08 Zienswijzenotitie, at20001952 met bijlage at20002292;.pdf
Tekst van het document
Nota Zienswijzen Ontwerpbestemmingsplan Locatie Asdonck & Ontwerpbesluit hogere grenswaarde op grond van de wet Geluidhinder & Ontwerpbesluit hogere waarden en maatwerkvoorschrift evenemententerrein Oktober 2020
Pagina 1 van 12
Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan ‘Locatie Asdonck’ heeft van vrijdag 24 juli tot en met donderdag 3 september 2020 voor iedereen ter visie gelegen. Gedurende deze periode lagen ook het ‘Ontwerpbesluit hogere grenswaarde op grond van de wet Geluidhinder’ en het ‘Ontwerpbesluit hogere waarden en maatwerkvoorschrift evenemententerrein’ ter visie. Deze inzageperiode is op 23 juli 2020 gepubliceerd in het Gemeenteblad en de Staatscourant. Binnen deze inzagetermijn kon iedereen een zienswijze ten aanzien van het ontwerp bestemmingsplan en beide ontwerpbesluiten naar voren brengen. Ten aanzien van beide ontwerpbesluiten zijn geen zienswijzen ingediend.
Ten aanzien van het ontwerpbestemmingsplan zijn 6 zienswijzen binnen gekomen. 5 zienswijzen zijn binnen de termijn ontvangen en daarmee ontvankelijk. De zesde zienswijze was één dag te laat, maar betreft een vervangende zienswijze waarbij een vergissing in één van de 5 eerder ingediende zienswijzen is rechtgezet. Wij zullen deze laatste versie aanhouden bij het beantwoorden van de betreffende zienswijze. In totaal resteren daarmee 5 zienswijzen. De reactie op alle zienswijzen wordt hieronder behandeld: Naam Reclamant 1 IN20.04096
Inhoud 1.1 Reclamanten geven aan dat voor het Asdonck Center ongeveer 150 parkeerplaatsen nodig zijn om aan de parkeerbehoefte van de kantoren, bioscoop en horecagelegenheid te kunnen voldoen. Bij de koop van het Asdonck Center is bedongen dat de gemeente 100 openbare parkeerplaatsen in de nabijheid zou gaan aanleggen, maar tot op heden zijn deze parkeerplaatsen niet gerealiseerd. Reclamanten vinden dat in het bestemmingsplan ook adequaat de parkeerbehoefte van het Asdonck Center geregeld had moeten worden. Er zijn nu 45 openbare parkeerplaatsen gepland. Dit is echter veel te weinig om zelfs te voldoen aan de eigen normen van de gemeente op basis van de nu geldende parkeernormen uit het bestemmingsplan Parapluplan Parkeren (109 parkeerplaatsen). Reclamanten vinden concluderend dat het aantal openbare parkeerplaatsen bij het Asdonck Center uitgebreid moet worden van 45 naar 100 parkeerplaatsen. 1.2 Reclamanten maken ook bezwaar tegen het uitgevoerde parkeeronderzoek omdat deze in zijn ogen slechts gebaseerd is
Reactie gemeente 1.1 In de vrijstellingsprocedure ten behoeve van de realisatie van de bioscoop is aangegeven dat 87 parkeerplaatsen voor deze ontwikkeling noodzakelijk zijn (juli 2010): 31 parkeerplaatsen zijn op eigen terrein gerealiseerd, 56 parkeerplaatsen moeten in de omgeving gerealiseerd worden. Er worden 59 extra (openbare) parkeerplaatsen gerealiseerd in het plangebied. Contractueel is destijds vastgelegd dat er 90 tot 100 (openbare) parkeerplaatsen beschikbaar zijn in de directe omgeving van de bioscoop. Ten zuiden van de Van Heemstraweg zijn 42 openbare parkeerplaatsen beschikbaar. Samen met de 59 parkeerplaatsen die gerealiseerd worden in het plangebied geeft dit voldoende parkeerplaatsen om aan deze contractuele verplichting te voldoen. De parkeernormen uit het parapluplan parkeren zijn overigens van na de realisatiedatum van het Asdonck-Center en daarmee niet van toepassing op dat project. Asdonck-Center valt ook buiten het plangebied van het vast te stellen bestemmingsplan Locatie Asdonck.
1.2 Het is de gemeente niet duidelijk waarom reclamanten denken dat het parkeeronderzoek gebaseerd is op één observatie. In het
Pagina 2 van 12
op één observatie. De waarneming klopt ook niet met de dagelijkse waarneming die reclamanten gedurende 9 jaar hebben gedaan. Reclamanten concluderen dat er 100 extra parkeerplaatsen nodig zijn
onderzoek van bureau Loendersloot is de parkeerdruk gemeten gedurende twee dagen, te weten vrijdag 24 mei 2019 tussen 6:00 uur en 21:00 uur en zaterdag 25 mei 2019 tussen 6:00 uur en 18:00 uur. Dit geeft samen met de data uit 2008 en 2015 een reëel beeld van de parkeerdruk. Los hiervan is in de beantwoording onder 1.1 al aangeven hoe de gemeente invulling heeft gegeven aan de 100 extra openbare parkeerplaatsen.
Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Reclamant 2 IN20.03903
2.1 Reclamant is bang voor waardevermindering door de realisatie van de appartementencomplexen naast zijn woning
2.2 Reclamant vreest voor geluidsoverlast door de realisatie van de appartementencomplexen naast zijn woning
2.3 Reclamant is bang voor verlies van privacy door de realisatie van de appartementencomplexen naast zijn woning
2.1 Inbreiding met woningbouw in een plaats als Beuningen (en zeker het centrum daarvan) is een normale maatschappelijke ontwikkeling. Niet is gebleken dat de planologische ontwikkeling in strijd is met het gemeentelijk beleid. De locatie Asdonck is als inbreidingslocatie al jaren in de structuurvisie opgenomen en op 24 september 2019 is de gemeenteraad akkoord gegaan met het stedenbouwkundig plan dat ten grondslag ligt aan dit bestemmingsplan. Het ligt dan ook al jaren in de lijn der verwachting dat het plangebied bebouwd zal gaan worden. Mocht reclamant niettemin het vermoeden hebben dat er sprake is van aantasting van de privacy en dientengevolge zijn perceel/pand in waarde zal dalen als gevolg van het bestemmingsplan, dan kan hij/zij op basis van de Wet ruimtelijke ordening (afdeling 6.1) een verzoek tot tegemoetkoming in planschade indienen (na onherroepelijk worden van het bestemmingsplan). 2.2 Het is de gemeente niet duidelijk waarop reclamant deze aanname baseert. Er komen burgerwoningen naast zijn woning. Dergelijke woonfuncties zijn passende functies naast de burgerwoning van reclamant. 2.3 De gemeenteraad heeft een afweging gemaakt ten aanzien van het algemeen belang voor woningbouw en de beperking van het woongenot van omwonenden.
Pagina 3 van 12
2.4 Reclamant is bang voor minder zon op zijn perceel door de realisatie van de appartementencomplexen naast zijn woning
Gezien het feit dat planschade verhaald kan worden als tegemoetkoming van de beperking van het woongenot, stelt de raad zich op het standpunt dat er een grotere waarde aan het algemeen belang toekomt dan aan het individuele belang, zeker omdat er een wettelijke mogelijkheid is om reclamant tegemoet te komen in hun beperking van het woongenot. 2.4 De gemeente heeft geen eigen beleid voor bezonning. Ook bestaat er geen wet- en regelgeving omtrent dit onderwerp. Wel is er nadere zonnestudie uitgevoerd naar aanleiding van de zienswijze. Deze studie is als bijlage opgenomen bij deze nota zienswijzen. Uit de studie blijkt dat ruimschoots wordt voldaan aan de lichte TNOnorm ten aanzien van bezonning. De bruikbaarheid van de woning van reclamant neemt niet onaanvaardbaar af en er is nog steeds sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Reclamant 3 IN20.04142
3.1 Reclamanten geven aan met enthousiasme aan het stedenbouwkundig ontwerp te hebben gewerkt en tijdens dat proces, en ook na afloop daarvan, diverse malen aandacht gevraagd te hebben voor het borgen van de stedenbouwkundige kwaliteit. De locatie vraagt naar de mening van reclamanten om een zeer zorgvuldige invulling. Hier zijn echter geen waarborgen voor opgenomen in het ontwerp bestemmingsplan in de vorm van een beeldkwaliteitsplan dat is geborgd in de regels.
3.1 Er wordt een beeldkwaliteitsplan opgesteld dat aandacht besteed aan de architectonische kwaliteit van de appartementen. Deze zal begin 2021 aan de raad worden aangeboden als wijziging van de nota ruimtelijke kwaliteit (ook wel welstandsnota genoemd). De welstandsadviescommissie toetst hieraan zodra een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. Zo is de kwaliteit geborgd.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het bestemmingsplan.
Pagina 4 van 12
Reclamant 4 IN20.04094
en IN20.04150
4.1 Reclamanten geven aan dat op geen enkele wijze rekening is gehouden met de aanwezigheid van het loonwerk- en grondverzetbedrijf met fruitteeltbedrijf. Het bedrijf werkt in de dag-, avond- en nachtperiode. Dat betekent dat op die momenten geluidseffecten en transportbewegingen waar te nemen zijn. Reclamanten verwachten dat de bewoners van de nieuwe woningen hinder kunnen ondervinden van de werkzaamheden van het bedrijf. Die overigens ter plaatse legaal zijn. In het plan moet daarom onderzocht worden wat de effecten van het bedrijf zijn op de nieuw te realiseren woningen.
4.2 Reclamanten vinden het vreemd dat de gemeente bereid is om gevoelige objecten mogelijk te maken bij hun fruitteeltbedrijf. In een eerdere procedure over een omgevingsvergunning voor een fruitboomgaard heeft de gemeente namelijk kenbaar gemaakt dat het zeer onwenselijk is om op een dergelijke korte afstand van bewoning fruitteelt en de daarbij behorende gewasbeschermingsmiddelen toe te passen in verband met de volksgezondheid. In de ene procedure hanteert de gemeente een aan te houden afstand van 50 m en in de procedure voor onderhavig bestemmingsplan is ineens een afstand van 20 m voldoende. Inmiddels is de uitbreiding van de fruitboomgaard, waarop de omgevingsvergunning zag, gerealiseerd. Onderhavig bestemmingsplan belemmerd volgens reclamanten echter hun bedrijfsvoering in deze uitbreiding van de fruitboomgaard.
4.1 Ter hoogte van het plangebied zijn de transportbewegingen van het bedrijf van reclamanten al opgenomen in het heersend verkeersbeeld op de Waardhuizenstraat. Het betreft immers een smalle bochtige weg, waar een laag snelheidsregime van 30 km/u geldt. In die zin hoeft er geen specifiek akoestisch onderzoek naar de transportbewegingen van het betreffende bedrijf te worden uitgevoerd. Overigens is er in het kader van het bestemmingsplan weldegelijk onderzoek naar de geluidsbelasting gedaan. In het akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai is in het kader van een goede ruimtelijke ordening de geluidbelasting als gevolg van de verkeersbewegingen op de 30 km/uur wegen (waaronder de Waardhuizenstraat) onderzocht. Ten gevolge van de Waardhuizenstraat is de geluidbelasting op de gevels maximaal 48 dB. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wet geluidhinder. Deze waarde is bovendien een stuk lager dan de geluidbelasting van 56 dB ten gevolge van het wegverkeer op de Van Heemstraweg. De verkeersbewegingen op deze belangrijke verkeersader door Beuningen zijn daarmee verreweg maatgevend voor de gevelbelasting op de nieuwe woongebouwen en niet de transportbewegingen van het bedrijf van reclamanten over de Waardhuizenstraat.
4.2 Op basis van jurisprudentie wordt in de praktijk een spuitzone voor een voor driftgevoelige bestemming aangehouden van 50 m, gemeten vanaf de bestemmingsgrens. Op het moment dat echter een goed onderbouwd locatiespecifiek onderzoek wordt uitgevoerd naar de grootte van de spuitzones en eventuele maatregelen worden verankerd in de regels van het bestemmingsplan, is het mogelijk om deze afstand terug te brengen tot bijvoorbeeld 10 of 20 m. De gemeente heeft het bureau SPA WNP ingenieurs hiervoor een onderzoek laten uitvoeren dat als bijlage bij het bestemmingsplan is gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat door het plaatsen van een groenstrook met daarbinnen een groenblijvende windhaag aan de rand van het gemeentelijke perceel, zowel voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat alsmede dat de bedrijfsvoering van
Pagina 5 van 12
reclamanten binnen de inmiddels gerealiseerde uitbreiding van de fruitboombaard onbelemmerd kan plaatsvinden.
4.3 Volgens reclamanten ontbeert onderhavig bestemmingsplan een deugdelijke motivering en daarmee ook een goede ruimtelijke ordening. Er heeft geen deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden en de belangen van reclamanten zijn niet onderkend.
Ten tijde van de aanvraag van de omgevingsvergunning door reclamanten was dit onderzoek van SPA nog niet beschikbaar en kon dus ook niet uitgegaan worden van een kleinere afstand. De daartoe aangeleverde spuitzone-onderbouwing door reclamanten overtuigde toen niet. Daarmee is er dus geen sprake van willekeur. 4.3. Wat de belangenafweging betreft is het al jaren publiek bekend, mede vanuit de gemeentelijke structuurvisie, dat de locatie Asdonck een inbreidingslocatie is voor woningbouw. De planvorming loopt ook al vele jaren. Uiteindelijk is de gemeenteraad op 24 september 2019 akkoord gegaan met het stedenbouwkundig plan dat ten grondslag ligt aan dit bestemmingsplan. In die zin kan de ontwikkeling geen verrassing zijn voor reclamanten. Er heeft verder in het voortraject overleg plaatsgevonden met reclamanten om de voorgenomen plannen te bespreken.
4.4 Reclamanten kunnen zich niet vinden in de begrenzing van het bestemmingsplan omdat hun gronden zonder enige motivering in het plangebied zijn opgenomen. Met het opnemen van hun bedrijfsgronden is sprake van strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening en er is geen enkel ruimtelijk belang om de gronden van reclamanten op te nemen in het plangebied.
Vanwege het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door reclamanten heeft de gemeente locatiespecifiek onderzoek laten uitvoeren om te kijken of het mogelijk is om deze afstand terug te brengen. Uit dit onderzoek komt naar voren dat de gemeente genoodzaakt is om een groenstrook met daarbinnen een groenblijvende windhaag aan de noordelijke rand van het plangebied te realiseren om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen ter plaatse van de nieuwe woningen. De oprichting en instandhouding van deze windhaag is in de regels van het bestemmingsplan verankerd. We concluderen dat de belangen van reclamanten niet geschaad worden. 4.4 In tegenstelling tot wat reclamanten beweren, getuigt het juist van een goede ruimtelijke ordening om een omgevingsvergunningstelsel aan de bestemming ‘Agrarisch met waarden’ toe te voegen. Op deze wijze worden naast de nieuwe woningen juist ook de bestaande woningen aan de oostzijde van de Kloosterstraat beschermd tegen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dit in aansluiting op het omgevingsvergunningstelsel dat al van toepassing was voor de agrarische gronden die vallen binnen de begrenzing van het
Pagina 6 van 12
Reclamanten krijgen te maken met een ongerechtvaardigde beperking ten opzichte van de geldende beheersverordening.
4.5 Reclamanten geven aan dat er geen sprake is van een fictieve boomgaard en dat er een nieuwe boomgaard is aangelegd. 4.6 Reclamanten zijn van mening dat met de mogelijkheden die worden geboden onder de bestemming ‘verkeer’ er sprake is van een voor driftgevoelige bestemming. Gesteld wordt dat op basis van vaste rechtspraak gekeken dient te worden naar de gevoelige plaatsen waaronder tuinen en de onder de bestemming ‘verkeer’ genoemde mogelijkheden.
4.7 Reclamanten zijn van mening dat ten onrechte is uitgegaan van een teeltvrije zone binnen hun boomgaard. Ze verwijzen naar de in het onderzoek (22000122.R01, d.d. 1 mei 2020) genoemde 3,0 m voor een rijpad, en 6,0 m voor een wendakker.
4.8 Reclamanten zijn van mening dat er geen rekening is gehouden met steeds vaker hogere fruitteelt in verband met de opbrengsten in relatie tot de kosten. Gesteld wordt dat hoogtes
bestemmingsplan ‘buitengebied’. Er ontstaat hierdoor een eenduidig planologisch regime voor de aanleg van boomgaarden binnen de gemeente. Dit is ook altijd de bedoeling geweest van de gemeente, maar per abuis was dit niet doorgevoerd in de geldende beheersverordening. Bestaande rechten (zoals de onlangs aangelegde uitbreiding van de fruitboomgaard van reclamanten) worden daarbij gerespecteerd. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse van bestaande boomgaarden blijft daarmee toegestaan. 4.5 In het geactualiseerde spuitzoneonderzoek is ook uitgegaan van de nieuwe aanplant, deze aanplant was ten tijde van het eerder onderzoek nog niet aanwezig. 4.6. Dit is een terechte opmerking. De verbeelding van het bestemmingsplan wordt daarom aangepast en de bestemming ‘Verkeer’ wordt opgesplitst in ‘Verkeer – 1’ en ‘Verkeer – 2’. De 10 m brede groenstrook met daarin de windhaag komt te liggen binnen de bestemming ‘Verkeer 2’ waar uit voorzorg speelvoorzieningen en verblijfsgebied uit de bestemmingsomschrijving zijn geschrapt. In deze bestemming zijn daarmee geen functies opgenomen die langduriger menselijk verblijf mogelijk maken. In het geactualiseerde onderzoek spuitzone is de situatie beoordeeld op basis van dit gewijzigde uitgangspunt. In de bestemming ‘Verkeer – 1’ (=oude bestemming ‘Verkeer’) blijven speelvoorzieningen en verblijfsgebied mogelijk.
4.7 Gezien de ten tijde van het locatiebezoek waargenomen wendakker bij de boomgaard, is in voornoemd onderzoek uitgegaan van een wendakker van minimaal 5,0 m. In de praktijk is dit aannemelijk, getuige ook de thans aanwezige wendakker met overeenkomstige teeltvrije zone van de inmiddels nieuwe aanplant. Desondanks is deze zienswijze gehonoreerd en is in het geactualiseerde onderzoek uitgegaan van een agrarisch perceel dat volledig beplant kan worden. 4.8 In het geactualiseerd onderzoek is uitgegaan van de in de zienswijze genoemde hoogtes.
Pagina 7 van 12
van 3,0 tot 3,5 m hoog steeds vaker worden gehanteerd en er niet voor niets spuitdoppen op de markt zijn met doppen op 3,3 m hoogte. 4.9 Reclamanten stellen verder dat er geen rekening is gehouden met nieuwe vormen van teelt, zoals bijvoorbeeld grotere bomen die een hoogte bereiken van circa 5,0 m.
4.10 Reclamanten zijn van mening dat de afstand tussen de boomgaard en het plangebied niet verkleind kan worden door de aanplant van een windhaag. Het fruitteeltbedrijf heeft in dat verband vragen die betrekking hebben op de hoogte, de locatie en het onderhoud van de windhaag. 1. Is een windhaag afdoende als de teelt hoger wordt? 2. Hoe gaat men met de hoogte van de windhaag om bij een andere vorm van fruitteelt? 3. Waar gaat men deze windhaag planten in het plan? 4. Hoe gaat men deze windhaag onderhouden, rekening gehouden met een onderhouds-/schouwpad? Het fruitteeltbedrijf staat niet toe dat de windhaag op haar gronden wordt onderhouden en geeft aan dat bij de beoordeling van de windhaag uitgegaan dient te worden van een onderhoudsstrook.
4.9 In het onderzoek spuitzone is specifiek uitgegaan van een laagstam fruitboomgaard, wat overeenkomstig de locatiespecifieke situatie is. Daarnaast wordt hoogstamfruit, gelet op de arbeidsintensiviteit en de oogstopbrengst, nauwelijks meer bedrijfsmatig geëxploiteerd. Hoogstamboomgaarden worden overwegend nog voor landschappelijke doeleinden en hobbymatige doeleinden aangeplant (zie ook ABRS: 201009748/1/R1, d.d. 15 februari 2012). Om ook planologisch uit te sluiten dat er niet omgeschakeld wordt naar hoogstamfruitboomgaarden wordt op de verbeelding voor de agrarische gronden binnen 50 m van de bestemming ‘Wonen’ een aanduiding opgenomen waarbinnen het telen van hoogstamfruitboomgaarden is uitgesloten. In artikel 1 van de regels worden hoogstamfruitboomgaarden gedefinieerd als fruitboomgaarden met bomen hoger dan 3,5 m. 4.10
Ad 1 en 2 Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak geldt dat een windhaag 1,0 m hoger dient te zijn dan het gewas. In het geactualiseerde onderzoek is de hoogte van de windhaag worstcase afgestemd op de in de zienswijze genoemde hoogtes, door een windhaag van minimaal 4,5 m hoogte aan te houden. Dit ondanks dat het in de locatiespecifieke situatie niet aannemelijk is dat de spuitdoppen en het gewas zich op de in de zienswijze genoemde hoogtes bevinden. De aanplant en het onderhoud van de minimaal 4,5 m hoge windhaag is in de regels van het bestemmingsplan geborgd. Er is geen maximum hoogte van de windhaag gekoppeld aan de regels van het bestemmingsplan.
Ad 3 en 4 Het ontwerpbestemmingsplan wordt zodanig aangepast dat de windhaag is voorzien binnen een 10 m brede groenstrook. Geregeld wordt dat deze windhaag de drift van gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 8 van 12
4.11 Reclamanten kunnen zich niet verenigen met de in het onderzoek genoemde overheersende windrichting en zijn van mening dat de windrichting juist wel regelmatig richting het verblijfsgebied draait.
voor 95 % moet reduceren. Op deze wijze wordt voldaan aan het borgen van een acceptabel leef- en woonklimaat. Ook worden de bedrijfsbelangen van reclamant hierdoor niet geschaad. Het uitgangspunt is voorts dat er ten opzichte van de plangrens/ agrarische perceelsgrens een afstand van 3,0 m wordt aangehouden dat dient ten behoeve van het onderhoud van de windhaag. De groenstrook maakt op basis van het bestemmingsplan geen functies mogelijk voor langdurig menselijk verblijf waardoor binnen het bestemmingsplangebied een spuitzone van 10 m wordt gerealiseerd. Deze afstand is, gemeten tussen de laatste boom en het verblijfgebied, in de praktijk ruimer (15 m) door de aanwezige wendakker binnen de boomgaard. De aanleg, instandhouding en het onderhoud van de windhaag is via een voorwaardelijke verplichting geborgd in de regels van het bestemmingsplan, wat overeenkomstig vaste rechtspraak is. 4.11 In het onderzoek is uitgegaan van een overheersende windrichting die is afgestemd op KNMI gegevens. In het geactualiseerde onderzoek zijn eveneens de meetgegevens van een drietal nabijgelegen locaties opgenomen. Ook uit deze gegevens blijkt dat de overheersende windrichting zuid/zuidwestelijk is. De gemeente heeft geen reden om te twijfelen aan deze gegevens.
Conclusie De zienswijze leidt op de volgende punten tot aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan:
Het spuitzoneonderzoek is aangepast waarbij in de nieuwe versie, bij de bestaande boomgaard van reclamant 4, uitgegaan wordt van aanplant tot aan de perceelsgrens (ontbreken wendakker), spuitdoppen tot een hoogte van 3,3, m en een groenstrook van 10 m breed met een groenblijvende windhaag van 3,0 m hoog op een grondlichaam van 1,5 m + maaiveld. De totale hoogte van de driftreducerende voorziening bedraagt minimaal 4,5 m + maaiveld.. Er is ook niet langer sprake van een fictieve boomgaard. . De consequenties van het aangepaste spuitzoneonderzoek zijn doorgevoerd in de regels, op de
verbeelding en in de toelichting.
De bestemming ‘Verkeer’ is opgesplitst in ‘Verkeer – 1’ en ‘Verkeer – 2’. De 10 m brede groenstrook met daarin de windhaag (of vergelijkbare driftreducerende voorziening) komt te liggen binnen de bestemming ‘Verkeer 2’ waar speelvoorzieningen en verblijfsgebied uit de bestemmingsomschrijving zijn geschrapt. Om ook planologisch uit te sluiten dat er omgeschakeld wordt naar hoogstamfruitboomgaarden is op de verbeelding voor de agrarische gronden binnen 50 m van de bestemming ‘Wonen’ een aanduiding opgenomen waarbinnen het telen van hoogstamfruitboomgaarden is uitgesloten. In artikel 1 van de regels is een definitie van hoogstamfruitboomgaarden toegevoegd.
Pagina 9 van 12
Geregeld wordt dat de windhaag (of vergelijkbare driftreducerende voorziening) van zodanige inrichting en kwaliteit moet zijn dat de drift van gewasbeschermingsmiddelen met 95% gereduceerd wordt.
Reclamant 5 IN20.04095
5.1 Reclamanten geven aan in het verleden meerdere agrarische percelen te hebben aangekocht met als doel om met hun stichting een locatie mogelijk te maken waar kinderen met autisme samen kunnen zijn en waarbij de kinderen zo optimaal mogelijk kunnen functioneren met zo min mogelijk zinnenprikkelende ervaringen. Hun locatie voldoet daar nu aan omdat de locatie beschikt over landelijke rust en de volledige afwezigheid van zinnenprikkelende zaken, bebouwing, vertier etc. Reclamanten kunnen zich daarom niet verenigen met voorliggend plan. Ze hebben de afgelopen jaren fors geïnvesteerd in hun locatie en deze zo ingericht dat hun autistische zoon zo optimaal mogelijk kan functioneren. Daarnaast kunnen de ontwikkelingen van hun stichting voor autistische kinderen niet langer plaatsvinden. De komst van de woongebouwen zorgt voor een directe verstoring van de omgeving, een onevenredige waardedaling van hun eigen woning en een afname van het woongenot. Reclamanten wonen in een rustige omgeving en vinden de appartementencomplexen daarom niet passen in deze omgeving. Ook zijn de afspraken die reclamanten hebben gemaakt met de eigenaar van de naastgelegen fruitboombaard over de aanplant van fruitbomen niet langer uitvoerbaar. De omgeving van de fruitbomen en het bijhouden van deze bomen zorgt voor een positief effect.
5.2 Volgens reclamanten ontbeert onderhavig bestemmingsplan een deugdelijke motivering en daarmee ook een goede ruimtelijke ordening. Er heeft geen deugdelijke belangenafweging plaatsgevonden en de belangen van reclamanten zijn niet onderkend.
5.1 Dat reclamanten de invulling van het plangebied graag anders hadden gezien is op zichzelf voorstelbaar, maar gezien de grote woningbouwopgave voor de gemeente Beuningen prevaleert in dit geval het algemeen belang (woningbouw) boven het individuele belang van reclamanten. Bovendien blijven de gronden van reclamanten beschikbaar voor de stichting (zij zijn eigenaar) en is het aanleggen van fruitboomgaarden nog altijd mogelijk. Het is alleen niet langer toegestaan om binnen 50 m van gevoelige bestemmingen zoals ‘Wonen’ gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken op hun agrarische gronden, voor zover deze samenvallen in het plangebied. Voor de gemeentelijke reactie wordt verder verwezen naar het gestelde onder 2.1.
Zie antwoord bij 4.3. Vanaf 5.2 is de zienswijze gelijk aan die van reclamant 4. Daarom wordt nu en hierna verwezen naar de antwoorden die daar zijn gegeven.
Pagina 10 van 12
5.3 Reclamanten kunnen zich niet vinden in de begrenzing van het bestemmingsplan omdat hun gronden zonder enige motivering in het plangebied zijn opgenomen.
Zie 4.4
Met het opnemen van hun gronden is sprake van strijdigheid met een goede ruimtelijke ordening en er is geen enkel ruimtelijk belang om de gronden van reclamanten op te nemen in het plangebied. Reclamanten krijgen te maken met een ongerechtvaardigde beperking ten opzichte van de geldende beheersverordening. 5.4 Reclamanten geven aan dat er geen sprake is van een fictieve boomgaard en dat er een nieuwe boomgaard is aangelegd. 5.5 Reclamanten zijn van mening dat met de mogelijkheden die worden geboden onder de bestemming ‘verkeer’ er sprake is van een voor driftgevoelige bestemming. Gesteld wordt dat op basis van vaste rechtspraak gekeken dient te worden naar de gevoelige plaatsen waaronder tuinen en de onder de bestemming ‘verkeer’ genoemde mogelijkheden. 5.6 Reclamanten zijn van mening dat ten onrechte is uitgegaan van een teeltvrije zone binnen hun boomgaard. Ze verwijzen naar de in het onderzoek (22000122.R01, d.d. 1 mei 2020) genoemde 3,0 m voor een rijpad, en 6,0 m voor een wendakker 5.7 Reclamanten zijn van mening dat er geen rekening is gehouden met steeds vaker hogere fruitteelt in verband met de opbrengsten in relatie tot de kosten. Gesteld wordt dat hoogtes van 3,0 tot 3,5 m hoog steeds vaker worden gehanteerd en er niet voor niets spuitdoppen op de markt zijn met doppen op 3,3 m hoogte.
5.8 Reclamanten stellen verder dat er geen rekening is gehouden met nieuwe vormen van teelt, zoals bijvoorbeeld grotere bomen die een hoogte bereiken van circa 5,0 m. 5.9 Reclamanten zijn van mening dat de afstand tussen de boomgaard en het plangebied niet verkleind kan worden door de aanplant van een windhaag. Zij hebben in dat verband vragen die betrekking hebben op de hoogte, de locatie en het onderhoud van de windhaag. 1. Is een windhaag afdoende als de teelt hoger wordt?
Zie 4.5 Zie 4.6
Zie 4.7
Zie 4.8
Zie 4.9
Zie 4.10
Pagina 11 van 12
2.
Hoe gaat men met de hoogte van de windhaag om bij een andere vorm van fruitteelt? 3. Waar gaat men deze windhaag planten in het plan? 4. Hoe gaat men deze windhaag onderhouden, rekening gehouden met een onderhouds-/schouwpad? Het fruitteeltbedrijf staat niet toe dat de windhaag op haar gronden wordt onderhouden en geeft aan dat bij de beoordeling van de windhaag uitgegaan dient te worden van een onderhoudsstrook. 5.10 Reclamanten kunnen zich niet verenigen met de in het onderzoek genoemde overheersende windrichting en zijn van mening dat de windrichting juist wel regelmatig richting het verblijfsgebied draait.
Zie 4.11
Conclusie: Zie hiervoor het gestelde onder reclamant 4.
Pagina 12 van 12