CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

06 Bijlagen bij toelichting_Bijlage 2 Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Commissie Ruimte 9 maart 2021, gemeente BeuningenBij agendapunt: Deelsessie Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan ‘Klaphekstraat ong.kad. 1602 Ewijk’5.584 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

H H H Blom Ecologie b.v. Ecologisch advies fe onderzoek

Blom Ecologie b.v. Bro Waalbrug

ADVIES k ONDERZOEK

T.a.v. dhr. Jeroen Langbroek Schoenakker 10

Zandweg 46

6641 AC Beuningen

4181 PM Waardenburg

10418 82Û288

Datum

6 maart 2020

Kenmerk

BE/2020/045/r

Uw kenmerk

Email d.d. 17 januari 2020

Auteur(s)

ing. M.J. Visschers

Collegiale toets

ir. ing. A.E. Vos

e info@blomecologíe.nl i www.blomecologie.nl

KvK 67221904 BTW 856882999B01 IBAN NL21RABÛ0314240683

Quickscan Wet natuurbescherming Kaphekstraat ong. te Ewijk (perceel 1602)

aan

de

Aan de klaphekstraat te Ewijk is perceel 1602 gesitueerd. Het perceel betreft een momenteel een weiland. De initiatiefnemer is voornemens een woning te realiseren op het perceel. Het bestemmingplan voor het perceel is nog niet vastgesteld (Besluitgebied) en dient derhalve te worden vastgesteld als bestemming 'Wonen'. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. De Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? ^ Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

CCO-IO-giľ (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert 2 die betrekkingen zelf; iXO-IO-gtSi'h (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo-ľfí (de, v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; filll-ìUÌ (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk. De planlocatie betreft een onderdeel van een groter grasland dat is gelegen ten noorden van Klaphekstraat 27c (figuur 1). Het grasland is omrand door een smalle sloot. Ten westen van het perceel zijn in de berm tussen de sloot en de openbare weg, 5 fruitbomen gesitueerd. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie bevindt zich aan de rand van Beuningen. De omgeving van de planlocatie bestaat hoofdzakelijk uit landbouwgronden maar is volop in ontwikkeling door de bouw van nieuwe woningen. Ä7 Beuningen .

.

*

İ\

z

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Beuningen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

tţļįfX

Figuur 2

2

Č

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woning. Ten behoeve van de ontwikkeling dient het bestemmingplan te worden aangepast in 'wonen'. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ • • • •

evt. kappen van bomen: kapwerkzaamheden; realiseren van een toegangsweg: plaatsen duiker; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 29 januari 2020 en is uitgevoerd door ing. M.J. Visschers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; wisselvallig, 8/8 bewolkt, 60 Celsius en windkracht 2-3 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen:

3

Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.

Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is.

4

Vaatplanten In de omgeving van de planlocatie (op een afstand van ca. 1 kilometer) is het voorkomen bekend van het kluwenklokje (NDFF, 2010-2020). Dit is een plantensoort die meestal wordt aangetroffen in bermen, dijken, ruderale terreinen, uiterwaarden en struwelen in rivierengebied. De plant komt voor op kalkhoudende zand, klei of leem bodems en het een licht tolerantie voor bemesting maar heeft een voorkeur voor drogere delen. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: peen, zuring, grote brandnetel, scherpe boterbloem, madelief, paardenbloem, hondsdraf, vogelwikke, gewone braam, paarse dovenetel en raaigras. Deze voorkomende soorten indiceren een enigszins vochtige bodem met een hoge voedselrijkdom. Door het voormalig agrarische gebruik van het perceel wordt er verwacht dat door intensieve bemesting een te hoge voedselrijkdom aanwezig is waardoor het perceel ongeschikt is voor kluwenklokje. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden.

Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, vos en wezel (NDFF, 2010-2020). Voor de bever, bunzing, das en wezel geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn van deze jaarrond beschermde soorten geen sporen aangetroffen. Voor de overige voorgenoemde soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Het plangebied betreft een weiland met slechts enkele smalle kavelsloot. Het leefgebied van de bever, bestaande uit overgangsgebieden tussen land en water (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017) met stromend water en bomenrijke oevers ontbreekt op de planlocatie.

Aanwezigheid van en negatieve effecten op de bever kunnen worden uitgesloten. De wezel en bunzing zijn kleine marterachtige die vaak oude holen van konijnen, ratten en muizen gebruiken als verblijfplaats (Zoogdierverenging Wezel, 2019; Zoogdiervereniging Bunzing, 2019). Ze maken gebruik van structuurrijke elementen zoals bosschages, heggen, struwelen en houtwallen om voldoende dekking in te vinden. Het zijn carnivoren en er moet voldoende voedsel aanwezig zijn in het leefgebied. Binnen het plangebied zijn tijdens het veldbezoek bijna geen muizenholen aangetroffen. Daarnaast biedt het plangebied zelf geen dekking voor deze soorten, aan de zijde langs de Klaphekstraat is enkel sprake van een aantal kleine fruitbomen. Door ontbreken van dekking en de afwezigheid van (oude) holen is het uitgesloten dat het plangebied onderdeel is van het functionele leefgebied van deze soorten. Functioneel leefgebied voor beide soorten is aanwezig in het gebied ten oosten van de planlocatie. Hierdoor kan het niet worden uitgesloten dat de beide soorten sporadisch op de planlocatie aanwezig zijn. Echter de bouw van de woning zorgt niet voor verstoring of verwonding en tevens niet tot afname van het functionele leefgebied. Negatieve effecten van de ontwikkeling ten opzichte van marterachtigen zijn uitgesloten.

De das leeft in gebieden die zowel hooggelegen als laaggelegen zijn en op korte afstand van elkaar liggen zoals kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen voor dekking. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond en dat er in het gebied weinig verstoring is (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Gezien het plangebied tussen stedelijk gebied ligt waarin ook recente bouwactiviteiten plaatsvinden, ontbreekt het aan een gunstige migratieroute zonder verstoring voor de soort. Het plangebied zelf, een hoek van een weiland, biedt niet het juiste leefgebied. Verder bevindt het plangebied zich dicht bij de weg en nabij bebouwing. Door het ontbreken van functioneel leefgebied in combinatie met de hoge mate van verstoring wordt aanwezigheid van en daardoor negatieve effecten op de das uitgesloten.

5

De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, haas, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis (NDFF 2010-2020). Tijdens het veldbezoekzijn er geen sporen van vleermuizen aangetroffen. Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011).

Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Van de vijf fruitbomen lands de Klaphekstraat zijn in twee bomen holtes aangetroffen. De holte in de meest zuidelijke boom is niet ver genoeg ingerot om en functie te hebben als verblijfplaats voor vleermuizen. De eerste, meest noordelijke boom heeft tevens een holte op circa 2.5 meter hoog. Op basis van de zichtbare kenmerken kan niet worden uitgesloten dat deze boom functioneert als verblijfplaats voor boom bewonende vleermuissoorten zoals de gewone grootoorvleermuis. Indien de bouw van de woning en de herinrichting van het terrein leidt tot kap van deze boom dan dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar aanwezigheid van een vleermuisverblijfplaats. Inspectie van deze holte kan mogelijk voorafgaand aan een aanvullend onderzoek uitsluitsel geven van de geschiktheid van de holte als vleermuisverblijfplaats. Het plangebied heeft weinig potentie als foerageergebied of als vlieg/migratieroute van vleermuizen. De eenzijdige begroeiing van het plangebied (grasland) zorg niet voor een hoog voedselaanbod voor vleermuizen. Daarnaast is er, behalve direct rondom de fruitbomen, geen sprake van een luwte die van belang is voor een foerageergebied.

Tijdens het foerageren en voor de vlieg en migratieroute maken vleermuizen met name gebruik van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Binnen het plangebied en de directe omgeving hiervan is geen sprake van de aanwezigheid van dergelijke elementen. De oeverzones hebben te weinig structuur om van betekenis te zijn voor vleermuizen. Door de lage potentie en het lage voedselaanbod vormt het plangebied geen functioneel leefgebied van vleermuizen. Echter gezien de diffuse verspreiding van vleermuizen door het landschap kan niet worden uitgesloten dat verstoring door licht kan optreden. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Binnen het plangebied is sprake van terrestrisch habitat (weiland) en aquatisch habitat (kavelsloot). De kavelsloot aan de noordzijde van het perceel bevindt zich in de verlandingsfase, deze sloot is vrijwel geheel dichtgegroeid met soorten zoals lisdodde en riet.

In de omgeving is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2010-2020). De kamsalamander, knoflookpad en poelkikker vallen onder de bescherming van de Wet natuurbescherming waarvoor geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen.

6

Figuur 3

Overzicht van het aquatische habitat ter hoogte van de planlocatie. Er is sprake van een sloot in de verlandingsfase (midden van de foto) en een vrijwel onbegroeide sloot (onder).

De kamsalamander is een soort die voorkomt in wateren die rijkelijk begroeid zijn met planten en in de buurt liggen van een bosgebied of struweel. In houtwallen en struwelen zijn de kamsalamanders te vinden tijdens de landfase (Creemers & Delft, 2009). De kamsalamander kan in verschillende type wateren voorkomen zoals poelen, vijvers en vennen in zandgronden en beekdalen. Belangrijk is dat het vis vrij is. De kavelsloten zijn gelegen in een open landschap waarbij de aanwezigheid van houtwallen en struwelen ontbreken. Daarnaast zijn zowel de open kavelsloot als de begroeide kavelsloot (mits voldoende watervoerend) niet vrij van vissen. De waarnemingen in het NDFF concentreren zich allen rondom het oppervlaktewater aan de Dijk op een afstand van meer dan 1 km van de planlocatie. Door de aanwezigheid van vis op de planlocatie, de afwezigheid van bos en houtwallen en de afstand tot bekende waarnemingen, kan de aanwezigheid van deze soort uitgesloten worden. De knoflookpad is een amfibieën soort die voorkomt op agrarische gebieden, ruderaal terrein en half-natuurlijke graslanden (Creemers & Delft, 2009). Vaak wordt de soort aangetroffen in rivier begeleidende wateren in voedselrijke vennen. Doordat de larven een snelle groei en ontwikkeling hebben is het van hoog belang dat er voldoende voedsel aanwezig is het water.

Een hoge primaire productie is daarvoor nodig, daarom is de trefkans in mesotrofe tot eutrofe wateren groter. Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie. Daarnaast moet het zand een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Langs de Waal bij Ewijk is een geïsoleerde populatie ontdekt. Dit is mogelijk de laatst overgebleven populatie knoflookpadden die ooit de Gelderse Poort en de Waaluiterwaarden stroomafwaarts van Nijmegen hebben bevolkt. De waarnemingen van de knoflookpad bevinden zich tevens rondom het oppervlaktewater aan de Dijk. Door de fysieke barrières van de waarnemingen naar het plangebied én de afwezigheid van open zandplekken kan de aanwezigheid van de soort binnen het plangebied worden uitgesloten. De poelkikker komt voornamelijk voor op heide en hoogveengebieden maar ook op graslanden, agrarisch gebied en laagveen. De voorkeur gaat naar wateren als: veedrinkputten, hoogveenputten, sloten en rivier begeleidende wateren. Belangrijk is dat de oever goed begroeid is maar dat er ook voldoende zon doorkomt. De verlande kavelsloot is goed begroeid (zie figuur

7

3) maar deze begroeiing voorkomt het doordringen van zonlicht in het water. Daarnaast is deze sloot in de huidige staat niet jaarrond watervoerend waardoor tijdens de voortplantingsperiode de sloot niet geschikt is. De kavelsloot aan de westzijde van het terrein voldoet de voorwaarde voor voldoende zonlicht maar bij deze sloot ontbreekt het aan geschikte begroeiing. Door de afwezigheid van begroeiing in dit deel van de kavelsloot in combinatie met de predatiedruk van larven door vissen is deze sloot ongeschikt voor de poelkikker. Geschikte overwinteringsplaatsen (terrestrische fase) ontbreken door de slechts sporadische aanwezigheid van muizenholletjes en de afwezigheid van liggend materiaal waaronder de soorten kunnen wegkruipen. Aanwezigheid van de soort binnen het plangebied is logischerwijs uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen.

Daarnaast zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen soorten in de omgeving van de planlocatie. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Rondom het plangebied en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen bevindt zich oppervlaktewater. In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen beschermde vissoorten voor. Effecten op beschermde vissen zijn uitgesloten. Mochten er ingrepen aan de kavelsloten of direct aan de oeverzones plaatsvinden dan geldt dat de aanwezige algemene vissoorten kunnen vluchten naar de overige sloten buiten het bereik van de werkzaamheden. Insecten en andere ongewervelden In de directe omgeving van de planlocatie komt voor zover bekend één beschermde soort voor: de rivierrombout (NDFF, 2009-2020). De rivierrombout is een libellen soort die alleen voorkomt langs grote rivieren en beken. Belangrijk voor de soort is het larvenhabitat. Larven worden aangetroffen in kribben en ondiepe luwtes van de rivier met een slip of zandbodem. Dit type habitat komt niet voor op de planlocatie waardoor functioneel leefgebied voor de rivierrombout kan worden uitgesloten. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor beschermde ongewervelde zoals vlinders, een waardplant vormen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren.

Verder is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, grauwe gans, vink en de grote bonte specht. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Rondom de planlocatie is het voorkomen bekend van de ransuil, steenuil, buizerd en sperwer (NDFF, 2009-2019). Dit zijn alle roofvogels die broeden in bomen en een open veld gebruiken als foerageergebied. Door het ontbreken van bomen binnen het plangebied is er geen sprake van het wegnemen van jaarrond beschermde nesten. In de bomen in de directe omgeving van de planlocatie zijn geen nesten waargenomen. Mogelijk wordt het plangebied gebruikt als foerageergebied van de voorgenoemde soorten. Echter biedt het plangebied voor deze soorten geen hoog voedselaanbod. Door de vrijwel gehele afwezigheid van muizenholen en de eentonigheid van de beplanting ontbreekt het geschikte (stapel)voedsel.

Voor overige jaarrond beschermde soorten zoals huismus en gierzwaluw ontbreken zowel de mogelijke nestlocaties door de afwezigheid van bebouwing binnen het plangebied, als wel het

8

functionele leefgebied. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) Tijdens het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van alle in Nederland voorkomende vogelsoorten beschermd. De planlocatie voorziet slechts in beperkt voedselaanbod. Structuurrijke schuilgelegenheden voor de meeste algemene soorten ontbreken. Enkel de opgaande vegetatie in de verlande sloot (nu kort gemaaid) kan voor geschikte schuilplaatsen zorgen mits deze niet dermate intensief beheerd wordt dat de vegetatie gedurende het hele groeiseizoen kort gehouden wordt. Het weiland zelf waar het bouwvlak van de woning in komt vormt geen geschikte nestplaats voor vogelsoorten uitgezonderd de weidevogels. De laatste groep wordt niet binnen het plangebied verwacht gezien de ligging nabij de straat en het intensieve gebruik van het perceel. Aanwezigheid van nesten binnen het plangebied of in de directe omgeving hiervan worden niet verwacht, negatieve effecten van de beoogde ontwikkelingen op algemene broedvogels en categorie 5 vogels zijn uitgesloten.

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 1.4 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 4). Op een afstand van circa 1.0 km ligt het Gelders Natuurnetwerk (figuur 5).

Beuningen

Natura 2000 I Natura 2000-gebied

Figuur 4

9

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,4 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: nationaal Georegister PDOK).

v*’M0*mw*w*o

KAJnt Ewiļk

\P*~*

Beuningen Heuvepark ippţinU

Natuurnetwerk Nederland | Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,0 km tot het Gelders Natuurnetwerk (bron: nationaal Georegister PDOK).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de Aerius calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling betreft de bouw van een enkele woning. Hierbij is sprake van een zeer beperkte verkeerstoename en een zeer beperkt stikstofeffect door de bouwwerkzaamheden. Op lange termijn is er geen sprake van toename van de stikstofuitstoot. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gezien er een geringe afstand (1.4 km) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', en de aanwezigheid van soorten in dit gebied die afhankelijk zijn van N-gevoelige habitattypen wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien. Mochten er toch kapwerkzaamheden op/nabij de planlocatie plaatshebben, vallen deze niet onder de definitie houtopstanden. Het kappen/verwijderen van houtopstanden in de berm voor de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten hebben vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

10

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Enkel in een van de fruitbomen in de wegberm kan mogelijk een vleermuisverblijfplaats aanwezig zijn. Mocht deze boom gekapt worden dan dient er nadere inspectie mogelijk in combinatie met een aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. Om het effect van de toename in stikstof uit te sluiten dient een Aerius berekening uitgevoerd te worden. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.

broedvogels (j)

Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort

broedvogels (a)

vissen

reptielen

amfibieën

insecten en ongewervelden

Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)

vaatplanten

Legenda

vleermuizen

Overzicht van defunctie van het plangebied voor beschermdeflora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten.

grondgebonden zoogdieren

Tabel 2

+

+A

n

n

Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort

-

-

Geschikt habitat Andere soort

-

+A

Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk

n

n

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

1.4 km

geen

n.v.t.

Natuurnetwerk Nederland

1.0 km

geen

n.v.t.

Houtopstanden

aanwezig

kap

Melding Wnb

Struiken

Nee

Nee

n.v.t.

Bomen

Nee

Mogelijk

Nee

-

+A

-

-

-

-

+A

-

+A

n

n

n

n

m

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt (met voorbehoud ten aanzien van de fruitboom met de holte) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, algemene broedvogels, algemene zoogdieren en amfibieën. Voor deze soorten dient de algemene zorgplicht in acht gehouden te om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrij stellingsbesluit).

11

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en niet tot kap van de fruitbomen wordt overgegaan, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen ^ Indien er sprake is van de kap van de fruitbomen langs de weg dan dient de holte in de noordelijke fruitboom nader geïnspecteerd te worden. Mocht deze geschikt zijn als verblijfplaats van vleermuizen dan dient voorafgaand aan de kap aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september. De planlocatie heeft potentie voor zomer- en paarverblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis. ^ Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-calculator.

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). ^ Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ^ Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. ^ De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.PDOK.com www.bij12.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl

12

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., Ing. M.J. Visschers

Blom Ecologie B.V., ir. ing. A.E. Vos

Bijlage 1 Fotografische impressie

© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

13

Bijlage 1 Fotografische impressie

‘HĽįHK

TTiwrnaşTąj

wmm ’

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk en bestaat uit een deel van een weiland omgeven door een kavelsloot.

Sft'fisrja

q m Ŵ./ ü-úr fW řW"

Wš&m

Figuur 2

14

II Langs de Klaphekstraat ter hoogte van de planlocatie staan fruitbomen.

f î .U-J-TfllTiU; - —^—a--

(

SĮftSfeĮP5*!-"' !

-j LL, m IWU/- \7T^7* ' ""

’ .ĩ\

õ“įĩ

:t

‘:*

\vfm

Ë**^ŵivî

MÉM*. ^ 4#İĒ

15

Figuur 3

Kavelsloot aan de noordzijde van de planlocatie.

Figuur 4

Overzicht van het terrein.

- „

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=aa1d9948-9b99-483c-969b-833f112138c9