CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

17 Quick scan fora en fauna, at20001985.pdf

Commissie Ruimte 25 mei 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Deelsessie: Raadsvoorstel herziening bestemmingsplan ‘Locatie Asdonck’6.731 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

■ ■HBlom Ecologie b.v. Ecologisch advies ŵ onderzoek

Blom Ecologie b.v. Buro Waalbrug T.a.v. dhr. R. van den Oetelaar Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen

ADVIES k ONDERZOEK

Zandweg 46 4181 PM Waardenburg

10418 82Û288 e info@blomecobgíe.n]

Datum

30 januari 2020

Kenmerk

BE/2019/739/r

Uw kenmerk

Email d.d. 26 november 2019

KvK 67221904

Auteur(s)

M.A. Brinkbaumer

BTW 856882999B01

Collegiale toets

ir. T.W.D. Schrader

i www.blomecologie.nl

IBAN NL21RABÛ0314240683

Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Van Heemstraweg 62 te Beuningen Aan de Van Heemstraweg 62 is een evenemententerrein gesitueerd dat grotendeels verhard is door gravel. De initiatiefnemer is voornemens drie appartementencomplexen met bijbehorende parkeergelegenheden, openbaar groen en een evenemententerrein te realiseren op de planlocatie. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? ^ Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

CCO-IO-giľ (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert 2 die betrekkingen zelf; iXO-IO-gtSi'h (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo-ľfí (de, v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; filll-ìUÌ (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Van Heemstraweg 62 te Beuningen (figuur 1). De planlocatie is hoofdzakelijk verhard door gravel en betonplaten. Aan de noordelijk en oostelijke zijde van de planlocatie is deze onverhard. Onverharde delen van de planlocatie bestaan uit grasveld en enkele groenwallen met kruidige en houtige begroeiing. Verder staan er verschillende bomen op de planlocatie. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen op de noordelijke grens van het stedelijk gebied van de gemeente Beuningen. Zuidelijk van de planlocatie ligt stedelijk gebied en noordelijk bevindt zich landelijk gebied met uitgestrekte agrarische percelen. De dichtstbijzijnde autosnelweg is gelegen op ca. 3 km westelijk. De dichtstbijzijnde waterpartij is aan de zuidelijke zijde van het perceel gelegen in de vorm van een kavelsloot.

a Planlocatie jenöur

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Van Heemstraweg 62 te Beuningen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

'fGaùe-įaigBfeą

Figuur 2

2

Fotografische indruk van de planlocatie met zichtbaar de vele verharding en enkele groenstructuren aan de noordoostelijke zijde.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van drie appartementencomplexen met bijbehorende parkeergelegenheid, groeninrichting en evenemententerrein. Voor de ontwikkeling op de planlocatie dient een functieverandering plaats te vinden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ kappen van bomen en struiken: kap- en snoeiwerkzaamheden; ^ verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

rsj

7ì-^rruT ii íľ' V

17-008

Figuur 3

Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Chitekt Architekten).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 13 januari 2020 en is uitgevoerd door M.A. Brinkbaumer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8 bewolkt, 80 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna. 3

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker Gewone pad Ree Bosmuis Haas Rosse woelmuis Bruine kikker Huisspitsmuis Tweekleurige bosspitsmuis Dwergmuis Kleine watersalamander Veldmuis Dwergspitsmuis Konijn Vos Meerkikker Woelrat Egel (b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht.

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

4

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie is het voorkomen bekend van de kleine wolfsmelk en kluwenklokje (NDFF 2010-2020). Buiten de verharding op de planlocatie is zichtbaar dat de grond zeer voedselrijk is door de grote aanwezigheid van braam en brandnetel. Aangezien bovengenoemde beschermde soorten groeien op (matig) voedselarme gronden is er geen sprake van functionele groeiplaatsen op de planlocatie. Negatieve effecten op beschermde plantensoorten zijn per definitie uitgesloten. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: braam, grote brandnetel, klimop, paardenbloem, smalle weegbree en veldzuring.

De planlocatie bevat betonplaten en gravel als verharding. Aan de noordelijke zijde van de planlocatie staan verschillende bomen en struiken, enkele waargenomen soorten zijn; conifeer, hazelaar, ratelpopulier, walnoot, wilg en zwarte els. Grondgebonden zoogdieren In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, beverrat, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat (Broekhuizen et al., 2016; NDFF 2010-2020). Voor de bever, bunzing, das, hermelijn en wezel geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever leeft uitsluitend in aaneengesloten watergangen met goed uittreedbare oevers met voldoende houtige begroeiing. Aangezien de planlocatie enkel een kleine kavelsloot bevat is er geen sprake van functioneel leefgebied. Derhalve is de bever uitgesloten van de planlocatie. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) hebben een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende dekking en schuilgelegenheid. De hermelijn en in mindere mate de bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden.

De bunzing en wezel worden ook wel in bebouwde omgevingen met voldoende groen aangetroffen, de hermelijn vermijdt bebouwing (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017). De planlocatie betreft een evenementen terrein dat grenst aan landelijk gebied. Aan de noordoostelijke kant van de planlocatie bevindt zich een groenwal met een dichte struiklaag. De dichte begroeiing, aanwezigheid van veel beschutting en het grenzen aan een fruitboomgaard, maakt het aannemelijk dat er verschillende knaagdieren leven. Aangezien voldoende voedsel en dekking een eis voor leefgebied van marterachtigen is, kan het niet uitgesloten worden dat de groenwal mogelijk onderdeel uitmaakt van functioneel leefgebied. Middels aanvullend onderzoek dient vastgesteld te worden wat voor functie de groenwal heeft voor marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) (zie vervolgstappen). De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen. De groenwal behandeld bij kleine marterachtigen is voor de das geen mogelijk functioneel leefgebied door de aanwezigheid van een metalen hek.

De mazen van dit hek zijn te klein voor een das om toegang tot de planlocatie te geven, maar zijn wel groot genoeg voor marterachtigen (figuur 4). Derhalve is de das uitgesloten van de planlocatie.

5

s&í&i lii-.a.i.åt -

ä?

!*|äġįťäŕ?f^ċ

Ŵ ís

'■í-' 1 H^V, r; ; X. ŝsíiK'

*-ü'

■~M»^Uİ

.4

\ Figuur 4

Doorzicht van de groenwal met zichtbaar het metalen hek met mazen van ca. 20 cm.

Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Geconstateerd is dat de walnootboom en wilgenboom holtes bevatten van voldoende formaat waar mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zitten. Om te bepalen of deze holtes diep genoeg ingerot zijn, kan een technische inspectie met endoscoop uitgevoerd worden. Indien de holtes geschikt zijn als potentiële verblijfplaatsen voor vleermuizen, dient er aanvullend onderzoek naar de aan- of afwezigheid van vleermuizen uitgevoerd te worden (zie vervolgstappen). ÍĪLļ’íí’ŕ riruk.' ŕ*y

B#»y lüžil1 .

ml mw \VÍ

Figuur 5 Holtes in de walnoot en wilg op de planlocatie welke mogelijk verblijfplaatsen kunnen bevatten van boombewonende vleermuizen.

6

Buiten de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de groenwal op de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Aangezien de groenwal niet in directe verbinding staat met natuurgebieden, wordt niet gesproken van essentiële vliegroutes of foerageergebieden. Derhalve zal het verwijderen van de groenwal niet leiden tot negatieve effecten op vleermuizen. Tijdens de werkzaamheden kunnen mogelijk negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020).

Voor de kamsalamander en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De kamsalamander en poelkikker zijn beide zeer kritisch op het leefgebied. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. De samenhang van geschikte land-habitats en geschikte watersystemen is essentieel voor de geschiktheid van een gebied en de verspreiding van de soort. Voortplantingswater van de kamsalamander bevat een rijke watervegetatie, is licht voedselrijk en bevat geen vis. Op de planlocatie is oppervlaktewater enkel aanwezig in de vorm van de een kavelsloot welke deels droog stond ten tijden van het veldbezoek. Deze sloot heeft zeer beperkte watervegetatie en bevat (in de diepere delen) vis. Derhalve is er geen sprake van geschikt voortplantingswater. Verder is er geen geschikt landhabitat van de kamsalamander aanwezig. Derhalve is de soort uitgesloten van de planlocatie. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Het is een pionierssoort die nieuw ontstane poelen zonder vegetatie kunnen koloniseren, maar zich kan blijven handhaven als vegetatie zich sterker heeft ontwikkeld.

De sloot op de planlocatie is echter zeer ongeschikt als voortplantingswater aangezien deze vis bevat, er gebaggerd wordt en omdat er geen functioneel winterhabitat aanwezig is. Derhalve is de soort uit te sluiten van de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen In de omgeving is de aanwezigheid niet bekend van reptielen (Creemers & Van Delft, 2009; NDFF 2010-2020). Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Zoals eerder benoemd bevindt er zich een sloot aan de zuidelijke zijde van de planlocatie. Deze sloot heeft steile oevers, weinig watervegetatie en staat niet in verbinding met andere watergangen. Deze sloot blijft bij de beoogde ontwikkeling behouden, derhalve is er geen sprake van verstoring voor mogelijk aanwezige vissoorten.

7

Insecten en andere ongewervelden In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de rivierrombout (NDFF 2010-2020). De rivierrombout wordt vooral langs grote rivieren aangetroffen. Het habitat bestaat uit zandige substraten in ondiepe, onbegroeide en stromingsluwe delen van de grote rivieren, zoals achter kribben. Op de planlocatie geen sprake van functioneel leefgebied van de rivierrombout op de planlocatie. Negatieve effecten op de soort zijn derhalve uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: gaai, kauw, kleine mantelmeeuw, koolmees, merel, roodborst, wilde eend en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, horsten, plukplaatsen of uitwerpselen gevonden van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Er zijn geen nesten waargenomen in de bomen op en rondom de planlocatie.

Nesten van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kunnen uitgesloten worden. Wegens het ontbreken van bebouwing op de planlocatie zijn nesten van kerkuilen en steenuilen per definitie uitgesloten. Door de vele verharding en verstoring van evenementen is de planlocatie geen functioneel leefgebied voor uilen en roofvogelsoorten. Gezien de vele waarnemingen ten noorden van de planlocatie is de afwezigheid van waarnemingen op de planlocatie geen gevolg van een te kort aan waarnemers. De huismus is een soort welke leeft en broedt in de buurt van menselijke bebouwing. Nesten worden gemaakt onder (pannen)daken van huizen met voldoende jaarrond groene hagen in de directe omgeving. Wegens het ontbreken van bebouwing op de planlocatie zijn nesten van de huismus uitgesloten. De afstand tot de dichtstbijzijnde bebouwing, de afwezigheid van waarnemingen en de aanwezigheid van voldoende jaarrond groene hagen in de directe omgeving, maakt dat de groenwal op de planlocatie geen functioneel leefgebied is van de huismus. Van aantasting van functioneel leefgebied en nestlocaties van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Wegens het ontbreken van bebouwing op de planlocatie zijn nesten van de gierzwaluw per definitie uitgesloten.

Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

8

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van ca. 1,0 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 6). Op een afstand van ca. 770 m ligt het Gelders Natuurnetwerk (figuur 7). Natura 2000

Natura 2000-gebied

1,0 km

Gemeente Beunīnge

BEUNIN GEN

Figuur 6

De planlocatie ligt op een afstand van 1,0 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: www.gldanders.planoview.nl/planoview).

770 m

Gemeente

Gelders Natuurnetwerk Gelders Natuurnetwerk ■I Groene ontwikkelingszone

Figuur 7 De planlocatie ligt op een afstand van circa 770 m tot het Gelders Natuurnetwerk (bron: www.gldanders.planoview.nl/planoview). Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er t.a.v. de stikstofdepositie onder een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar zou blijven. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo'n toestemming 'vooraf' mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. In september 2019 is de nieuwe Aerius calculator gepubliceerd.

Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. De herbeoordeling d.m.v. de herziene Aerius calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie:

9

^ Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: ^ Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld. Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Dit wordt onderschreven in de 'Factsheet Woningbouwplannen, stikstof en Natura 2000-gebieden' (Ministerie van Binnenlandse Zaken, juli 2019).

Uit goede motivering of herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er geen enkele toename van stikstofdepositie wordt verwacht, bijvoorbeeld vanwege de grote afstand tot Natura 2000-gebieden óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: ^ Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak juist afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van drie nieuwe appartementencomplexen (in totaal 64 woningen) met bijbehorende parkeervoorzieningen. De huidige situatie en bestemming betreft evenementen waar tijdelijke uitstoot van toepassing is. Ten opzichte van de huidige situatie zal er mogelijk sprake zijn van een significante verhoging van de stikstofemissie op het perceel.

Om de effecten op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Rijntakken' inzichtelijk te krijgen, dient er een Aerius-calculatie uitgevoerd te worden. Beoordeling (c) houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013. 10

De beoogde ontwikkeling voorziet de kap van een groenwal aan de noordelijke zijde van de planlocatie. Aangezien deze groenwal zich binnen de grenzen van de bebouwde kom bevindt, is er geen sprake van een (volgens de Wnb) houtopstand. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid opgenomen in de APV omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Het wordt derhalve geadviseerd om tijdig contact op te nemen of het kappen/vellen van bomen en struiken strijdig is met gemeentelijk beleid.

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar boombewonende vleermuizen en kleine marterachtigen. Ten aanzien van algemene broedvogels dienen de kapwerkzaamheden plaats te vinden buiten het broedseizoen. Verder is de planlocatie mogelijk onderdeel van algemeen leefgebied van algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën en insecten welke (behoudens de Algemene zorgplicht) niet beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk Gelet op de aard van de werkzaamheden, de beperkte afstand tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', dienen de effecten van de beoogde stikstofemissie berekend te worden middels een Aerius-calculatie. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen (volgens de Wnb geldende) houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

11

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

Insecten en andere ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van defunctie van het plangebied voor beschermdeflora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten. grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

-

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

Geschikt habitat Andere soort Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

1,0 km

mogelijk

Aerius-calculatie

Natuurnetwerk Nederland

770 m

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

+

j

-

-

-

-

j

j

n

+A n

n

n

Uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de beoogde ontwikkelingen dient middels aanvullend onderzoek vastgesteld te worden of de planlocatie een functie heeft voor marterachtigen en of er vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de bomen met holtes. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits het aanvullend onderzoek uitsluit dat er beschermde diersoorten voorkomen op de planlocatie, of dat er een ontheffing verleend wordt en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Van Heemstraweg 62 te Beuningen uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen ^ Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar boombewonende vleermuizen uitgevoerd te worden. Middels een technische inspectie (met een endoscoop) dienen de holtes in de bomen geïnspecteerd op de geschiktheid van vleermuisverblijfplaatsen. Bij vaststelling van potentie dient een maatwerk onderzoek uitgevoerd te worden. • Er dient aanvullend onderzoek naar de marterachtigen (bunzing, hermelijn, steenmarter en wezel) uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en wezel wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleine marterachtigen wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst. Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minsten twaalf weken geplaatst te worden. Voor het aantal te plaatsen cameravallen en marterboxen is maatwerk benodigd. ^ Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen kwetsbare habitats van Natura 2000gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). ^ Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ^ Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. ^ Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. ^ De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

12

^ De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters ife J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center ife EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M ife J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill ife P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert ife W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.

Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gldanders.planoview.nl/planoview www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

13

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., M.A. Brinkbaumer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming

© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

14

Bijlage 1 Fotografische impressie

«I

Figuur 1

î -į İ

pi VÄ ;

De planlocatie aan de Van Heemstraweg 62 te Leuningen is hoofdzakelijk verhardt met enkel aan de noordoostelijke zijde meer groenstructuren.

Ha I

-

4»

ľ* ,‘ľ^»

I^BB^SİSİMİ - MBiSSy^S

SSW?5 ďíšeļçį' SasS-s»

Şšv «jjļříĚŕ

7**»^ Figuur 2

15

.JKŝ ' -i De noordoostelijke zijde van de planlocatie bestaande uit gazon en groenstructuren.

graaigais

•'t'-š

īsmî \ĩĩm

rr^:

mm

aStSSB Wįļŗģļ

'í ľ :

,.tŕ' ţmm-: mm IgPlllteä Şí mmê

-iŕffi&iV ___ De te verwijderen groenstructuren, bestaande uit jaarrond groene vegetatie wat veel bescherming en dekking biedt voor kleine marterachtigen. ______

Figuur 3

IŽĚsá'l ■Ŵ ;v

mm mm ĩŝ

4X

tfļMļį

ļńĽÜř ŖWSİ řiSIl'j psa. Figuur 4

16

De wilg (R) en de walnootboom (L) met holtes aanwezig op de planlocatie.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit 'Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

Komen er beschermde soorten voor ín het gebied?

Let op. er s/n drie categorieën beschermde soorten: vogels, ovenge Europees beschermde soorten en andere Cnationaal') beschermde soorten. Zie paragraaf jt en de bijïtiţļen.

Geen ontheffing nodig

Worden de verbodsbepalingen overtreden?

Let op. el fee categorie beschermde soorten heeft eigen verbodsbepofingen. Zie paragroef gr.

Geen ontheffing nodig

Vallen de handelingen ondereen vrijstelling?

Let op. ofhonhehýh iron bet type handeling en de aangetroffen soorten hunnen verschillende vrgstedingen gelden via bt/voorbeefd een gedragscode of provinoafe verordening. Zie hoofdstuh ţ.

Geen ontheffing nodig

Is er een alternatieve oplossing mogelijk? Doorloop het stappenplan opnieuw met het alternatief

Is er sprake van een wettelijk belang?

Let op. elfee categorie beschermde soorten heeft zijn eigen lįst met belangen. Se paragraaf 6.2 b.

Geen ontheffing mogelijk

Is er een effect op de staat van instandhouding?

Geen ontheffing mogelijk

Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleerd

17

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b). 4

Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b.

zij is nodig: l0.

c.

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;

20.

in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;

30.

ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;

40.

ter bescherming van flora of fauna;

50.

voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of

60.

om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). 5

Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.

er bestaat geen andere bevredigende oplossing;

b.

zij is nodig: l0. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of In het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; 20.

ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;

30.

in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatîe of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

40.

50.

c.

18

er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2

).

2

19

Artikel 3.8. met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.

in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;

b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;

c.

ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;

d.

ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;

e.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;

f.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;

g.

in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of

h.

in het algemeen belang.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=24573df1-cb15-40bd-9e51-c585b6c3ccac