Haneman 2a te Winssen. Hamaland Advies rapport Lepage, H.A.S., 2019. Winssen, Molenstraat 20, gemeente Beuningen (GD). Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Transect-rapport 1945. Lepage, H.A.S. en J.G.E. Melman, 2019. Winssen, Notaris Stephanus Roesstraat 16. Gemeente Beuningen (GD). Een Archeologisch Bureauonderzoek (BO) en Inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase. Transect-rapport 2260. Loopik, J. en J. Claeys, 2010.