05 Bijlage 3 Oriënterend onderzoek flora en fauna.pdf
Tekst van het document
■ ■HBlom Ecologie b.v. Ecologisch advies
onderzoek
Blom Ecologie b.v. ADVIES fc ONDERZOEK
T.a.v. mevr. E. van Heerde Van Heemstraatweg 46
Zandweg 46
6640 AA Beuningen
4181 PM Waardenburg
10418 820 288 e i.nfo@blomecologíe nl
Datum
8 augustus 2019, 1e herziening 23 augustus 2019
Kenmerk
BE/2019/465/r Email d.d. 18-07-2019 G. Fairhurst K.J. Rebergen
Uw kenmerk Auteur(s) Collegiale toets
i www.blomecologie.nl
KvK 67221904 BTW 856882999B01
IBAN NL21RABO0314240683
Oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk Aan de Klaphekstraat ong. (gelegen rondom de percelen aan de Klaphekstraat 23 en 25a, b en c) te Ewijk is een perceel bestaande uit een (mais)akker, paardenweide, sloten en struwelen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens op het perceel een ecologische wijk te realiseren genaamd 'Ecowieck'. Bestemmingsplan dient gewijzigd te worden van parkeren/agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Elma van Heerde begeleidt namens Gemeente Beuningen de ruimtelijke ontwikkeling en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna.
Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (artikel 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied? ^ Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? ^ Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Natuurnetwerk Nederland?
eco-lo-gie (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert 2 die betrekkingen zelf; eco lo gisch (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t- de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo-ľíī (de; v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat, f0U-tt0 (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied,
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk. De planlocatie bestaat uit een perceel welke een (mais)akker, paardenweide, struwelen en sloten bevat (figuur 1). Behoudens het pad de Hekkeslag is er geen bestrating aanwezig in het plangebied. Aan de noordzijde van de planlocatie ligt een struweel en in het midden van de planlocatie de maisakker. Deze zijn van elkaar gescheiden door een brede begroeide sloot en het pad de Hekkeslag. De paardenweide ligt aan de zuidwest zijde van de planlocatie. Heel de oostzijde is omkaderd door een smalle sloot. In bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door het stedelijk gebied aan de westzijde en agrarische gebieden ten noorden, oosten en zuiden. Op een afstand van circa 150 m is in recentelijke jaren een nieuwe woonwijk ontwikkeld. Het plangebied bevindt zich slechts op 0,6 km van Beuningen (figuur 2). Op 1,23 km richting het westen ligt de A50, 1,16 km naar het zuiden ligt de A73 en 1,67 km naar het noorden ligt de Waal. De directe omgeving is wisselend groen en bebouwd.
P
r- WJ
f
Figuur 1
2
Mí
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk (bron: arcgis.com).
Ewijkse Plaat
Roodslag
Knooppum Ewiįk
Beuningen ĵpSjrtļEwtįk
Figuur 2
Heuvepark
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk (bron: arcgis.com).
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ingrepen betreffen het realiseren van een nieuwe (ecologisch vriendelijke) wijk met maximaal 70 woningen. Hierbij blijft de weg Hekkeslag parallel aan de brede sloot behouden. Ook de sloten aan de oostzijde blijven behouden. Daarnaast wordt er een fietspad aangelegd aan de zuidzijde van de planlocatie. Het bestemmingsplan dient gewijzigd te worden van parkeren/agrarisch naar wonen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • dempen kavelsloten; graafwerkzaamheden; ^ terrein bouwrijp maken: aanbrengen puinbed, aanleg nutsvoorzieningen e.d.; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; ^ revitalisatie terrein en aanleg verharding (fietspad): allerhande (straat- en hoveniers)werkzaamheden.
Alle thans aanwezige (ecologische) functies van de planlocatie komen geheel of deels te vervallen. Negatieve effecten die op kunnen treden voor beschermde soorten zijn: vernietiging en/of afname van geschikt leefgebied (permanent of tijdelijk) en opzettelijke verstoring (tijdelijk).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van de specifieke potentie voor beschermde flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen.
Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 24-07-2019.
3
De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 0/8 bewolkt, 330 Celsius en windkracht 2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 vervangt de Wet natuurbescherming (Wnb) drie voormalige wetten; de Floraen faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Bevoegdheden zijn met deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie.
Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming verdienen. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden, het Natuurnetwerk Nederland en Belangrijke Weidevogelgebieden. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het 'nee, tenzij'-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en lichtuitstraling van invloed zijn.
Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden en bij negatieve effecten op alle soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in artikel 3.10 eerste lid kan door bepaalde provincies vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Bastaardkikker Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel
Gewone bosspitsmuis Gewone pad Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Beoordeling Op basis van de bureaustudie en veldonderzoek wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de invloedssfeer daarvan is en welke effecten daarop te verwachten zijn. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'andere soorten') geldt per definitie vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie voorgaande alinea). 4
In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de functie en/of aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten In de directe omgeving van de planlocatie (minder dan een kilometer) is het voorkomen bekend van het kluwenklokje (NDFF, 2009-2019). Dit is een plantensoort die meestal wordt aangetroffen in bermen, dijken, ruderale terreinen, uiterwaarden en struwelen in rivierengebied. De plant komt voor op kalkhoudende zand, klei of leem bodems en het een licht tolerantie voor bemesting. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen en delen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: bijvoet, citroengele honingklaver, echte kamille, grote kattenstaart, heggenrank, jakobskruiskruid en teunisbloem. Citroengele honingklaver en de heggenrank zijn soorten die vooral voorkomen op kalkrijke bodems op ruderale ruigtes en struwelen. Dit kan er op wijzen dat de bodem ook geschikt is voor kluwenklokje. Echter door het voormalig agrarische gebruik van het perceel wordt er verwacht dat door intensieve bemesting een te hoge voedselrijkdom aanwezig is waardoor het perceel ongeschikt is voor kluwenklokje.
Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond, of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Zoogdieren Zoogdieren prefereren een leefomgeving waarin voldoende voedsel, rust- en voortplantingsmogelijkheden aanwezig zijn. In de omgeving is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, vos en wezel (NDFF, 2009-2019). Voor de bever, bunzing, das en wezel geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Voor de overige voorgenoemde soorten geldt dat ze niet beschermd zijn of dat er vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Bevers leven in overgangsgebieden tussen land en water (BIJ12 kennisdocument Bever, 2017). In stromend water bouwen zij dammen waarvoor bomen worden om geknaagd.
Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan is geen stromend water met bomenrijke oevers aanwezig. Aanwezigheid en negatieve effecten op de bever kunnen worden uitgesloten. De wezel en bunzing zijn kleine marterachtige die vaak oude holen van konijnen, ratten en muizen gebruiken als verblijfplaats (Zoogdierverenging Wezel, 2019; Zoogdiervereniging Bunzing, 2019). Ze maken gebruik van structuurrijke elementen zoals bosschages, heggen, struwelen en houtwallen om voldoende dekking in te vinden. Het zijn carnivoren en er moet voldoende voedsel aanwezig zijn in het leefgebied. De planlocatie voldoet aan de habitateisen van de wezel en bunzing. Beide soorten zijn niet direct in de omgeving waargenomen, de dichtbij zijnde wezel was meer dan 1,3 km van de plan locatie. Echter zijn de waarnemingen van kleine marterachtigen NDFF niet geheel betrouwbaar. De wezel leeft voor een groot deel ondergronds. Waarnemingen van deze soort zijn derhalve zeldzaam. Gezien het functioneel leefgebied aanwezig is voor kleine marterachtigen, dient de aanwezigheid van deze soortgroep onderzocht te worden. Door middel van camera's in een marterbox en het gebruik van sporenbuizen kan eventueel aanwezigheid vastgesteld te worden. In de actieve periode van de soortgroep (maart-augustus) kan volstaan worden met 6 weken onderzoek.
Buiten de actieve periode dient het onderzoek voor een tijdsduur van 12 weken ingezet te worden. De das leeft in gebieden die zowel hooggelegen als laaggelegen zijn en op korte afstand van elkaar liggen zoals kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen voor dekking. Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond en dat er in het gebied weinig verstoring is (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Gezien het plangebied tussen stedelijk gebied ligt, ontbreekt er hedendaags aan een gunstige migratieroute zonder verstoring voor de soort. Tevens is er in de ruime omgeving weinig waarnemingen van de soort bekend. De dichtstbijzijnde is hierbij 1,4 km uit 2017. Hoewel de 5
aanwezigheid van de soort niet wordt verwacht, kan deze meegenomen worden in het onderzoek naar kleine marterachtigen. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, haas, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.
Vleermuizen Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren, oppervlaktewater en spleten en/of andere structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis en grootoorvleermuis (Broekhuizen et al., 2016; Limpens et al., 1997; NDFF, 2009-2019). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen beschermd. Wegens het ontbreken van bebouwing is het voor in bebouwing levende vleermuizen soorten onmogelijk om een geschikte rust- of verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat het perceel op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven als gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De bomen binnen de planlocatie zijn geïnspecteerd op potentiële openingen als ingerotte holtes, spleten en andere openingen welke kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaatsen voor vleermuizen. Dergelijke openingen zijn niet waargenomen door de afwezigheid van (oude) grote bomen. Negatieve effecten ten aanzien van boombewonende vleermuizen kunnen uitgesloten worden.
Hoewel het is uitgesloten dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. De aanwezigheid van water en kruidenrijke vegetatie trekt insecten aan. Echter kan er, door het ontbreken van veel bomen en struweel en de aanwezigheid van vergelijkbaar gebied in de directe omgeving, uitgesloten worden dat dit plangebied essentieel foerageergebied betreft. Tijdens de werkzaamheden kunnen negatieve effecten optreden voor passerende en jagende vleermuizen in de directe omgeving als gevolg van lichtgebruik. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens de ontwikkeling dient derhalve vleermuisvriendelijke verlichting te worden toegepast. Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Er is geschikt oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie in de vorm van brede en smalle sloten, welke rijkelijk begroeid zijn (figuur 3).
In de omgeving is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieën: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF, 2009-2019). Voor de kamsalamander, knoflookpad en poelkikker geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen het plangebied zijn een aantal kavelsloten gesitueerd. De meeste kavelsloten zijn onlangs pas gegraven. Er is echter één sloot die al langere tijd aanwezig is. Rondom deze sloot is veel oevervegetatie en kruidenrijke vegetatie aanwezig (figuur 3). 6
Ü - -t[
Figuur 3
De brede sloot op de planlocatie is rijkelijk begroeid met oevervegetatie.
De kamsalamander is een soort die voorkomt in wateren die rijkelijk begroeid zijn met planten en in de buurt liggen van een bosgebied of struweel. In houtwallen en struwelen zijn de kamsalamanders te vinden tijdens de landfase (Creemers & Delft, 2009). De kamsalamander kan in verschillende type wateren voorkomen zoals poelen, vijvers en vennen in zandgronden en beekdalen. Belangrijk is dat het vis vrij is. Daarbij bevinden de waarnemingen zich voornamelijk rondom het oppervlaktewater aan de Dijk op een afstand van circa 1,08 km. Door de aanwezigheid van vis op de planlocatie, de afwezigheid van bos en houtwallen en de afstand tot bekende waarnemingen, kan de aanwezigheid van deze soort uitgesloten worden. De knoflookpad is een amfibieën soort die voorkomt op agrarische gebieden, ruderaal terrein en half-natuurlijke graslanden (Creemers & Delft, 2009). Vaak wordt de soort aangetroffen in rivier begeleidende wateren in voedselrijke vennen. Doordat de larven een snelle groei en ontwikkeling hebben is het van hoog belang dat er voldoende voedsel aanwezig is het water. Een hoge primaire productie is daarvoor nodig, daarom is de trefkans in mesotrofe tot eutrofe wateren groter. Een absolute voorwaarde voor deze (grotendeels ondergronds levende) soort is de aanwezigheid van open zandplekken omringd door vegetatie.
Daarnaast moet het zand een zodanige structuur hebben, dat het goed vergraafbaar is. Langs de Waal bij Ewijk is een geïsoleerde populatie ontdekt. Dit is mogelijk de laatst overgebleven populatie knoflookpadden die ooit de Gelderse Poort en de Waaluiterwaarden stroomafwaarts van Nijmegen hebben bevolkt. De waarnemingen van de knoflookpad bevinden zich tevens rondom het oppervlaktewater aan de Dijk. Door de fysieke barrières van de waarnemingen naar het plangebied én de afwezigheid van open zandplekken kan de aanwezigheid van de soort binnen het plangebied worden uitgesloten. De poelkikker komt voornamelijk voor op heide en hoogveengebieden maar ook op graslanden, agrarisch gebied en laagveen. De voorkeur gaat naar wateren als: veedrinkputten, hoogveenputten, sloten en rivier begeleidende wateren. Belangrijk is dat de oever goed begroeid is maar dat er ook voldoende zon doorkomt. De aanwezigheid van de soort kan niet uitgesloten worden in dit oppervlaktewater (figuur 3). Echter zijn er geen werkzaamheden vooraan aan deze sloot. Bij strenge winters overwintert de soort in muizenholen of onder stronken. Gezien het overwinteringshabitat en voortplantingsbiotoop dicht bij elkaar in de buurt liggen en het aannemelijk dat in de kruidenrijke vegetatielaag naast de sloot muizenholen gesitueerd zijn.
Om het mogelijke overwinteringshabitat onaangetast te houden, adviseert Blom Ecologie B.V. om binnen een straal van 4 meter aan beide zijdes van de sloot de berm ongemoeid te laten (figuur 4). 7
Tevens zal in de toekomstige situatie deze strook van 8 meter ontzien moeten worden in de situatieschets en dient er geen verharding o.i.d. aangelegd te worden binnen dit gedeelte.
Figuur 4
Om het overwinteringshabitat van de poelkikker te ontzien en negatieve effecten van de soort te voorkomen, dienen beide bermzijdes van de sloot onaangetast te blijven (bron: arcgis.com)
Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Reptielen worden niet verwacht op de planlocatie aangezien deze over het algemeen verbonden zijn aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen. Daarnaast zijn er geen waarnemingen bekend van beschermde reptielen soorten in de omgeving van de planlocatie. Negatieve effecten op beschermde amfibieën en reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen In het plangebied en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkelingen bevindt zich oppervlaktewater. Tijdens het veldbezoek zijn hierin kleine voorntjes (soort onbekend) (karperachtige) waargenomen. In de directe omgeving van de planlocatie komen voor zover bekend geen beschermde vissoorten voor. Effecten op beschermde vissen zijn uitgesloten. Met duikers staat de sloot in verbinding met omliggende sloten welke niet gedempt worden. Daarom is het belangrijk dat er gelegenheid gegeven wordt aan de aanwezige vissen, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.
Insecten, libellen en andere ongewervelden In de directe omgeving van de planlocatie komt voor zover bekend één beschermde soort voor: de rivierrombout (NDFF, 2009-2019). In het plangebied zijn gedurende het veldbezoek, naast vlinder/libelle/juffers zoals: het icarusblauwtje en klein koolwitje, geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. De rivierrombout is een libellen soort die alleen voorkomt langs grote rivieren en beken. Belangrijk voor de soort is het larvenhabitat. Larven worden aangetroffen in kribben en ondiepe luwtes van de rivier met een slip of zand bodem. Dit type habitat komt niet voor op de planlocatie waardoor functioneel leefgebied voor de rivierrombout kan worden uitgesloten. Mogelijk gebruikt de soort het gebied als migratieroute. De maatregelen zullen geen negatief effect hebben op deze migratieroutes. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor beschermde ongewervelde zoals vlinders, een waardplant vormen. Het plangebied ligt buiten het verspreidingsgebied van de platte schijfhoren. 8
Tevens is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Significante negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels In het plangebied en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en/of rustende vogels waargenomen. De waargenomen soorten betreffen: blauwe reiger, gierzwaluw, huiszwaluw, houtduif, lijster, meerkoet, putter, rietzanger, torenvalk en witte kwikstaart. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn geen nesten en/of sporen als braakballen, plukplaatsen, horsten, holen of uitwerpselen aangetroffen van soorten met een jaarrond beschermd leefgebied en/of nestlocatie. Rondom de planlocatie is het voorkomen bekend van de ransuil, steenuil, buizerd en sperwer (NDFF, 2009-2019). Dit zijn alle roofvogels die broeden in bomen en een open veld gebruiken als foerageergebied. De ransuil en sperwer hebben de voorkeur voor naaldbomen om in te broeden. Echter zijn op de planlocatie geen naaldbomen aanwezig daarnaast zijn er ook geen andere hoge bomen. De buizerd geeft ook de voorkeur aan een bos of bosje met liefst hoge bomen om in te nestelen. De steenuil nestelt in oude boom holen en holtes in schuren en gebouwen.
Door de afwezigheid van hoge bomen, bos en schuren is de planlocatie niet geschikt als nestlocatie voor deze roofvogels. Door de hoge vegetatie is het tevens ongeschikt als foerageergebied voor uil- en roofvogels. Door de hoge stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort is binnen het plangebied geen functioneel leefgebied aanwezig. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing, en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BĮ112 kennisdocument Huismus, 2017). Door de afwezigheid van bebouwing op de planlocatie kan het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een vereiste voor broedmogelijkheid is dat het hoger ligt dan 3 m.
Gierzwaluwen kunnen namelijk niet op eigen kracht opstijgen en moeten zich voor het eerste deel van hun vlucht laten vallen om snelheid te vergaren (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). De soort is een koloniebroeder en is derhalve vaak te vinden in woonwijken waar broedgelegenheid is in meerdere gebouwen. Op de planlocatie is geen bebouwing aanwezig. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van jaarrond beschermde nestlocaties en essentiële habitatonderdelen is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode of in bijzondere gevallen) De planlocatie voorziet in voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie.
Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende Natura 2000 of het Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van 1,31 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken (Uiterwaarden De Waal)' (figuur 5). De planlocatie ligt op een afstand van circa 820 m ten noorden van het Natuurnetwerk Nederland (figuur 6). 9
Roodslag
Beuningen hteuvepark K KJO[
Natura 2000 H Natura 2000-gebied
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van 1,31 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: nationaal Georegister PDOK).
)punt Ewijk
Beuningen Heuvepark
Natuurnetwerk Nederland
M Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 820 m tot het Natuurnetwerk Nederland (bron: nationaal Georegister PDOK).
De beoogde ontwikkeling betreft: de realisatie van een nieuwe woonwijk, wat leidt tot een beperkte verkeerstoename. De werkzaamheden zullen waarschijnlijk leiden tot een tijdelijke en zeer beperkte toename in stikstofuitstoot (projecteffect). Over de langere termijn zal met de nieuwe wijk aannemelijk sprake zijn van een relatief lagere stikstofuitstoot (hogere isolatiewaarden en een hoogrenderende stookinstallatie). De nieuwe (ecologisch vriendelijke) wijk 'Ecowieck' streeft er naar om huizen te maken welke energie neutraal zijn of zelfstandig energie kunnen opwekken.
10
Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er geen effecten t.a.v. de stikstofdepositie zullen optreden. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo'n toestemming 'vooraf' mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. Uiterlijk in september 2019 komt er nieuwe versie uit van de AERIUS Calculator beschikbaar. De huidige versie werkt nog met een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar, terwijl ook effecten tussen de 0 en 0,05 inzichtelijk gemaakt dienen te worden. Dit rekenmodel wordt in het najaar landelijk voorgeschreven als rekeninstrument voor de toestemmingverlening. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. Deze komen tegelijk met de voorgeschreven calculator beschikbaar. De herbeoordeling d.m.v.
de herziene AERIUS Calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: ^
•
•
Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld (bron:ww.tauw.nl).
Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om uw plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Uit herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: • •
•
Dat er ook zonder drempelwaarde géén toename van depositie wordt berekend, óf: Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten
Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Tot de vernieuwde AERIUS Calculator er is, verlenen het Rijk en provincies geen toestemming voor activiteiten die extra stikstofdepositie veroorzaken in Natura 2000-gebieden. Voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Houtopstanden Het kappen van bomen en struiken kan meldingsplichtig zijn in het kader van de Wet natuurbescherming. Het kappen van bomen is niet meldingsplichtig in het kader van de Wet Nb als het de volgende type houtopstanden betreft: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; 11
^ • •
uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; het dunnen van een houtopstand; uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
De beoogde kapwerkzaamheden op de planlocatie, vallen deze onder type a. Het kappen/verwijderen van houtopstanden op de planlocatie is derhalve niet meldingsplichtig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Gemeenten hebben veelal beleid omtrent het kappen/vellen van bomen en struiken opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). De beoogde ontwikkeling leidt evt. tot de kap van een aantal bomen en struiken. Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.
Conclusies
Samenvatting De planlocatie maakt mogelijk deel uit van kleine marterachtigen als de bunzing en wezel. Voor deze soorten dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden. Voor de poelkikker dienen er maatregelen getroffen te worden, om negatieve effecten op de soort te voorkomen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
12
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
vleermuizen
zoogdieren
- = ongeschikt + = geschikt n (nee) / j (ja)
vaatplanten
Tabel 2 Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. Legenda
+
-
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
Geschikt habitat andere soort Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,3 km
geen
AERIUS Calculator
Natuurnetwerk Nederland
280 m
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
+A -
-
j
n
-
-
-
-
n
n
j
Uitvoerbaarheid Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of het plangebied een functie betreft voor kleine marterachtigen. Op basis van ervaringen is er geen reden om aan te nemen dat de eventuele benodigde ontheffing bij aanwezigheid van kleine marterachtigen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Voor de poelkikker geldt dat er aan het voortplantingsbiotoop geen werkzaamheden voorzien zijn. De berm dient aan beide zijdes van de sloot te worden ontzien om het overwintershabitat van de soort te ontzien. Hierbij wordt een marge van 4 meter aan elke zijde aangehouden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie Bij aanwezigheid van verblijfplaatsen van beschermde soorten kan met bepaalde maatregelen (mitigatiegebied) een ontheffing worden verleend, waarbij er een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijk verbod. Een ontheffing wordt tevens alleen verleend indien er een wettelijk belang is aangetoond en de gunstige staat van instandhouding van de soort is onderbouwd.
Te treffen maatregelen
^ •
^
•
•
•
•
•
Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. Er dient aanvullend onderzoek naar de kleine marterachtigen (in het bijzonder bunzing en wezel) uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en wezel wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleine marterachtigen wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart - augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst. Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minsten twaalf weken geplaatst te worden.
Voor de poelkikker dienen de beide bermzijdes van de sloot ontzien te worden van werkzaamheden, om het overwintershabitat onaangetast te laten. Hierdoor zullen er geen negatieve effecten voor de soort optreden. De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur minimaal verlichten en hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel) en de werkzaamheden in de periode april-oktober tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Indien de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Indien dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Bouwens, S. 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming. Provincie NoordBrabant. 's-Hertogenbosch. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (ravon) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie.
KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.ndff-ecogrid .nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ravon.nl ravon.nl/Portals/27Bestanden/Soorten/Knoflookpad_Atlastekst.pdf www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.floravannederland.nl www.zoogdierenvereniging.nl
14
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., Ginger Fairhurst Bijlage 1 Fotografische impressie
© Blom Ecologie b.v. Zandweg 46A - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
15
Bijlage 1
Fotografische impressie
7-
mm
-
ţ\ć 'įŕfţm
Figuur 1
mm:
De planlocatie is gelegen aan de Klaphekstraat ong. te Ewijk en bestaat uit een perceel met struwelen, sloten, een (mais)akker en paardenweide. In bovenstaande figuur is het struweel zichtbaar.
ŵ' r«-
■V;Ŵí:'?-s
ţţ'(T V rŵ/wįp-. -
Figuur 2 16
De planlocatie met links het struweel langs een smalle sloot, recht kavel van Blatenplak 8.
MM ļj&ŴWřŗ jteÄşţ :
Figuur 3
De weg Hekkeslag met links het struweel en rechts de akker.
JJ
JU
Pfpi' ' -Vť*-
Figuur 4
«ĥMiky İİİĊİܱ•*r __ De (mais)akker (rechts) met daarnaast de paardenweide.
foŵŝŴ
17
n«
jj jj
"ľw
iřŵKľ.
mm
1İZ___ ' Figuur 5
De paardenweide gelegen aan de sloot.
~
-
Ļŕş* - -'Ÿ t n •'« ~v Figuur 6 18
Deel van het perceel met op de achtergrond de paardenweide.
___ 'èã