CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

09 Bijlage toelichting 8 - Archeologisch proefsleuvenonderzoek.pdf

Commissie Ruimte 5 april 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Leegstraat Winssen14.134 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

I

«TÃŗ W JU»*

Transect-rapport 3869 Winssen, Hoek Leegstraat - Kerkpad Gemeente Beuningen (GD)

?ŵ'A,

ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

ADVIES

Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

-Ä ' '

jţijìMimv

u.Ŵ

Sppp Ü B|

ÊäS "

~

SįĥįÍĮS

šíïÌĚiėäį

-

.J .-...

iäss

---'

jşt®?ïí agsgasteil äś®Ég

*

{tŗgįgL

’«ţi, .

Ks«rî •‘f ?aSSs

-

~ J^yr*.

* -is; --'Sľ

- - CJ-m; ~

V?!

'.j.vc. ' ÍS3?İ3

«Ŭ: .

••- ‘ ŵ‘v'į;żsf’

įgśM*; --šľ ' -ŞrCfš

mgfrk

%'V : •' '*7 ,' ' A',’

ĝţļ*Ķ*y S1 i

•tò ■:f'

'.Ŵ.'/ľ-ĥ /-í*

ŵaaätti

^ - gvàį ■rits

ŕ'ŴX’ -i v*vA

l

S

■;

'

transect

T: 030-7620705

ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK E ADVIES

Overijsselhaven 127

F: 030-7620706

3433 PH Nieuwegein

E: informatie(5)transect.nl

Colofon Titel

Rapportnummer

Winssen, Hoek Leegstraat - Kerkpad. Gemeente Beuningen (GD). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase. Transect-rapport 3869

Auteurs Versie

A. Pels-Ouweneel & D. Scheeringa Concept, versie 1.1

Datum

22-02-2022

Projectnummer Onderzoeksmelding

21080030 5120052100

Opdrachtgever

Buro Waalburg

Uitvoerder

Transect b.v. Overijsselhaven 127 3433 PH Nieuwegein

Bevoegde overheid Adviseur namens bevoegde overheid Toetsing rapport bevoegde overheid

Gemeente Beuningen E.K. Mietes, regioarcheoloog regio Nijmegen In aanvraag

Beheer en plaats documentatie

Transect b.v., Nieuwegein

Omslagafbeelding

Foto van het plangebied

Autorisatie Naam Drs. A.A. Kerkhoven Senior KNA Archeoloog

Datum 22-02-2022

Paraaf '

ISSN: 2211-7067 © Transect b.v., Nieuwegein Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Transect aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.

transect

T: 030-7620705 Overijsselhaven 127

F: 030-7620706

3433 PH Nieuwegein

E: informatie(5)transect.nl

Samenvatting In opdracht van Buro Waalburg heeft Transect b.v. op 20 en 25 oktober 2021 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op de hoek van de Leegstraat en Kerkpad in Winssen (gemeente Beuningen. Binnen het plangebied zullen woningen worden gerealiseerd. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. Er zijn nog geen concrete bouwtekeningen beschikbaar, waaraan de omvang en diepte van de verstoring ten behoeve van de nieuwbouw kan worden vastgesteld. Wel is bekend dat er vijf vrijstaande huizen met garage gerealiseerd worden. Volgens de bestaande conceptplannen zal circa 600 m2 bebouwd worden. Circa 400 m2 zal worden ingericht als weg. De verwachting is dat er ook bodemingrepen zullen plaatsvinden ten behoeve van de aansluiting van nutsvoorzieningen. Volgens het bestemmingsplan 'Kern Winssen' uit 2013 geldt voor het plangebied een Waarde - Archeologie 2. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Dit betekent dat gezien de omvang van het te wijzigen gebied (circa 2.100 m2) een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk was.

Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek (Melman 2021) geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode IJzertijd - Late-Middeleeuwen vanaf een diepte van 70 - 95 cm -Mv en een hoge verwachting voor de periode Neolithicum - Bronstijd vanaf een diepte van 170 - 260 cm -Mv. Geadviseerd is om de hoge archeologische verwachting op te nemen in het bestemmingsplan en om de verwachting aanvullend te toetsen met een karterend en waarderend archeologisch onderzoek naar beide archeologische niveau in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De bevoegde overheid heeft ingestemd met dit advies. Tijdens de proefsleuvenfase zijn drie werkputten aangelegd in het plangebied, waarmee ca. 180 m2 is opgegraven. Samenvattend maken de 31 sporen vermoedelijk deel uit van een middeleeuwse nederzetting. De 22 paalkuilen lijken deel uit te maken van één of meerdere gebouw-plattegronden, hoewel deze zich nog niet laten onderscheiden. Wel is zeker dat de meeste sporen uit goed geconserveerde paalkuilen bestaan, waarin veelal twee vullingen zijn te onderscheiden. Om de vindplaats zo goed mogelijk nader te kunnen onderzoeken tijdens een vervolgonderzoek en de paalkuilen zoveel mogelijk intact te laten, is slechts één paalkuil (S.19) gecoupeerd. Naast paalkuilen zijn ook kuilen met nog onbekende functie, een waterput, waterkuil en greppels aangetroffen.

Een waterput en waterkuil zijn wellicht indicatief voor een (achter-)erf van de huisplaats(-en). De vier greppels lijken uit de Late-Middeleeuwen te dateren en zijn hiermee jonger dan de andere grondsporen. Aan de hand van vondstmateriaal is in ieder geval duidelijk dat de greppels niet ouder kunnen zijn dan de Volle-Middeleeuwen. Vondstmateriaal dat is aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek toont aan dat het plangebied vanaf de (Romeinse) IJzertijd in gebruik is en in de Volle-Middeleeuwen werd bewoond. Uit overige perioden zijn geen nederzettingssporen opgegraven, maar deze kunnen zich nog op een dieper niveau (vlak 2 op 5,4 - 6,6 m +NAP) bevinden. In de top van de komklei bevindt zich namelijk nog een vegetatiehorizont, die archeologische resten uit de periode Neolithicum - Bronstijd kan herbergen. Dit niveau werd maar sporadisch bereikt tijdens het proefsleuvenonderzoek, veroorzaakt door de grote dichtheid aan voornamelijk volmiddeleeuwse sporen in het niveau van vlak 1 (ca. 7,00 - 7,30 m +NAP). Dit middeleeuwse niveau in de top van de crevasseafzettingen zal eerst nader onderzocht moeten worden, voordat een dieper gelegen en ouder niveau kan worden onderzocht. De hoge verwachting uit het Programma van Eisen op archeologische resten uit de periode IJzertijd Late-Middeleeuwen is met het proefsleuvenonderzoek grotendeels bevestigd.

Voor de periode Neolithicum - Bronstijd kon de hoge verwachting nog niet worden getoetst, vanwege de hoge spoordichtheid uit de Volle-Middeleeuwen op vlak 1. Wel is de vegetatiehorizont in de top van de komklei aanwezig in het plangebied, waarop gewoond kon worden in het Neolithicum - de Bronstijd. Van de 308 aardewerkscherven bleken er slechts drie in de Nieuwe tijd te dateren, waarvan twee scherven steengoed en een scherf roodbakkend geglazuurd aardewerk. Het onderzoek moest de vraag beantwoorden of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Samenvattend is minimaal één behoudenswaardige vindplaats aanwezig in de vorm van een volmiddeleeuwse nederzetting, die met de voorgenomen plannen niet in situ behouden kunnen worden, tenzij niet dieper wordt gegraven dan vlak 1 (7,00 m - 7,30 m +NAP Z ca. 100 cm -Mv met daar bovenop een bufferzone van ca. 20 - 30 cm). Advies Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de waardestelling is in het plangebied sprake van minimaal één behoudenswaardige vindplaats. Weinig sporen zijn gecoupeerd, omdat in het vlak reeds de aard van de sporen kon worden vastgesteld en duidelijk was dat ongeveer tweederde van de sporen paalkuilen zijn die onderdeel uitmaken van één of meerdere (volmiddeleeuwse) gebouwplattegronden.

De sporen zullen een hogere informatiewaarde hebben als ze samen met aanvullende sporen van een opgraving kunnen worden onderzocht. Tevens is een ouder, dieper gelegen niveau uit de periode Neolithicum - Bronstijd nog nauwelijks aangesneden, veroorzaakt door de vele (vooral volmiddeleeuwse) sporen op het hoger gelegen niveau. Wij adviseren om alle delen van het plangebied op te graven bij bodemingrepen dieper dan 6,70 m +NAP (dit is inclusief een bufferzone). Hieronder vallen de bouwvlakken, kabels, leidingen, riool en groenvoorzieningen, en overige zaken die de grond zullen verstoren. Allereerst worden alle sporen op het niveau van vlak 1 (ca. 100 m -Mv Z 7,00 - 7,30 m +NAP) gecoupeerd en afgewerkt, waarna kan worden doorgegraven naar vlak 2 (ca. 5,4 - 6,6 m +NAP) om dit niveau uit de periode Neolithicum - Bronstijd te onderzoeken. Couperen en afwerken van de sporen op vlak 1 zal de dieper gelegen sporen op vlak 2 niet verstoren. Bij couperen en afwerken van diepere sporen echter, zoals de waterput S.15 van 1,80 m diep vanaf vlak 1, moet met een dGPS het niveau in de gaten worden gehouden, zodat oudere resten op vlak 2 niet worden vernietigd. Ook dienen de drie proefsleuven opnieuw te worden opengelegd, aangezien pas twee van de 31 sporen zijn gecoupeerd. In delen van het plangebied die niet worden verstoord, geldt dat de archeologische waarden in situ worden behouden.

Dit houdt wel in dat een dubbelbestemming geldig zal zijn voor de niet onderzochte delen. Mochten in de toekomst overige grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden, dan dient opnieuw archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd in de nog niet opgegraven delen van het plangebied. Op basis van dit advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Beuningen een selectiebesluit te nemen. Eventueel kan daarbij worden besloten dat het gehele plangebied moet worden opgegraven. Onderhavig onderzoek betreft een steekproef. Ongeacht het besluit dat de bevoegde overheid neemt, attenderen wij op de wettelijke verplichting om wanneer bij grondroerende werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, deze direct te melden (Artikel 5.10, Erfgoedwet). Dit kan via de gemeente of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Inhoud 1.

Aanleiding............................................................................................................................... 7

2.

Resultaten vooronderzoek..................................................................................................... 9

3.

Doel en onderzoeksvragen................................................................................................... 12

4.

Onderzoeksmethodiek......................................................................................................... 13

5.

Resultaten veldonderzoek.................................................................................................... 18

6.

Vondsten.............................................................................................................................. 25

7.

Conclusie, waardestelling en advies..................................................................................... 29

8.

Geraadpleegde bronnen ..................................................................................................... 33

Bijlage 1.

Archeologische periode-indeling voor Nederland ............................................................... 35

Bijlage 2.

Allesporenkaart en overzichtskaart ..................................................................................... 36

Bijlage 3.

Vlaktekeningen...................................................................................................................... 39

Bijlage 4.

Sporen- en lagenlijst.............................................................................................................. 44

Bijlage 5.

Vondstenlijst.......................................................................................................................... 48

Bijlage 6.

Beantwoording van de onderzoeksvragen............................................................................ 55

Bijlage 7.

Gedigitaliseerd profiel 301 (werkput3, vlak 104).................................................................. 58

1. Aanleiding Provincie

Gelderland

Gemeente

Beuningen

Plaats

Winssen

Toponiem

Hoek Leegstraat - Kerkpad

Kaartblad

39H

Perceelnummer(s)

WSN02 sectie B nummer 2505

Centrumcoördinaat

177.018 Z 432.672

CMA/AMK-status

Nee

Archis-monumentnummer

N.v.t.

Archis-waarnemingsnummer

N.v.t.

Oppervlakte plangebied

Ca. 2.100 m2

Oppervlakte onderzoeksgebied

Ca. 2.100 m2

Huidig grondgebruik

Grasland

In opdracht van Buro Waalburg heeft Transect b.v.1 op 20 en 25 oktober 2021 een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd op de hoek van de Leegstraat en Kerkpad in Winssen (gemeente Beuningen, figuur 1). Binnen het plangebied zullen woningen worden gerealiseerd. Hiervoor is een bestemmingsplanwijziging nodig. Er zijn nog geen concrete bouwtekeningen beschikbaar, waaraan de omvang en diepte van de verstoring ten behoeve van de nieuwbouw kan worden vastgesteld. Wel is bekend dat er vijf vrijstaande huizen met garage gerealiseerd worden. Volgens de bestaande conceptplannen zal circa 600 m2 bebouwd worden. Circa 400 m2 zal worden ingericht als weg. De verwachting is dat er ook bodemingrepen zullen plaatsvinden ten behoeve van de aansluiting van nutsvoorzieningen. Volgens het bestemmingsplan 'Kern Winssen' uit 2013 geldt voor het plangebied een Waarde Archeologie 2. Een archeologisch onderzoek is verplicht bij bodemingrepen met een oppervlakte groter dan 100 m2 en dieper dan 30 cm -Mv. Gezien de omvang van het gebied (circa 2.100 m2) betekent dit dat een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk was. Op basis van de resultaten van dit vooronderzoek (Melman 2021) geldt een hoge archeologische verwachting voor de periode Ijzertijd - Late-Middeleeuwen vanaf een diepte van 70 - 95 cm -Mv en een hoge verwachting voor de periode Neolithicum - Bronstijd vanaf een diepte van 170 - 260 cm -Mv.

Geadviseerd is om de hoge archeologische verwachting op te nemen in het bestemmingsplan en om de verwachting aanvullend te toetsen met een karterend en waarderend archeologisch onderzoek naar beide archeologische niveaus in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). De bevoegde overheid heeft ingestemd met dit advies.

1 Transect b.v. voldoet aan de eisen zoals gesteld in de kwaliteitsnorm 'BRL SIKB 4000', versie 4.1, en is gecertificeerd door middel van een procescertificaat. Transect b.v. is certificaathouder van de volgende protocollen: 'KNA Protocol 4001 Programma van Eisen', 'KNA Protocol 4002 Bureauonderzoek', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Overig', 'Protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek, variant Proefsleuven' en 'Protocol 4004 Opgraven', en staat geregistreerd bij het RCE en de SIKB.

transect

7

In onderhavig rapport zijn de resultaten van het proefsleuvenonderzoek beschreven. Het onderzoek is uitgevoerd conform de eisen van de bevoegde overheid en de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

1770ŨQ

y ij gŗS&iíiŶ UW! t*.

KPŽt,

PTU

o o

■r ' T 0 ? ļ/P^ oge, Kám pCM šĶ o o 1 o 1 tìNw 6-ľLJL -/ŕS" ' lïľfi IÿI?j^7y3ipjh i 0.0 0.0

O.Ĩ.O

'JOOľO OiO.O.f ■O.Ï.O.O

1770ÛŨ

Legenda plangebied

300 m .Wínssen

transect Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied.

transect

8

2. Resultaten vooronderzoek Bureau- en booronderzoek Uitvoerder Uitvoeringsperiode Uitvoeringsmethode Rapportage

Onderzoeksmeldingsnummer Vondsten/monsters/documentatie

2.1

Transect b.v. 2021 Bureauonderzoek en boringen Melman, J.G.E., 2021. Winssen, Leegstraat - Kerkpad. Gemeente Beuningen (GD). Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect b.v., Nieuwegein (Transect-rapport 3531). 5093542100 Digitaal: E-depot, Archis3 Vondstdocumentatie: geen vondsten

Landschappelijke achtergronden2

Het plangebied ligt in het Midden-Nederlandse rivierengebied, in het stroomgebied van de Maas en de Rijn (Berendsen 2005). Volgens de geomorfologische kaart van het rivierengebied van Cohen et al. (2012) bevindt het plangebied zich op 130 meter ten zuiden van de nog steeds watervoerende Waal. Deze rivier kent zijn oorsprong vanaf circa 200 voor Chr. en heeft actief sedimenten afgezet, totdat deze bedijkt werd in de 11e en 12e eeuw (Cohen et al. 2012). Naar verwachting bevindt het plangebied zich op de oevers van deze rivier. Volgens de paleogeografische kaart van de gemeente Beuningen zijn in het plangebied komafzettingen aanwezig, die zijn afgedekt door oever- en of crevasseafzettingen van de Waal. Op de geomorfologische kaart is het plangebied aangeduid als crevasserug (kaartcode 3B47). Ten noorden en zuiden van het plangebied is een overloop- of crevassegeul gekarteerd (kaartcode 22R44). Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) is te zien dat de omgeving van het plangebied relatief vlak is. Het maaiveld ter plaatse van het plangebied loopt vanaf het zuiden richting het noorden op, van 7,9 tot 8,5 m +NAP. Deze laagte is vermoedelijk veroorzaakt door de crevassegeul die hier in de ondergrond aanwezig is.

Op basis van een geologische boring uit het Dinoloket, gezet op 25 m ten zuidwesten van het plangebied, is de verwachting dat in het plangebied sterk stiltige tot zwak zandige klei aanwezig is tot minimaal 4,5 m -Mv (3,1 m +NAP; bron: www.dinoloket.nl, boring B39H2092; 176.964, 432.620 (RD)). De klei is onderdeel van de Formatie van Echteld en betreft holocene rivierafzettingen. Hieronder bevindt zich naar verwachting zand als onderdeel van de Formatie van Kreftenheye.3 Bodemkundig zijn in het plangebied ooivaaggronden gekarteerd (kaartcode Rd10A). Dit zijn rivierkleigronden met een weinig donkergekleurde bovengrond. De grondwatertrap in het plangebied. is VI, wat inhoudt dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) zich tussen de 40 en 80 cm -Mv bevindt en de Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG) onder de 120 cm -Mv aangetroffen wordt. Dit betekent dat eventuele (onverbrande) organische, archeologische resten niet bewaard zullen zijn gebleven binnen de 120 cm -Mv. Onder de 40 cm -Mv zullen ze waarschijnlijk (geheel) gedegradeerd zijn door een schommelende waterstand. Anorganische resten kunnen daarentegen wel goed bewaard zijn gebleven.

2 Teksten uit dit hoofdstuk uit Z naar: Pels-Ouweneel 2021 (Programma van Eisen) en Melman 2021 (vooronderzoek). 3 www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.

transect

9

2.2

Archeologische waarden

Het plangebied heeft volgens het centraal archeologisch informatiesysteem (Archis3) van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) geen archeologisch wettelijk beschermde status. Ook staat het niet opgenomen op de Archeologische MonumentenKaart (AMK). Op de gemeentelijke verwachtingskaart is aan het terrein een hoge archeologische verwachting toegekend, vanwege de ligging op een crevasserug. Deze hoge archeologische verwachting in het plangebied is verder deels ook gebaseerd op de ligging ervan vlak naast een vondstmelding (Heunks Z Hemmen 2007). In het plangebied zijn voor zover bekend in het verleden geen archeologische waarnemingen gedaan en heeft in het verleden niet eerder onderzoek plaatsgevonden. In de omgeving van het plangebied zijn onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen bekend. Samenvattend blijkt uit de onderzoeken in de omgeving dat een oude woongrond uit de Romeinse tijd - Middeleeuwen aanwezig is. Vondsten zijn bekend uit de Bronstijd en Romeinse tijd t/m Nieuwe tijd. 2.3

Historische achtergronden, huidig gebruik en bodemverstoringen

Het plangebied ligt in de dorpskern van Winssen die in de 13e eeuw werd gesticht (Berkel / Samplonius 2006). De dorpskern ligt vrij dicht tegen de Waaldijk aan. Dit is het gevolg van een dijkdoorbraak in de Late-Middeleeuwen waarbij het noordelijke deel van het oorspronkelijke dorp verwoest is geweest en de dijk later langs de dorpskern is aangelegd (Schulte 1982). Hierdoor is de dorpsstructuur in de Late-Middeleeuwen verlegd naar het zuiden. Verder is op de cultuurhistorische kaart van de gemeente Beuningen te zien dat ten zuiden van het plangebied een smalle restgeul van een crevasse aanwezig. De oude wegstructuren volgen deze geul. Langs de geul is een weg aanwezig waar bewoning is ontstaan na het dichtslibben van de geul. Dit had in ieder geval plaats in de Nieuwe tijd, te zien aan het kadastrale Minuutplan uit 1811- 1832. Het plangebied zelf is echter niet bebouwd en volgens de oorspronkelijke aanwijzende tafel (OAT) in gebruik als bouwland.4 Deze situatie blijft hetzelfde, totdat vanaf 1955 bebouwing in het plangebied staat aangegeven. Het betreffen twee gebouwen in het westen en in het oosten. Deze gebouwen zijn ten tijde van het booronderzoek reeds gesloopt (Melman 2021). 2.4

Gespecificeerde archeologische verwachting

Voor de periode Laat-Paleolithicum - Mesolithicum geldt een lage verwachting. In de pleistocene afzettingen ontbreken vegetatieniveaus die erop wijzen dat de afzettingen langere periode droog genoeg waren voor bewoning. Voor de periode Neolithicum - Bronstijd geldt een hoge archeologische verwachting vanwege de aanwezigheid van een vegetatieniveau in de top van de (holocene) komafzettingen. Dit niveau is droog genoeg geweest voor bewoning en/of landgebruik en in de omgeving van het plangebied zijn enkele voorbeelden bekend van archeologische sporen en vondsten in dit niveau. Vanaf de Ijzertijd zijn de komafzettingen afgedekt geraakt met crevasseafzettingen. In de top van de crevasseafzettingen is een vegetatiehorizont aanwezig dat een loopniveau uit de periode Ijzertijd - Late-Middeleeuwen betreft. De verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten in dit niveau is hoog. Voor de periode Nieuwe tijd geldt een lage archeologische verwachting. Dit is gebaseerd op het ontbreken van bebouwing op historisch topografische kaarten en overslagafzettingen.

4 http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl.

transect

10

2.5

Verkennend booronderzoek

In het plangebied zijn in de ondergrond komafzettingen aanwezig. Vanaf de Ijzertijd zijn deze komafzettingen afgedekt door crevasseafzettingen uit de Waal. In de Late-Middeleeuwen heeft een dijkdoorbraak plaatsgevonden, waardoor er overslagafzettingen zijn afgezet in het plangebied. In de top van de komafzettingen is een vegetatieniveau aanwezig. Dit niveau bevindt zich op een diepte van 170 - 260 cm -Mv (5,4 - 6,6 m +NAP). In de top van de crevasseafzettingen is ook een vegetatieniveau aanwezig dat zich op een diepte van (7,1 - 7,5 m +NAP) bevindt. Scherp op het vegetatieniveau in de top van de crevasseafzettingen is een modern verstoringspakket aanwezig. Dit verstoringspakket reikt tot in de overslagafzettingen, maar heeft het archeologisch relevante niveau zelf niet of nauwelijks aangetast. Een uitzondering hierop betreft de meest noordoostelijke hoek. Hier is een verstoring tot 160 cm -Mv aangetroffen. De aard van de verstoring is onbekend.

t

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

11

3. Doel en onderzoeksvragen Het doel van dit onderzoek is het toetsen en aanvullen van de archeologische verwachting door het opsporen en het waarderen van eventueel aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet, voor zover mogelijk, inzicht geven in de aard, datering, omvang, gaafheid, conservering en begrenzing van de mogelijk aanwezige archeologische resten. Het onderzoek moet de vraag beantwoorden of in het plangebied archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, of deze behoudenswaardig zijn en onder welke randvoorwaarden behoud mogelijk is. Deze vraagstelling wordt onderzocht aan de hand van de onderzoeksvragen uit het Programma van Eisen (PvE, Pels-Ouweneel 2021), die in bijlage 6 worden beantwoord: 1.

Zijn er in het plangebied archeologische resten aanwezig in de vorm van grondsporen, en/of vondsten? 2. Hoe ziet de bodemopbouw in het plangebied eruit en in hoeverre is deze intact? 3. Wat is de aard, diepteligging, samenhang en spreiding van de aanwezige archeologische resten, grondsporen en structuren (horizontaal en verticaal)? 4. Wat is de datering van de archeologische resten op basis van (chrono-)stratigrafie en typochronologie? En in hoeverre is er sprake van (dis-)continuïteit in gebruik/bewoning? 5. Welke categorieën vondstmateriaal zijn aanwezig en in welke mate (ook in relatie tot elkaar)? Wat zegt de aard en mate van voorkomen van het vondstmateriaal over het gebruik van het plangebied in het verleden? 6. Welke depositionele en post-depositionele processen zijn te onderscheiden en in hoeverre hebben deze invloed gehad op de bewoningsgeschiedenis en vondstcontexten? 7. Hoe verhouden de onderzoeksresultaten zich tot de resultaten uit het vooronderzoek? 8. Wat is de relatie met omliggende historische/archeologische resten? 9. Wat is de fysieke en inhoudelijke kwaliteit van de aangetroffen archeologische resten (gaafheid en conserveringsgraad)? Is sprake van (een) behoudenswaardige archeologische vindplaats(en)? (Maak voor het beantwoorden van deze vraag gebruik van de KNA-waarderingssystematiek). 10.

Kan op basis van de resultaten een advies geformuleerd worden t.a.v. het vervolg in de archeologische monumentenzorg (vrijgeven/behoud in situ/opgraven). Zo ja, hoe luidt deze? 11. Zijn er vanuit de toestand van de archeologische resten, bodemcondities en toekomstig gebruik mogelijkheden voor behoud in situ? 12. Bij afwezigheid van een vindplaats; wat is hier de verklaring voor (verstoord, ander landschap dan verwacht, e.d.)?

transect

12

4. Onderzoeksmethodiek Het proefsleuvenonderzoek vond plaats op 20 en 25 oktober 2021 en is uitgevoerd door Daniël Scheeringa (KNA-archeoloog MA) en afwisselend Thalea Wolff en Quintin Iwema, onder leiding van André Kerkhoven (senior KNA-archeoloog). Conform het Programma van Eisen (PvE, Pels-Ouweneel 2021) zijn drie proefsleuven aangelegd met afmetingen van 15 x 4 meter (180 m2 in totaal). Deze werkputten zijn laagsgewijs verdiept tot het eerste archeologische niveau in de top van de crevasseafzettingen. Deze bevindt zich tussen ongeveer 7,00 en 7,30 m +NAP. Op dit niveau werden archeologische resten uit de IJzertijd - Late-Middeleeuwen verwacht. Hieronder zou zich volgens het vooronderzoek (Melman 2021) nog een tweede niveau bevinden met resten uit het Neolithicum en de Bronstijd, op een diepte van ongeveer 5,4 - 6,6 m +NAP. Vanwege de hoge dichtheid aan sporen in vlak 1, kon het dieper gelegen niveau maar op twee locaties worden bereikt. In werkput 2 werd vlak 2 aangelegd met afmetingen van ca. 4 x 4 meter (16 m2) en in werkput 3 werd 3,6 x 3,8 m (13,7 m2) van vlak 2 opgegraven. In werkput 2 werden archeologische indicatoren op dit niveau aangetroffen, terwijl in werkput 3 het archeologisch relevante niveau lijkt te zijn verspoeld.

Gezien het geringe aantal opgegraven vierkante meters (in totaal 29,7 m2 in plaats van de beoogde 180 m2) is vlak 2 nog niet voldoende onderzocht om dit te kunnen karteren en waarderen. Tijdens de aanleg van de werkputten is tevens gebruik gemaakt van een metaaldetector. De vlakken zijn gefotografeerd en ingemeten, sporen zijn direct ingekrast, ingemeten en gedocumenteerd door middel van beschrijving in de velddatabase. Weinig sporen zijn gecoupeerd (een greppel en een paalkuil), omdat in het vlak reeds de aard van de sporen kon worden vastgesteld en duidelijk was dat ongeveer tweederde van de sporen paalkuilen zijn die onderdeel uitmaken van één of meerdere (middeleeuwse) gebouwplattegronden. Tijdens een vervolgfase (opgraving) kunnen de werkputten van het proefsleuvenonderzoek worden uitgebreid, waarmee naar verwachting aanvullende grondsporen en in het bijzonder paalkuilen aan het licht zullen komen. Aan de hand daarvan kunnen de gebouwplattegronden beter worden onderzocht en zullen ze een hogere informatiewaarde hebben. Coupes die zijn gezet, zijn gefotografeerd en analoog getekend (schaal 1:20). Per werkput zijn twee profielkolommen gedocumenteerd. Vondsten zijn verzameld in vakken van maximaal 4 x 5 m en per spoor Z laag. Figuren 2 t/m 8 tonen sfeerfoto's, situatiefoto's en overzichtsfoto's ter illustratie.

transect

13

'1 ;

-

iniHìĴMİiİil)Ĵkť! lujÏÏll.iMiĩ'iVn'îrTĩn

;įį. - ~śĩ'.Jï’ -.

-

~ī

\ Ä'ï*

.

ÍH ..S' - ' -;' - 1 fļť ' SŞ‘ gļšāg - - ïk" ie­ - : . i

. :

-

*

■í -‘fe

____ Figuur 2. Plangebied bij aankomst op de eerste veldwerkdag.

‘ľ m' ĩī' /CD mlĘĘm*r--

?-^ř

SmaĝHic-

įv»5^3sy

wzrm\

Wf

-V -ŵ :'r' .^Vr VJSfv . .î’ŵzŕ1- . Ã^śíKr^-.--. ’ . .J r-*rS:ÍMiââÉ A~

*

İ. .|6į

Figuur 3. Overzicht van vlak 1 in werkput 1.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

14

. m—

'Ä*‘ -V

į ,jľ.. j?.

ĘįįmWįřfļ

ŷĘTįįŞh V,/,-

K&įfcí'V

İÄÍ į' Ms

- C'r’

Vý--'wL*įţv' ;--:' j? y-3a :C4ĒĚ«

ül

.

f ŵi t \;\jW miĶ

SSŕüŕą3į ŝ^glS isfes

’Sfcsï'Ŵ-»

V'VÄ

įŕsņ-V'

-I.ÌŞA^

; V.sNŴSEk-vŕ'.

.', ' -

Űfeŗ'-WŜfŞŞfS

Ŵ^Mţ:

í -l’ .N

'L’ ' ' ."įLÿ S‘ :{SV

V' 'Kį'MrSíi -'

'M K-*-t

mm

řľäSř -’ ,w ľ'-.?‘-‘ ^ ~ -’

'\

' ^--^TVvv(o k-tŵ.v - -."v

íí-î.-TO^ ť'V'v'a

: İ' íİ w

İH

ft»?

■ŵ'. ä» w

:#,s|ŵj vşo ^ŵvv'.'r,^

ÏÍİ

Z*** :ĵfè~4 - -; tt ľ-i.." mm ïą. ŵ4'lí*.-'1. 5fc.*\ įįjçfr v*líwį-

ţįriļt :'flŗ.įš

" ŵìľ' įv ;v!^V v-; NS .‘T'"’

ř«íbi . ' W-Wè â-SĨV

: ĩSSliŗ

_____

‘f !k

'v- j; -

: v-\'

^ .ŵ. fc&ss^flMxMŷ

hp

msü

Figuur 4. Deel van vlak 1 in werkput 1, ter hoogte van sporen 1 t/m 6 aan de zuidelijke kopse kant van de put.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

15

.

,fr: '.v'i-W;'

'::7 'Ŵ

-

7t -,’Vļ'

' .:s:

äs íè

faìiÉifŗ fe--

•í'Ça 'Ŵ.

?WV*7'-‘r k&l';

Śiř-'iľ*ÄŴS&ŵ ‘ ‘vft ŵ -i ' SV, 4Sí-:*r «oŴSJŵ*-

įjţSiîŕ

,'

.

.

- -: '

Figuur 5. Overzicht van de waterput (S.15) en waterkuil (S.16) in werkput 2, vlak 1. Opnamerichting: west.

ř U ? í*:

SįtÈŻť'' 4:v'.

mv? . '

^

ľ

-:

FsfeFF -F'. ïS--t?'~ ~ . ~ í :r' . '"r’ .. •''ľ^* - - '. tįfe - -' . F ;j*ŵ ŞfįT .' ''i:í :'-» •■-ŵF: '•r-ivr* Sss&šS a&fcsŵ İŽ.'.„y Ví į*ŵ JsşgĘŠĩŞt -Wt&Sm

.. ’ .--' yľ 1

—; V -

,

••■S,

C'jrS

-T?^ '—--

:

#V

..

’írVV-; -,.\.F-'''.,F'F'':'V -TV ' ' ' íT'".ż.

fej. Ą'

Pj/?! A ~

.-

t~. z

;ï- 'V'v í-s&.-'v

Śį 5®W - -'

-'*ŕ-

Figuur 6. Documenteren van een profiel.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

16

•i-

k -

',į.

-

;í .

‘'.«eŕŵ -..nu/ĴL.

'fļįĒOĶ -, -

İ8PİİP; •V*SİŞt“Ļ-

JşVí' ļŵHH

jįĮHfK , kV

‘ V

Ť\,ĩ«Sİ û^cT’

i.į&y-' ĩ:- W-č ; Ŭjť S'-

'je..

' ?f \ ^ '

:

’ --Si,

■.v «r.,

SŞÄÉĮŜ

Ä

'

Figuur 7. Opschaven van de putwanden.

İ.JPV™ i '^!''

Sįg

■'fa-*- "

IşÄ ’ -' ľ"; ŠįŕĵS4®ìļ HH

•*.'r'v'^.oį » ‘

;.-V-ř?V^âţ ÜHip :-;ŵ īmkį

ŞĘSĘà Mmm ÿgBãjiļ

Ŵ;.V ■ŞSSS! -

-'

* -.

"'Sè-JġįmįïĘt

fcìį,ÏĘtŹITá

SÄi -■■V'-.i—

Figuur 8. Overzicht van werkput 3, vlak 1.

transect

17

5. Resultaten veldonderzoek 5.1

Bodemopbouw

De bodemopbouw in het plangebied is eenduidig en van boven naar beneden als volgt: Onder een moderne en verstoorde bouwvoor (S.1000) is een vegetatiehorizont (S.2000) in de top van de crevasseafzettingen (S.2500) aanwezig. S.2000 bevatte alleen in profiel 302 (werkput 3) twee vullingen Z fasen en veel vondstmateriaal in werkput 1. In de overige profielen bestaat S.2000 uit één fase. Het archeologisch vlak (vlak 1) is aangelegd in de top van S.2500. Vanwege de vlekkerigheid was het lastig om de spoorbegrenzingen hogerop goed in beeld te krijgen. In profiel 201 (werkput 2, vlak 102; figuur 9) zijn meerdere vullingen Z fasen aanwezig in de crevasseafzettingen. Onder de crevasseafzettingen bevindt zich komklei (S.3500), waarin zich in de top een vegetatiehorizont heeft gevormd (S.3000), die uit twee fasen bestaat. In de bovenste fase zijn archeologische indicatoren in de vorm van houtskoolspikkels en een zeer klein en zeer verweerd fragmentje handgevormd aardewerk gevonden. Op basis van deze informatie konden de twee afzonderlijke vullingen niet nauwkeurig worden gedateerd. Aan de westzijde van het plangebied zijn de crevasseafzettingen zandiger dan elders.

In profiel 301 (werkput 3, vlak 104; zie het gedigitaliseerde profiel in bijlage 7) is aan de basis van de vegetatiehorizont (S.2000) een greppel (S.18) aanwezig van 86 cm diep, die daarmee reikt tot in de crevasseafzettingen (S.2500). Daaronder bevinden zich vermoedelijk crevassebeddingafzettingen, waarin grind aanwezig is (S.2750). Daaronder is tot slot de komklei (S.3500) gevonden, die deels verblauwd is als gevolg van de daarop gelegen grindafzettingen (zie bijlage 7). Overeenkomstig met het vooronderzoek (Melman 2021) kan in het plangebied worden gesproken van ooivaaggronden. De komafzettingen (S.3500) zijn vanaf de Ijzertijd bedekt geraakt met crevasseafzettingen afkomstig van de Waal. Overslagafzettingen, afgezet tijdens een dijkdoorbraak in de Late-Middeleeuwen, zijn tijdens het proefsleuvenonderzoek als zodanig niet herkend.

transect

18

»'V-

. -

r*.

:ŴŴ„

•: --•'

S.2000

ÍĘţfåĮ ř *t:

ŽíįğįV

00 v1 assgį

ý'j»

■ŵ

S.2500 v2 V jŕV

S.2500 v:

|g|gg||

Sfe-

-St*---T-

S.3000 v1 S.3000 v2

Í**ÜĚİ

S.3500

V . ļjiîsĥ

Figuur 9. Profiel 201, werkput 2, vlak 102.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

19

■*įţ - s '

.-'■'ŵ- Ąfŵįi

N — - -T

Éİplİft İÜíyí:;

įŴ*i . į~'«tŕí

w&ŕ.

i4A'- kX ĩ

S.2000

OM-MüMMēR

5120052100

Vŕ:-^ ;t,í : 2500 v1 38Šļg|ä įfigSe^t-v^V o.

fC,

Figuur 9b. Profiel 101, werkput 1, vlak 104.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

20

5.2

Sporen en structuren

In totaal zijn 31 grondsporen aangetroffen in de drie werkputten op het niveau van vlak 1 (op ca. 7,00 tot 7,30 m +NAP). Voor een overzicht van de aantallen per spoortype wordt verwezen naar tabel 1. Twee van de 31 sporen zijn gecoupeerd, omdat in het vlak reeds de aard van de sporen kon worden vastgesteld en duidelijk was dat ongeveer tweederde van de sporen paalkuilen zijn, die onderdeel uitmaken van één of meerdere gebouwplattegronden. Tijdens een vervolgfase (opgraving) kunnen de werkputten van het proefsleuvenonderzoek worden uitgebreid, waarmee aanvullende grondsporen, naar verwachting vooral paalkuilen, aan het licht zullen komen. Aan de hand daarvan kunnen de gebouwplattegronden beter worden onderzocht en zullen ze een hogere informatiewaarde hebben.

Tabel 1. Overzicht spoortypen en aantallen. Spoortype

Aantal

paalkuil (PK) greppel (GR) kuil (KL) waterkuil (WK) waterput (WA)

22 4 3 1 1

Totaal

31

5.2.1

Paalkuilen en kuilen

In totaal zijn 22 paalkuilen en drie kuilen gevonden. De paalkuilen bevinden zich in werkputten 1 en 3, vlak 1 en de kuilen in alle drie de werkputten op vlak 1. De paalkuilen maken vermoedelijk onderdeel uit van één of meerdere gebouwstructuren, alhoewel op dit moment nog geen duidelijke verbanden kunnen worden gelegd. Een gebouwplattegrond lijkt zich te bevinden in werkput 1 en een andere plattegrond in werkput 3. Alleen S.19 in werkput 3 werd gecoupeerd en bleek 24 cm diep te zijn (figuur 10). In het vlak werden veelal twee vullingen per paalkuil herkend. Aan de hand van vondstmateriaal lijken de paalkuilen gedateerd te kunnen worden in de VolleMiddeleeuwen, waarmee in het plangebied sprake kan zijn van een volmiddeleeuwse nederzetting. Drie kuilen werden gevonden, namelijk S.7 in werkput 1, S.17 in werkput 2 en S.26 in werkput 3. Kuilen zijn niet gecoupeerd. Wel werd een boring gezet in S.17, waaruit bleek dat dit spoor ongeveer 35 cm diep is vanaf het niveau van vlak 1. Zowel S.7 als S.17 bevatten volmiddeleeuws, handgevormd aardewerk, waarmee de kuilen onderdeel uit lijken te maken van de vermoedelijk aanwezige volmiddeleeuwse nederzetting in het plangebied. Getracht wordt de functie van de kuilen tijdens de standaarduitwerking na de opgraving te bepalen.

transect

21

ý ■ ■ţ ‘ ĩ-•m&ì ...

'Xr'*rïï-'-: . '-Ŵŵ., s^ţţ-

'ĩ'-y-

ÿS4gg|

žmfeîŵä; -ŵw - .... -lp“r-

SsSÊCïsŵ -

iŴÉÉÉÉfeá, LisAVC^ëžs&i -5^*; ..

' -j -

V „V#i

V įfķ ■--Mï

■*W.

-Vļpp*

;; \..-

'T . *

Ö8SS

.w uľv.V:~-

Hl ‘•'•ľ.v V rĚįŚ&fr

jí/fe *#Ün'ìļf'-íļ' r-^į /■*W -'v- J-,ŵ V*.; Ŵ -

'i V

.'••r

'j ,

*Vř.-V; İr4ĩte

iJĮĻ-

ifåä&ÿţ. -Ŵ: . ;jį!

Wè^M'Á

*p-ęm í-ř ' iľ?.'*’ 'ŕSíikŴi

Figuur 10. Coupe door S.19, paalkuil in werkput 3, vlak 1.

5.2.2

Greppels

Vier greppels zijn aangetroffen in werkput 1 (S.1 en 5) en werkput 3 (S.18 en 20), vlak 1. Op basis van de vondsten die werden aangetroffen in S.1 en S.18 kunnen deze twee greppels vermoedelijk worden gedateerd in de Late-Middeleeuwen. Ze zijn in elk geval niet ouder dan de Volle-Middeleeuwen. Alleen S.18 werd gecoupeerd (figuur 11; zie de gedigitaliseerde profieltekening in bijlage 7). Daaruit bleek deze greppel maximaal 86 cm diep is en dat het spoor zich insnijdt vanaf de basis van S.2000 (vegetatiehorizont in de top van de crevasseafzettingen). Vooralsnog bestaat het vermoeden dat de greppels jonger zijn dan de paalkuilen en gerelateerd zijn aan sporen van landgebruik in plaats van nederzettingssporen.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

22

.SSŕï

tem y*me-

Ä'l

' į-Jţ

mmI

,ţ '"'ŴiįiŞŞŢ' Šfcśś

V „ ir'-- Vr/ifrļkyV-Jy~ r

V-'Ţf İÍ5İ -vv'vjvf S .-ľ '«İā . Sr v ggfŕŞ-. íŕ.iv,

şmŗį»

, ľy •^‘’J'.Vįŕ;

ŵs**?*-/ ‘v". iTÏ

'àmx !-^fe^a6Bāá»įįfcİ

’ .: Ŵ : ■•.«

íŵhaS

■•sŞt

. ;V y ■ž&SÄŽ&ŵř .;.V\, *f,

3-^V*; ' gÿāîjpjļ * ġfřţįKj

ġţġĘiìĩśěM ^pĶig r^.yř-;. '-yľ

’ V v—

»;. :'ļ **ŗ»r\ž

:^'Ŵ

, ®S6Ŵ 'M M ft mm N‘-.rį Vį‘ ‘ ş SP* ;’S*ftl qrs - . vt» ų ŴsftS

1-h-^-

Figuur 11. Coupe door S.18, greppel in werkput 3, vlak 104 (profiel 301).

5.2.3

Waterkuil en waterput

In werkput 2 vlak 1 zijn een waterkuil (S.16) en het grootste deel van een waterput (S.15) gevonden (figuur 12). De waterput zal nog doorlopen voorbij de westelijke putgrens (zie de vlaktekeningen in bijlage 3). De waterkuil en waterput bevinden zich op een afstand van 70 cm van elkaar. In S.15 werd volmiddeleeuws materiaal aangetroffen, waaronder Pingsdorfaardewerk. S.16 bevatte blauwgrijs, handgevormd, volmiddeleeuws kogelpotaardewerk. De twee sporen lijken te behoren tot de vermoedelijke volmiddeleeuwse vindplaats en bevinden zich mogelijk op het (achter-)erf van huisplaatsen (ter hoogte van de aangetroffen paalkuilen). De waterput en waterkuil werden niet gecoupeerd, maar wel werd onderzocht tot hoe diep de sporen zijn ingegraven door middel van boringen. Hieruit bleek dat S.15 ongeveer 1,80 m diep is, of dieper dan 3 m (de vullingen konden niet duidelijk genoeg worden onderscheidden) en dat S.16 ongeveer 90 cm diep is.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

23

—

H

mar

'Äį. .Yyŕ-

-

-WĮ

.J?

»\* ï 'frï(W ft.

âi, åįä»i V äįí'ř

ĩ fs

N:

Ż"v -''

■v.m m»?

ŗ

Ì,;:::Ŭ

H

5 : .i m '

«ġ Mí /-;- f.

«MP r d'

Figuur 12. Linker spoor: S.15 waterput; rechter spoor: S.16, waterkuil; werkput 2, vlak 1.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

24

6. Vondsten De vondsten zijn ondergebracht onder de vondstnummers 1 t/m 33, die in totaal 765 vondsten bevatten. Monsters werden in het proefsleuvenstadium nog niet genomen, omdat monsters niet van belang waren voor de waardering van het plangebied. De vondsten zijn verdeeld in meerdere categorieën, die in tabel 2 zijn te vinden. De vondsten zijn in dit stadium van het onderzoek middels een quickscan gedetermineerd door de auteurs van dit rapport. In bijlage 5 is de vondstenlijst opgenomen. Tabel 2. Aantallen vondsten per materiaalcategorie. Materiaalcategorieën

Aantal

Percentage

keramiek (KER) dierlijk botmateriaal (ODB) natuursteen (SXX) bouwkeramiek (KBW) slak (MSLAK) metaal (MXX) huttenleem (KHL) hout (OPHT) schelp (ODS) vuursteen (SVU) overig (XXX)

308 280 82 58 9 6 3 3 2 2 12

40 37 11 8 1 c1 c1 c 1 r0 c 1 r0 c 1 r0 c 1 r0

Totaal

765

100 %

Voor het overgrote deel van het vondstmateriaal geldt dat dit in secundaire (niet-gesloten) contexten is gevonden, wat inhoudt dat deze vondsten weinig informatiewaarde hebben. Onder deze contexten vallen bodemlagen (S.999, S.2000, S.2750 en S.3500) en greppels (S.1 en S.18). Daarbij geldt wel voor greppels dat de duur van openliggen en landgebruik na aanleg een rol spelen. In de bodemlagen zijn gezamenlijk 521 vondsten aangetroffen en in de greppels 225 vondsten. Bodemlagen en greppels samengenomen omvatten 746 van de 765 vondsten (97,5 %). Vondsten die afkomstig zijn uit gesloten contexten, zijn hieronder opgenomen in tabel 3. Deze vondsten kunnen worden gebruikt om de sporen te dateren waaruit ze afkomstig zijn en dan vooral in het geval van de aardewerkscherven. Uit tabel 3 blijkt dat S.7 en 17 (kuilen) naar verwachting in de (Volle-)Middeleeuwen dateren, net als waterkuil S.16 en waterput S.15 en de twee paalkuilen S.24 en 28. In het plangebied is dan ook vermoedelijk een volmiddeleeuwse nederzetting aanwezig. De vondsten uit niet-gesloten contexten geven vooral aan dat het plangebied vanaf de IJzertijd Romeinse IJzertijd in gebruik Z bewoond is geweest t/m de Volle-Middeleeuwen (nederzettingssporen) en dat het plangebied in de Late-Middeleeuwen (eventueel Nieuwe tijd) vooral in gebruik en niet meer bewoond was (sporen van landgebruik).

De nederzettingssporen lijken op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek vooral te stammen uit de Volle-Middeleeuwen.

transect

25

Tabel 3. Vondsten uit gesloten contexten.

4.1

Vnr

Wp

Snr

Spooraard

Aantal

0003KER

01

0007

KL

1

0016KER

02

0017

KL

4

0016ODB

02

0017

KL

1

0016SXX

02

0017

KL

4

0017KER

02

0016

WK

1

0017SXX

02

0016

WK

1

0018KER

02

0015

WA

1

0018MXX

02

0015

WA

1

0019KER

02

0015

WA

1

0031KER

03

0028

PK

1

0033KER

03

0024

PK

2

Opmerking

- 1x randfragment handgevormd, blauwgrijs middeleeuws aardewerk - 4x handgevormd, blauwgrijs aardewerk, volmiddeleeuws - 1x tand over de lengte gespleten, medium Z large mammal - 4x grindje - 1x wandfragmentje handgevormd, vermoedelijk middeleeuws kogelpotaardewerk - 1x natuurlijk steentje - 1x zeer klein wandscherfje, vermoedelijk middeleeuws aardewerk - 1x brokje slakachtig materiaal - 1x randscherf Pingsdorf, 10e - 13e eeuw. - 1x wandscherf handgevormd aardewerk, verweerd, vermoedelijk middeleeuws kogelpot - 1x hardgebakken scherf Pingsdorf, 10e 13e eeuw - 1x vermoedelijk middeleeuws kogelpot

Keramiek

De aangetroffen aardewerkscherven (figuren 13 t/m 15) zijn onder te verdelen in diverse gedraaide, maar vooral handgevormde baksels, waaronder Maaslands wit, Pingsdorf en blauwgrijs aardewerk. Het aardewerk wordt gedateerd tussen de IJzertijd Z Romeinse IJzertijd t/m de Nieuwe tijd, met de nadruk op de (Volle-)Middeleeuwen. Zeer weinig nieuwetijdse baksels zijn aangetroffen (één scherf roodbakkend aardewerk en twee scherven steengoed). 4.2

Dierlijk botmateriaal

In totaal werden 280 fragmenten dierlijk bot aangetroffen. Hiervan is het overgrote deel afgebroken Z verweerd, maar in meerdere gevallen ook afgesneden. Onder het botmateriaal bevinden zich geen complete begravingen. Het botmateriaal is over het algemeen sterk gefragmenteerd en deels verweerd. Bot werd aangetroffen in diverse contexten, namelijk greppels (S.1 en 18) en bodemlagen (S.2000 en 2750). Geen van de botvondsten is daarmee in een gesloten context gedaan, waarmee ze relatief weinig informatie opleveren. Het zal voornamelijk slachtafval Z consumptieafval betreffen, die in de greppel terecht zijn gekomen met het dempen ervan met grond uit de omgeving. Onder de diersoorten bevinden zich onder andere rund, varken en hond. Noemenswaardig zijn twee bewerkte stukjes bot (figuur 15) die werden gevonden in S.2000 en zich daarmee helaas in een secundaire context bevinden. 4.3

Natuursteen en vuursteen

Natuurstenen vondsten bleken voornamelijk natuurlijke stukken Z stukjes steen te zijn zonder bewerkingssporen, en ook grind. Zeven tufstenen vondsten zijn gedaan, waarvan drie stuks geen bewerkings- en/of gebruikssporen vertonen en vier stuks mogelijk bewerkt Z gebruikt zijn geweest. Deze stukjes zijn gevonden in S.1 (greppel) en in bodemlagen S.2000 en S.2750.

transect

26

Twee natuurlijke stukjes vuursteen zijn gevonden die niet zijn bewerkt en/of gebruikt. Beide vondsten bevatten cortex.

1- v

■QSi i'. ļ ą!*

r-4,v.

Figuur 13. Vondstnummer 0026KER.

i

tV ľ -

,v' -

Figuur 14. Vondstnummer 0030KER.

transect

27

Figuur 15. Vondstnummer 0002 met links twee stukjes bewerkt been.

4.4

Bouwkeramiek

Tot deze categorie behoren 58 vondsten.Hoofdzakelijk betreft het kleine brokjes verweerde en afgeronde baksteen. Een aantal baksteenfragmenten oogt modern. Tevens werden twee fragmenten roodbakkende plavuis gevonden. 4.5

Metaal en slak

Metaalvondsten omvatten een deel van een gecorrodeerd beslag uit S.1 (greppel), een fragment gecorrodeerde nagel uit S.2000 (vegetatiehorizont in de top van de crevasseafzettingen), en 4x een brokje slakachtig materiaal uit S.2000, S.1 en S.15 (waterput). 4.6

Overige vondsten: hout, schelp, huttenleem en categorie overig

Drie zeer kleine fragmentjes hout zijn verzameld uit bodemlaag S.2750 (verblauwde crevasseafzettingen). De drie fragmentjes ogen natuurlijk. Twee fragmenten schelp en drie brokjes mogelijk huttenleem zijn aangetroffen. De categorie 'overig' (XXX) betreft overige vondstcategorieën. In dit geval betreft het twaalf brokjes slakachtig materiaal. Conform het evaluatierapport van het proefsleuvenonderzoek (Pels-Ouweneel Z Scheeringa 2021) zullen alle vondsten nader worden gedetermineerd en/of door specialisten worden onderzocht, nadat een vervolgonderzoek (opgraving) heeft plaatsgevonden. Slechts twee van de 31 sporen zijn gecoupeerd in dit stadium, omdat hiermee het plangebied al gewaardeerd kon worden. Tevens zijn 97,5 K van de vondsten van het proefsleuvenonderzoek gedaan in secundaire, niet-gesloten contexten, wat de informatiewaarde van de vondsten doet dalen. De vondsten zullen meer informatiewaarde hebben als ze in combinatie met de vondsten en sporen die tijdens de opgraving gevonden worden, onderzocht worden. Op die manier kan tot een vollediger beeld worden gekomen van de bewonings- en gebruiksgeschiedenis van het plangebied in het verleden. Na een opgraving zal opnieuw een evaluatie van het vondstmateriaal plaatsvinden om te bepalen welke vondsten of vondstcategorieën in aanmerking komen voor specialistisch onderzoek.

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK F ADVIES

28

7. Conclusie, waardestelling en advies Conclusie Tijdens de proefsleuvenfase zijn drie werkputten aangelegd in het plangebied, waarmee ca. 180 m2 is opgegraven. Samenvattend maken de 31 sporen vermoedelijk deel uit van een middeleeuwse nederzetting. De 22 paalkuilen lijken deel uit te maken van één of meerdere gebouw-plattegronden, hoewel deze zich nog niet laten onderscheiden. Wel is zeker dat de meeste sporen uit goed geconserveerde paalkuilen bestaan, waarin veelal twee vullingen zijn te onderscheiden. Om de vindplaats zo goed mogelijk nader te kunnen onderzoeken tijdens een vervolgonderzoek en de paalkuilen zoveel mogelijk intact te laten, is slechts één paalkuil (S.19) gecoupeerd. Naast paalkuilen zijn ook kuilen met nog onbekende functie, een waterput, waterkuil en greppels aangetroffen. Een waterput en waterkuil zijn wellicht indicatief voor een (achter-)erf van de huisplaats(-en). De vier greppels lijken uit de Late-Middeleeuwen te dateren en zijn hiermee jonger dan de andere grondsporen. Aan de hand van vondstmateriaal is in ieder geval duidelijk dat de greppels niet ouder kunnen zijn dan de Volle-Middeleeuwen. Vondstmateriaal dat is aangetroffen tijdens het proefsleuvenonderzoek toont aan dat het plangebied vanaf de (Romeinse) IJzertijd in gebruik is en in de Volle-Middeleeuwen werd bewoond.

Uit overige perioden zijn geen nederzettingssporen opgegraven, maar deze kunnen zich nog op een dieper niveau (vlak 2 op 5,4 - 6,6 m +NAP) bevinden. In de top van de komklei bevindt zich namelijk nog een vegetatiehorizont, die archeologische resten uit de periode Neolithicum - Bronstijd kan herbergen. Dit niveau werd maar sporadisch bereikt tijdens het proefsleuvenonderzoek, veroorzaakt door de grote dichtheid aan voornamelijk volmiddeleeuwse sporen in het niveau van vlak 1 (ca. 7,00 - 7,30 m +NAP). Dit middeleeuwse niveau in de top van de crevasseafzettingen zal eerst nader onderzocht moeten worden, voordat een dieper gelegen en ouder niveau kan worden onderzocht. De hoge verwachting uit het Programma van Eisen op archeologische resten uit de periode IJzertijd Late-Middeleeuwen is met het proefsleuvenonderzoek grotendeels bevestigd. Voor de periode Neolithicum - Bronstijd kon de hoge verwachting nog niet worden getoetst, vanwege de hoge spoordichtheid uit de Volle-Middeleeuwen op vlak 1. Wel is de vegetatiehorizont in de top van de komklei aanwezig in het plangebied, waarop gewoond kon worden in het Neolithicum - de Bronstijd. Van de 308 aardewerkscherven bleken er slechts drie in de Nieuwe tijd te dateren, waarvan twee scherven steengoed en een scherf roodbakkend geglazuurd aardewerk.

Waardestelling Archeologische vindplaatsen worden gewaardeerd conform de BRL4000 Z KNA-protocol 4003, specificatie VS06 Waarderen. Aangetroffen zijn drie paalkuilen uit vermoedelijk de Middeleeuwen Nieuwe tijd, die mogelijk als 'vindplaats' beschouwd kunnen worden, en derhalve gewaardeerd worden. Het eerste niveau is niet van toepassing, omdat de eventuele vindplaats niet bovengronds zichtbaar is. Alleen de laatste twee niveaus zijn op dit onderzoek van toepassing. De fysieke kwaliteit is gebaseerd op de conservering en gaafheid van de aangetroffen archeologische sporen c.q. vindplaats. De conservering geeft aan in hoeverre de resten behouden zijn, de gaafheid en in hoeverre een eventuele vindplaats nog compleet is. De beoordeling is voor zowel gaafheid als conservering: drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. De aangetroffen resten worden vervolgens getoetst op inhoudelijke kwaliteit. Het gaat hierbij om de zeldzaamheidswaarde, de informatiewaarde, ensemblewaarde (of contextwaarde) en de representativiteit. Ook hier geldt: drie punten voor een hoge, twee punten voor een middelhoge en één punt voor een lage beoordeling.

transect

29

Bij een beoordeling van in totaal 7 of meer punten voor de categorieën 'zeldzaamheid', 'informatiewaarde' en 'ensemblewaarde' kan een eventuele vindplaats alsnog als behoudenswaardig worden aangemerkt. In tabel 4 zijn de scores van de waardestelling terug te vinden. Bij hoge scores en het doorlopen van de waarderingscriteria (figuur 16) wordt een vindplaats als behoudenswaardig beschouwd. Beleving Voor wat betreft beleving kan de vindplaats niet gescoord worden, omdat deze niet bovengronds zichtbaar is of kan worden. Fysieke kwaliteit Op het selectiecriterium fysieke kwaliteit scoort het plangebied hoog. De sporen zijn goed geconserveerd en hebben duidelijke contouren. Vondstmateriaal is grotendeels goed geconserveerd, maar wel gefragmenteerd. De vondsten, en vooral het aardewerk, zullen sporen en bodemlagen goed kunnen dateren nadat een opgraving heeft plaatsgevonden en het materiaal aan specialistisch onderzoek wordt onderworpen. Inhoudelijke kwaliteit Inhoudelijk scoren de aangetroffen resten hoog. Een middeleeuwse vindplaats uit de 10e - 12e eeuw met eronder mogelijk nog een ouder nederzettingsniveau is bijzonder. Qua vondsten zijn onverbrand dierlijk bot aangetroffen en is er goed botanisch materiaal te verwachten. Door dit brede spectrum aan vondstcategorieën is een goede reconstructie van de nederzetting en het nederzettingsgebruik mogelijk.

Zodoende biedt deze vindplaats grote kansen voor kenniswinst. Daarmee is in het plangebied sprake is van een behoudenswaardige vindplaats. Tabel 4. Waardestelling. Waarden

Criteria

Beleving

Schoonheid

Score - hoog

Inhoudelijke kwaliteit

Wordt niet gescoord

Gaafheid

3

Conservering

3

Zeldzaamheid

3

Informatiewaarde

3

Ensemblewaarde

3

Representativiteit

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK k ADVIES

Score - laag

Wordt niet gescoord

Herinneringswaarde

Fysieke kwaliteit

Score - middelhoog

Ja

30

Beleving Fysieke kwaliteit

bovengemiddelde score

Inhoudelijke kwaliteit

Behoudens­ waardig

Voorstel tot selectie

Inhoudekjke kwaliteit?

Representativiteit

Niet behoudens­ waardig

Figuur 16. Waarderingscriteria (bron: www.sikb.nl).

Advies Aan de hand van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek en de waardestelling is in het plangebied sprake van minimaal één behoudenswaardige vindplaats. Weinig sporen zijn gecoupeerd, omdat in het vlak reeds de aard van de sporen kon worden vastgesteld en duidelijk was dat ongeveer tweederde van de sporen paalkuilen zijn die onderdeel uitmaken van één of meerdere (volmiddeleeuwse) gebouwplattegronden. De sporen zullen een hogere informatiewaarde hebben als ze samen met aanvullende sporen van een opgraving kunnen worden onderzocht. Tevens is een ouder, dieper gelegen niveau uit de periode Neolithicum - Bronstijd nog nauwelijks aangesneden, veroorzaakt door de vele (vooral volmiddeleeuwse) sporen op het hoger gelegen niveau. Wij adviseren om alle delen van het plangebied op te graven bij bodemingrepen dieper dan 6,70 m +NAP (dit is inclusief een bufferzone). Hieronder vallen de bouwvlakken, kabels, leidingen, riool en groenvoorzieningen, en overige zaken die de grond zullen verstoren. Allereerst worden alle sporen op het niveau van vlak 1 (ca. 100 m -Mv Z 7,00 - 7,30 m +NAP) gecoupeerd en afgewerkt, waarna kan worden doorgegraven naar vlak 2 (ca. 5,4 - 6,6 m +NAP) om dit niveau uit de periode Neolithicum - Bronstijd te onderzoeken. Couperen en afwerken van de sporen op vlak 1 zal de dieper gelegen sporen op vlak 2 niet verstoren.

Bij couperen en afwerken van diepere sporen echter, zoals de waterput S.15 van 1,80 m diep vanaf vlak 1, moet met een dGPS het niveau in de gaten worden gehouden, zodat oudere resten op vlak 2 niet worden vernietigd. Ook dienen de drie proefsleuven opnieuw te worden opengelegd, aangezien pas twee van de 31 sporen zijn gecoupeerd. In delen van het plangebied die niet worden verstoord, geldt dat de archeologische waarden in situ worden behouden. Dit houdt wel in dat een dubbelbestemming geldig zal zijn voor de niet onderzochte delen.

transect

31

t ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK k ADVIES

Mochten in de toekomst overige grondroerende werkzaamheden plaats gaan vinden, dan dient opnieuw archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd in de nog niet opgegraven delen van het plangebied. Op basis van dit advies is het aan de bevoegde overheid van de gemeente Beuningen een selectiebesluit te nemen. Eventueel kan daarbij worden besloten dat het gehele plangebied moet worden opgegraven. Onderhavig onderzoek betreft een steekproef. Ongeacht het besluit dat de bevoegde overheid neemt, attenderen wij op de wettelijke verplichting om wanneer bij grondroerende werkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, deze direct te melden (Artikel 5.10, Erfgoedwet). Dit kan via de gemeente of via de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

transect

32

8. Geraadpleegde bronnen Archeologische kaarten en databestanden ^ ^ • • • •

Archeologisch Informatie Systeem III (Archis3), Rijksdienst voor Cultureel erfgoed (RCE), Amersfoort, 2016. www.bagviewer.kadaster.nl www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl www.pdok.nl www.sikb.nl www.topotijdreis.nl

Literatuur ^ ^ ^

^ ^

^

^

^ ^

Berendsen, H.J.A., 2005. De vorming van het land, Assen (Fysische geografie van Nederland). Berkel, G. van, en K. Samplonius, 2006, Nederlandse plaatsnamen en herkomst en historie, Utrecht: Het Spectrum. Cohen, K.M./E. Stouthamer/H.J. Pierik/A.H. Geurts, 2012. Rhine - Meuse Delta Studies' Digital Basemap for Delta Evolution and Palaeogeography, Utrecht (Utrecht University, Departement Physical Geography). Digital dataset: http:^persistentidentifier.nlZ?identifie^urn:nbn:nl:ui:13 nqjn - zl. Heunks, E., en F. van Hemmen, 2007. Gemeente Beuningen; een archeologische en cultuurhistorische inventarisatie, RAAP-rapport 1603. Melman, J.G.E., 2021. Winssen, Leegstraat - Kerkpad. Gemeente Beuningen (GD). Archeologisch bureauonderzoek (BO) en inventariserend Veldonderzoek (IVO), verkennende fase, Transect b.v., Nieuwegein (Transect-rapport 3531). Pels-Ouweneel, A., D. Scheeringa, 2021. Transect-Evaluatierapport. Winssen, Hoek Leegstraat Kerkpad Gemeente Beuningen (GD). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase, Transect b.v., Nieuwegein. Pels-Ouweneel, A., 2021. Transect-PvE 20210921/AO1.1. Winssen, Hoek Leegstraat - Kerkpad. Gemeente Beuningen (GD). Een inventariserend veldonderzoek d.m.v. proefsleuven, karterende en waarderende fase, Transect b.v., Nieuwegein. Schulte, A.G., 1982. Het Rijk van Nijmegen.

Westelijk gedeelte, Staatsuitgeverij, Den Haag, Rijksdienst voor de Monumentenzorg. SIKB, 2018: Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1 (KNA 4.1).

Figuren en tabellen Figuur 1. Topografische kaart met de locatie van het plangebied. Figuur 2. Plangebied bij aankomst op de eerste veldwerkdag. Figuur 3. Overzicht van vlak 1 in werkput 1. Figuur 4. Deel van vlak 1 in werkput 1, ter hoogte van sporen 1 t/m 6 aan de zuidelijke kopse kant van de put. Figuur 5. Overzicht van de waterput (S.15) en waterkuil (S.16) in werkput 2, vlak 1. Opnamerichting: west. Figuur 6. Documenteren van een profiel. Figuur 7. Opschaven van de putwanden. Figuur 8. Overzicht van werkput 2, vlak 1. Figuur 9. Profiel 201, werkput 2, vlak 102.

t

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK t ADVIES

33

^ ^ ^ ^ ^ ^ ^ • ^ • •

Tabel 1. Overzicht spoortypen en aantallen. Figuur 10. Coupe door S.19, paalkuil in werkput 3, vlak 1. Figuur 11. Coupe door S.18, greppel in werkput 3, vlak 104 (profiel 301). Figuur 12. Linker spoor: S.15 waterput; rechter spoor: S.16, waterkuil; werkput 2, vlak 1. Tabel 2. Voorlopige aantallen vondsten per materiaalcategorie. Tabel 3. Vondsten uit gesloten contexten. Figuur 13. Vondstnummer 0026KER. Figuur 14. Vondstnummer 0030KER. Figuur 15. Vondstnummer 0002 met links twee stukjes bewerkt been. Tabel 4. Waardestelling. Figuur 16. Waarderingscriteria (bron: www.sikb.nl).

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

34

Bijlage 1. Periode

Archeologische periode-indeling voor Nederland DeelVsubperiode

Recent

Van

Tot

1945 na Chr.

2050 na Chr.

Nieuwe Tijd

Nieuwe Tijd C Nieuwe Tijd B Nieuwe Tijd A

1850 na Chr. 1650 na Chr. 1500 na Chr.

1945 na Chr. 1850 na Chr. 1650 na Chr.

Middeleeuwen

Late-Middeleeuwen B Late-Middeleeuwen A Vroege-Middeleeuwen D Vroege-Middeleeuwen C Vroege-Middeleeuwen B Vroege-Middeleeuwen A

1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr. 450 na Chr.

1500 na Chr. 1250 na Chr. 1050 na Chr. 900 na Chr. 725 na Chr. 525 na Chr.

Romeinse Tijd

Laat-Romeinse tijd B Laat-Romeinse tijd A Midden-Romeinse tijd B Midden-Romeinse tijd A Vroeg-Romeinse tijd B Vroeg-Romeinse tijd A

350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr. 12 voor Chr.

450 na Chr. 350 na Chr. 270 na Chr. 150 na Chr. 70 na Chr. 25 na Chr.

IJzertijd

Late-IJzertijd Midden-IJzertijd Vroege-IJzertijd

250 voor Chr. 500 voor Chr. 800 voor Chr.

12 voor Chr. 250 voor Chr. 500 voor Chr.

Bronstijd

Late-Bronstijd Midden-Bronstijd B Midden-Bronstijd A Vroege-Bronstijd

1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr. 2000 voor Chr.

800 voor Chr. 1100 voor Chr. 1500 voor Chr. 1800 voor Chr.

Neolithicum

Laat-Neolithicum B Laat-Neolithicum A Midden-Neolithicum B Midden-Neolithicum A Vroeg-Neolithicum B Vroeg-Neolithicum A

2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr. 5300 voor Chr.

2000 voor Chr. 2450 voor Chr. 2850 voor Chr. 3400 voor Chr. 4200 voor Chr. 4900 voor Chr.

Mesolithicum

Laat-Mesolithicum Midden-Mesolithicum Vroeg-Mesolithicum

6450 voor Chr. 7100 voor Chr. 8800 voor Chr.

4900 voor Chr. 6450 voor Chr. 7100 voor Chr.

Paleolithicum

Laat-Paleolithicum B Laat-Paleolithicum A Midden-Paleolithicum Vroeg-Paleolithicum

18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP -

8.800 voor Chr. 18.000 BP 35.000 BP 300.000 BP

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

35

Bijlage 2.

Allesporenkaart en overzichtskaart r~: so

1—oz?

1~000

Allesporenkaart vil + planvorming IVO-P Winssen, hoek Leegstraat Kerkpad

ļWPöļ

Legenda

\—i Plangebied Recent Sporen greppel tWP-l-

paalkuil waterput waterkuil Werkput

TOB]

177000

177025

177050

50 m

transect

transect:archeologie, erfgoed,ruimte

36

177000

177025

177050

Allesporenkaart vil

IVO-P Winssen, hoek Leegstraat Kerkpad

Legenda Plangebied Recent Sporen greppel kuil paalkuil waterput waterkuil Werkput

İŴPB1

177000

177025

177050 transect:archeologie, erfgoed,ruimte

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

37

177000

177025

177050

Allesporenkaart vl2

IVO-P Winssen, hoek Leegstraat Kerkpad

įWŘBļ

Legenda Plangebied Werkput

İŴPBİ

177000

177025

177050 transect:archeologie, erfgoed,ruimte

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK ^ ADVIES

38

Bijlage 3.

Vlaktekeningen 177020

177010

177030

Allesporenkaart wpl vil IVO-P Winssen, hoek Leegstraat Kerkpad

Legenda I

l Plangebied Coupelijn Maaiveldhoogte

»

WP.l

Vlakhoogte a

vlak 1

a

vlak 2

* *

Profiel pin Puntvondst

Bffiffi Recent Sporen greppel kuil paalkuil waterput waterkuil Werkput

177020

177030

177040 ruimte

transect

39

1

177020

'-'l1'-1

Allesporenkaart wp2, +Ö.35

IVO-P Winssen, hoek Leegstraot Kerkpod

*7.33

+Ö.İÜ

Legenda a Plangebied Coupelijn .+7.17

Maaiveldhoogte

4-8.29

Vlakhoogte

WP.2

v ak 1 +7.17

vlak 2 Profiel pin Puntvondst Recent Sporen

+Ö.27

greppel H-7.20

paalkuil waterput waterkui Werkput

+Ö.24 +8.20

177010

0

2

4

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK l ADVIES

177020

6

8

10 m

transect: archeologie, erfgoed,ruimte

40

177010

177020

Allesporenkaart wp2,

IVO-P Winssen, hoek Leegstraot Kerkpod

f8.35

38.30

Legenda a Plangebied Coupelijn Maaiveldhoogte Vlakhoogte v ak 1

38.29

vlak 2

WP.2

Profiel pin Puntvondst Recent Sporen greppel 38.27

3ō.32

paalkuil waterput waterkui Werkput

ŕ8.24 f8.20

1//Ü10

1//020 transect: archeologie, erfgoed,ruimte

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK l ADVIES

41

177000

177010

Allesporenkaart wp3 vll ÌVO-P Winssen, hoek Leegstraat Kerkpad

Legenda CD Plangebied Coupelijn «

Maaiveldhoogte

Vlakhoogte vlak 1 vlak 2

a

WP.3

a

* *

Profiel pin Puntvondst 1 Recent

Sporen greppel kuil paalkuil waterput '5.2000

waterkuil Werkput

177000

177010 ruimte

transect ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK k ADVIES

42

177000

177010

Allesporenkaart wp3,

8.13

j-

+8.Ũ6

IVO-P Winssen, hoek Leegstraot Kerkpod

+O.02

Legenda a Plangebied Coupelijn Piaaiveldhoogte Vlakhoogte ±7.99

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=cd0d32d5-3c94-4c22-872a-def70031817b