CConstaterende datBeuningen
Koppel je AI →
Document · PDF

05 Bijlagen toelichting 4 - Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Raadsvergadering 19 april 2022, gemeente BeuningenBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Leegstraat Winssen4.708 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

H H H Blom Ecologie b .v. Ecologisch advies fe onderzoek

Blom Ecologie b .v. Buro Waalbrug B.V.

ADVIES k ONDERZOEK

T.a.v. mevr. S. Rijcken Schoenaker 10

Zandweg46

6641 SZ Beuningen

PM Waardenburg 4181

10418 82Û288

Datum

8 april 2021

Kenmerk

BE/2021/341/r

Uw kenmerk

Email d.d. 23 maart 2021

Auteur(s)

ing. M.A. Brinkbaumer

Collegiale toets

ir. ing. D. de Boer

e infc@blomecotagíe.n] i www.blomecologie.nl

KvK 67221904 BTW 856882999B01 IBAN NL21RABÜ0314240683

Quickscan Wet natuurbescherming Leegstraat ong. teWinssen Naast de kruising van het Kerkpad en de Leegstraat te Winssen is een grasveld met vijf (vrij) jonge esdoorns gelegen. De gemeente Beuningen is voornemens vijf vrijstaande woningen te realiseren op de planlocatie. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van groen naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro Waalbrug B.V. begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.

Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? ^ Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

CCO-IO-giľ (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert 2 die betrekkingen zelf; iXO-IO-gtSi'h (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord)

1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo-ľfí (de, v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; filll-ìUÌ (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de kruising tussen het Kerkpad en de Leegstraat te Winssen (figuur 1). De planlocatie bestaat uit een goed onderhouden grasveld met vijf vrij jonge esdoorns. De planlocatie grenst aan het een speeltuin nabij de kerk van Winssen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De planlocatie is gelegen in het hart van het dorp Winssen en de directe omgeving wordt gekenmerkt door woonwijken, infrastructuur, een speeltuin en de laagstam boomgaard van de kerk. Ten noorden op een afstand van ca. 350 m zijn de Uiterwaarden van de Waal gelegen en de Waal zelf is gelegen op ca. 850m. De dichtstbijzijnde bosrijke omgeving is gelegen op 500m ten oosten van de planlocatie en betreft een houtopstand van ca. 5,5 ha. De dichtstbijzijnde autosnelweg is de A50gelegen op ca. 1,8km ten oosten. Verder bestaat de omgeving van Winssen grotendeels uit agrarische akker- en weidepercelen. Legenda

] onderzoeksgebied

Figuur 1

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de kruising van het Kerkpad en de Leegstraat te Winssen (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

- -v ;.

. -.— 9E

Figuur 2

2

Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieveranderingen effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van vijf vrijstaande woningen. Mogelijk blijven de esdoorns behouden. De functie van het perceel dient te wijzigen van groen naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ • • ^

verwijderen terreininrichting: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

leegst™*. Winssen CPO ďOuwt Jongensschool Voçrlvíjcht - ĩįecnmpre.iiêe

« ţF y **ĩ ĩ

i

«■V1 ' T 'ľ

** \fcS buro.

Figuur 3

L Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalbrug).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 31 maart 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. de Boer. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 1/8bewolkt, 70 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externebronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

3

Wetnatuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.

In de Omgevingsverordening Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker

Huisspitsmuis

Tweekleurige bosspitsmuis

Dwergmuis

Kleine watersalamander

Veldmuis

Dwergspitsmuis

Konijn

Vos

Eg el

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Natura-2000 gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaals beleid Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. Voor een ontwikkeling in een Groene Ontwikkelingszone geldt het 'ja, mits' principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden die onder provinciaals beleid valt dient tevens een vergunning voorhanden te zijn.

4

(c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare

per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling(a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2011-2021). Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. De planlocatie betreft een goed onderhouden grasveld met slechts enkele kruidige soorten, namelijk: Engels raaigras, madelief, paardenbloem en paarse dovenetel. De planlocatie is volledig onverhard en onbebouwd, er is enkel sprake van 5 vrij jonge esdoornbomen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden.

Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten.

5

Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de bever en bunzing geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt voor in en rondom aaneengesloten watergangen met goed uittreedbare oevers waar voldoende houtige begroeiing aanwezig is. Wegens het volledig ontbreken van oppervlaktewater op of rondom de planlocatie is het voorkomen van de bever uitgesloten van de planlocatie. De bunzing komt voor in kleinschalige cultuurlandschappen met voldoende aanwezigheid van groenstructuren voor foerageer- en schuilgelegenheid. Voor verblijfplaatsen gebruikt de bunzing takkenrillen, stenenstapels of rommelhoekjes. Wegens het volledig ontbreken van structuurrijke groenstructuren op de planlocatie is uitgesloten dat er sprake is van verblijfplaatsen van de bunzing. Verder is wegens de ligging ten midden van het dorp Winssen uitgesloten dat er sprake is van een essentiële foerageerfunctie. Negatieve effecten ten aanzien van de bunzing zijn derhalve uitgesloten.

Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie vervult voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis (NDFF 2011-2021). de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd.

Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). De aanwezige esdoorns op de planlocatie zijn te jong om holtes te bevatten welke voldoende ingerot zijn om geschikt te zijn als verblijfplaats van boombewonende vleermuizen. Mogelijk blijven dezen bomen behouden. Derhalve zijn negatieve effecten ten aanzien van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen uitgesloten. Wegens volledig ontbreken van bebouwing op de planlocatie is uitgesloten dat er sprake is van vaste rust- en/of verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen. Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Aangezien de esdoorns de enige opgaande begroeiing op de planlocatie zijn, is uitgesloten dat er sprake is van essentieel foerageergebied. Verder is er geen sprake van lijnvormige structuren welke gebruikt kunnen worden als essentiële vliegroute. Negatieve effecten op essentiële foerageergebieden of vliegroutes zijn derhalve uitgesloten.

In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing in de directe omgeving kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort.

6

Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2011 ­ 2021). Voor de kamsalamander, knoflookpad en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander, knoflookpad en poelkikker komen enkel voor onder zeer specifieke omstandigheden waar geschikt voortplantingswater en overwinteringshabitat op zeer korte afstand van elkaar zijn gelegen.

Wegens het volledig ontbreken van oppervlaktewater op de planlocatie en in een radius van ca. 500 meter is de aanwezigheid van bovengenoemde soorten uitgesloten van de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2011 ­ 2021). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021).

Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de rivierrombout (NDFF 2011-2021). De rivierrombout komt voor langs de grote rivieren en is afhankelijk van de zanderige substraten langs de oevers voor het afzetten van eitjes. Wegens het volledig ontbreken van oppervlaktewater op de planlocatie en de directe omgeving hiervan, is aanwezigheid van deze soort volledig uitgesloten op de planlocatie. Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.

7

Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: koolmees, merel, vink, zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. Wegens het volledig ontbreken van bebouwing en bomen van voldoende formaat is uitgesloten dat er sprake is van nestlocaties van vogels met jaarrond beschermde nesten zoals; gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil. De grens tussen de planlocatie en het woonperceel gelegen aan de oostelijke zijde bestaat uit een coniferenhaag. Deze haag vervult mogelijk een functie als leefgebied voor huismussen. Deze haag blijft behouden in de beoogde ontwikkelingen, derhalve zijn negatieve effecten uitgesloten. De planlocatie is van onvoldoende formaat om geschikt te kunnen zijn als foerageergebied voor roofvogel- en/of uilensoorten. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende ecologisch zwaarwegende redenen)

broedperiode

en bij

De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De esdoorns vormen voor algemene broedvogels zoals ekster, merel en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15maart t/m 15juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

Beoordeling(b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 270 m ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 4). Op een afstand van circa 270 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 260 m ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 5). Natura2000 | ļ Natura2000-gebied

Rijntakken

270 m

Dokte» (te SonrwKil^'®*1

Figuur 4

8

De planlocatie ligt op een afstand van circa 270m tot het Natura 2000-gebied'Rijntakken' (bron: gldanders.planoview.nl/planoview).

GeldersNatuurnetwerk H GeldersNatuurnetwerk Groene ontwikkelingszone

270 m

260 m leuningi

Ooktor de Soortan**8*'*®*

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand vancirca 270m tot het Gelders Natuurnetwerk en op ca. 260 m ligt een Groene ontwikkelingszone (bron: gldanders.planoview.nl/planoview).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene Ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van vijf vrijstaande woningen . Ten opzichte van de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het 'projecteffect'). In de handreiking 'woningbouw en AERIUS' (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: ^ ^ ^

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er een geringe afstand (270 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied 'Rijntakken', wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden.

Beoordeling(c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien.

9

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Gelders Natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie dienen de effecten van stikstofemissie inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels de AERIUS Calculator. Een Voortoets en/of 'nee, tenzij'toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2 Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend __________ onderzoek benodigd is._____________________________________________________________

Soortgroep

Soortenbescherming Beschermings­ Soortspecifiek Mogelijkfunctie regimeWetnb onderzoek plangebied

Vaatplanten Grondgebonden zoogdieren

Nee Nee

Vleermuizen

Nee

Amfibieën

Nee

Reptielen Vissen

Nee Nee

Insecten en andere ongewervelden

Nee

Vogels

Nee

Tabel 3

Overzicht van de Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

Afstand

Effecten

Nader onderzoek

Natura 2000

270 m

Stikstof

AERIUS

Gelders Natuurnetwerk

270 m

Geen

N.v.t.

Groene ontwikkelingszone

260 m

Geen

N.v.t.

Tabel 4

Overzicht van de Houtopstanden.

Houtopstanden

Aanwezig

Kap

Melding

Struiken

Nee

Nee

N.v.t.

Bomen

Ja

Nee

N.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van soortenbescherming, en houtopstanden in het kader van de Wnb. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie De ontwikkeling van vijf vrijstaande woningen aan de Leegstraat ong. te Winssen is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

10

Vervolgstappen ^

Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS calculator.

Tetreffenmaatregelen • ^

^

^

•

11

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999.Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5edruk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W.

Bongers, 1997.Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gldanders.planoview.nl/planoview www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

12

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ing. M.A. Brinkbaumer Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. D. de Boer Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie

© Blom Ecologie B.V. Zandweg46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

13

Bijlage 1 Fotografische impressie

:..Ľ öí1;

Figuur 1

De planlocatie is betreft een grasveld en is gelegen aan de Leegstraat ong. te Winssen.

rĩ

Figuur 2

14

De groenblijvende hagen aan de oostelijke zijde van de planlocatiegrens huismussen gebruik van maken.

waar mogelijk

iŝSş’â

--

15

Figuur 3

Op de planlocatie staan vijfvrijjonge esdoorns, deze blijven mogelijk behouden in de beoogde ontwikkelingen.

Figuur 4

In de esdoorns kunnen nesten van algemene broedvogels zitten, derhalve dient gewerkt te worden buiten het algemene broedseizoen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Beuningen&id=b214fd12-2e65-46d0-afcd-1cb5a892bbe2