CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 01: Ruimtelijke onderbouwing Uitbreiding ARN te Weurt

Raadsvergadering 11 juli 2023, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Verklaring Van Geen Bedenkingen bouw hal ARN4.602 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Uitbreiding ARN te Weurt Ruimtelijke onderbouwing

1 1.1 1.2 1.3 1.4 2 2.1 2.2 3 3.1 3.2 3.3

Aanleiding Ligging plangebied Geldende bestemmingsplan Leeswijzer GEBIEDSVISIE Bestaande situatie Toekomstige situatie beleidskader

Nationaal beleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid

2 2 2 2 3 4 4 6 10 10 11 12

4

MILIEU- & OMGEVINGSASPECTEN

15

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9

MER-BEOORDELING Bodem Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Waterhuishouding Ecologie Cultuurhistorie & archeologie VERKEER EN PARKEREN

15 15 15 16 16 16 16 17 17

5 5.1 5.2

1

INLEIDING

uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid

18 18 18

1

Inleiding

1.1 Aanleiding De ambities van ARN verschuiven de ambities de komende jaren naar meer recycling van afvalstoffen naar grondstoffen. Deze verschuiving is een aantal jaren geleden reeds ingezet en komt steeds meer tot wasdom. Zoals in het thans vigerende bestemmingsplan1 en in het daarbij behorende raadsvoorstel is verwoord, ontstaat bij de realisering van de ambitie tot meer recycling een gebrek aan inpandige ruimte die ARN wil oplossen op het tussengebied. ARN heeft het voornemen haar vergistingsinstallatie met nacompostering, ofwel Biogasinstallatie (hierna: BGI), voor de vergisting en nacompostering van groente-, fruit- en tuinafval (hierna: gft) uit te breiden. Het betreft een bouwplan voor uitbreiding van een bestaand gebouw (ontvangsthal met composteringstunnels), waarbij de huidige BGI gelegen is op het bestemmingsplan "Afvalverwerking ARN, partiële herziening bestemmingsplan Afvalverwerking Weurtse Polder" enerzijds en de uitbreiding op het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" anderzijds.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied is aan de oostzijde van Beuningen gelegen tussen Beuningen en het bedrijventerrein Westkanaaldijk in Nijmegen.

\ ^

ĩİ'Xk

, . V»*.

.y.

ì

Figuur 1 Globale ligging plangebied (rode stip)

1.3 Geldende bestemmingsplan Voor het terrein van afvalenergiebedrijf ARN B.V. gelden twee bestemmingsplannen: »

Bestemmingsplan "Afvalverwerking ARN, partiële herziening bestemmingsplan Afvalverwerking Weurtse Polder" van 2008, en

1 Zie 1.3

2

» Bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" van 2016. Het eerste bestemmingsplan is vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Beuningen op 21 oktober 2008 en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten op 7 januari 2009, het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" is vastgesteld door de gemeenteraad op 22 november 2016 Het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" is destijds tot stand gekomen om twee redenen: 1.

Het was noodzakelijk om de activiteiten van ARN op een logistiek meer optimale wijze in te richten. Het zogeheten tussengebied van ARN kon met de nieuwe bestemming beter worden benut, waarbij een uitbreiding van bouw- en gebruiksmogelijkheden als gewenst werden beschouwd. 2. Dit bestemmingsplan regelde ook de wens van Waterschap Rivierenland en de gemeente Beuningen om een waterberging te creëren. Het terrein van ARN en dat van de Rioolwaterzuivering Weurt van het Waterschap Rivierenland sluiten bij elkaar aan in dit gebied. De waterberging is ondertussen gerealiseerd na een grondruil tussen ARN en het Waterschap gekomen en het tussengebied is in ontwikkeling.

1.4 Leeswijzer De ruimtelijke onderbouwing bestaat uit meerdere onderdelen: een verbeelding waarop de grens van het plangebied is aangegeven en een toelichting waarin de achtergronden van de ruimtelijke onderbouwing is beschreven. In de toelichting worden de keuzes die in de ruimtelijke onderbouwing worden gemaakt nader gemotiveerd en verantwoord. De toelichting kan globaal opgedeeld worden in drie delen: Inleiding en gebiedsvisie In hoofdstuk 1 zijn de aanleidingen en het kader voor de planherziening beschreven. Hoofdstuk 2 geeft een beschrijving van de huidige en toekomstige situatie van het plangebied. Verantwoording Hoofdstukken 3 en 4 geven de achtergronden, toelichting en motivatie op de gemaakte keuzen weer die uiteindelijk hebben geleid tot de uitgewerkte planopzet. In dit planonderdeel worden onder meer het (beleids)kader en de milieu- en omgevingsaspecten uiteengezet. Uitvoerbaarheid Het laatste deel (hoofdstuk 5) gaat in op de economische en de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

3

2

Gebiedsvisie

2.1 Bestaande situatie De inrichting ARN bevindt zich aan de Nieuwe Pieckelaan te Weurt. In onderstaande afbeelding is de bestaande situatie met daarop aangegeven de gewenste uitbreiding aangegeven.

Figuur 2 Bestaande situatie en gewenste uitbreiding

De onderstaande afbeelding is een deel van de bestemmingsplankaart van het "Afvalverwerking ARN, partiële herziening bestemmingsplan Afvalverwerking Weurtse Polder" afgebeeld met inkleuring van de gebouwen. De huidige ontvangsthal met composteringstunnels van de BGI is afgebeeld links op de kaart:

4

z z \z z v z

Z Iz

Z Z\Z /V'T

A Z /W/

Z A

V z /t—ftsZĻ

zi Z

Z/VZXz 'Jľ.

\i'mrZ-

S'-Ą\Z~Z9

Figuur 3 Uitsnede bestemmingsplankaart partiële herziening bestemmingsplan Afvalverwerking Weurtse Polder (het deel van de bestemmingsplankaart met de stortplaats is niet afgebeeld)

Het bouwvlak van bovenbedoeld bestemmingsplan ligt op de grens van het bestemmingsplan met het tussengebied. Het tussengebied sluit aan op dit bestemmingsplan. Hieronder is de bestemmingsplankaart "Partiële herziening ARN" afgebeeld. De aansluiting op het deel van het andere bestemmingsplan is hieronder aangegeven met de blauwe pijl.

Figuur 4 Uitsnede verbeelding "Partiële herziening ARN"

5

2.2 Toekomstige situatie Aanleiding voor de uitbreiding van de BGI is de volgende. Vergisting met nacompostering is in Nederland de beste manier om gft te verwerken. In dit proces worden compost, groen gas en CO2 van biogene aard (niet fossiel) geproduceerd. De (hoogwaardige) compost wordt afgezet in de landbouw. Het groen gas wordt nu nog gebruikt in het streekvervoer/transport, maar kan in de toekomst worden ingezet als vervanger van aardgas voor verwarming van woningen en gebouwen. Met dit groen gas kunnen in de toekomstige situatie 3.300 huishoudens van groen gas worden voorzien. De CO2 van biogene aard wordt afgevangen en gebruikt in de glastuinbouw. Het project zorgt voor een gunstig effect op het klimaat doordat groen gas wordt geproduceerd, wat de inzet van aardgas vermindert. Dit geldt ook voor de afgevangen CO2. Op deze manier wil ARN B.V. een invulling geven aan het Klimaatakkoord en de circulaire economie. In Nederland is nog onvoldoende capaciteit gerealiseerd om al het door huishoudens geproduceerd gft te vergisten en nacomposteren. Wel wordt al het gft in Nederland in ieder geval verwerkt tot compost. Vergisting van gft is een in het landelijk beleid (Landelijk Afvalbeheerplan 3) erkende hoogwaardigere wijze van verwerken, met meer secundaire grondstoffen. ARN B.V.

wil haar vergistings- en nacomposteerinstallatie uitbreiden zodat er meer gft kan worden verwerkt, en wel van 70.000 ton per jaar thans naar 110.000 ton per jaar. Daarnaast gaat ARN met een partner van een deel van het compost ook potgrond maken, zodat voor potgrond minder veen hoeft te worden afgegraven. Voor de huidige BGI beschikt ARN over een vergunning. Voor de uitbreiding is een m.e.r.aanmeldnotitie ingediend. Op deze m.e.r.-aanmeldnotitie is inmiddels (op 16-01-2023) beschikt, een m.e.r.-procedure is voor de uitbreiding van de BGI niet noodzakelijk.

2.2.1 Uitbreiding BGI De uitbreiding van de BGI betekent in ruimtelijke zin het volgende (zie Figuur 5): -

Een uitbreiding van de ontvangsthal met drie composteertunnels: het rode vlak De mobiele zeefinstallatie staat evenwijdig met de toekomstige uitbreiding van de hal Een derde vergister is voorzien (groen) De gasopwerking wordt uitgebreid (lichtblauw) Er is een digestaatdroger voorzien (geel) Het blauwe gedeelte is een uitbreiding van de op- en overslag van compost (in vakken); dit geschiedt op een deel van de parkeerterrein en een eigen weg. De totale uitbreiding (rood gearceerd op schematische weergave) betreft ongeveer 2.200 m2.

6

cpzq

Figuur 5 Schematische weergave wijziging inrichting

Het rood gearceerde gedeelte ligt geheel binnen het plangebied van het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN". In Figuur 6 is waar te nemen dat het bouwvlak van dit bestemmingsplan niet aansluit op bestemmingsplangrenzen van beide bestemmingsplannen. De ononderbroken binnenlijn geeft het bouwvlak aan. Er is ongeveer 8 meter tussenruimte tussen het bouwvlak van de twee bestemmingsplannen.

7

A* w .

'■W'r

’

Am

z

^ 'SSL 4?

Figuur 6 Uitsnede verbeelding "Partiële herziening ARN"

De regels van het bestemmingsplan bepalen dat onder bouwvlak wordt verstaan: "een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegestaan". In het bestemmingsplan of de toelichting is geen reden of aanduiding te vinden waarom het bouwvlak op deze wijze is vormgegeven. Door de tussenruimte van 8 meter zou de uitbreiding van de ontvangsthal niet aansluiten op de bestaande hal. Dit is niet logisch en uitermate ondoelmatig in de bedrijfsvoering, alsook milieuhygiënisch niet wenselijk. Er zouden dan twee gebouwen zijn met twee extra deuren, shovels zouden heen en weer dienen te rijden om het gft dat in de (bestaande) hal is ontvangen te transporteren naar de composteertunnels in de uitbreiding. Dit zijn onnodig lange(re) afstanden, waarbij niet vergiste en niet gecomposteerde gft aan de buitenlucht bloot wordt gesteld. Juist met (vers) gft is bewerking in een gesloten hal noodzakelijk, om geuroverlast voor de omgeving te beperken. Met de tussenruimte zouden de maatregelen die ARN heeft genomen om overlast te beperken weer voor een groot deel teniet worden gedaan. Naast de geuroverlast door het transporteren van gft, zou dit betekenen dat er dagelijks meerdere onnodige voertuigbewegingen in de buitenlucht plaats vinden die voor geluidsoverlast en dieselemissie zouden zorgen.

ARN wenst een afwijking van het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" voor het overschrijden van het bouwvlak aan de zijde van bestaande bouw ontvangsthal met composteertunnels. Met het afwijken zou het bouwvlak vanaf de hoek van het bouwvlak nabij de BGI tot aan de weg dienen aan te sluiten op de perceelsgrens.

8

Het betreft het afwijken van hoofdstuk 2 Bestemmingsregels, in het bijzonder artikel 3.2.2: situering van bouwwerken: "voor de situering van bouwwerken geldt het volgende: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding bouwvlak". In Figuur 7 is rood gearceerd aangegeven welk gedeelte van het bestemmingsplan van een bouwvlak voorzien zou moeten worden en waar dus nu een afwijking van het bestemmingsplan voor vereist is.

Figuur 7 Aanduiding afwijking bestemmingsplan

Voor het overige is geen verzoek tot afwijken van het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" noodzakelijk.

9

3

Beleidskader

3.1

Nationaal beleid

3.1.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de opvolger van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR), waarin het Rijk een lange termijn visie geeft op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt keuzes te maken. Bij de afweging van keuzes wordt bij voorkeur gekozen voor slimme combinaties van functies, wordt uitgegaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden en worden beslissingen niet uitgesteld of doorgeschoven. De nationale belangen en opgaven waarop het Rijk wil sturen en richting wil geven, komen samen in de volgende vier prioriteiten: » » » »

Ruimte maken voor klimaatadaptatie en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en ons groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en leefbaarder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de NOVI. De NOVI vormt geen belemmering voor dit plan.

3.1.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het beleid, zoals beschreven in de voorganger van de NOVI, oftewel de SVIR. Op het moment dat de Omgevingswet in werking treedt, vervalt het Barro. De regels van het Barro worden dan vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt de uitwerking, in regelgeving, van het beleid dat in de NOVI staat. Zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is, is het Barro nog van toepassing. In het Barro, ook wel bekend als de AMvB Ruimte, zijn 14 nationale belangen opgenomen die juridische borging vereisen. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Planspecifiek Voor onderhavig plangebied zijn geen specifieke doelstellingen geformuleerd. Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied.

3.1.3

Ladder voor duurzame verstedelijking

De in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte geïntroduceerde 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als procesvereiste vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet in de toelichting een onderbouwing opgenomen worden van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De ladder worden in artikel 3.1.6, lid 2 Bro als volgt omschreven:

10

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' In het kader van de duurzame ladder wordt ten aanzien van de definitie van bestaand stedelijk gebied de definitie uit de Bro gehanteerd: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur." Volgens de nota van toelichting bij artikel 3.1.6, tweede lid, aanhef en onder b, van het Bro moet worden bekeken of door het benutten van leegstaande verstedelijkingsruimte in bestaand stedelijk gebied kan worden voorzien in de behoefte. Zoals ook volgt uit onder andere de uitspraak met het nummer 201303578/1/R4 kunnen naar het oordeel van de Raad van State planologische mogelijkheden waarvan nog geen gebruik is gemaakt, als leegstaande verstedelijkingsruimte worden aangemerkt. Een dergelijke locatie wordt gezien als onderdeel van het bestaand stedelijk gebied.

Conform actuele jurisprudentie wordt een ontwikkeling van 12 woningen of meer gezien als een stedelijke ontwikkeling. Planspecifiek De onderhavige uitbreiding van de ARN is niet aan te merken als een stedelijke ontwikkeling.

3.1.4

Landelelijk afvalbheerplan 3

Het Landelijk Afvalbeheerplan 3 ziet vergisting met nacompostering als de hoogwaardigere wijze van bewerken van gft. Zoals hiervoor werd aangegeven, loopt de vergistingscapaciteit in Nederland achter op de vraag vanuit gemeenten. Ook met het oog op het voorziene opvolgend beleid (Circulair Materialenplan) is vergisting met nacompostering de hoogwaardigere vorm van verwerking, vanwege het feit dat er meer grondstoffen worden gegenereerd dan bij composteren. Planspecifiekff Door de voorgenomen uitbreiding wordt bij uitstek voldaan aan het Landelijk Afvalbeheerplan 3.

3.1.5

Conclusie

In het plangebied zijn geen nationale belangen in het geding.

3.2

Provinciaal beleid

Op 19 december 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten de 'Omgevingsvisie Gaaf Gelderland' vastgesteld. De bijbehorende geactualiseerde 'Omgevingsverordening Gelderland (januari 2023)' heeft het college van Gedeputeerde Staten op 21 december 2022 geconsolideerd vastgesteld. In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het beleid en in de Omgevingsverordening de regels en afspraken om de opgaven uit de Omgevingsvisie te realiseren. De Omgevingsvisie en -verordening zijn dynamische instrumenten. Doordat wetten veranderen of door de komst van nieuwe initiatieven, kijkt de provincie twee keer per jaar of de plannen moeten worden aangepast.

3.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De wereld verandert ingrijpend en er komt veel op de inwoners van Gelderland af. Het energievraagstuk, klimaatverandering, uitputting van grondstoffen, kwetsbare biodiversiteit, digitalisering, internationalisering. Deze zaken vragen stevige antwoorden en oplossingen als investering in de toekomst. Met de schaarse ruimte en de vele uiteenlopende belangen en inzichten gaat dit niet vanzelf. We moeten samen keuzes maken over de voorliggende vraagstukken en de

11

betekenis daarvan voor de inrichting van Gelderland. In onderling overleg zoeken naar synergie, samenhang en uitruilmogelijkheden. Daarom zet de provincie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang, zoals goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen en een mooie natuur. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende stedelijke en landelijke woonkwaliteiten. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand verstedelijkt gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en het concentreren van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan er aan de randen van steden of dorpen uitgebreid worden. Planspecifiek De gewenste uitbreiding van ARN sluit aan op de bestaande bebouwing op het terrein van de ARN. De bebouwing wordt, en blijft, derhalve geconcentreerd. De Omgevingsvisie vormt daarom geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.2.2

Omgevingsverordening Gelderland

De Omgevingsverordening vormt de juridische doorwerking in regels van het beleid uit de Omgevingsvisie. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Planspecifiek Artikel 2.65 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijk plan een biomassavergistingsinstallatie enkel mogelijk maakt als de installatie in hoofdzaak gebruik maakt van biomassastromen uit de directe omgeving en landschappelijk en infrastructureel goed wordt ingepast.

De beoogde uitbreiding van de installatie voldoet bij uitstek aan deze bepaling, doordat deze direct aansluit op de bestaande installatie. Zo ontstaat landschappelijk en infrastructureel een goede inpassing.

3.2.3

Conclusie

De beoogde ontwikkeling is passend binnen het relevante provinciale ruimtelijke beleid.

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie In de Omgevingsvisie van de gemeente Beuningen is in het deelgebied Bedrijventerrein beschreven welke waarden gelden voor het deelgebied Bedrijventerrein. Op de waardenkaart staat ARN gekwalificeerd als 'geschikt voor midden-en kleine bedrijf, nabijheid container overslag'. Voor bedrijventerreinen en in het bijzonder bedrijventerrein De Sluis zijn de volgende waarden aangegeven:

12

De Sluis in Weurt is een binnenstedelijk bedrijventerrein. Hier is ruimte voor middelgrote en kleine bedrijven. Wel is hier weinig groen en een hoge bebouwingsdichtheid. Op dit terrein ligt een aantal opgaven op het vlak van inrichting ruimte en veiligheid. Zo vraagt de overgang naar de woonwijk aandacht. Dit terrein ligt tegen bedrijventerreinen in Nijmegen, waardoor het gunstig is gelegen voor werknemers, bewoners en afzetgebieden. Er liggen kansen voor stadsdistributie en kleinschalige, ambachtelijke bedrijven. De containerterminal van BCTN in de nabijheid maakt het terrein aantrekkelijk voor watergebonden bedrijven. De ARN (afvalverwerking) maakt onderdeel uit van De Sluis. Naast afvalverwerking wordt hier energie opgewekt (biogas en warmte). De gebiedsgerichte opgave voor bedrijventerreinen is bepaald dat de bedrijventerreinen een belangrijke rol vervullen in de lokale en regionale economie. Een kwart van de werkgelegenheid in Beuningen zit op een van de bedrijventerreinen. Behoud en versterking van het ondernemingsklimaat is dus van belang. De Sluis (Weurt) is een dichtbebouwd bedrijventerrein. Hier zitten voornamelijk kleinere en middelgrote bedrijven in de handel en industrie. Voor De Sluis gelden de volgende opgaven: -

Versterken van de ruimtelijke kwaliteit van het hele bedrijventerrein (knelpunten in openbare ruimte, meer groen). Versterken van de overgangszone tussen bedrijventerrein en woonwijk.

Daarnaast zijn er een aantal gewenste ontwikkelingen: -

Behoud van bedrijfsmatige functie van bedrijventerreinen (geen nieuwe woningen/zorgvoorzieningen). Tegengaan van leegstand. Huidige milieucategorieën behouden. Diversiteit aan bedrijven en bedrijventerreinen behouden. Duurzame en groene bedrijvigheid: bedrijven die duurzaam zijn, hun milieubelasting beperken en gebruikmaken van duurzame energie. Goede milieu-hygiënische situatie. Veilige wegen en duurzame vervoersmogelijkheden. Verbetering van aansluiting bedrijventerreinen op het openbaar vervoer. Aandacht voor duurzaamheid en verduurzaming van gebouwen. Kansen voor zonnepanelen op daken en warmte-uitwisseling. Groene inrichting van het terrein. Klimaatbestendige en groenblauwe inrichting van de openbare ruimte. Verbetering openbare ruimte van bedrijventerreinen, waaronder opwaardering bedrijventerrein De Sluis, inclusief een goede aansluiting op de woonwijk. Meer diversiteit in het groen. Goed onderhouden omgeving. Functionele en ruimtelijke kwaliteit versterken van De Schoenaker en De Sluis: Toegankelijke loop- en fietsroutes en behouden van huidige kwaliteit. Ontvlechten verkeersstromen. Biodiversiteit.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling is niet in strijd met de prioriteiten uit de structuurvisie. De structuurvisie vormt geen belemmering voor dit plan.

13

3.3.2 Conclusie Er zijn geen specifieke gemeentelijke belangen die aan de beoogde ontwikkeling in de weg staan.

14

4 Milieu- å omgevingsaspecten 4.1

MER-beoordeling

Bij activiteiten met in potentie belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu maken de Wm en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) onderscheid tussen de verplichting een MER op te stellen (m.e.r.-plicht, onderdeel C) of te beoordelen of vanwege de bijzondere omstandigheden waaronder de activiteit wordt ondernomen, een MER moet worden opgesteld (m.e.r.beoordelingsplicht, onderdeel D). Hiervoor, is een zogeheten m.e.r.-beoordelingsprocedure doorlopen. Naar aanleiding hiervan heeft de ODRN een m.e.r.-beoordelingsbesluit opgesteld. In dit besluit wordt gesteld 'dat er geen milieueffectrapport noodzakelijk is. Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen, die reden geven voor een milieueffectrapport als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer'.

4.2

Bodem

Het aspect bodem is onderzocht bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN". De beoogde ontwikkeling leidt niet tot andere conclusies dan reeds getrokken zijn bij de vaststelling van dit bestemmingsplan. Daar waar nieuwe bodembedreigende activiteiten plaatsvinden, breidt ARN bodembeschermende voorzieningen uit en treft zij maatregelen waarmee een verwaarloosbaar bodemrisico wordt gerealiseerd conform de NRB.

4.3 Geluid 4.3.1 Wegverkeerlawaai De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder. Indien nieuwe geluidsgevoelige objecten worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen op een bepaalde afstand van deze objecten. In het kader van deze omgevingsvergunning worden geen nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt. Een afvalbe- en verwerkingsinstallatie is geen geluidgevoelig object in de zin van de Wet geluidhinder. Dienst- of bedrijfswoningen zijn uitgesloten. Een onderzoek naar het geluid vanwege het wegverkeer is in het kader van deze omgevingsvergunning niet nodig.

4.3.2

Industrielawaai

De verandering van de activiteiten in het 'tussengebied' en de voorgenomen bouw van gebouwen ten behoeve van op- en overslag en/of recycleactiviteiten zullen in het kader van industrielawaai geen grote invloed hebben. De industriële geluidsemissie vanwege de inrichting zal niet relevant veranderen temeer veel activiteiten inpandig zullen worden uitgevoerd, waar deze nu uitpandig vergund en bestemd zijn. De activiteiten blijven ook binnen de vergunde ruimte, derhalve is een onderzoek niet nodig. Doordat de beoogde uitbreiding tegen de bestaande hal aangebouwd wordt, zal dit aspect nog beter geborgd zijn. De geluidemissie van de inrichting is getoetst aan de vigerende vergunningvoorschriften. Uit de toetsing blijkt dat de geluidimmissie in de omgeving afneemt. Op alle toetspunten wordt voldaan aan de vergunde geluidsniveaus. De maximale geluidsniveaus wijzigen niet als gevolg van het voornemen.

15

4.4 Luchtkwaliteit 4.4.1 Wettelijk kader In de Wet milieubeheer (Wm) zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen met daarbij behorende regelgeving. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen indien: » » » »

er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; een project is opgenomen in een regionaal programma van maatregelen of in het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL); een project 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging.

In het kader van het opstellen van een ruimtelijke onderbouwing moeten er derhalve doorgaans twee aspecten in beeld worden gebracht. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet blijken of het project is aan te merken als een NIBM-project en dus niet zal leiden tot een verslechterde luchtkwaliteit.in het onderhavige geval wordt er geen nieuwe functie toegevoegd, maar wordt er enkel een klein gedeelte van een bouwwerk gerealiseerd buiten een reeds opgenomen bouwblok.

4.4.2

Conclusie luchtkwaliteit

Middels deze omgevingsvergunning worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de luchtkwaliteit negatief zouden kunnen beïnvloeden. De ontwikkelingen passen ook binnen de huidige milieuvergunning. Derhalve is een verdere beoordeling van de luchtkwaliteit niet nodig. Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de omgevingsvergunning.

4.5

Externe veiligheid

De gemeente heeft de wettelijke plicht externe veiligheid mee te wegen in de besluitvorming over ruimtelijke ontwikkelingen. Deze omgevingsvergunning leidt niet tot de realisatie van een nieuwe risicobron binnen de inrichting zelf. Evenmin wordt met deze vergunning de vestiging van een risico-gevoelig object mogelijk gemaakt. Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen beletsels voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Waterhuishouding

Eén van de instrumenten om het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw vorm te geven is het watertoetsproces. Het watertoetsproces moet ervoor zorgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die relevant zijn voor de waterhuishouding. ARN kent verschillende afvalstromen. Een aantal afvalstromen gaat naar de eigen bedrijfswaterzuiveringsinstallatie (BWZI) en komt niet terecht op het oppervlaktewatersysteem en kent daarom geen compensatieverplichting. Een ander deel betreft schoon hemelwater en loost op oppervlaktewater. Door onderhavig plan neemt de behoefte aan waterbergingscapaciteit niet toe, deze waterbergingscapaciteit is bij de vaststelling van het bestemmingsplan al beoordeeld en geborgd.

4.7

Ecologie

Bij de vaststelling van het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" zijn de gevolgen voor beschermde gebieden en soorten in kaart gebracht. Deze omgevingsvergunning kent geen grotere

16

gevolgen voor beschermde gebieden en soorten dan reeds toegestaan op grond van het bestemmingsplan.

4.8

Cultuurhistorie â archeologie

In het bestemmingsplan "Partiële herziening ARN" is besloten om geen dubbelbestemming Archeologie op te nemen gelet op een eerder besluit van de gemeente Beuningen. In het thans in voorbereiding zijnde bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie" is aangegeven dat de gronden ter plaatse van de ARN reeds zijn verstoord. Dit is gedaan middels de aanduiding "overige zone - bodemverstoringen". Een aanvullend archeologisch onderzoek is dan ook voor deze omgevingsvergunning niet vereist.

4.9

Verkeer en parkeren

Voor de uitbreiding van de BGI is in de omgevingsvergunningsaanvraag voor de activiteit milieu ingegaan op de verkeerssituatie als de uitbreiding wordt gerealiseerd. Kortheidshalve wordt daarnaar verwezen. Op het eigen terrein van ARN zijn meer parkeerplaatsen dan noodzakelijk is voor eigen parkeerbehoefte of die van gasten of personen van contractors die werkzaamheden op het terrein verrichten. De geringe afname van de parkeerplaatsen door de uitbreiding van het buitenterrein van de BGI leidt niet tot een gebrek aan parkeerplekken voor de gemiddelde bezetting met voertuigen. De afwijking van het bestemmingsplan op zich leidt in het geheel niet tot vermindering van het aantal parkeerplekken.

17

5

Uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende planschaderisico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is zodoende verzekerd.

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit gedurende 6 weken ter visie zal worden gelegd. Hierbij wordt de mogelijkheid geboden voor eenieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). De Wabo voegt hieraan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Te zijner tijd zullen eventueel ingediende zienswijzen van een gemeentelijke reactie worden voorzien.

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=ee884a93-ec61-4676-81fb-0fa7678f49e4