CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

20 Nota zienswijze OBP Windpark Beuningen - geanonimiseerd.pdf

Raadsvergadering 5 juli 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling BP Windpark Beuningen30.919 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Lokaal eigendom Verder bestaat de mogelijkheid om via energiecoöperatie EnergieVoorVier te participeren in het windpark. Op deze manier kunnen omwonenden en andere inwoners uit de gemeente Beuningen en omliggende gemeentes een aantrekkelijk rendement krijgen op hun ingelegde geld en meebeslissen over de besteding van de opbrengsten uit het windpark. Voorwaarden voor de participatie moeten ook nog nader worden vastgesteld.

B5 Planschade, waardevermindering, compensatie Van planschade kan sprake zijn indien het nieuwe planologisch regime nadeliger wordt ten opzichte van het eerdere regime en deze verslechtering ertoe leidt dat een omwonende daardoor schade, in de vorm van waardevermindering van het onroerend goed, leidt. Waardevermindering kan zich voordoen wanneer sprake is van een vermindering van het woon- en leefgenot, of wanneer nieuwe planologische beperkingen worden gesteld aan het gebruik of de bouwmogelijkheden van het onroerend goed. Voor het bepalen van de vraag of voor individuele gevallen sprake is van planschade, en (zo ja) hoe groot de omvang van deze schade is, kent ‘Afdeling 6.1 Tegemoetkoming in schade’ van de Wet ruimtelijke ordening een aparte procedure. Belanghebbenden die menen in aanmerking te komen voor planschade kunnen na het onherroepelijk worden van het plan, binnen vijf jaar hiertoe een verzoek doen via https://www.beuningen.nl/bouwen_en_wonen/vergoeding_planschade. Een onafhankelijke adviseur (of in sommige gevallen een commissie) beoordeelt dan per individueel verzoek of er sprake is van planschade en of deze voor tegemoetkoming in aanmerking komt. Wanneer de verzoeker recht heeft op een tegemoetkoming in de planschade keert de gemeente deze uit.

De initiatiefnemer van het windpark is vervolgens verplicht de uitgekeerde planschade aan de gemeente te vergoeden zoals wordt vastgelegd in de anterieure overeenkomst. Overigens moet opgemerkt worden dat inkomensderving en/of waardedalingen van onroerend goed geen aanleiding vormen om af te zien van verlening van de omgevingsvergunningen voor het windpark.

20

B6 Financiële haalbaarheid Met de productie van wind- en zonne-energie wordt een grote bijdrage geleverd aan de vermindering van CO2-uitstoot. Daarom is in het Nederlandse klimaatbeleid een belangrijke rol weggelegd voor windenergie en zonne-energie, zowel op land als op zee. Daarbij is windenergie op dit moment de goedkoopste bron van duurzame elektriciteit. Desondanks kunnen windturbines en zonneparken op dit moment nog niet zonder subsidie uit. Een initiatiefnemer van een wind- of zonnepark kan bij het Rijk een zogenoemde SDE++ subsidie aanvragen. De SDE++ subsidieregeling is een instrument van de rijksoverheid om de transitie naar duurzame energie te stimuleren. De subsidie bestaat uit een compensatie die de overheid betaalt per kWh voor het verschil tussen de kostprijs van opgewekte groene stroom en de prijs voor elektriciteit op de ‘vrije markt’. De hoogte van de SDE++ subsidieregeling wordt steeds verder afgebouwd. Dit komt doordat de ontwikkeling van wind- en zonneparken steeds kostenefficiënter wordt. In Nederland waait het niet overal even hard. Daarom is het subsidiebedrag hoger voor plekken waar het minder hard waait. Op deze manier is het rendement voor een initiatiefnemer overal min of meer gelijk.

B7 Locatiekeuze De gemeente Beuningen heeft op 24 januari 2017 de Energievisie ‘Energiek Beuningen’ vastgesteld. De energievisie is opgesteld in samenwerking met inwoners, bedrijven en betrokkenen en maakt duidelijk waar Beuningen staat en wat de opgave is om in 2040 energieneutraal te zijn. In de energievisie is niet aangegeven hoe, en onder welke voorwaarden deze nieuwe duurzame energie in Beuningen moeten komen. Om dat te bepalen is vanaf 2017 samen met inwoners van de gemeente een gebiedsproces doorlopen. In hoofdstuk B1 wordt het gebiedsproces uitgebreid beschreven. Op 9 april 2019 heeft de gemeenteraad besloten om grootschalige opwek van zonne- en windenergie, onder voorwaarden, mogelijk te maken. Hierbij heeft de gemeenteraad besloten om onder meer een zoekzone voor windenergie vast te stellen. Op basis van het besluit van de gemeenteraad heeft de gemeente de ruimtelijke procedure gestart in de zomer van 2019. Deze procedure bestond uit het opstellen van het milieueffectrapport en het wijzigen van het bestemmingsplan. Hiervoor is een combiMER uitgevoerd die grofweg uit drie stappen bestaat: 1) Het planMER 2) Het projectMER 3) Voorkeursalternatief PlanMER Als eerste stap zijn alle mogelijke locaties voor een windpark binnen de gemeente Beuningen zijn beoordeeld. Dit is gedaan in het planMER. Daarbij is ook gekeken naar effecten die optreden buiten de gemeentegrens.

Uit de beoordeling blijkt dat er geen redenen zijn dat de zoekzone op milieutechnische gronden ongeschikter is voor de ontwikkeling van een windpark dan andere plekken binnen de gemeente.

21

ProjectMER Na de beoordeling van alle locaties binnen de gemeente Beuningen is er gedetailleerd ingezoomd op de zoekzone zoals vastgesteld door de gemeenteraad. In deze zoekzone moeten de uiteindelijk windturbines worden gerealiseerd. De zoekzone Wind is de basis voor het projectMER deel in het milieueffectrapport. In het projectMER zijn drie alternatieven opgesteld en onderzocht. De alternatieven verschillen in aantal en afmeting waarbij er is gekozen voor een opstelling met minder maar grotere turbines, één met kleinere en meer turbines en een middenvariant (alternatief 2). Het doel van deze drie varianten was om een beeld te krijgen van de maximale en minimale milieueffecten. De MER-alternatieven maken dus het speelveld van de milieueffecten inzichtelijk. Bij de totstandkoming van de drie alternatieven hebben de ruimtelijke belemmeringen een belangrijke rol gespeeld. Tot slot is er gewerkt naar het Voorkeursalternatief van het Windpark. Daarvoor zijn opnieuw milieuonderzoeken uitgevoerd en de effecten in beeld zijn gebracht. Voorkeursalternatief Voor het voorkeursalternatief heeft buiten het gebiedsproces (het maatschappelijk draagvlak) een optimalisatieslag plaatsgevonden. Voor de locaties van het voorkeursalternatief hebben de volgende aspecten een belangrijke rol gespeeld. 1.

Haalbaarheid en initiatiefnemers De initiatiefnemers hebben de percelen waar zij grondcontracten mee hebben afgesloten moeten aanleveren bij de gemeente. De windturbines kunnen alleen op de percelen worden geplaatst waar een grondovereenkomst mee is afgesloten, omdat anders de opstelling niet vergunbaar is. 2. Locatieplan grootschalige opwek Zon en Wind De windmolens moeten in samenhang en in een enkelvoudige lijnopstelling parallel aan en ten zuiden van de A73 en N322 worden geplaatst. 3. Milieueffectrapport De onderzoeken uitgevoerd in het MER en de resultaten daarvan zijn gebruikt om tot het Voorkeursalternatief te komen. De ruimtelijke belemmeringen in de Quickscan (bijlage A van het MER) en de resultaten uit het projectMER zijn daarvoor de basis. Binnen deze en de hierboven gestelde kaders is een opstelling ontworpen met maximale positieve milieueffecten tegen zo beperkt mogelijke negatieve milieueffecten. 4. Maatschappelijke en politieke acceptatie. Voor maatschappelijke acceptatie is het gebiedsproces doorlopen van 2017 tot en met 2019 wat in hoofdstuk B1 is beschreven. Daarnaast neemt de gemeenteraad een besluit over het bestemmingsplan, daarmee borgen zij de politieke acceptatie.

Rol gemeente in verschuiving windturbine twee Voorkeursalternatief Bij het Voorkeursalternatief bleek dat de locatie van windturbine 2 (gekeken vanaf het westen) niet mogelijk was wegens een recent afgegeven omgevingsvergunning nabij die turbine. De initiatiefnemers van het windpark hebben daarna gesprekken gevoerd met de grondeigenaren in het gebied om een nieuwe positie voor die turbine te vinden. De gemeente is door gegaan met het opstellen van het bestemmingsplan en MER, en verleende planologische medewerking aan de nieuwe locatie van de windturbine.

22

B8 Afmetingen en aantal windturbines Afmetingen In het MER zijn drie alternatieven onderzocht waarna een Voorkeursalternatief is bepaald. Het betreft een Voorkeursalternatief op bandbreedte bestaande uit 5 windturbines, waarbij de posities gedefinieerd zijn vanwege de haalbaarheid van de opstelling, de milieueffecten en het Locatieplan Zon & Wind. In hoofdstuk B7 zijn deze vier pijlers ook beschreven. Tevens is er een keuze gemaakt in de hoogte van de windturbines, waarbij een bandbreedte is aangehouden van een tiphoogte van 215 meter tot maximaal 245 meter. De redenen dat er gekozen is voor deze bandbreedte zijn als volgt:

De energieopbrengst ligt aanzienlijk hoger bij grotere afmetingen, waardoor eenzelfde energieopbrengst met minder windturbines bewerkstelligd kan worden. Met de voorgestelde afmetingen kan er met minder windturbines worden voldaan aan de opgave om 731 TJ op te wekken. Tevens geldt dat uit de resultaten van het MER blijkt dat een opstelling met grotere windturbines niet per definitie leidt tot grotere milieueffecten; Binnen de gekozen afmetingen wordt verwacht dat er voldoende windturbinetypes beschikbaar zijn om een goede en geschikte keuze te kunnen maken.

In verschillende zienswijzen wordt aangedragen dat een alternatief met 180 meter niet is onderzocht. In het MER is dit alternatief (Alternatief 3) wel onderzocht. Uit het MER is gebleken dat Alternatief 3 aanzienlijk slechter scoort op een aantal milieueffecten dan de overige 2 alternatieven, waardoor de keuze, in combinatie met de haalbaarheid, is gevallen voor minder, maar hogere windturbines. Aantal turbines Om in 2040 energieneutraal te zijn moet de gemeente Beuningen minimaal 731 TJ duurzame energie grootschalig opgewekt worden. Door de gemeenteraad is er voor gekozen dat te doen met 2/3 e wind en 1/3e zon. Het is aannemelijk dat dit met het Voorkeursalternatief van vijf turbines gaat lukken. Landelijk is de trend dat er steeds verdere elektrificatie is van het energieverbruik. Elektrische apparatuur neemt toe, elektrisch rijden ontwikkelt zich snel en warmtebronnen worden door elektrische alternatieven vervangen. Daarnaast gaat de energiebesparing bij particulieren en bedrijven minder snel dan verwacht en blijft zon op dak vooralsnog achter bij de opgave. De realiteit laat dus een beeld zien waarbij de 731 TJ op termijn niet voldoende zal zijn om energieneutraal te worden in 2040. Met de huidige opstelling van vijf turbines voldoet de gemeente aan de verhouding zon:wind en speelt zij in op verwachte ontwikkelingen

B9 Geluid, slagschaduw en lichtschittering B9.1 Grote windturbines maken meer geluid Het is niet juist dat grotere windmolens in de regel meer (laagfrequent) geluid produceren. Het is weliswaar zo dat de wind op grotere hoogte harder waait, maar dat effect wordt teniet gedaan door het feit dat grotere windturbines vaak langzamer draaien, met minder geluidproductie tot gevolg. Tegelijkertijd moet daarbij de kanttekening worden geplaatst dat er veel verschil in geluidsproductie bestaat tussen verschillende typen windturbine: zo kan er toch een groter type windturbine zijn dat meer geluid maakt dan een ander, kleiner type. Daarom is het bij concrete projecten van belang om, nadat het definitieve windturbinetype is gekozen, de berekening te herhalen om zeker te zijn dat aan de afgegeven vergunning én de wettelijke norm wordt voldaan. 23

B9.2 Afstanden tot woningen is te klein Nederlandse wet- en regelgeving heeft betrekking op hinder, niet op afstand. In het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn de eisen opgenomen waaraan windturbines in Nederland dienen te voldoen. De geluidnormen zijn opgenomen in artikel 3.14a. Hierin is vastgelegd dat één of meer windmolens van dezelfde inrichting op de gevel van geluidsgevoelige bebouwing (bijvoorbeeld woningen) dienen te voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight. Graag verwijzen wij naar paragraaf 5.4 uit het akoestisch onderzoek. In de bijlagen van het onderzoek zijn alle geluidswaarden bij woningen te vinden met 40 dB Lden of hoger. Uit het onderzoek blijkt dat er bij en de onder- en bovengrens van het VKA (de stilste en luidste windturbinetypes die zijn doorgerekend) enkele woningen zijn die binnen de getekende geluidscontouren liggen. Vervolgens zijn mogelijke mitigerende maatregelen beschreven die zorgen dat normoverschrijding met zekerheid kan worden voorkomen. De normen die zijn opgesteld voor met name geluid en slagschaduw, hebben als doel om mensen zoveel mogelijk te beschermen tegen onaanvaardbare hinder. Er kan niet voorkomen worden dat er enige sprake kan zijn van hinder. Hinder staat echter niet gelijk aan gezondheidseffecten.

Er bestaat geen wetenschappelijk bewijs voor een directe relatie tussen het ervaren van hinder als gevolg van windturbines en de effecten op de gezondheid. Het recente onderzoek van het RIVM1 naar de gezondheidseffecten van windturbines bevestigt deze stelling. B9.3 Strengere geluidsnorm De Nederlandse wet kent geen afstandseisen voor windturbines en woningen. De plaatsing van windturbines moet voldoen aan de Nederlandse normen omtrent geluid en slagschaduw, ongeacht de afstand. De Nederlandse normering voor geluid is streng en beschermt voldoende tegen hinder van windturbines, inclusief laagfrequent geluid. In het geluidsonderzoek bij een vergunningaanvraag moet een initiatiefnemer aantonen te voldoen aan de normen. De World Health Organization (WHO) adviseert in het rapport ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ (2018) een waarde van 45 dB Lden. Deze advieswaarde is niet ingegeven door bewijs voor gezondheidsrisico’s, maar door (de beleving van) een hoge mate van hinder. De WHO geeft onder meer aan dat het bewijs voor gezondheidseffecten ten gevolge van windturbines (afgezien van de ervaren hinder) afwezig is of een lage tot zeer lage kwaliteit heeft.

Bij het bovenstaande is van belang dat het regelgevend bevoegd gezag (in dit geval de Nederlandse wetgever) zich bij de vaststelling van de geluidsnorm van 47 dB Lden bewust was van het feit dat de genormeerde geluidswaarde tot hinder leidt (9% ernstige hinder binnenshuis en 20% buitenshuis voor woningen die de maximaal toegestane geluidsbelasting ondervinden). De wetgever acht het vanwege het maatschappelijk belang van windenergie echter noodzakelijk om een bepaalde mate van hinder te accepteren. De wetgever is momenteel niet voornemens de geluidsnorm aan te passen. B9.4 Minimale afstand van woningen in vergelijking tot andere landen Nederlandse wet- en regelgeving heeft betrekking op hinder, niet op afstand. In omringende landen is geen sprake van nationale wetgeving m.b.t. minimale afstanden tot windturbines, hier heeft bijvoorbeeld Duitsland vanaf gezien vanwege het ontbreken van een dosis-effect-relatie. Wel kunnen regionale instanties eigen richtlijnen opstellen, zoals het geval in Beieren.

1

van Kamp & van den Berg, Health effects related to wind turbine sound: an update, RIVM, 2020. 24

Ook de WHO bepaalt de verwachte hinder op basis van geluidniveaus aan de gevel en niet op basis van afstand. Daar waar een onderliggende wetenschappelijke onderbouwing wordt gegeven is de normering net als in Nederland gebaseerd op een bepaalde kans op ernstige hinder. De normering in andere landen is soms strenger en soms ruimer dan in Nederland. Er zijn geen nieuwe wetenschappelijke inzichten die aanleiding geven tot een aanpassing van de Nederlandse normering. B9.5 Woningen niet gedefinieerd in MER  Geluidsoverlast onderschat In het akoestisch- en slagschaduwonderzoek worden woningen, onderwijsinstellingen en gezondheidsinstellingen geclassificeerd als gevoelige objecten. Voor deze groep gelden de normen van 47 dB Lden en 41 dB Lnight voor geluid en 5 uur en 40 minuten voor slagschaduw. Deze geluidsgevoelige objecten worden onttrokken uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) van de Rijksoverheid. Hier is ten tijde van de onderzoeken de meest recente versie voor gebruikt om ook nieuwe ontwikkelingen mee te nemen in de studies. Er is geen indicatie dat de gebruikte set incompleet is en er meer geluidsgevoelige objecten rond het windpark aanwezig zijn. Hierdoor is er geen reden om te denken dat er meer geluidsoverlast zou kunnen optreden dan gemodelleerd.

B9.6 Cumulatief geluid Het is begrijpelijk dat indieners aandacht vragen voor de geluidsbelasting van windturbines in een omgeving waarin ook al andere geluidsbronnen aanwezig zijn. Daarom is, naast het reguliere akoestisch onderzoek dat antwoord geeft op de vraag of het voorgenomen windpark aan de wettelijke geluidsnormen kan voldoen, ook de cumulatie van geluid met andere geluidsbronnen in beeld gebracht. Daarbij wordt er gekeken naar de volgende geluidsbronnen: wegverkeer (o.a. de A73), railverkeer en industrie. Net als bij het reguliere akoestisch onderzoek is bij het cumulatieonderzoek voor wat betreft de windturbines gerekend met verschillende alternatieven. Voor de cumulatieve geluidsbelasting gelden geen wettelijke normen. Daarom zijn de geluidswaarden geanalyseerd aan de hand van de GES-methodiek. GES staat voor gezondheidseffectscreening. Hierbij valt in veel gevallen op dat woningen met een “redelijk” of “matig” akoestisch klimaat een toename van gecumuleerde geluidbelasting ondervinden. Bij woningen met een “tamelijk slecht” of “slecht” akoestisch klimaat leiden de windturbines nauwelijks tot een toename van gecumuleerde geluidbelasting.

B9.7 Geluid in de tuin Er bestaat in het Activiteitenbesluit (artikel 3.14) geen uitzondering voor geluidniveaus in de tuin van gevoelige objecten: “Een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein.” De gemeente volgt hierbij de gangbare redeneerlijn dat, als op de gevel aan de norm wordt voldaan, ook in de tuin geen sprake is van ontoelaatbare hinder of een situatie die een goede ruimtelijke ordening in de weg staat. B9.8 Gemiddelde- en piekbelasting In het Activiteitenbesluit zijn de eisen opgenomen waaraan windmolens in Nederland moeten voldoen. De geluidnormen zijn opgenomen in artikel 3.14a. Hierin is vastgelegd dat een of meer windmolens op de gevel van geluidsgevoelige bebouwing (bijvoorbeeld woningen) moeten voldoen aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight. Lden staat voor Level day, evening night ofwel het tijdgewogen jaargemiddelde geluidsniveau, waarbij avond- en nachtperiodezwaarder meetellen door het opnemen van straffactoren van +5 respectievelijk +10 dB.

25

Om nog aanvullend daarop bescherming te bieden tegen slaapverstoring is voor de nachtperiode een afzonderlijke norm opgenomen: Lnight. In de praktijk komt de 47 dB Lden norm op een gemiddelde geluidbelasting van 41 dB(A), de geluidsbelasting op een woning waar precies voldaan wordt aan de norm zal als de windmolens draaien (circa. 95% van de tijd) variëren tussen de 38 en 46 dB. Het vreemd ogende feit dat de maximale geluidsimmissie hoger is dan het gemiddelde heeft te maken met het feit dat in de Lden-methodiek ‘strafdecibellen’ worden toegevoegd aan windturbinegeluid in de avond (+5 dB) en de nacht (+10 dB). De daadwerkelijke geluidsbelasting komt dus niet overeen met de Ldenwaarden. Zie het akoestisch onderzoek voor een nadere toelichting. B9.9 Handhavingsverzoek geluid Indien tijdens de exploitatie van het windpark aanleiding is om aan te nemen dat toch niet aan de norm voldaan wordt, kan een handhavingsverzoek bij de gemeente ingediend worden. Er zijn twee manieren van handhaven:  door middel van geluidsmetingen kan worden vastgesteld of de daadwerkelijke geluidsproductie overeenkomt met de opgave van de fabrikant  op basis van gegevens die de exploitant jaarrond moet registreren is met terugwerkende kracht te berekenen of over een bepaald jaar de gemiddelde geluidsbelasting de norm wel of niet overschreed.

Als uit een van beide methoden blijkt dat niet voldaan wordt, zullen de turbines aangepast moeten worden tot wel aan de geluidsnorm wordt voldaan. B9.10 Geertjesgolf De toekomstige Geertjesgolf is als autonome ontwikkeling meegenomen in het cumulatief gedeelte van het akoestisch onderzoek. In Figuur 4 van het Akoestisch onderzoek is dit gebied ingetekend als ‘harde bodem’ doordat geluid over water verder draagt dan over (bijvoorbeeld) grasland. In alle berekeningen is dit effect (een hogere geluidsbelasting voor woningen die ‘aan de overkant’ van de Geertjesgolf zijn gelegen ten opzichte van het windpark dus meegenomen. Gespecialiseerd bureau LBP-Sight heeft een cumulatieberekening uitgevoerd om voor omliggende woningen te bepalen wat de huidige geluidsbelasting is. Deze notitie is opgenomen als Bijlage I bij het akoestisch rapport. Op basis van diverse inspraakreacties op het voorontwerp-bestemmingsplan en de voorlopige onderzoeken is hier een tweede rapport aan toegevoegd, waarin de geluidseffecten van de zandwinnings-activiteiten bij de Geertjesgolf is onderzocht. Zie daarvoor Bijlage J ‘Geluid zandwinning Geertjesgolf’ op pagina 576 en verder van het Akoestisch onderzoek. Daarbij is overigens niet in de beoordeling betrokken dat de zandwinningactiviteiten alleen in de dagperiode plaatsvinden, wanneer er sowieso al meer achtergrondgeluid in de omgeving aanwezig is.

B9.11 Windrichting en geluid De geluidsberekeningen zijn uitgevoerd conform bijlage 4 van de Activiteitenregeling milieubeheer. In de berekening is wel rekening gehouden met de windrichting en de mate van reflectie van verschillende bodemsoorten. Het effect van een overheersende windrichting zit verwerkt in de rekenmethode (en ook in het softwarepakket GeoMilieu). Dit effect wordt echter pas meegenomen bij een afstand groter dan 10x (ashoogte + ontvangerhoogte). Reden dat de windrichting pas op grote afstand is meegenomen is dat geluid logaritmisch gemiddeld wordt. Hierdoor vallen de verschillen als gevolg van de windrichting (die op een gegeven moment aanzienlijk kunnen zijn) weg in het jaargemiddelde.

26

Voor ontvangerpunten gelegen binnen de afstand 10x (as-hoogte + ontvangerhoogte) gaat de rekenmethode voor windturbines van de Reken- en meetvoorschrift Windturbines uit van meewindcondities in iedere richting. De immissiewaarden worden berekend als ware in alle richtingen rondom het windpark er sprake is van meewindcondities (met een windrichting van het windpark naar de woningen van appellanten). B9.12 Model in plaats van metingen De berekeningen voldoen aan het Reken- en meetvoorschrift windturbines zoals voorgeschreven in de Activiteitenregeling. Bij het akoestisch onderzoek zijn bijlagen met de in- en uitvoer van de software GeoMilieu te vinden. De Omgevingsdienst (OD) gebruikt deze informatie om de methode en resultaten van dit onderzoek te controleren. Dat is in dit geval dan ook gedaan. De OD is akkoord gegaan met het onderzoek. Experts zijn het erover eens dat het geluidsniveau accurater vast te stellen is met een model dan met een meting. Een meting heeft als voornaamste nadeel dat deze verontreinigd kan worden door geluid van andere geluidsbronnen zoals wegverkeerlawaai. Bij de prognoses wordt informatie gebruikt (afhankelijk van het merk en type) die afkomstig is van windturbines die elders al in werking zijn en ter plaatse volgens een vast en wettelijk voorgeschreven protocol gemeten zijn.

B9.13 Plannen gebaseerd op windturbines met onbekende meetgegevens Voor het akoestisch onderzoek is gewerkt met de meest recente invoergegevens voor windturbines. Deze informatie wordt direct verkregen van de windturbineproducenten. Door die wens om de meest actuele gegevens in het onderzoek op te nemen is het in sommige gevallen zo dat een fabrikant de detailgegevens (nog) niet wil publiceren. Dit is bijvoorbeeld het geval voor de spectraalgegevens van de Nordex N163/5.X (de bovenvariant van het VKA voor wat betreft geluid). Zoals in paragraaf 5.3.1 van het akoestisch rapport aangegeven zijn de betreffende waarden wel op te vragen bij de fabrikant. Bosch & van Rijn heeft deze gegevens onder een ‘non-disclosure agreement’ mogen gebruiken in de berekening. Aangezien de gegevens voor eenieder opvraagbaar zijn is de berekening daarmee ook reproduceerbaar. Ongeachte de wijze waarop de berekening tot stand is gekomen geldt dat een daadwerkelijk te bouwen windturbinetype moet passen binnen de bandbreedte zoals beschreven in hoofdstuk 5 van het akoestisch onderzoek en te allen tijde moet voldoen aan de geluidsnorm uit het Activiteitenbesluit milieubeheer.

B9.14 9% gehinderden Het regelgevend bevoegd gezag (in dit geval de Nederlandse wetgever) was zich bij de vaststelling van de geluidsnorm van 47 dB Lden bewust van het feit dat de genormeerde geluidswaarde tot hinder leidt (van op de normgrens belaste omwonenden ondervindt naar verwachting ca. 9% ernstige hinder binnenshuis en 20% buitenshuis). Voor omwonenden met een lagere geluidsbelasting gelden ook lagere hinderpercentages. De wetgever acht het vanwege het maatschappelijk belang van windenergie noodzakelijk om een bepaalde mate van hinder te accepteren. Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is het aan de wetgever om de verschillende belangen en de feiten en omstandigheden die bij de vaststelling van de geluidsnormen betrokken zijn tegen elkaar af te wegen. Zij ziet in de percentages ernstig gehinderden geen aanleiding voor het oordeel dat de wetgever niet in redelijkheid tot de vaststelling van deze geluidsnormen voor windenergie heeft kunnen besluiten (AbRvS, 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3504).

27

B9.15 Stilste windturbinetype Op dit moment is het windturbinetype nog niet bekend. Het is niet wenselijk nu al een bepaald turbinetype vast te leggen. Windturbines zijn namelijk constant in ontwikkeling. Zo worden windturbines bijvoorbeeld steeds stiller. Het zou bovendien in strijd zijn met de aanbestedingsregels om in de omgevingsvergunning vast te leggen welke verschijningsvorm, dan wel type de turbines moeten hebben. In dat geval zou slechts één fabrikant de turbines kunnen leveren (AbRvS 4 mei 2016, nr. 201504506/1/R6). B9.16 Slagschaduw Voor slagschaduw geldt landelijk een zeer strenge norm (veel strenger dan in het buitenland) van maximaal 17 keer maximaal 20 minuten slagschaduw per woning per jaar. Voor windpark Beuningen is een bovenwettelijke maatregel genomen door slagschaduw op woningen terug te brengen tot 0 uur. In het ontwerpbestemmingsplan is daarvoor de volgende planregel opgenomen: “Het in gebruik nemen en houden van een windturbine is slechts toegestaan indien een stilstandsvoorziening is aangebracht in of op de turbine welke de windturbine stilzet zodra er bewegende slagschaduw op woningen binnen een straal van 12 keer de rotordiameter van de windturbine, gerekend vanaf de mast van de windturbine, optreedt. “ Daarnaast is op grond van het Activiteitenbesluit een aanvullend maatwerkvoorschrift vastgesteld met een maximum van gemiddeld 30 minuten per jaar.

Het maatwerkvoorschrift en de planregel zorgen ervoor dat de slagschaduwoverlast voor omwonenden tot het minimale wordt beperkt. Omdat de windturbine door middel van sensoren meet of er slagschaduw optreedt (m.a.w. dat het hard genoeg waait om de wieken te laten draaien, dat de zon schijnt, en dat het een moment van de dag is waarop de schaduw van de windturbine op één of meer woningen valt) kan de windturbine automatisch worden stilgezet om zo te voorkomen dat er slagschaduw optreedt. Hierbij moet worden opgemerkt dat het geheel voorkomen van slagschaduw geen realistische eis is. Op een moment dat plotseling slagschaduw zou optreden (bijvoorbeeld doordat de zon achter wolken vandaan komt) zal het een korte tijd duren voordat de wieken geheel tot stilstand zijn gekomen (vandaar het in het maatwerkvoorschrift gestelde maximum van 30 minuten per jaar). Doordat de slagschaduw op woningen van derden wordt beperkt zal slagschaduw ook niet tot gezondheidsschade leiden. Tevens zal de slagschaduw niet tot gevaarlijke situaties leiden op de snelweg. Dit gezien de snelheid van de auto’s ten opzichte van de bewegende slagschaduw en het feit dat er geen noemenswaardige negatieve effecten bekend zijn van bewegende slagschaduw op wegverkeer.

Er is geen onderzoek bekend waaruit een verband blijkt dat windturbines effect hebben op dierenwelzijn en de gezondheid van dieren door de realisatie van een windpark. Hierbij is nog van belang dat in de uitspraak ABRvS 4 mei 2016 (nr. 201504506/1) de ABRvS – onder verwijzing naar het deskundigenbericht dat in deze procedure was uitgebracht – verder heeft geoordeeld dat niet aannemelijk is dat slagschaduw van windturbines leidt tot effecten (stress) op paarden. Inmiddels staan er honderden windturbines in weilanden en nabij stallen of kralen. B9.17 Lichtschittering Het effect van lichtschittering wordt voorkomen doordat in de Activiteitenregeling milieubeheer is opgenomen dat windturbines moeten worden voorzien van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen. B9.18 Laagfrequent geluid Zie onderdeel B12. 28

B10 Obstakelverlichting en lichthinder Windturbines dienen voorzien te worden van obstakelverlichting in het verband met de luchtvaartveiligheid. De Directie Luchtvaart-vergunningen van de Inspectie Leefomgeving en Transport is het bevoegd gezag voor de beoordeling van het verlichtingsplan voor de luchtvaart. Hier zijn internationale ICAO-richtlijnen voor. De laatste wijzigingen voor de aanduiding van windturbines en windparken op het Nederlandse vasteland staan vermeld in de Staatscourant van De Minister van Infrastructuur en Waterstaat 2. Op dit moment is er nog geen verlichtingsplan opgesteld. Dit is onder meer afhankelijk van het type windturbine en zal later uitgewerkt worden en voorgelegd aan de Directie Luchtvaart-Vergunningen. De Luchtvaartwet is bepalend waar deze verlichting/markering aan moet voldoen. Landelijk lopen er diverse onderzoeken naar de beste mogelijkheden om hinder als gevolg van deze verlichting zoveel als mogelijk te beperken. Wij beoordelen enkel de hinder van de verlichting. Door op een later tijdstip – wanneer het definitieve windturbinetype wordt gekozen – het verlichtingsplan op te stellen, kunnen wij bij de beoordeling daarvan de beste beschikbare technieken van dat moment betrekken. Zo kan hinder worden voorkomen. En voor zover dat niet mogelijk is tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt. Dit volgt rechtstreeks uit het Activiteitenbesluit.

Bij de realisatie van moderne windturbines (met een tiphoogte boven de 150 meter) wordt sinds enige tijd vastbrandend licht toegepast, in tegenstelling tot een aantal jaar terug toen knipperend licht werd toegepast. Vastbrandend licht heeft als voordeel dat het als minder storend wordt ervaren. Vanuit bepaalde invalshoeken kan echter nog steeds een knipperend effect optreden door het draaien van de wieken. De intensiteit van de verlichting kan worden ingesteld zodat deze wordt verlaagd wanneer het zicht in de omgeving goed is. Hierdoor kan lichthinder verminderen. Sensoren in de windturbine meten de zichtafstand en passen de verlichting daaropaan. De lichtintensiteit mag daarbij tot 30% van de gebruikelijke hoeveelheid licht worden verminderd. Er zijn momenteel ontwikkelingen gaande rondom radarsystemen op windturbines die ervoor kunnen zorgen dat het licht alleen aan staat wanneer dit echt nodig is (bij naderende laagvliegende vliegtuigen). Het is nog niet zeker wanneer deze systemen kunnen worden toegepast. Mogelijk kan dit in de toekomst toegepast worden bij de windturbines van Windpark Beuningen.

B11 Ecologie / natuur Verschillende indieners geven aan dat zij zich zorgen maken om de effecten op flora en fauna. Ten behoeve van de ontheffingsaanvraag en het MER zijn verschillende ecologische onderzoeken uitgevoerd. Uit de ecologische onderzoeken blijkt het volgende: Natura 2000-gebieden Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening voor Windpark Beuningen blijkt dat sprake zal zijn van een tijdelijke en beperkte stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Rijntakken en Veluwe.

2

Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. (2020, mei). Staatscourant (Nr. 31428). Koninkrijk der Nederlanden. https://www.rijksoverheid.nl/binaries/rijksoverheid/documenten/publicaties/2016/11/15/aanduiding-van-windturbines-en-windparken-op-het-nederlandse-vasteland/stcrt-2020-31428+Informatieblad+verlichting+windturbines.pdf 29

Deze berekende stikstofdepositie betreft maximaal 0,08 mol/ha in 1 jaar op habitattypen waarvan de kritische depositiewaarde (KDW) reeds overschreden wordt. Gezien de tijdelijkheid en beperktheid van de werkzaamheden worden significante effecten uitgesloten. Omdat de stikstofdepositie, hoewel zeer klein, toch groter is dan 0 mol/ha heeft de commissie voor de m.e.r. geadviseerd het MER aan te vullen met een aantal mogelijke mitigerende maatregelen. Het is aan het bevoegd gezag (voor de Wet natuurbescherming is dat de Provincie Gelderland) in hoeverre zij toepassing van dergelijke maatregelen noodzakelijk acht. Verder zijn er geen negatieve effecten op het behalen van instandhoudingsdoelstellingen (IHD’s) van andere natuurwaarden zoals diersoorten (inclusief vogels) te verwachten. Significant negatieve effecten op het behalen van IHD’s is met zekerheid uitgesloten. Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO) De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Gelders Natuurnetwerk of Groene Ontwikkelingszone, waardoor er geen effecten op het GNN verwacht worden. Effecten op weidevogel- en ganzenrustgebieden Het onderzoeksgebied ligt niet in provinciaal beschermde weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen. Gezien de afstand tot dergelijke gebieden zijn er geen effecten.

Effecten op beschermde soorten Er zijn met zekerheid geen negatieve effecten op de gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten, behalve mogelijk vogels en vleermuizen. Effecten op deze beide diergroepen worden hieronder nader besproken. Voor het windpark is het maximum aantal vogelslachtoffers per turbine per jaar berekend. Dit betekent dat voor het volledige windpark er maximaal 100 vogelslachtoffers per jaar zullen vallen. Voor slachtoffers onder vogels moet een ontheffing worden aangevraagd vanwege overtreding van de Wnb. Het aantal berekende slachtoffers zal in alle gevallen (ruim) lager liggen dan de 1%-mortaliteitsnorm.. Zodoende zijn er, naar verwachting, geen effecten op de gunstige staat van instandhouding. Dit blijkt ook uit de ontwerp-ontheffing afgegeven door de provincie. Voor de aangevraagde opstelling is het maximum aantal vleermuisslachtoffers per turbine per jaar berekend. In het VKA wordt het totale aantal aanvaringsslachtoffers op 25 individuen geschat. Conform het berekende aantal slachtoffers met behulp van de verspreidingsgegevens betreft het aantal slachtoffers onder vleermuizen bij het VKA in totaal 17 gewone dwergvleermuizen, 5 ruige dwergvleermuizen, 2 rosse vleermuizen en 1 laatvlieger per jaar. Deze berekende aantallen liggen onder de berekende 1%-mortaliteitsnormen van respectievelijk 51, 28, 2,5 en 3 dieren.

De berekende aantallen slachtoffers als gevolg van Windpark Beuningen leiden, inclusief cumulatie, derhalve met zekerheid niet tot effecten op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten. Effecten op insecten Naast aanvaringen van vleermuizen en vogels bij windturbines, zullen er jaarlijks ook vele insecten een dodelijke ‘aanvaring’ met windturbines hebben. Dit is verder niet in het MER onderzocht. Wel is het zo dat verschillende onderzoeken, zowel in binnen- als buitenland, uitwijzen dat de insectenpopulaties in veel gebieden achteruitgaan. Er is echter geen enkel onderzoek dat windturbines als de (hoofd)oorzaak van het probleem aanmerkt. De achteruitgang van insectenpopulaties was al gaande voordat de eerste (moderne) windturbines geplaatst werden.

30

Daarnaast onderschrijft het Duitse onderzoek dat de (moderne) windturbines geen invloed hebben op de lokale insectenpopulaties, deze bevinden zich onder de wieken (tussen 0 en 30 meter). Windturbines zouden, volgens het Duitse onderzoek, daarom (alleen) schadelijk zijn voor migrerende insecten. De afname van insectenpopulaties is echter vastgesteld over de hele breedte, zowel migrerende als niet-migrerende insecten. Het is daarom onwaarschijnlijk dat aanvaringen met windturbines de (hoofd)oorzaak van deze afname is. Diverse onderzoeken tonen ook aan dat voornamelijk de landbouw en versnippering van het landschap de waarschijnlijke oorzaak van deze achteruitgang is. Er is, vooralsnog, geen enkele indicatie dat de plaatsing van windturbines een negatief effect op soort- en insectenpopulatieniveau heeft.

B12 Gezondheid B12.1 Hinder door laagfrequent geluid Enige hinder als gevolg van windturbines is niet uit te sluiten. Hinder staat echter niet gelijk aan effecten op de gezondheid. Zie ook paragraaf B9.14. Ook blijkt dat weerstand (emotionele spanning en angst voor overlast) tegen de ontwikkeling het gevoel van hinder door de windturbines kan vergroten. Het geluid van windturbines bestaat uit veel verschillende toonhoogtes, van laag- tot hoogfrequent. De bijdrage van hoog- en laagfrequente tonen is lager dan de bijdrage van geluid van gemiddelde toonhoogten. Wel is het zo dat laagfrequent geluid verder draagt dan ‘normaal’ geluid, waardoor de bijdrage op grote afstand relatief groter is. Het RIVM heeft recent (oktober 2020) een literatuuronderzoek uitgevoerd naar gezondheidseffecten van geluid van windturbines3. Hieruit blijkt dat er geen statistisch significante relatie is gevonden tussen de blootstelling aan windturbinegeluid en mogelijke gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, cognitieve stoornissen, gehoorproblemen, ongunstige zwangerschapsuitkomsten en slaapstoornissen. B12.2 Uitspraken Jan de Laat over laagfrequent geluid De gemeente, initiatiefnemers en Bosch & van Rijn zijn bekend met de uitspraken van Jan de Laat. Echter willen we wel wijzen op het recente RIVM-onderzoek uit oktober 2020.

Uit het rapport uit 2020 blijkt dat het RIVM geen aanbevelingen doet voor windturbinegeluid. Waar het onderzoek voor wegrail- en vliegverkeer sterke aanbevelingen doet is dat bij windturbines, wegens gebrek aan bewijs, niet het geval. Tevens is het goed om kennis te nemen van het artikel van het RIVM: ‘Health effects related to wind turbine sound, including low-frequency sound and infrasound’ uit 2018. Hierin wordt onder meer gesteld dat er geen bewijs is dat laagfrequent geluid en infrageluid specifieke effecten hebben, en dat gezondheidseffecten eerder gerelateerd zijn aan ergernis dan aan daadwerkelijke blootstelling. Wel kan er hinder ondervonden worden. Dit staat echter niet gelijk aan effecten op de gezondheid. Sommige indieners halen bronnen aan die waarschuwen voor het zogenaamde Wind Turbine Syndroom. Deze term, opgeworpen door dr. Nina Pierpont, koppelt slaaptekorten, hoofdpijn en andere gezondheidsklachten aan windturbines. Ook zijn er andere bronnen (Sylvia van Manen, Democratisch Energie Initiatief, Elsevier en de Volkskrant) die melden dat mensen ziek kunnen worden door laagfrequent geluid. Echter wordt dit door audiologen en windturbine experts als onwetenschappelijk gezien.

3

van Kamp & van den Berg, Health effects related to wind turbine sound: an update, RIVM, 2020. 31

Het overgrote deel van onderzoeken geeft aan dat er geen direct verband tussen windturbinegeluid en gezondheidsklachten is. In het op 29-10-2020 verschenen RIVM rapport “Gezondheidseffecten van windturbine-geluid: een update” is de tussen 2017 en 2020 verschenen literatuur over het effect van geluid van windturbines op de gezondheid van omwonenden door het RIVM op een rij gezet. Uit de literatuurstudie blijkt dat hinder optreedt als gevolg van geluid: hoe sterker het geluid (in dB) van windturbines, hoe groter de hinder ervan. In het geval van stress naar aanleiding van hinder kan er sprake zijn van effecten op de gezondheid, over de symptomen van stress is reeds veel bekend. Er is veel onderzoek beschikbaar met betrekking tot geluidshinder. Hieruit blijkt geen sprake van een directe relatie tussen windturbinegeluid en gezondheidseffecten. De resultaten van het in 2020 verschenen RIVM rapport onderbouwen de eerdere conclusies van een vergelijkbaar rapport van drie jaar eerder. B12.3 Geluid en dierenwelzijn Er is geen onderzoek bekend waaruit blijkt dat windturbines effect hebben op dierenwelzijn en de gezondheid van dieren. Daarnaast heeft de Raad van State op 4 mei 2016 (Windpark Wieringermeer) en 4 april 2018 (Windpark Bijvanck) geoordeeld dat niet aannemelijk is dat geluid van windturbines leidt tot effecten (stress) op paarden.

Ook voor leghennen wordt geen enkel effect verwacht. B12.4 Slagschaduw en gezondheidsklachten Er kan enige mate van hinder verbonden zijn aan de realisatie van een windpark. Evenzo geldt dat voor slagschaduwhinder de uitgevoerde onderzoeken aantonen dat de te verwachten slagschaduwhinder binnen de grenzen blijft die de wetgever daarvoor heeft gesteld. Daarnaast geldt voor Windpark Beuningen dat slagschaduw op burgerwoningen tot 0 uur gereduceerd wordt middels een planregel. Bij het bepalen van de normering voor slagschaduw is ook rekening gehouden met de beweging van wieken. De hinderbeleving van draaiende wieken (de rotorbladen) hangt samen met de snelheid van de draaiende beweging. Hier wordt vermeld dat moderne windturbines doorgaans een grotere rotor hebben en langzamer draaien. Hierdoor ligt de frequentie van de slagschaduw nooit hoger dan 1 Hz, terwijl bekend is dat frequenties tussen 2,5 Hz en 14 Hz als hinderlijk worden ervaren. Bovendien geldt dat de blootstellingsduur voor slagschaduw vanwege de geldende norm relatief beperkt is.

B13 Beleid B13.1 De raad heeft in 2008 en 2012 besloten geen windturbines (groter dan 80m) te willen Veel indieners wijzen op eerdere raadsbesluiten over windturbines. Deze raadsbesluiten dateren van 2008 en 2012. Er zijn veel nieuwe ontwikkelingen geweest sinds die tijd op verschillende gebieden waaronder die van de energietransitie. De urgentie daarvan is steeds groter geworden. Zowel nationaal als internationaal zijn afspraken gemaakt om klimaatverandering tegen te gaan zoals het Klimaatakkoord. We staan voor een hele nieuwe grote opgave voor energieopwekking. In 2017 heeft de gemeenteraad van Beuningen de Energievisie vastgesteld. Het uitgangspunt hiervan is dat de gemeente in 2040 energieneutraal is. Dat doen we door in te zetten op verschillende thema’s waaronder het opwekken van grootschalige duurzame energie in het buitengebied. Met het vaststellen van de Energievisie ontstonden nieuwe beleidskaders die de basis vormden voor het proces van wind. Daarna nam de gemeenteraad ook een besluit over het gebied waar windenergie opgewekt kan worden, dit was de zoekzone wind. Bij dit besluit werd ook duidelijk dat grotere windturbines effectiever zijn en tot minder ruimtegebruik leiden (een 2x zo groot rotorblad levert 4x zoveel energie op). 32

Hiermee werden nieuwe beleidskaders gemaakt waardoor ouder beleid op het gebied van opwekking van duurzame energie, zoals in de Structuurvisie, meer integraal wordt benaderd. Door een beperkt aantal grotere windturbines te plaatsen kunnen én energiedoelen worden gehaald én kan de openheid zo goed als mogelijk worden gewaarborgd. B13.2 Europese wetgeving Er wordt op gewezen dat er niet wordt voldaan aan de Strategische Milieu Beoordeling Richtlijn. Momenteel volgt de gemeente Beuningen het standpunt van het Rijk. Het standpunt van de Rijk is als volgt: “het Rijk is van mening dat de Nederlandse algemene regels voor windturbines niet plan-merplichtig zijn. Op basis van eerdere arresten van het HvJ EU heeft de Afdeling in 2019 geoordeeld dat er geen plan-merplicht geldt voor deze algemene regels. Die lijn kan de Afdeling naar mening van het Rijk blijven hanteren, omdat het arrest Vlarem II geen nieuwe inzichten biedt t.o.v. eerdere arresten. Dit standpunt is door de minister van IenW ook in de beroepsprocedures (waarvoor de zitting op 6 april plaatsvond) naar voren gebracht en verdedigd.” B13.3 Beleidslijn windenergie provincie De beleidslijn schetst de provinciale benadering als het gaat om windenergie. De provincie noemt hier draagvlak en participatie als belangrijke randvoorwaarde om planvorming voor windparken te maken.

Samenwerking tussen betrokken partijen is daarvoor belangrijk. Beuningen heeft daarvoor een uitgebreid gebiedsproces doorlopen vanaf 2017. Zo is aan de voorkant invulling gegeven aan (proces)participatie en draagvlak. De gemeente bood uitgebreid de mogelijkheid aan inwoners om te participeren in het proces. De provincie heeft daarnaast zelf meegedacht bij de te nemen stappen. Een uitgebreidere beschrijving van het gebiedsproces is te lezen bij B1.1. Na het gebiedsproces is gestart met de ruimtelijke procedure. Op dit moment zijn alle onderzoeken afgerond voor het milieueffectrapport en is het bestemmingsplan opgesteld. De gemeente vindt dat de milieueffecten voldoende zijn onderzocht en in beeld zijn gebracht. Daarmee komt de procedure op het punt dat besluitvorming kan plaatsvinden. B13.4 Regionale samenwerking (RES) Op het gebied van de energietransitie werkt de gemeente Beuningen samen met andere gemeenten in de Regionale Energiestrategie (RES). Beuningen hoort hier bij tot de RES Arnhem-Nijmegen. De plannen van windpark Beuningen zijn vanaf de start van de RES meegenomen. Alle betrokken gemeenten in de RES Arnhem-Nijmegen hebben op die manier kennis kunnen nemen van de plannen voor het windpark. B13.5 Afstemming buurgemeente(n) Met de gemeente Wijchen is tijdens het proces zowel op bestuurlijk als op ambtelijk niveau overleg geweest.

Aan het begin van het gebiedsproces is er diverse malen afstemming geweest met de gemeente Wijchen. Daarbij kwam onder andere aan bod hoe het gebiedsproces kon worden aangepakt. Na het gebiedsproces is de gemeente Wijchen op de hoogte gehouden van de voortgang van de ruimtelijke procedure en op die manier betrokken geweest bij de plannen. Omgekeerd vindt er ook afstemming plaats over de planvorming van wind in Wijchen. Alle buurgemeenten hebben op verschillende momenten in de ruimtelijke procedure als overlegpartner advies kunnen geven.

33

B13.6 Gedragscode wind Wijchen De gemeente Beuningen is op de hoogte van de Wijchense gedragscode, maar mag zijn eigen beleid bepalen binnen de gemeentegrens van de gemeente Beuningen. De gemeente Beuningen heeft gekozen om een eigen proces op te starten in plaats van de Wijchense gedragscode over te nemen. B13.7 Beleid om energie te besparen Een aantal indieners gaat in op de vraag waarom de gemeente niet inzet op energiebesparen. De gemeente deelt de opvatting dat de voorkeur uitgaat naar het besparen van energie. Alle energie die we niet gebruiken hoeven we immers niet op te wekken. In de Energievisie Energiek Beuningen hebben we daarom ook uitgesproken te streven naar 1,5% energiebesparing per jaar, ook een grote opgave. Echter, zelfs naast energiebesparen en zon op daken bij woningen en bedrijven blijft er nog steeds een getal over dat we grootschalig op moeten wekken. Dat is de 731 TJ, alleen daarmee zijn we energieneutraal in 2040. B13.8 Woningbouwontwikkeling en windpark In het MER is rekening gehouden met autonome ontwikkelingen, waaronder woningbouw als deze al in procedure zit. De windturbines zullen invloed hebben op toekomstige ontwikkelingen zoals woningbouw. Bij nieuwbouw zal er rekening moeten worden gehouden met Windpark Beuningen. Voor de woningbouwopgave loopt op dit moment een eigen proces.

Daarvoor geldt dat de gemeente daarmee rekening houdt en de afweging heeft gemaakt dat beide doelstellingen kunnen worden gehaald.

B14 Externe veiligheid B14.1 Geldigheid van de toegepaste rekenmethode De externe veiligheidsrisico's van de windturbines zijn berekend conform het door het RIVM gepubliceerde rekenvoorschrift omgevingsveiligheid Module IV - windturbines. Dit is de meest actuele landelijk gepubliceerde rekenmethode gebaseerd op de faalfrequenties die beschikbaar zijn. De gemeente ziet daarom ook geen aanleiding om te vermoeden dat het externe veiligheidsonderzoek op onjuiste rekenmethoden is gebaseerd en daarmee tot onderschatting van de werkelijke veiligheidsrisico’s heeft geleid. B14.2 Afmetingen van het referentietype windturbine In het externe veiligheidsonderzoek is gerekend met een worst-case type ‘referentiewindturbine’, uitgaande van de grootst mogelijke windturbine afmetingen (aangezien de meeste externe veiligheidsrisico’s een direct gevolg zijn van de afmetingen). Terecht wordt door enkele indieners gesteld dat hierbij niet uit is gegaan van de grootst mogelijke ashoogte. Er is immers een ashoogte van 155 meter aangehouden terwijl volgens de bandbreedte aan afmetingen een ashoogte tot 170 meter mogelijk is. Echter geldt binnen de bandbreedte ook een tiphoogtebeperking van maximaal 245 meter. Bij een rotordiameter van 180 meter, waar bij het vaststellen van het referentietype windturbine van uit is gegaan, betekent dit dat de ashoogte maximaal 155 meter mag zijn.

Bij het vaststellen van de afmetingen van het referentietype windturbine is ook onderzocht wat de veiligheidseffecten zouden zijn wanneer niet was uitgegaan van een windturbine met de maximale rotordiameter van 180 meter, waardoor binnen de tiphoogtebegrenzing van 245 meter een grotere ashoogte mogelijk zou zijn geweest.

34

Hieruit is gebleken dat de externe veiligheidsrisico’s van zo’n windturbine met grotere ashoogte maar kleinere rotordiameter kleiner zullen zijn dan de externe veiligheidsrisico’s van het referentietype windturbine met een rotordiameter van 180 meter en ashoogte van 155 meter. Derhalve is dus wel gerekend met een windturbinetype waarvan de grootste externe veiligheidsrisico’s te verwachten zijn. B14.3 Veiligheid bij risicovolle installaties Uit het externe veiligheidsonderzoek is gebleken dat zich binnen de invloedsfeer van de windturbines uit het voorkeursalternatief vijf risicovolle installaties bevinden. Dit betekent dat (delen van) de windturbines een kans hebben deze risicovolle installaties te raken, wanneer de windturbines zouden falen (bijvoorbeeld door het afbreken van een windturbineblad). In het externe veiligheidsonderzoek is dan ook de kans berekend dat de windturbine(s) falen en daarbij de risicovolle installaties raken (de trefkans). Deze trefkans per risicovolle installatie is vervolgens vergeleken met de reeds bestaande kans op falen van de risicovolle installatie. Hieruit volgt per risicovolle installatie de zogenaamde faalkansverhoging. Om te bepalen of plaatsing van de windturbines zal leiden tot ontoelaatbare veiligheidsrisico’s ten aanzien van de risicovolle installaties is ten eerste getoetst of sprake is van een substantiële faalkansverhoging.

Volgens de Handreiking Risicozonering Windturbines (Rijkswaterstaat, 2020), die ook door het bevoegd gezag wordt gehanteerd, kan hierbij getoetst worden aan het zogeheten 10%-criterium. Wanneer plaatsing van de windturbines leidt tot een faalkansverhoging van minder dan 10% dan mogen de veiligheidsrisico’s door plaatsing van de windturbines als verwaarloosbaar worden beschouwd. In geval van het voorkeursalternatief is dit bij drie van de vijf risicovolle installaties het geval. Bij de overige twee risicovolle installaties is de faalkansverhoging groter dan 10%, en dus niet verwaarloosbaar. Dit betekent echter nog niet dat de veiligheidsrisico’s door plaatsing van de windturbines ontoelaatbaar zijn. Om dit te beoordelen is getoetst of de faalkansverhoging er bij de twee risicovolle installaties toe leidt dat deze niet meer aan de normen voor het zogeheten plaatsgebonden risico kunnen voldoen. Gezien de aard van de twee risicovolle installaties (twee propaantanks met een inhoud kleiner dan 13 m3, waarvoor generieke veiligheidsafstanden gelden) is hiervan geen sprake. Plaatsing van de windturbines zal dus bij geen van de risicovolle installaties tot ontoelaatbare veiligheidsrisico’s leiden.

B14.4 Veiligheid bij buisleidingen Gasunie In het externe veiligheidsonderzoek is onderzocht of de windturbines buiten de door Gasunie gehanteerde adviesafstand tot buisleidingen zullen komen te staan. Indien dit het geval is wordt het plaatsen van de windturbines door Gasunie als voldoende veilig beschouwd. Indien niet aan de adviesafstand wordt voldaan moet uit nader overleg met Gasunie blijken of de risicoverhoging door plaatsing van de windturbines toelaatbaar is. Uit het externe veiligheidsonderzoek is gebleken dat, wanneer wordt uitgegaan van een worst-case type windturbine, windturbine 5 uit het voorkeursalternatief niet voldoet aan de adviesafstand van de Gasunie ten aanzien van een nabijgelegen buisleiding. Dit is ook benoemd op pagina 151 van het combiMER, pagina 43 van het ontwerp bestemmingsplan en pagina 40 van het onderzoek externe veiligheid. Om deze reden wordt het effect van het voorkeursalternatief op het onderdeel ‘buisleidingen’ in Tabel 103 van het combiMER ook als negatief (- -) beoordeeld. Hiernaast is specifiek voor vier commercieel beschikbare typen windturbines binnen de bandbreedte onderzocht of deze wel kunnen voldoen aan de adviesafstand van Gasunie, en vastgesteld dat dit het geval is.

35

Voor ten minste deze vier commercieel beschikbare windturbinetypen mag daarom geconcludeerd worden dat deze geen ontoelaatbare veiligheidseffecten ten aanzien van buisleidingen zullen hebben. Doordat voor één van deze beschikbare typen kan worden gekozen zal het aspect buisleidingen de realisatie van Windpark Beuningen niet in de weg staan. Omdat de keuze voor een windturbinetype nog niet gemaakt is, is in het ontwerp bestemmingsplan een regel opgenomen waarmee is geborgd is dat het uiteindelijk gekozen windturbinetype aan de adviesafstand van Gasunie moet voldoen, of wanneer deze niet aan de adviesafstand zal voldoen, slechts na schriftelijke toestemming van Gasunie geplaatst mag worden. Hiermee is voldoende ondervangen dat realisatie van het windpark niet tot ontoelaatbare veiligheidsrisico’s ten aanzien van de buisleiding zal leiden. B14.5 Veiligheid bij wegen Uit het externe veiligheidsonderzoek blijkt dat windturbine 2 en 4 uit het voorkeursalternatief boven wegen overdraaien (De Steeg en de Betenlaan). Terecht wordt daarom door enkele indieners gesteld dat passanten zouden kunnen worden getroffen door vallende turbinedelen. Daarom is in het externe veiligheidsonderzoek voor de betreffende windturbines bepaald hoe groot de kans is dat een persoon die de windturbines passeert hierdoor geraakt zal worden.

Hieruit blijkt een trefkans van 5,62*10-12 per passage (5,62 maal per biljoen passages). Doordat bij dit risico ruimschoots wordt voldaan aan de veiligheidsnormen volgens het individuele passanten risico en het maatschappelijk risico acht de gemeente het toegevoegd risico door plaatsing van de windturbines op dit punt toelaatbaar.

B15 Alternatieve opwekvormen B15.1 Nut en noodzaak windenergie De doelstelling om energieneutraal te worden, door onder andere het verduurzamen van de elektriciteitsproductie, is een vraagstuk waar veel gemeenten mee te maken hebben. In het nationale Klimaatakkoord is opgenomen dat ten minste 35 terawattuur (TWh) aan hernieuwbare energie op land gerealiseerd moet worden. De invulling hiervan zal waarschijnlijk techniekneutraal zijn. In Nederland is windenergie één van de goedkoopste manieren om duurzame energie op te wekken. Bij windenergie door middel van windturbines behoren de kosten per opgewekte kWh tot de laagste van alle duurzame opwekkings-vormen. Om aan de ambitieuze doelstelling voor hernieuwbare energie op land te voldoen zal windenergie komende jaren één van de meest kosteneffectieve wijzen om hernieuwbare energie te produceren zijn.In 2017 is de Energievisie ‘Energiek Beuningen’ vastgesteld. Deze visie geeft aan waar Beuningen op het gebied van duurzame energie nu staat, en wat er gedaan moet worden om in uiterlijk 2040 energieneutraal te zijn. In het gebiedsproces is gebleken dat daarvoor op dit moment alleen windenergie en zonnevelden, op land óf drijvend op plassen, in beeld zijn.

Er is ten aanzien van windenergie eind 2017 een gebiedsproces gestart voor het opwekken van energie in het buitengebied om tot een keuze te komen om 731 TerraJoule aan duurzame energie in Beuningen op te gaan wekken. Hiervoor is een verhouding van 2/3e wind en 1/3e zon aangehouden om de ambities van de gemeente Beuningen te halen.

B15.2 Plaatsing elders Door enkele indieners werd de vraag gesteld waarom windturbines niet buiten de gemeentegrenzen, zoals op de Noordzee of op de Spaanse hoogvlakten geplaatst kunnen worden. In het Klimaatakkoord is reeds afgesproken om sterk in te zetten op windenergie op zee.

36

Echter is ook op de Noordzee de ruimte beperkt, doordat rekening moet worden gehouden met andere belangen zoals ecologie, de scheepvaart en visserij. Daarnaast zal de zeebodem niet overal geschikt zijn om windturbines te plaatsen. Daarom is in het Klimaatakkoord, naast wind op zee, ook een belangrijke rol voor wind op land afgesproken. Plaatsing van windturbines in het buitenland zoals de Spaanse hoogvlakten zou gezien de grote transportafstand geen oplossing bieden voor het verduurzamen van de Nederlandse elektriciteitsproductie. B15.3 Kleinere windturbines De elektriciteitsproductie van een windturbine neemt sterk toe naarmate de afmetingen van de windturbine toenemen. Dit heeft te maken met het betere windaanbod en grotere rotoroppervlakte bij grotere windturbines. Als de wind twee keer zo snel waait haalt een windturbine er ongeveer vier keer zo veel energie uit. En als de wieken twee keer zo groot zijn verviervoudigt daarnaast nog eens de opwek. Zo kan het dat al snel 600 windturbines met een tiphoogte van 21 meter benodigd zijn om dezelfde hoeveelheid elektriciteit op te wekken als één windturbine met een tiphoogte van 250 meter. De gemeente ziet (aanzienlijk) kleinere windturbines daarom niet als realistisch alternatief voor de voorgestelde windturbines uit het ontwerp bestemmingsplan.

B15.4 Kernenergie Kernenergie is mogelijk een oplossing voor de lange termijn (vanaf 2030) en niet voor de korte termijn (tot 2030). De Rijksoverheid heeft momenteel al drie locaties aangewezen waar eventueel een kerncentrale gebouwd kan worden (bij Borssele, op de Maasvlakte en bij de Eemhaven). Maar op dit moment zijn er geen bedrijven die hierin willen investeren en de bouw van een centrale duurt minimaal zo’n 20 jaar. Bij de bouw van kerncentrales in het buitenland zien we ook veel grote kostenoverschrijdingen en jarenlange vertragingen. Eerder in het proces is al gekozen voor de bestaande technieken van zon en wind. De gemeente ziet kernenergie op de korte termijn dan ook niet als realistisch alternatief voor de voorgestelde windturbines uit het ontwerp bestemmingsplan. B15.5 Maak meer gebruik van zonneparken Ook zonneparken brengen nadelen met zich mee, bijvoorbeeld omdat zij ten koste kunnen gaan van landbouwgrond. Tijdens het gebiedsproces hebben we daarom in gesprekken met de gebiedsraad scenario’s overwogen voor het invullen van de opgave voor duurzame energie. Hierbij is overwogen om de opgave in te vullen met alleen zon, met alleen wind of met een combinatie van beide. Uitkomst van deze gesprekken is geweest dat de twee vormen van energieopwekking elkaar in een verhouding van 2/3 wind en 1/3 zon goed aanvullen.

Ook voor zonneparken loopt in de gemeente een ruimtelijke procedure. B15.6 Innovatieve windturbineconcepten Als alternatief voor conventionele windturbines (met een horizontale as en drie wieken) ontstaan geregeld ideeën voor innovatieve windturbineconcepten. Deze innovaties hebben vaak als doel om geluidshinder, slagschaduwhinder en aanvaringsslachtoffers te voorkomen of verminderen. Voorbeelden van dit soort concepten zijn de wiekloze cyclone windturbine of de trillende Vortex Bladeless Tacoma. In de praktijk blijken innovatieve windturbines helaas niet tot zelden voorbij de conceptfase te komen. Vrijwel altijd blijkt dat de windturbine te weinig elektriciteit produceert of per opgewekte eenheid elektriciteit een te hoge kostprijs heeft om een realistisch alternatief voor conventionele windturbines te vormen. Zo zal de in ontwikkeling zijnde Vortex Bladeless Tacoma met een hoogte van 2,75m een vermogen hebben van slechts 100 W (ongeveer 50,000 keer zo weinig als één conventionele windturbine van 5 MW).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=4e2df581-add9-4f92-aa37-728606fc06d2