Bijlage 01: Toelichting - Diverse bodemonderzoeken - Locatie Verlengde Molenstraat 7A
Tekst van het document
Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommeí T: 0418-572060 info@verhoevenmilieu.nl www.verhoevenmilieu.nl
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V. Van Voordenpark 16 5301 KP Zaltbommel TEL: 0418-572060 www.verhoevenmilieu.nl info@verhoevenmilieu.nl
RAPPORT:
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen
PROJECTNUMMER:
B20.7765 Versie 01
OPDRACHTGEVER:
Aannemersbedrijf Fa. Jacobs
DATUM:
30 oktober 2020
Auteur:
Autorisatie:
M. Schimmel Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
Ing. H.M.W. van der Donk Senior Projectleider Verhoeven Milieutechniek B.V.
B20.7765/R7765-01/MS Alle informatie in deze rapportage mag NIET worden verveelvoudigd, gekopieerd, gepubliceerd, opgeslagen, aangepast of gebruikt in welke vorm dan ook, online of offline, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
2
SAMENVATTING
Aannemersbedrijf Fa. Jacobs heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en eindsituatie bodemonderzoek, inclusief een historisch onderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Verlengde Molenstraat 7A te Winssen. Voorafgaand is een historisch onderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 met kenmerk VMT/B20.7765/HO-01/MM, d.d. 19 juni 2020. De onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling. De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief PFAS en asbest) op de onderzoekslocatie vast te stellen. Tevens wordt de eindsituatie vastgelegd ter plaatse van de (voormalige) bodembedreigende activiteiten. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5740/AT2016 en de NEN 5707:2015^2:2017. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Conclusies historisch onderzoek
Uit de resultaten van de beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren: » Op de locatie en in de directe omgeving zijn glastuinbouw en/of boomgaarden aanwezig (geweest). Derhalve is de onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Daarnaast worden de parameters arseen en chroom aanvullend onderzocht i.v.m. de kas; Van de onderzoekslocatie zelf zijn beperkte en niet actuele bodemkwaliteitsgegevens bekend. Uit het nulsituatie onderzoek uit 2001 zijn geen verhoogde gehalten aangetoond in het onderzochte grond- en grondwatermonster. Ten noordoosten van onderhavige onderzoekslocatie zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond in de onderzochte grond- en grondwatermonsters; » Op basis van de milieutekening is ten oosten van de het glastuinbouwcomplex een mestvaalt van circa 50 m3 aanwezig.
Tijdens het locatie bezoek is deze niet aangetroffen, waardoor het een voormalige mestvaalt betreft; » Op basis van historisch kaartmateriaal zijn op de locatie naar verwachting twee gedempte sloten aanwezig; » Voor zover bekend zijn op onderhavige onderzoekslocatie geen (brandstof)tanks aanwezig (geweest); » In het glastuinbouwcomplex is een aanmaakplaats voor bestrijdingsmiddelen en/of meststoffen aanwezig; » Aangezien het glastuinbouwcomplex is gebouwd in een asbestverdachte tijd en daarnaast bodemvreemde bijmengingen worden verwacht in de te onderzoeken grond, is onderhavige onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest; » Uit het locatiebezoek blijkt dat in het glastuinbouwcomplex betonverhardingen aanwezig zijn. Op basis hiervan zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie de volgende bijzonderheden en/of bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest), waar verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd: 1. Algemene bodemkwaliteit verdacht op basis van huidig (glastuinbouwcomplex) en voormalig (boomgaard) gebruik; 2. Teeltlaag verdacht op bestrijdingsmiddelen (OCB); 3. Gedempte sloten; 4. Aanmaakplaats voor bestrijdingsmiddelen en/of meststoffen; 5. Voormalige mestvaalt.
Daarnaast dient aanvullend onderzoek naar PFAS in de grond te worden verricht, mede gezien het feit dat in de toekomst mogelijk grond wordt afgevoerd van de locatie. Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
3
Opgemerkt wordt wel dat het voorgaand onderzoek van Bodemstaete uit 2001 zeer beperkt is, niet voldoende uitgevoerd ter plaatse van de activiteiten en onbetrouwbaar wordt geacht (Bodemstaete, frauderend bedrijf zoals vastgesteld door de VROM-inspectie en Inspectie Verkeer en Waterstaat in begin 2009). Conclusies verkennend en eindsituatie bodemonderzoek
Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreinigingen met diverse NEN, arseen en chroom parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten dient formeel de gestelde hypothese te worden aangenomen, aangezien plaatselijk in het grondwater een licht verhoogd gehalte voor minerale olie is aangetoond dat de norm voor nader onderzoek overschrijdt. In de ondergrond, waar minerale olie is aangetoond in het grondwater, werden geen verhoogde gehalten voor minerale olie aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. In de overige onderzochte grond- en grondwatermonsters voor de algemene kwaliteit zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond, waarbij de indexwaarde van 0,5 niet wordt overschreden, waardoor hier verder geen vervolgstappen noodzakelijk zijn in het kader van de Wbb. Huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten Voor de huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten op de locatie is de hypothese gesteld van verdachte deellocaties met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien zowel in de onderzochte grond als in het onderzochte grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond voor de parameters die niet per definitie kunnen worden gerelateerd aan de huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten. De aangetoonde licht verhoogde gehalten komen overeen met de algemene kwaliteit ter plaatse van de gehele locatie, waardoor deze niet worden gerelateerd aan de huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten. Aangezien tijdens voorgaand onderzoek slechts 3 boringen waren geplaatst, waarvan 1 in de kas en 2 buiten de kas en de situering hiervan last te achterhalen was, kan geen goede vergelijking worden gemaakt. Daarom kan ons inziens worden geconcludeerd dat de huidige en voormalige bodembedreigende activiteiten op de locatie niet hebben geleid tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. Teeltlaag onderzoek Voor de teeltlaag is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond voor OCB. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden.
Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. PFAS Op basis van de resultaten voor de PFAS parameters in de onderzochte grondmengmonsters MMPFAS01 en MMPFAS02 van de grond (0,0-1,0 m-mv, klei) voldoet de grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor deze grond wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden. Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
4
Conclusies verkennend onderzoek naar asbest
Voor wat betreft asbest is voor de locatie een hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen. Tijdens de veldwerkzaamheden is op zowel het maaiveld als in de opgeboorde en opgegraven grond geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen (fractie > 20 mm). Analytisch (fractie < 20 mm) is in de zintuiglijk schone bovengrond van proefgaten B20 en B22 (MMASB03) circa 21 mg/kg d.s voornamelijk hechtgebonden asbest aangetoond. Het gehalte blijft ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. alsmede onder de norm voor nader onderzoek ^ 50 mg/kg d.s.). In de overige onderzochte grond (MMASB01 en MMASB02) is analytisch geen asbest aangetoond. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. Algehele conclusies en aanbevelingen
Middels onderhavige onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de Verlengde Molenstraat 7A te Winssen ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling formeel gezien in nog onvoldoende mate vastgelegd. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in het grondwater uit peilbuis PB01 een verhoogd gehalte voor minerale olie aangetoond dat formeel gezien de norm voor nader onderzoek overschrijdt. Aangezien in de betreffende grond, waar eveneens zintuiglijk olie is waargenomen, geen verhoogd gehalte voor minerale olie is aangetoond en er geen duidelijke verontreinigingsbron aanwezig is, wordt aangenomen dat sprake is van historische verontreiniging (ontstaan voor 1987). Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Aangezien de interventiewaarde vooralsnog niet wordt overschreden is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Geadviseerd wordt om het grondwater uit peilbuis PB01 (in een later stadium) te herbemonsteren voor analyse op minerale olie in verband met de overschrijding van de index van een 0,5 om te bevestigen of daadwerkelijk geen sprake is van een sterk verhoogd gehalte voor minerale olie of dat alsnog een nader onderzoek uitgevoerd dient te worden om te bepalen of sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ons inziens is de eindsituatie ter plaatse van de huidige en voormalige bodembedreigende activiteiten wel in voldoende mate vastgelegd. Geconcludeerd wordt dat de aanwezigheid van de huidige en voormalige bodembedreigende activiteiten niet hebben geleid tot een verslechtering van de bodemkwaliteit, zoals onderbouwd in paragraaf 9.1. Op basis van de resultaten van het PFAS-onderzoek voldoet de onderzochte grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens grondwaterbeschermingsgebieden. Daarnaast kunnen gebiedsspecifiek zowel strengere als minder strenge eisen gelden. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat bij ontgraven, afvoeren en toepassen elders de regels van de Regeling en het Besluit bodemkwaliteit van toepassing zijn en mogelijk aanvullende keuringen worden verlangd.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
5
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING..................................................................................................................................................2 1.
INLEIDING....................................................................................................................................................6
2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN................................................................................... 6
3.
LOCATIEGEGEVENS................................................................................................................................ 6 3.1. Algemene gegevens.................................................................................................................................................................. 6 3.2. Resultaten historisch onderzoek (NEN 5725)................................................................................. 6
4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE........................................................................................... 7 4.1. Bodemopbouw...............................................................................................................................................................................7 4.2. Geohydrologie........................................................................................................................................................................... 7
5.
HYPOTHESE.................................................................................................................................................8
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK............................................................................................................. 8 6.1. Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken................................................................................................... 8 6.2. Veldwerkzaamheden.............................................................................................................................................................. 9
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE......................................................................... 11 7.1. Grond/grondwater................................................................................................................................................................11 7.2. Asbest.............................................................................................................................................................................................. 12
8.
RESULTATEN.............................................................................................................................................13 8.1. ZINTUIGLIJKE WAARNEMINGEN............................................................................................................... 13 8.2. Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten............................................................................... 13 8.3. Interpretatie analyseresultaten..............................................................................................................................16
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELING........................................................................................................ 19 9.1. Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek.................................................................................................. 19 9.2. Verkennend onderzoek naar asbest..........................................................................................................................20 9.3. Algehele conclusie en aanbevelingen................................................................................................................... 20
10.
REFERENTIES........................................................................................................................................... 21
BIJLAGEN
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
Situering in de regio Situatieschets met geplaatste (beton)boringen, peilbuizen en proefgaten Boorprofiel beschrijvingen Analysecertificaten grond, grondwater en asbest Streef-, achtergrond- en interventiewaarden grond en grondwater Toetsingstabellen PFAS Veldwerkformulieren asbestonderzoek Historisch onderzoek
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
6
1.
INLEIDING
Aannemersbedrijf Fa. Jacobs heeft Verhoeven Milieutechniek B.V. (VMT) opdracht gegeven voor het uitvoeren van een verkennend en eindsituatie bodemonderzoek, inclusief een historisch onderzoek en een verkennend onderzoek naar asbest voor de onderzoekslocatie gelegen aan de Verlengde Molenstraat 7A te Winssen. Voorafgaand is een historisch onderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 [1] met kenmerk VMT/B20.7765/HO-01/MM, d.d. 19 juni 2020. De onderzoeken zijn uitgevoerd in het kader van de voorgenomen herontwikkeling. De onderzoeken zijn uitgevoerd conform de normen NEN 5740/AT2016 [2] en de NEN 5707:2015^2:2017 [3]. Verhoeven Milieutechniek B.V. (certificaatnummer: EC-SIK-20250, geldig tot 20-6-2022, afgegeven door Normec Certification) is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (versie 6). Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek. Namens Verhoeven Milieutechniek B.V. zijn de werkzaamheden gecoördineerd door mevrouw ing. M. Hennekes en de heer ing. H.M.W. van der Donk. 2.
DOELSTELLINGEN VAN DE ONDERZOEKEN
De onderzoeken hebben tot doel de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem (inclusief PFAS en asbest) op de onderzoekslocatie vast te stellen. Tevens wordt de eindsituatie vastgelegd ter plaatse van de (voormalige) bodembedreigende activiteiten. 3.
LOCATIEGEGEVENS 3.1.
Algemene gegevens
De onderzoekslocatie betreft de Verlengde Molenstraat 7A te Winssen en staan kadastraal bekend als gemeente Ewijk, sectie G, nummer 724. De totale oppervlakte bedraagt circa 2.655 m2. De onderzoekslocatie betreft een glastuinbouwcomplex met naastgelegen weiland met (fruit)bomen. Voor de situering van het perceel in de regio wordt verwezen naar bijlage 1. 3.2.
Resultaten historisch onderzoek (NEN 5725)
Voorafgaand aan de diverse onderzoeken is reeds een historisch vooronderzoek uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 (Verhoeven Milieutechniek B.V., kenmerk: VMT/B20.7765/HO01/MM, d.d. 19 juni 2020). Hieronder staan de conclusies van het historisch onderzoek vermeld. Voor de volledigheid is het complete rapport opgenomen als bijlage 8. Uit de resultaten van de beschikbare gegevens komen de volgende aandachtspunten naar voren: » Op de locatie en in de directe omgeving zijn glastuinbouw en/of boomgaarden aanwezig (geweest). Derhalve is de onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Daarnaast worden de parameters arseen en chroom aanvullend onderzocht i.v.m. de kas; Van de onderzoekslocatie zelf zijn beperkte en niet actuele bodemkwaliteitsgegevens bekend. Uit het nulsituatie onderzoek uit 2001 zijn geen verhoogde gehalten aangetoond in het onderzochte grond- en grondwatermonster. Ten noordoosten van onderhavige onderzoekslocatie zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond in de onderzochte grond- en grondwatermonsters; » Op basis van de milieutekening is ten oosten van de het glastuinbouwcomplex een mestvaalt van circa 50 m3 aanwezig.
Tijdens het locatie bezoek is deze niet aangetroffen, waardoor het een voormalige mestvaalt betreft; » Op basis van historisch kaartmateriaal zijn op de locatie naar verwachting twee gedempte sloten aanwezig; Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
jA ^ VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
7
» Voor zover bekend zijn op onderhavige onderzoekslocatie geen (brandstof)tanks aanwezig (geweest); » In het glastuinbouwcomplex is een aanmaakplaats voor bestrijdingsmiddelen en/of meststoffen aanwezig; » Aangezien het glastuinbouwcomplex is gebouwd in een asbestverdachte tijd en daarnaast bodemvreemde bijmengingen worden verwacht in de te onderzoeken grond, is onderhavige onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van een bodemverontreiniging met asbest; » Uit het locatiebezoek blijkt dat in het glastuinbouwcomplex betonverhardingen aanwezig zijn. Op basis hiervan zijn ter plaatse van de onderzoekslocatie de volgende bijzonderheden en/of bodembedreigende activiteiten aanwezig (geweest), waar verkennend bodemonderzoek dient te worden uitgevoerd: 4. Algemene bodemkwaliteit verdacht op basis van huidig (glastuinbouwcomplex) en voormalig (boomgaard) gebruik; 5. Teeltlaag verdacht op bestrijdingsmiddelen (OCB); 6. Gedempte sloten; 4. Aanmaakplaats voor bestrijdingsmiddelen en/of meststoffen; 5. Voormalige mestvaalt. Daarnaast dient aanvullend onderzoek naar PFAS in de grond te worden verricht, mede gezien het feit dat in de toekomst mogelijk grond wordt afgevoerd van de locatie.
Opgemerkt wordt wel dat het voorgaand onderzoek van Bodemstaete uit 2001 zeer beperkt is, niet voldoende uitgevoerd ter plaatse van de activiteiten en onbetrouwbaar wordt geacht (Bodemstaete, frauderend bedrijf zoals vastgesteld door de VROM-inspectie en Inspectie Verkeer en Waterstaat in begin 2009). De relevante historische informatie is opgenomen als bijlage 8. 4.
BODEMOPBOUW EN GEOHYDROLOGIE
Bij de bepaling van de regionale bodemopbouw en hydrogeologie zijn de gegevens van de websites www.dinoloket.nl en https://www.grondwatertools.nl gebruikt. 4.1.
Bodemopbouw
Op de onderzoekslocatie is vermoedelijk een circa 5 meter dikke slecht doorlatende deklaag aanwezig. De deklaag is samengesteld uit Holocene afzettingen, bestaande uit zandige klei, midden en fijn zand. Het onderliggende goed doorlatende eerste watervoerende pakket is circa 45 meter dik en bestaat voornamelijk uit midden en grof zand van de Formaties van Kreftenheye, Peize en Waalre. Vanaf circa 50 m-mv bevinden zich scheidende lagen bestaande uit hoofdzakelijk uit zandige klei, klei en midden zand behorend tot de Formatie van Waalre. 4.2.
Geohydrologie
Het grondwater stroomt naar verwachting globaal in noordwestelijke richting, richting de nabijgelegen Waal. De stromingsrichting van het ondiepe grondwater wordt verdeer beïnvloed door lokale factoren, zoals het drainagepatroon, oppervlaktewater, de ligging van rioleringen en de aanwezigheid van zandlichamen (voor kabels, leidingen en funderingen). De locatie is voor zover bekend niet gelegen binnen een grondwaterbeschermingsgebied.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
8
5.
HYPOTHESE
Op basis van de bekende gegevens wordt voor de algemene kwaliteit, de huidige en voormalige bodembedreigende activiteiten uitgegaan van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging (incl. OCB, arseen en chroom). Voor wat betreft asbest (bodem en puinlagen) wordt eveneens uitgegaan van een verdachte locatie. Tevens betreffen de aanwezigheid van PFAS in de bodem en de gedempte sloten aandachtspunten.
6.
OPZET VAN HET ONDERZOEK 6.1.
Onderzoeksstrategieën diverse onderzoeken
Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Algemene kwaliteit (incl. gedempte sloten) Voor de onderzoeksopzet naar de algemene bodemkwaliteit wordt de NEN 5740:2009^1:2016 gehanteerd conform de verdachte heterogene niet-lijnvormige strategie (VED-HE-NL) voor een oppervlakte van maximaal 3.000 m2. Alle boringen worden doorgezet tot minimaal 1,0 m-mv in verband met de aanwezige (beton)verharding en de aanwezige bedrijfsactiviteiten. Ter plaatse van de vermoedelijke locaties van de gedempte sloten worden dwarsraaien van elk drie boringen tot circa 2,0 m-mv geplaatst in verband met de gedempte sloten. Hiervoor is een extra grondanalyse opgenomen. In verband met het voormalig gebruik als tuinbouwbedrijf (waarbij met mestproducten werd gewerkt) worden alle grond- en grondwatermonsters geanalyseerd op een standaard NEN-pakket, aangevuld met arseen en chroom. Teeltlaagonderzoek Aanvullend wordt een teeltlaagonderzoek uitgevoerd conform dezelfde verdachte strategie als voor de algemene kwaliteit, waarbij de teeltlaag afzonderlijk wordt bemonsterd en geanalyseerd op organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB).
Eindsituatie onderzoek aanmaakplaats voor bestrijdingsmiddelen en/of meststoffen en voormalige mestvaalt Ter plaatse van de aanmaakplaats voor bestrijdingsmiddelen en/of meststoffen en ter plaatse van de voormalige mestvaalt wordt de onderzoeksstrategie “verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting” (VEP) gehanteerd voor een locatie van maximaal 100 m2. Van deze (voormalige) bodembedreigende activiteiten wordt tevens de eindsituatie vastgelegd. PFAS De onderzoeksopzet voor het onderzoek naar PFAS is afgeleid van de onderzoeksstrategie zoals beschreven in de NEN5740/AL2016 voor een diffuus belaste niet-lijnvormige locatie met een homogeen verdeelde verontreinigde stof (VED-HO-NL). Hierbij wordt de oppervlakte naar boven afgerond, waardoor sprake is van een maximale oppervlakte van 1 ha. Het onderzoek naar PFAS is uitgevoerd conform het tijdelijk handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, zoals verstrekt aan de Tweede Kamer (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020). Dit handelingskader zal juridisch worden verankerd via een wijziging in de Regeling bodemkwaliteit; tot die tijd wordt het handelingskader gevolgd. Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
JçN^ VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
9
Verkennend onderzoek naar asbest in grond De onderzoeksopzet voor het verkennend onderzoek naar asbest is opgesteld conform de onderzoeksstrategie voor een diffuus belaste locatie met een heterogeen verdeelde verontreiniging uit de NEN 5707/02:2017 voor een locatie van maximaal 3.000 m2. Voorafgaand aan het verkennend onderzoek naar asbest wordt een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Zintuiglijk kan tot 20 mm worden beoordeeld of asbestverdachte materialen aanwezig zijn. Voor de fractie < 20 mm dient dit middels een analyse te worden geverifieerd. De mengmonsters van de meeste verdachte grond- en/of puinlagen worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015 ^ 20 mm). De meest verdachte grondlagen worden geanalyseerd op een kwalitatieve/kwantitatieve analyse op asbest conform NEN5898:2015: asbest in grond ^ 20 mm). 6.2.
Veldwerkzaamheden
Algemeen Z certificering Verhoeven Milieutechniek B.V. is gecertificeerd conform BRL SIKB 2000 (certificatienr: EC-SIK-20250 geldig tot 20-06-2022, afgegeven door Normec Certification). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd onder certificaat conform de geldende NEN/NPR-normen, conform BRL SIKB 2000 (versie 6), protocol 2001, het plaatsen van handboringen en peilbuizen (versie 6), protocol 2002: het nemen van grondwatermonsters (versie 6) en protocol 2018: locatieinspectie en monsterneming van asbest in bodem (versie 6). De peilbuizen zijn, na een standtijd van minimaal één week, bemonsterd. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd met behulp van een schep, Edelmanboor, kernboor en zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op het voorkomen van puin en/of asbest (fractie > 20 mm). Tevens is gebruik gemaakt van een oliedetectiepan om de grond te beoordelen op het voorkomen van olie-waterreacties. In tabel 6.1 zijn de uitvoeringsdata, gehanteerde protocollen en gecertificeerde medewerker weergegeven. Tabel 6.1: Uitvoeringsdata en gehanteerde onderzoeksprotocollen Data
Bedrijf
28 september 2020
Verhoeven Milieutechniek B.V.
Gecertificeerde medewerker De heer M.A.H. van Baal
7 oktober 2020
Verhoeven Milieutechniek B.V.
De heer C.C.G. van Rossum
Protocol BRL SIKB 2001 (v. 6) 2018 (v. 6) 2002 (v. 6)
Verhoeven Milieutechniek B.V. heeft op geen enkele wijze belangen bij de uitkomsten van het bodemonderzoek.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
10
Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek Grond Ten behoeve van het verkennend en eindsituatie bodemonderzoek zijn in totaal 28 boringen (B01 t/m B22) geplaatst. Hierbij zijn de boringen PB02 en PB04 afgewerkt met een peilbuis, waarbij PB04 op de perceelsgrens nabij de bovengrondse tank op naastgelegen perceel is gesitueerd. Ter plaatse van de drie gedempte sloten zijn de raaiboringen B16A-C, B19A-C en B21A-C geplaatst. De betonboringen PB01, B02, B03, B10 en B13 zijn geplaatst in de aanwezige betonverharding in de kas. In tabel 6.2 zijn de uitgevoerde veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 6.2: Uitgevoerde veldwer ízaamheden Delllocatie Aanmaakplaats bestrijdingsmiddelen en meststoffen Voormalige mestvaalt Overig terrein
Boringen tot circa 1,0 m-mv -
Boringen tot circa 2,0 à 2,5 m-mv B01, B03
Peilbuis (filterstelling m-mv) PB02 (2,50 - 3,50)
B05, B06, B07 B08 t/m B15, B18, B20
B16A-C, B17, B19A-C, B21A-C, B22
PB04 (2,50 - 3,50) -
Toelichting hij tabel 6.2: Geen boring geplaatst tot bovenstaande diepte.
Grondwater Het grondwater uit de peilbuizen PB02 en PB04 is, na een standtijd van minimaal één week en twee keer afpompen, op 7 oktober 2020 bemonsterd. De bemonstering heeft plaatsgevonden volgens de techniek van lage- troebelheidsbemonstering, waarbij de grondwaterstand (GWS), zuurgraad (pH), geleidbaarheid (EC) en troebelheid van het grondwater in het veld zijn bepaald. Verkennend onderzoek naar asbest Ten behoeve van het verkennend onderzoek naar asbest is op de locatie allereerst een locatie- en maaiveldinspectie uitgevoerd. Hieruit is gebleken dat het maaiveld op de onderzoekslocatie deels bedekt met vegetatie en verhardingen (totaal 30 %). Ondanks de aanwezige verhardingen heeft een efficiënte maaiveldinspectie ( > 25% zichtbaar) plaats kunnen vinden. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte plaatmaterialen (fractie > 20 mm) waargenomen. Ten behoeve van de onderzoeksopzet zijn uiteindelijk in totaal 14 proefgaten (PB04, B06 t/m B09, B11, B12, B14, B16, B17 t/m B19 ter plaatse en rondom de kas en proefgaten B20 en B22 op het achterterrein) met een omvang van 0,3 m x 0,3 m tot minimaal 0,5 m-mv gegraven. Voor de inspectie van de ondergrond zijn alle proefgaten doorgezet middels een Edelmanboor met een diameter van 12 cm tot minimaal 1,0 m-mv.
Om een bodemverontreiniging met asbest vast te stellen is, per proefgat, de grove fractie ^ 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte (plaat)materialen ^ 20 mm) aangetroffen. In het veld zijn conform de onderzoeksopzet 3 grondmengmonsters samengesteld en aangeboden aan het lab voor analyse op asbest conform de NEN 5898:2015 (fractie < 20 mm). Een overzicht van de samengestelde mengmonsters voor asbest met uitgevoerde analyses is in tabel 8.5 van hoofdstuk 8 weergegeven. De veldwerkformulieren van het asbestonderzoek zijn opgenomen als bijlage 7. Met het plaatsen van de (beton)boringen, proefgaten en peilbuizen is rekening gehouden met de bekende gegevens. De veld- en laboratoriumwerkzaamheden voor de diverse onderzoeken zijn zoveel als mogelijk gecombineerd. Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
11
7.
WIJZE VAN BEOORDELING EN INTERPRETATIE 7.1.
Grond/grondwater
De verontreinigingssituatie van de bodem kan worden beoordeeld door toetsing van de gemeten gehaltes in grond en/of grondwater aan de streef-, achtergrond- en interventiewaarden. De achtergrondwaarden voor grond zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [4]. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. De streefwaarden geven voor het grondwater het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingsbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor het grondwater aan. De achtergrondwaarden geven voor de grond het niveau aan waarbij sprake is van een duurzame bodemkwaliteit. In het bodembeschermingbeleid geven zij het te bereiken en te behouden kwaliteitsniveau voor de grond aan. De interventiewaarden geven aan wanneer de functionele eigenschappen die de bodem heeft voor mens, dier en plant ernstig zijn of dreigen te worden verminderd. Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde.
De achtergrond- en interventiewaarden voor de vaste bodem zijn gerelateerd aan het lutum- en/of het organische stofgehalte van de bodem. Om de verkregen analyseresultaten te kunnen toetsen aan de achtergrond- en interventiewaarden worden de meetwaarden, met behulp van de analytisch vastgestelde gehalten aan lutum en/of organische stofgehalte, teruggerekend naar gestandaardiseerde meetwaarden (GSSD). Indien de lutum en/of organische stofgehalten niet analytisch zijn vastgesteld, zijn ze aan de hand van de zintuiglijke waarnemingen, in combinatie met de overige analyseresultaten, ingeschat. Aan de hand van bovenstaande waarden wordt een index berekend. De index wordt voor grond berekend met de formule: (GSSD - achtergrondwaarde) Z (interventiewaarde achtergrondwaarde). Voor grondwater wordt de achtergrondwaarde in de formule vervangen door de streefwaarde. Indien de index groter is dan 1 wordt de interventiewaarde overschreden. Uit de toetsing van de GSSD aan de streef-, achtergrond-, en interventiewaarden kan het volgende worden afgeleid: " Bij een overschrijding van de streef- en/of achtergrondwaarde is het vermoeden van bodemverontreiniging bevestigd. " Bij een berekende index groter dan 0,5 bestaat het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Middels de uitvoering van de aanvullende analyses, mogelijk gevolgd door een nader bodemonderzoek, dient de omvang van de verontreiniging(en) te worden bepaald. Afhankelijk van de resultaten wordt het vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging bevestigd dan wel verworpen. In het eerste geval dient overgegaan te worden tot de uitvoering van een saneringsonderzoek, gevolgd door een sanering.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
12
Momenteel wordt gewerkt aan het toevoegen van toetsingswaarden voor PFAS aan de Regeling bodemkwaliteit tot die tijd moet het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (geactualiseerd d.d. 2 juli 2020), worden gehanteerd. In het tijdelijk handelingskader hergebruik is vastgesteld dat voor de functieklasse “landbouw/ natuur” (achtergrondwaarde) voor PFOA een toepassingsnorm van 1,9 ^g/kg d.s. wordt gehanteerd en voor alle overige PFAS stoffen een toepassingsnorm van 1,4 ^g/kg d.s. Voor de functieklassen “wonen” en “industrie” geldt een toepassingsnorm van 7 ^g/kg d.s. voor PFOA en 3 ^g/kg d.s. voor de overige PFAS stoffen en GenX. Aanvullend wordt opgemerkt dat deze gehalten door gebiedsspecifiek beleid zowel strenger als minder streng kunnen zijn. Het is nu nog niet mogelijk om interventiewaarden voor PFAS te bepalen. Daarom heeft het RIVM (d.d. 5 maart 2020) voorlopige waarden afgeleid: de Indicatieve Niveaus voor Ernstige Verontreiniging (INEV). Met de INEV’s kunnen gemeenten en provincies bepalen waar de bodem ernstig verontreinigd is en of meer onderzoek nodig is. Als de concentraties onder de INEV’s blijven, zijn er doorgaans geen onaanvaardbare risico’s voor mens of milieu. 7.2.
Asbest
De interventiewaarde voor asbest in de grond is vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin is opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit [4] en bedraagt in beide gevallen 100 mg/kg d.s. gewogen asbestconcentratie (serpentijnconcentratie vermeerderd met tienmaal de amfiboolconcentratie). De aangetroffen concentraties voor asbestverdachte grond- en/of puinmonsters en aan asbestverdachte plaatmaterialen worden teruggerekend naar het in het veld geïnspecteerde volume en vervolgens getoetst aan de interventiewaarde bodemsanering. Als tijdens de analyse van asbest in fijne fractie ^ 20 mm) blijkt dat er in een monster niethechtgebonden asbest is aangetroffen en dat er losse vezels zijn aangetroffen in de fractie < 500 ^m, wordt in de NEN 5898 geadviseerd een onderzoek naar het aantal respirabele vezels uit te voeren middels een Stereo Electro Microscoop (SEM) analyse. Als tijdens het onderzoek naar asbest in de grond een gewogen asbestgehalte van meer dan 1.000 mg/kg d.s. (hechtgebonden) en/of meer dan 100 mg/kg d.s. (niet-hechtgebonden) wordt aangetoond, moet op basis van de risicobeoordeling in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 [5] eveneens een onderzoek naar de respirabele vezels worden uitgevoerd.
Indien de gewogen asbestconcentratie groter is dan de halve interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde, bestaat het vermoeden van een geval van ernstige (bodem)verontreiniging. Het uitvoeren van een nader onderzoek naar asbest is dan verplicht. De hoogst berekende waarde binnen een (deel)locatie is hiervoor bepalend. Er is sprake van een geval van ernstige verontreiniging met asbest indien de berekende concentratie binnen een ruimtelijke eenheid hoger is dan de interventiewaarde/maximale samenstellingswaarde. Het vaststellen van de gemiddelde gewogen asbestconcentratie dient te worden uitgevoerd conform de NEN 5707/NEN5897. Als respirabele vezels in de bovengrond (contactzone, of diepte graafwerkzaamheden) worden aangetoond en het gewogen gehalte van 10 mg/kg d.s. wordt overschreden is reeds sprake van “onaanvaardbare risico’s buiten”. Opgemerkt wordt dat het volumecriterium voor een bodemverontreiniging met asbest niet van toepassing is bij het vaststellen van de ernst.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
13
8.
RESULTATEN 8.1.
Zintuiglijke waarnemingen
De bodem op de onderzoekslocatie bestaat vanaf maaiveld/onderzijde verharding tot circa 2,0 m mv uit sterk zandige klei, gevolgd door sterk siltige klei tot circa 3,5 m-mv. Hieronder is matig fijn, zwak siltig, matig grindig zand aangetroffen tot de maximaal geboorde diepte van circa 4,7 m-mv. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn zintuiglijk geen bijmengingen waargenomen in het opgeboorde en opgegraven materiaal. Wel is ter plaatse van de boring PB01 in de kleiige ondergrond van circa 2,0 m-mv tot maximaal 3,5 m-mv een zwakke olie-water reactie waargenomen. Verder zijn tijdens de visuele inspectie van het maaiveld en de opgeboorde/opgegraven grond en/of puin geen asbestverdachte materialen ^ 20 mm) en overige waarnemingen gedaan die duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging. De volledige boorprofiel beschrijvingen zijn opgenomen als bijlage 3. 8.2.
Laboratoriumwerkzaamheden en analyseresultaten
De analyses zijn uitgevoerd door het geaccrediteerde laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. te Rotterdam (grond, grondwater en asbest). De analysecertificaten zijn opgenomen als bijlage 4. De achtergrondwaarden voor grond en maximale samenstellingswaarde voor asbest in puin zijn opgenomen in de Regeling bodemkwaliteit. De meest recente streef- en interventiewaarden voor grondwater en interventiewaarden voor grond en asbest in grond zijn vermeld in de Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013 en worden gebruikt voor de toetsing van de analyseresultaten. Een volledig overzicht van de toetsings- en analyseresultaten voor de grond en het grondwater is opgenomen als bijlage 5. Het analytisch onderzoek naar PFAS is uitgevoerd door het laboratorium van SYNLAB Analytics & Services B.V. die gevalideerd is voor het uitvoeren van deze analyses conform de Duitse norm DIN 38414-14. Aangezien deze parameters vooralsnog niet conform AS3000 en/of AP04 kunnen worden erkend is dit het hoogste haalbare en zijn de analyseresultaten representatief voor het uitgevoerde bodemonderzoek. De toetsingsresultaten van de PFAS analyses zijn opgenomen in bijlage 6. Tevens worden de PFAS resultaten indicatief getoetst aan de vastgestelde INEV’s. In tabel 8.1 is een overzicht opgenomen van de opmerkingen die aan de analysecertificaten zijn toegevoegd.
Tabel 8.1: Opmerkingen analysecertificaten Certificaat - nummer Grond 13323677
(Meng)monster
Parameter
Opmerking
Toelichting
MM04
Individuele PAK en PCB
Er zijn componenten aanwezig die een storende invloed hebben op de meting. Om die reden is de onzekerheid in het resultaat vergroot.
MMOCB03
P,p-DDT
Aangezien de som parameters voor PCB, PAK de index van 0,5 niet overschrijden, wordt de eindconclusie van dit onderzoek naar verwachting niet beïnvloed. Aangezien de som parameter voor DDT de achtergrondwaarde niet overschrijdt, wordt de eindconclusie van dit onderzoek naar verwachting niet beïnvloed.
Toelichting hij tabel 8.1: PCB Polychloorbifenylen; PAK Polycyclische aromatische koolwaterstoffen; DDT Dichloordifenyltrichloorethaan. Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
14
Grond NEN Op basis van de onderzoeksopzet zijn de grond(meng)monsters samengesteld, geselecteerd en geanalyseerd. In verband met het aantreffen van zintuiglijk olie in de diepere ondergrond van boring PB01 zijn aanvullend steekbusmonsters ingezet voor analyse op minerale olie en vluchtige aromaten (BTEXN). Naar aanleiding van de tussentijdse resultaten is aanvullend analytisch onderzoek verricht, waarbij de deelmonsters van mengmonster MM05 separaat zijn geanalyseerd op zink. De grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.2 weergegeven. Tabel 8.2: Overzicht grond(meng)monsters met bijbehorende analyses en resultaten Meng Omschrijving monster Aanmaakplaats bestrijdingsmiddelen en meststoffen MM01 Bovengrond, klei Zintuiglijk: Voormalige mestvaalt MM02 Bovengrond, klei Zintuiglijk: Algemene kwaliteit MM03 Bovengrond, klei Zintuiglijk: -
MM04
Bovengrond, klei Zintuiglijk: -
MM05
Bovengrond, klei Zintuiglijk: -
MM06
Ondergrond, klei Zintuiglijk: -
Aanvullende steekbusmonsters M07 Ondergrond, klei Zintuiglijk: zwakke olie-water reactie M08 Ondergrond, zand Zintuiglijk: Teeltlaag MMOCB01 Bovengrond, klei Zintuiglijk: -
Boringen (traject in m -mv)
Analysepakket
B02 (0,06 - 0,50) B03 (0,06 - 0,50) PB01 (0,06 - 0,50)
NEN, OCB, As + Cr
Cd, Cu, Hg, Pb, Ni, Zn, PAK, HCB, drins, DDE, DDD
B05 (0,00 - 0,50) B06 (0,00 - 0,50) PB04 (0,00 - 0,50)
NEN, As + Cr
Cd, Zn
B07 (0,00 - 0,50) B08 (0,00 - 0,50) B09 (0,00 - 0,50) B12 (0,00 - 0,50) B10 (0,06 - 0,50) B11 (0,00 - 0,50) B13 (0,06 - 0,50) B14 (0,00 - 0,50) B15 (0,10 - 0,50) B17 (0,00 - 0,50) B20 (0,00 - 0,50) B22 (0,00 - 0,50) B07 (0,50 - 1,00) B11 (0,50 - 1,00) B16 (1,00 - 1,50) B17 (0,50 - 1,00) B17 (1,50 - 2,00) B19 (1,00 - 1,50) B19 (1,50 - 2,00) B22 (1,00 - 1,50)
NEN, As + Cr
Cd, Cu, Hg, Pb, Ni, Zn, PAK, PCB
NEN, As + Cr
Cd, Co, Hg, Pb, Ni, Zn, PAK
NEN, As + Cr
Cd, Hg, Pb, Ni
Zn
> AW < I
Resultaten | >I
NEN, As + Cr
PB01 (2,00 - 2,20)
MO+BTEXN
-
-
PB01 (4,50 - 4,70)
MO+BTEXN
-
-
OCB
Drins, DDE, DDD, DDT,
OCB
DDE
OCB
HCB, drins, DDE, DDD
Zn
Zn
-
Zn
-
-
Zn
-
-
Zn
Zn
-
B19 (0,00 - 0,30) B20 (0,00 - 0,30) B21 (0,00 - 0,30) B22 (0,00 - 0,30) MMOCB02 Bovengrond, klei B15 (0,10 - 0,40) Zintuiglijk: B16 (0,00 - 0,30) B17 (0,00 - 0,30) B18 (0,00 - 0,30) MMOCB03 Bovengrond, klei B08 (0,00 - 0,30) Zintuiglijk: B10 (0,06 - 0,36) B13 (0,06 - 0,36) B14 (0,00 - 0,30) Aanvullende analyses: uitsplitsing mengmonster MM05 B15-1 Bovengrond, klei B15 (0,10 - 0,50) Zintuiglijk: B17-1 Bovengrond, klei B17 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: B20-1 Bovengrond, klei B20 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: B22-1 Bovengrond, klei B22 (0,00 - 0,50) Zintuiglijk: Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
15 Toelichting hij tabel 8.2: NEN De zware metalen barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni] en zink [Zn], polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK, 10 VROM), Polychloor bifenylen (PCB) en minerale olie (MO), inclusief lutum en organische stof (humus); As + Cr Arseen en chroom; MO + BTEXN Minerale olie en de vluchtige aromaten (benzeen, tolueem, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), inclusief organische stof (humus); OCB Organochloorbestrijdingsmiddelen; HCB Hexachloorbenzeen; DDE Dichloordifenyldichloorethyleen; DDD Dichloordifenyldichloorethaan; DDT Dichloordifenyltrichloorethaan; Zn Zink, inclusief lutum en organische stof (humus); AW Achtergrondwaarde; I Interventiewaarde; Niets aangetroffen/waargenomen.
PFAS Aanvullend zijn monsters samengesteld ten behoeve van het aanvullend PFAS onderzoek. De grondmonsters met bijbehorende analyses en resultaten zijn in tabel 8.3 weergegeven. Tabel 8.3: Overzicht grondmengmonsters met bijbehorende analyse en resultaten (PFAS) Mengmonster Omschrijving
Boringen (traject in m —mv)
Analysepakket
MMPFAS01
Grond, klei Zintuiglijk: -
PFAS
MMPFAS02
Grond, klei Zintuiglijk: -
B07 (0,00 - 0,50) B10 (0,50 - 1,00) B12 (0,50 - 1,00) B14 (0,00 - 0,50) B16 (0,00 - 0,50) B18 (0,50 - 1,00) B21 (0,00 - 0,50) B22 (0,50 - 1,00)
Resultaten > Landbouw/natuur > Wonen/industrie (AW)
PFAS
Toelichting bij tabel 8.3: PFAS Perfluorverbindingen (30 verbindingen met o.a. Perfluoroctaansulfonzuur en Perfluoroctaanzuur); * Geen toetsingsnorm aanwezig, gehalten voor PFOA, PFOS en overige PFAS blijven beneden de toepassingsnorm voor de functieklasse ‘wonen’ (PFOA: < 7 ^g/kg d.s. en PFOS: < 3 ^g/kg d.s. en de overige PFAS < 3 ^g/kg d.s.).
Grondwater De grondwatermonsters met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten zijn in tabel 8.4 weergegeven. Tabel 8.4: Peilbuizen met bijbehorende analyses- en toetsingsresultaten grondwater Peilbuis
Filterdiepte EC Troebelheid Analysepakket Resultaten GWS PH (m -mv) (m -mv) (^S/cm) (NTU) >S<I >I PB01 3,50 - 4,50 2,24 7,6 394 8,23 NEN, As + Cr Ba, Mo* PB04 3,50 - 4,50 2,36 543 9,14 NEN, As + Cr Ba 7,3 Toelichting bij tabel 8.4: NEN Zware metalen (Barium [Ba], cadmium [Cd], kobalt [Co], koper [Cu], kwik [Hg], lood [Pb], molybdeen [Mo], nikkel [Ni], zink [Zn]), Arseen (As), Vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen), vluchtige chloorkoolwaterstoffen [VOCl] en minerale olie [MO]; As + Cr Arseen en chroom; S Streefwaarde; I Interventiewaarde * Gehalte overschrijdt de index van 0,5 (norm nader onderzoek); Niets aangetroffen.
De gemeten waarden voor de zuurgraad (pH), de geleidbaarheid (EC) en de troebelheid zijn niet afwijkend van een natuurlijke situatie.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
16
Asbest Om een verontreiniging met asbest vast te stellen is per proefgat en/of proefsleuf de grove fractie ^ 20 mm) van het vrijgekomen materiaal geïnspecteerd op asbestverdachte materialen (fractie > 20 mm) en puinrestanten. Hierbij zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen. Op basis van de onderzoeksopzet en rekening houdend met de kas, zijn 3 grondmengmonsters samengesteld voor analyse op asbest (c 20 mm). De samenstelling van de grondmengmonsters en bijbehorende analyses zijn in tabel 8.5 weergegeven. Tabel 8.5: Samenstelling grond- en puin(meng)monsters asbest Monstercode
Proefgaten
Zintuiglijke waarnemingen (omschrijving)
MMASB01
B07, B08, B09, B11, B14
Traject (m -mv)
Soort
Analysepakket
0,00 - 0,50
Grond
Asbest in grond ^ 10 kg) 1
0,00 - 0,50
Grond
Asbest in grond ^ 10 kg) 1
0,00 - 0,50
Grond
Asbest in grond ^ 10 kg) 1
(in kas) MMASB02
PB04, B06, B16, B17, B19 (rondom kas)
MMASB03
B20, B22 (overig terrein)
Toelichting hij tabel 8.5: Niets waargenomen; Asbestanalyse conform NEN5898:2015: asbest in grond of bouw- en sloopafval en recyclinggranulaat c 20 mm.
De resultaten van het geanalyseerde grondmengmonster en de gewogen hoeveelheid asbest (c 20 mm, conform analysecertificaten) is weergegeven in tabel 8.6. Tabel 8.6: Overzicht onderzocht grondmengmonsters en gewogen hoeveelheid asbest < 20 mm conform analysecertificaat_______________________________________________________ Monstercode
Soort materiaal
Hechtgebonden
Type*
Gemeten < 20 mm (mg/kg d.s.) c1 c1 21 0,31
Totaal gewogen < 20 mm (mg/kg d.s.) c1 c1 211
Plaatmateriaal Ja Chrysotiel Losse bundels Nee Chrysotiel Toelichting hij tabel 8.6: Chrysotiel (witte asbest) is een serpentijnasbest. Bij serpentijnasbest zijn de vezels gekruld. Crocidoliet (blauwe asbest) en amosiet (bruine asbest) zijn een amfiboolasbest. Bij amfiboolasbest zijn de vezels staafvormig en daardoor gevaarlijker. Daarom wordt de amfiboolconcentratie met een factor 10 verhoogd; Waarvan circa 0,3 mg/kg d.s. niet hechtgebonden; Niets aangetoond. MMASB01 MMASB02 MMASB03
8.3.
Interpretatie analyseresultaten
Grond Aanmaakplaats bestrijdingsmiddelen en meststoffen In het onderzochte mengmonster MM01 van de zintuiglijk schone bovengrond onder de betonvloer (0,06-0,50 m-mv, klei) uit de boringen PB01, B02 en B03, ter plaatse van de aanmaakplaats bestrijdingsmiddelen en meststoffen, zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium koper, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en de bestrijdingsmiddelen HCB, drins, DDE en DDD aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim beneden de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5. De overige onderzochte parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
17
Voormalige mestvaalt In het onderzochte mengmonster MM02 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv, klei) uit de boringen PB04, B05 en B06, ter plaatse van de voormalige mestvaalt, zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium en zink aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim beneden de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5. De overige onderzochte parameters (NEN, arseen en chroom) zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Algemene kwaliteit In de onderzochte mengmonsters MM03 en MM04 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv; klei), zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, nikkel, zink, PAK en/of PCB aangetoond. De aangetoonde gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven ruim beneden de interventiewaarden. De overige onderzochte parameters (NEN, arseen en chroom) zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. In het onderzochte mengmonster MM05 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv; klei) uit boringen B15, B17, B20 en B22 is een sterk verhoogd gehalte voor zink aangetoond. Tevens zijn licht verhoogde gehalten voor cadmium, kwik, lood en nikkel aangetoond.
In verband met het verhoogde gehalte voor zink in mengmonster MM05 zijn de deelmonsters waaruit monster MM05 bestaat separaat geanalyseerd op zink. Uit de analyseresultaten blijkt dat in de bovengrond van boringen B15 en B2 maximaal licht verhoogde gehalten voor zink zijn aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde, waarbij de gehalten ruim onder de index van 0,5 alsmede de interventiewaarde blijven. In de overige twee deelmonsters (B17-1 en B20-1) zijn geen verhoogde gehalten voor zink aangetoond ten opzichte achtergrondwaarde. In het onderzochte mengmonster MM06 van de zintuiglijk schone ondergrond (0,5-2,0 m-mv, klei) zijn geen verhoogde gehalten voor de onderzochte parameters (NEN, arseen en chroom) aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Aanvullende steekbusmonsters In het steekbusmonster M07 van ondergrond met zwakke olie-water reactie uit boring PB01 (2,0 2,2 m-mv, klei) alsmede in steekbusmonster M08 van de diepere zintuiglijk schone ondergrond (4,5-4,7 m-mv, zand), zijn geen verhoogde gehalten voor minerale olie en/of vluchtige aromaten aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Teeltlaag In het onderzochte grondmengmonster MMOCB01 van de zintuiglijk schone teeltlaag (0,0-0,3 m mv, klei), buiten de kas, zijn licht verhoogde gehalten voor drins, DDE, DDD en DDT aangetoond.
De gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven beneden de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5. In het onderzochte grondmengmonster MMOCB02 van de zintuiglijk schone teeltlaag (0,0-0,4 m mv, klei), in de kas, is een licht verhoogd gehalte voor DDE aangetoond. Het gehalte overschrijdt de betreffende achtergrondwaarde, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde alsmede onder de index van 0,5. In het onderzochte grondmengmonster MMOCB03 van de zintuiglijk schone teeltlaag (0,0-0,36 m-mv, klei), buiten de kas, zijn licht verhoogde gehalten voor HCB, drins, DDE en DDD aangetoond. De gehalten overschrijden de betreffende achtergrondwaarden, maar blijven beneden de interventiewaarden alsmede onder de index van 0,5. De overige OCB parameters zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarden. Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
18
PFAS In de onderzochte grondmengmonsters MMPFAS01 en MMPFAS02 van de zintuiglijk schone grond (0,0-1,0 m-mv; klei) zijn voor PFAS geen gehalten boven de toepassingsnorm voor de functieklasse “landbouw/natuur” aangetoond, uit het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS houdende grond. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01, ter plaatse aanmaakplaats bestrijdingsmiddelen en meststoffen, zijn licht verhoogde gehalten voor barium en minerale olie aangetoond, waarbij het gehalte voor minerale olie de index van 0,5 en daarmee de norm voor nader onderzoek overschrijdt. In het grondwater uit peilbuis PB04 is een licht verhoogd gehalte voor barium aangetoond. Het gehalte overschrijdt de betreffende streefwaarde, maar blijft ruim beneden de interventiewaarde alsmede in index van 0,5. De overige onderzochte parameters (NEN, arseen en chroom) zijn niet verhoogd aangetoond ten opzichte van de betreffende streefwaarden. Verkennend onderzoek naar asbest Tijdens het verkennend onderzoek naar asbest zijn zowel op het maaiveld als in het opgeboorde/opgegraven materiaal zintuiglijk ^ 20 mm) geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de onderzochte mengmonsters MMASB01 en MMASB02 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m-mv, klei) in en rondom de kas is analytisch ^ 20 mm) gaan asbest aangetoond ^ 1 mg/kg d.s.) .
In het onderzochte mengmonster MMASB03 van de zintuiglijk schone bovengrond (0,0-0,5 m mv, klei) uit proefgaten B20 en B22 is analytisch circa 21 mg/kg d.s voornamelijk hechtgebonden asbest aangetoond. Het gehalte blijft ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. alsmede onder de norm voor nader onderzoek ^ 50 mg/kg d.s.).
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
19
9.
CONCLUSIES EN AANBEVELING 9.1.
Verkennend en eindsituatie bodemonderzoek
Algemene kwaliteit Voor de algemene kwaliteit werd de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreinigingen met diverse NEN, arseen en chroom parameters. Op basis van de onderzoeksresultaten dient formeel de gestelde hypothese te worden aangenomen, aangezien plaatselijk in het grondwater een licht verhoogd gehalte voor minerale olie is aangetoond dat de norm voor nader onderzoek overschrijdt. In de ondergrond, waar minerale olie is aangetoond in het grondwater, werden geen verhoogde gehalten voor minerale olie aangetoond ten opzichte van de betreffende achtergrondwaarde. In de overige onderzochte grond- en grondwatermonsters voor de algemene kwaliteit zijn maximaal licht verhoogde gehalten aangetoond, waarbij de indexwaarde van 0,5 niet wordt overschreden, waardoor hier verder geen vervolgstappen noodzakelijk zijn in het kader van de Wbb. Huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten Voor de huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten op de locatie is de hypothese gesteld van verdachte deellocaties met betrekking tot de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien zowel in de onderzochte grond als in het onderzochte grondwater maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond voor de parameters die niet per definitie kunnen worden gerelateerd aan de huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten. De aangetoonde licht verhoogde gehalten komen overeen met de algemene kwaliteit ter plaatse van de gehele locatie, waardoor deze niet worden gerelateerd aan de huidige en voormalige verdachte bodembedreigende activiteiten. Aangezien tijdens voorgaand onderzoek slechts 3 boringen waren geplaatst, waarvan 1 in de kas en 2 buiten de kas en de situering hiervan last te achterhalen was, kan geen goede vergelijking worden gemaakt. Daarom kan ons inziens worden geconcludeerd dat de huidige en voormalige bodembedreigende activiteiten op de locatie niet hebben geleid tot een verslechtering van de bodemkwaliteit. Teeltlaag onderzoek Voor de teeltlaag is de hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een bodemverontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Op basis van de onderzoeksresultaten wordt de gestelde hypothese verworpen, aangezien maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetoond voor OCB. De aangetoonde verhoogde gehalten betreffen overschrijdingen van de betreffende achtergrondwaarden.
Aangezien de gestandaardiseerde meetwaarden de indexwaarde van 0,5 niet overschrijden, zijn verder geen vervolgstappen noodzakelijk in het kader van de Wbb. PFAS Op basis van de resultaten voor de PFAS parameters in de onderzochte grondmengmonsters MMPFAS01 en MMPFAS02 van de grond (0,0-1,0 m-mv, klei) voldoet de grond aan de functieklasse “landbouw/natuur” (achtergrondwaarde) uit het tijdelijk handelingskader. Zodoende bestaan voor deze grond wat betreft PFAS geen bezwaren voor toepassing elders, behoudens in grondwaterbeschermingsgebieden.
Diverse onderzoeken, Verlengde Molenstraat 7A te Winssen Rapportnr.: B20.7765 versie: 01 datum: 30 oktober 2020
xr
VERHOEVEN MILIEUTECHNIEK B.V.
20
9.2.
Verkennend onderzoek naar asbest
Voor wat betreft asbest is voor de locatie een hypothese gesteld van een verdachte locatie met betrekking tot het voorkomen van een asbestverontreiniging. Op basis van de onderzoeksresultaten kan de gestelde hypothese worden verworpen. Tijdens de veldwerkzaamheden is op zowel het maaiveld als in de opgeboorde en opgegraven grond geen asbestverdacht (plaat)materiaal aangetroffen (fractie > 20 mm). Analytisch (fractie < 20 mm) is in de zintuiglijk schone bovengrond van proefgaten B20 en B22 (MMASB03) circa 21 mg/kg d.s voornamelijk hechtgebonden asbest aangetoond. Het gehalte blijft ruim onder de interventiewaarde van 100 mg/kg d.s. alsmede onder de norm voor nader onderzoek ^ 50 mg/kg d.s.). In de overige onderzochte grond (MMASB01 en MMASB02) is analytisch geen asbest aangetoond. Verhoeven Milieutechniek B.V. besteedt veel zorg aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden, maar de mogelijkheid bestaat dat niet alle asbesthoudende (plaat)materialen zijn waargenomen. Indien in de toekomst asbesthoudende (plaat)materialen op de locatie worden aangetroffen, kan Verhoeven Milieutechniek B.V. hiervoor niet aansprakelijk worden gesteld. 9.3.
Algehele conclusie en aanbevelingen
Middels onderhavige onderzoeken is de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de Verlengde Molenstraat 7A te Winssen ten behoeve van de voorgenomen herontwikkeling formeel gezien in nog onvoldoende mate vastgelegd. Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in het grondwater uit peilbuis PB01 een verhoogd gehalte voor minerale olie aangetoond dat formeel gezien de norm voor nader onderzoek overschrijdt. Aangezien in de betreffende grond, waar eveneens zintuiglijk olie is waargenomen, geen verhoogd gehalte voor minerale olie is aangetoond en er geen duidelijke verontreinigingsbron aanwezig is, wordt aangenomen dat sprake is van historische verontreiniging (ontstaan voor 1987). Om van een geval van ernstige bodemverontreiniging te spreken dient voor ten minste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 bodemvolume voor grondwater hoger te zijn dan de interventiewaarde. Aangezien de interventiewaarde vooralsnog niet wordt overschreden is er geen sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.