04. Bijlagenboek bestemmingsplan naast Koningstraat 16.pdf
Tekst van het document
0
Bijlage 4
8,88 8,88 8.88 6 # GSSD Index
Geen toetsnorm aanwezig kleiner dan de detectielimiet Achtergrondwaarde Interventiewaarde > Interventiewaarde Heeft geen normwaarde verhoogde rapportagegrens Gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD - AW) I (I - AW) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -
Tabel 4: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming AW
WO
IND
I
mg/kg ds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds
0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140
1,2 35 54 0,83 210 88 39 200
4,3 190 190 4,8 530 190 100 720
13 190 190 36 530 190 100 720
mg/kgds
1,5
6,8
40
40
mg/kgds mg/kgds
0,02 0,0085
0,04 0,027
0,5 1,4
METALEN Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink
PAK PAK 10 VROM
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN PCB (som 7) Hexachloorbenzeen
(HCB)
1 2
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie (totaal)
mg/kgds
190
190
500
5000
BESTRIJDINGSMIDDELEN alfa-HCH beta-HCH gamma-HCH Drins (Aldrin+Dieldrin+Endrin) Hexachloorbutadieen Heptachloor Heptachloorepoxide Aldrin DDE (som) DDD (som) DDT (som) alfa-Endosulfan Chloordaan (cis + trans) Som 21 Organochloorhoud.
Projectcode: B20.7925
mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kg ds mg/kgds mg/kgds mg/kg ds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kgds mg/kg ds bestrijdingsm mg/kg ds
0,001 0,002 0,003 0,015 0,003 0,0007 0,002 0,1 0,02 0,2 0,0009 0,002 0,4
0,001 0,002 0,04 0,04
0,5 0,5 0,5 0,14
17 1,6 1,2 4
0,0007 0,002
0,1 0,1
4 4 0,32 2,3
0,13 0,84 0,2 0,0009 0,002
1,3 34 1 0,1 0,1
34 1,7 4 4
Bijlage 4
Tabel 5: Gemeten concentratiesin grondwater met beoordeling conform de Wet Bodembescherming Watermonster Datum Filterdiepte (m -mv) Datum van toetsinq Monsterconclusie
PB07 9-4-2021 2,00 - 3,00 14-4-2021 Overschrijding
Meetw
Streefwaarde
GSSD
Index
METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink
t-ig/i pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l
94 «0,20 «2 «2,0 «0,05 «2,0 «2 «3 «10
94 «0,14 «1 «1,4 «0,04 «1,4 «1 «2 «7
0,08 -0,05 -0,23 -0,23 -0,06 -0,23 -0,01 -0,22 -0,08
Mg/i pg/l Mg/i pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l
«0,2 «0,2 «0,2 «0,2 «0,1
«0,1 -0 «0,1 -0,01 «0,1 -0,03 «0,1 «0,1 «0,21 0 «0,1 -0,02 «0,77(2'14)
Mg/i
«0,02
«0,01 «0,00020(11)
0
Mg/i pg/l pg/l
«0,1 «0,2
«0,1 «0,1 «0,14
0 -0,05 0,01
pg/l pg/l pg/l
«0,1 «0,1 «0,1
«0,1 «0,1 «0,1
0,01
pg/l
«0,2
«0,1
-0,01
pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l
«0,2 «0,2 «0,1 «0,2 «0,1 «0,2 0,42 «0,2 «0,2 «0,1 «0,2
«0,1 «0,1 «0,1 «0,1 «0,1 «0,1 «0,42 «0,1 «0,1 «0,1 «0,1(14)
0 -0,01 0 -0,02 0 0,03 -0
pg/i
«0,2
«0,1
pg/i pg/l pg/l pg/l pg/i
«25 «25 «25 «25 «50
18(6) 18(6) 18(6) 18(6)
AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Tolueen Ethylbenzeen meta-Zpara-Xyleen (som) ortho-Xyleen Xylenen (som) Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen
«0,2
PAK Naftaleen PAK 10 VROM
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN Tetrachlooretheen (Per) Trichlooretheen (Tri) cis + trans-1,2Dichlooretheen cis-1,2-Dichlooretheen trans-1,2-Dichlooretheen Tetrachloormethaan (Tetra) Trichloormethaan (Chloroform) Dichloormethaan 1,1-Dichloorethaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Vinylchloride Dichloorpropaan 1,1-Dichloorpropaan 1,3-Dichloorpropaan 1,1-Dichlooretheen Tribroommethaan (bromoform) 1,2-Dichloorpropaan
0,01
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale Minerale Minerale Minerale Minerale
olie C10 - C12 olie C12 - C22 olie C22 - C30 olie C30 - C40 olie (totaal)
Projectcode: B20.7925
«35
-0,03
Bijlage 4
8,88 8,88 m
11 14
2 6 # GSSD Index
Geen toetsnorm aanwezig kleiner dan de detectielimiet Streefwaarde > Streefwaarde > Interventiewaarde Enkele parameters ontbreken in de berekening van de somfractie Streefwaarde ontbreekt zorgplicht van toepassing Enkele parameters ontbreken in de som Heeft geen normwaarde verhoogde rapportagegrens Gestandaardiseerde meetwaarde (GSSD-Sļ/ţl-S) - Getoetst via de BoToVa service, versie 3.1.0 -
Tabel 6: Normwaarden conform de Wet Bodembescherming S
S Diep
Indicatief
I
METALEN Barium Cadmium Kobalt Koper Kwik Lood Molybdeen Nikkel Zink
MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l
50 0,4 20 15 0,05 15 5 15 65
200 0,06 0,7 1,3 0,01 1,7 3,6 2,1 24
625 6 100 75 0,3 75 300 75 800
MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l
0,2 7 4 0,2 6
MQ/I
0,01
70
MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l pg/l MQ/I pg/l pg/l pg/l pg/l
0,01 24 0,01 0,01 6 0,01 7 0,01 7 0,01 0,01 0,8 0,01
40 500 20 10 400 1000 900 300 400 130 5 80 10 630
M!_______
50
600
AROMATISCHE VERBINDINGEN Benzeen Tolueen Ethylbenzeen Xylenen (som) Styreen (Vinylbenzeen) Som 16 Aromatische oplosmiddelen
30 1000 150 70 300 150
PAK Naftaleen
GECHLOREERDE KOOLWATERSTOFFEN Tetrachlooretheen (Per) Trichlooretheen (Tri) cis + trans-1,2-Dichlooretheen Tetrachloormethaan (Tetra) Trichloormethaan (Chloroform) Dichloormethaan 1,1-Dichloorethaan 1,1,1-Trichloorethaan 1,2-Dichloorethaan 1,1,2-Trichloorethaan Vinylchloride Dichloorpropaan 1,1-Dichlooretheen Tribroommethaan (bromoform)
OVERIGE (ORGANISCHE) VERBINDINGEN Minerale olie (totaal)
Projectcode: B20.7925
Bijlage 2
Quickscan Wet natuurbescherming
H H H Blom Ecologie b.v. Ecologisch
advies
Sz onderzoek
Blom Ecologie b .v .
Buro Waalburg
ADVIES åc ONDERZOEK
T.a.v. mv. S. Rijcken Schoenaker 10
Zandweg 46
6641 SZ Beuningen
4181 PM Waardenburg
10418 820 288
Datum
24 november 2021
Kenmerk
BE/2021/1108/r
Uw kenmerk
Email d.d. 26 oktober 2021
Auteur(s)
ing. B.C.E. Vleeshouwers
e inŕo@'b!omeco]ogje-nl i www.blomecologíe.nl
KvK67221904 BTW 856882999B01
IBAN NL21RAB00314240683
Collegiale toets
ir. ing. A.E. Vos
Quickscan Wet natuurbescherming Koningstraat ong.te Ewijk Aan de Koningstraat ong. te Ewijk is een grasperceel gelegen. De initiatiefnemer heeft het voornemenom op dit perceeleen woning en garage te realiseren. Elet bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd van agrarisch naar wonen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect opbeschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichtennaar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid vanbeschermde flora en fauna en de betekenis vande planlocatievoor deze soorten in kaart gebracht. Tevensis de ligging vanhet gebied ten opzichte van beschermde natuurgebieden en beschermde structuren in kaart gebracht en eventuele effecten beoordeeld. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatiete onderzoeken op aanwezigheid vanbeschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: » Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? » Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? » Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? » Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur? » Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstandendie middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? » Dienen er vervolgstappen in het kader vande Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
tXOdO'giľ (de; v) 1 wetenschapdie de betrekkingen tussen de organismen en hun omgevingbestudeert, 2 die betrekkingen zelf; CCO-IO'įļiseh (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; fĩo- ríl (de; v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsommingen beschrijving ervan bevat; fllll-tUl (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.
Planlocatie De planlocatieis gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk (figuur 1) en bestaat uit een grasweide voorvee. Er is geen verhardingaanwezig op de planlocatieen er staan een tweetal lantaarnpalen langs de doorlopendeweg. Aan de zuid- en oostzijde is sloot gelegen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie gevenvan de planlocatieen de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door Beuningen en Ewijk aan de noord- en oostzijde vanplanlocatie.Verder liggen er agrarische gebieden om de planlocatieheen. Op circa 1,9km ten noorden ligt het Natura-2000 gebied 'Rijntakken'.
Legenda ] Planlocatie
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Koningstraat kaartmateriaal: arcgis. com).
ong.
te Ewijk (bron
LÜ
Figuur 2
2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en werkzaamheden De beoogde ingrepenzijn permanentvankarakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonhuis en garage. De functie van het perceel dient te wijzigen van agrarisch naar wonen. Onderstaand volgteen korte opsommingvan de ingrepen en effecten: » egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; » realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; » revitalisatieterrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
Koningstraat naast nr 16, Ewijk Landschappelijke inpassing Haag oostzijde optioneel, gebouwde erfafscheidingen en/of schutting niet toegestaan
—
Siertuin, vrijin te richten
—
Haag, evt. gemengd — hoogte: 1,5 tót3 m, 5 st./ m, plantmaat min. 150-175cn streekeigen soorten:gewone beuk (Fagus sylvatica), yeldesdoorn(Acer campestre), meidoorn (Crataegus monogyna), hondsroos (Rosa canina) en/ofsleedoorn (Prunus spinosa) (Knot)bomen Ier begeleiding vista ■— streekeigen soorten:schietwìlg (Salix olba), gewone es (Fraxìnus excelsior) en/ofzomereik (Quercus robur) Woning * bijgebouw langgerekt, met zadeldak, woning parallelaan het lint
'
Rooilijn verspringendtovnummer 16
—
Geschoren, lage haag (optioneel) — breedte:0,5-i m; hoogte: 80 tot 120,tm, 5 st./m, plantmaat min. 40-60 cm, streekeigen soorten: gewone beuk (Fagus sylvatica) ofveldesdoorn (Acer campestre) Beslaande bomenrij aanvullen Soortenzoals: Prunus ayium, prunus domestico, . Malus domesticoofPyrus communis. Plantmaat: min. 8-10 cm sţómomtrek
— ™
Groene voorruitme, behoudens opritonverhard en onbebouwd
—
Natuurvriendelijke inrichting
—
Bestaande bomen behouden
—
Figuur 3
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalbrug).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegevenvande aanwezigheid vanspecifieke potentievoorbeschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatievoor de aanwezige soorten en de effecten vande voorgenomeningrepenop de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadplegingvan externebronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid vanbeschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatienauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 8 november 2021 en is uitgevoerd door ir. ing. D. Boers en ing. B.C.E. Vleeshouwers. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 6/8 bewolkt, 10o Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapportenen naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie.
Afhankelijk vanhet karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadplegingvanexternebronnen levertvaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdhedenzijn met het ingaan van deze wet overgedragen vanhet rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschrevendat nadelige gevolgenvoorflora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspuntvande Algemene zorgplichtis dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt vooriedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsenen het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieveeffecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsenof vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de Omgevingsverordening van Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomenin het kader vanruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aarãmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaarãkikker Gewone pad Ree Bosmuis Blaas Rosse woelmuis Bruine kikker Huisspitsmuis Tweekleurige bosspitsmuis Dwergmuis Kleine watersalamander Veldmuis Dwergspitsmuis Konijn Vos Egel Meerkikker Woelrat (b) Gebiedsbescherming (landelijk beleid) Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en de provinciaalbeschermde gebieden. Het beschermingsregime van overige op provinciaalniveaubeschermde gebieden kan sterk verschillen tussen provincies. Natura 2 000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externeeffecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling vaninvloedzijn. Bij negatieve effecten opbeschermde natuurgebieden dient een vergunningvoorhandente zijn.
(b) Gebiedsbescherming (provinciaal beleid) Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versievan de Omgevingsverordening.
4
Gelders Natuurnetwerk Binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe.Het uitgangspuntis dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakteof samenhang geldt een compensatieplicht. Groene Ontwikkelingszone Het uitgangspuntis dat een bestemmingsplan geen nieuwe grootschalige activiteiten mogelijk maakt die de kernkwaliteiten significant aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatieven zijn. Bij aantasting van de kernkwaliteiten, oppervlakteof samenhang geldt een compensatieplicht. Kleinschalige ontwikkelingen zijn mogelijk als deze er toe leiden dat de kernkwaliteiten vanhet betreffende gebied, in hun onderlinge samenhang bezien, per saldo substantieel worden versterkt. Weiãevogelgebieã Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op weidevogelgebied laat de realisatie van een nieuwe windturbine of nieuw zonneveld niet toe. Een andere nieuwe activiteit of ontwikkeling is enkel toegestaan als deze geen nadelige gevolgen heeft voor de functie als broedgebied voor weidevogels.
Ganzenrustgebíeã Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op een ganzenrustgebied laat een nieuwe activiteitof ontwikkeling alleen toe als uit onderzoek blijkt dat deze activiteit of ontwikkeling wordt uitgevoerd op een locatie waar de nadelige gevolgen voor de functie als rustgebied voor overwinterendeganzen zoveelmogelijk worden beperkt, en na uitvoeringminimaal 500 hectare in het betreffende ganzenrustgebied overblijft. Als door een activiteithet betreffende rustgebied kleiner wordt dan 500 hectare, kan deze activiteit alleen doorgaan als aansluitend voldoende hectare aan het betreffende ganzenrustgebied wordt toegevoegd. Beschermingszone natte landnatuur Natte landnatuur is natuur die direct afhankelijk is van de grondwatersituatie ter plaatse. Een bestemmingsplan voor gronden gelegen in een beschermingszone natte landnatuur maakt geen functies mogelijk die significant nadelige effecten kunnen hebben op de instandhouding van de natte landnatuur. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang waarbij er geen reële alternatievenzijn. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlaktevan 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.
Het is verboden een houtopstandgeheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerdestaten. Ingevaleen houtopstandgeheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplantte worden. Het vellen vanhoutopstandenis niet meldingsplichtigin het kader van de Wnb als het één van de volgendetypen houtopstandenbetreft: a) houtopstandenbinnen de door gemeenteraad vastgesteldegrenzen van de bebouwde kom; b) houtopstandenop ervenof in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populierenof wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren,wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
5
Beoordeling (a) soortenbescherming Opbasis vanhet veldbezoek en de bureaustudie wordt persoortgroepbesproken wat de potentie van de planlocatieen de directe omgevingdaarvanvoorhet voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid vanbeschermde soorten waarvoor geen vrijstellinggeldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplichtnoodzakelijk is. Planten In de directe omgevingvande planlocatieis het voorkomen bekend vanhet kluwenklokje (NDFF 2011-2021). Deze soort komt voor op kalkgrasland, ruderale plaatsen, zandige ruggen in uiterwaarden, lichte bossen en langs bermen, bosranden en rivierdijken. De standplaatsen van de soort zijn zonnige, matig voedselrijke, kalkhoudende en humus houdende gronden (FLORON Verspreidingsatlas, 2021). Op de planlocatie is er een hoge dominantie van Engels raaigras. Hierdoor kan er geconcludeerd worden dat de planlocatie zeer sterk geëutrofieerd is. Door de hoge voedselrijkheid en de concurrentie van Engels raaigras kan de aanwezigheid van kluwenklokje op de planlocatieuitgesloten worden.
Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, hondsdraf, paardenbloem, veldzuringen vijfvingerkruid.Binnen de grenzen vande planlocatiestaat 1 boom en het gaat om een pruimenboom, deze blijft behouden in de beoogde ontwikkeling. Rondom de planlocatiezijn prunusvarianten aanwezig. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende, stikstofarme of vochtigegroeiplaatsen. Gelet opde functie, ligging en het gebruik vanhet perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Negatieve effecten ten aanzien van beschermde planten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van2 km is de aanwezigheid bekend vande volgendezoogdieren: bever, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, vos en woelrat (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das en steenmarter.
Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. De bever komt voor in uiterwaarden en moerasbossen met veel wilgen. Er zijn geen voedselbronnen en schuilmogelijkheden aanwezig op de planlcoatie. Daarnaast zijn de aanwezige sloten niet relevantvoorde bever. De aanwezigheid en negatieveeffecten op de bever zijn uitgesloten. De bunzing heeft een voorkeur voor kleinschalig landschap met houtwallen, greppelsen sloten met overhangendevegetatie,ook dorpenen buitenwijken vansteden vormengeschikt leefgebied (ZoogdierverenigingBunzing, 2021). De planlocatie bestaat uit een grasveld zonder houtwallen of ruige vegetatie die als schuilmogelijkheden kunnen dienen. De greppelen sloot dat rondom de planlocatie gelegen is wordt niet aangetast in de beoogde ontwikkeling. De sloten zijn niet geschikt voorbunzing doordat er geen sprake is van ruige begroeiing. Negatieve effecten op de bunzing zijn uitgesloten. Dassen foerageren graag in (bemeste) graslanden. Echter is de planlocatie grotendeels niet toegankelijk voor dassen. De mazen vanhet schapengaas zijn kleiner dan een das, waardoor de dieren niet door het gaas heen kunnen. De dichtstbijzijnde waarneming van de das is circa 880 m ten zuiden van de planlocatie. Tevens zijn er geen dekkingsstructuren aanwezig. De aanwezigheid en negatieve effecten op de das zijn uitgesloten.
Het voorkeurshabitat vande steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap.De soort wordt met name aangetroffen nabij steden, dorpen en boerderijen. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdierverenigingsteenmarter, 2021).
6
Daarbij zijn de aanwezigheid van elementen als groenstroken, heggen, bosjes, greppelsen bermen die kunnen dienen als foerageer- en jachtgebied van belang. De planlocatie bestaat volledig uit gras en één boom. Er zijn geen schuilmogelijkheden aanwezig dat een geschikt habitat voor de steenmarter vormen. Negatieve effecten op steenmarter zijn uitgesloten. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie bevat voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordeningvan de provincievallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van2 km is het voorkomen bekend vande volgendevleermuissoorten:gewone dwergvleermuisen meervleermuis(NDFF 2011-2021).
Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizenals Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis,2017; Limpenset al., 1997; Dietz et al., 2011). De boom op de planlocatie en de bomen rondom de planlocatie zijn te dun en te laag om te kunnen dienen als geschikte verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Er is geen bebouwing aanwezig binnen de grenzen van de planlocatie. Negatieve effecten op gebouwbewonende vleermuizenzijn uitgesloten. Eloewel het uitgesloten is dat vleermuizende planlocatie gebruiken als verblijfplaats,bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Binnen de grenzen van de planlocatie zijn er geen structuren aanwezig die als vlieg- en/of foerageerroute kunnen functioneren. De aanwezige stmcturen buiten de grenzen van de planlocatieworden niet aangetast in de beoogde ontwikkeling.
In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing in de directe omgeving kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteitenvan vleermuizenplaatsvinden.Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen opinsecten waarbij ze opportunistischgebruik maken vaneen groot netwerk aan jachtgebieden. De omvang en het gebruik van een gebied alsmede de jachttechniek en prooien verschillen per soort. Gedurende het foerageren verspreidenvleermuizen zich diffuus over het landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolgvan felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen.Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichtingte worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
7
Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2011-2021). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader vanruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, knoflookpad en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen opkorte afstand vanelkaar te liggen. De kamsalamander wordt waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel. De sloten rondom de planlocatie stonden tijdens het veldbezoek grotendeels droog zondoende is er een dominantie van Engels raaigras in de omgliggende sloten. Flierdoor voldoen de sloten niet aan de gestelde eisen voor voortplantingswater van de soort. Daarnaast komen de bekende waarnemingen van de kamsalamander alle uit een gebied op circa 1,7 km ten noorden van de planlocatie. Deze afstand is te groot voor de kamsalamander om te overbruggen. De aanwezigheid en negatieveeffecten op de soort zijn uitgesloten. De knoflookpad is een zeer zeldzame en bijzondere soort welke is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren in het oosten en zuidoosten van Nederland.
Zijn leefgebied bestaat uit rivierduinenen kleinschalig agrarisch landschap met bos in de nabijheid (Ravon knoflookpad, 2021). Doordat de planlocatie een uniforme structuur en begroeiing heeft met weinig/ geen schuilmogelijkheden is het voorkomen van de knoflookpad op de planlocatieuitgesloten. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon en zwak zuur wateren. Buiten de voortplantingstijdkan de poelkikker ook voorkomen in weilanden en bossen verder gelegen vanhet water (BIJ12 kennisdocument Poelkikker, 2017). De sloten die rondom de planlocatie lopen waren tijdens het veldbezoek grotendeels droog gelegen. Deze reden kan ínhouden dat de sloten niet geschikt zijn als voortplantingswater/leefgebied voorde poelkikker. De aanwezigheid en negatievefactoren op poelkikker zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van2 km is de aanwezigheid vaninheemse reptielenniet bekend (NDFF 2011 2021).
Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielenzijn derhalveuitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatie bevindt zich geen oppervlaktewater. Het water binnen de invloedsfeerwordt niet aangetast. Negatieve effecten op (beschermde) vissenzijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid vanbeschermde insecten of ongewerveldenniet bekend (NDFF 2011-2021). Op de planlocatiezijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieveeffecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
8
Vogels Opde planlocatieen de directe omgevinghiervanzijn tijdens het veldbezoek de volgendesoorten waargenomen: ekster, huismus, merel, Turkse tortel, spreeuwen zwarte kraai. Vogels - ļaarronã beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Tijdens het veldbezoek zijn ophet naastgelegen perceelhuismussen waargenomen (cat. 2 soort). Vanwege afwezigheid van gebouw zijn nestlocaties op de planlocatie uit gesloten. Voor een geschikt foerageergebied moet er beschutting nabij de nestlocaties aanwezig zijn. Daarnaast zijn er nog enkele eisen voor een foerageergebied, namelijk voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De planlocatiebestaat alleen uit een grasweide. In de beoogde ontwikkeling worden extra bomen en een heg toegevoegd. Hierdoor wordt het leefgebied van huismussen die in de omgevingvoorkomen uitgebreid. De beoogde ontwikkeling leidt tot zeer beperkte aantasting vangroene delen en resulteert niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting vannestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalvegeen sprake. De gierzwaluw leeft evenalsde huismus in de directe omgevingvanmensen en broedt tevensals koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
Door de afwezigheid van bebouwing op de planlocatie kan de aanwezigheid van gierzwaluw uitgesloten worden. In de omgeving zijn er meerdere soortgelijke gebieden die als alternatief kunnen dienen als foerageergebied vanuilen. Op de planlocatieis geen sprake van essentieel leefgebied vanuilen. Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. De directe omgevingbiedt genoeg alternatievefoerageergebieden voorbovengenoemde roofvogels. Op de planlocatieis geen sprake van essentieel leefgebied vanroofvogelsoorten. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatielangs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broeãvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broeãperíoãe en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatievoorzietin beperkt voedselaanbod vooralgemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing in de directe omgeving vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duivenen vogels die in slootkanten broeden.
Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgevingvan voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangtaan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de kapwerkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestartdient de locatie voorafgaandaan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
9
Beoordeling (b) gebiedsbescherming Natura 2000 De planlocatiemaakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Op een afstand van circa l,8 km ligt het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (figuur 4). Rijntakken
1,8 km fŵ-amj j
Legenda H Natura 2000-gebied
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een Natura 2000-gebied uitgevoerdwordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is om te resulteren in negatieveeffecten. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonhuis en garage. Ten opzichtevan de huidige situatie leidt de beoogde ontwikkeling in de gebruiksfase tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben. Gedurende de bouwfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge vanhet gebruik vanmobiele werktuigen en bijbehorende verkeersbewegingen. De Wet natuurbescherming bevat ten gevolge van de Stikstofwet per d.d. 1 juli 2021 een partiële vrijstelling voor activiteiten gedurende de bouwfase. Hiermee kunnen de gevolgen van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden door aangewezen activiteiten van de bouwsector buiten beschouwing worden gelaten (Wet nb art. 2.9a).Momenteel is de juridische houdbaarheid van deze partiële vrijstelling onzeker.
Als activiteiten van de bouwsector worden aangewezen (algemene maatregelen vanbestuur stikstofreductie en natuurverbetering): a. het verrichten van een bouwactiviteit of een sloopactiviteitdie het feítelijk verrichten van bouw- of sloopwerkzaamheden aan een bouwwerk betreft, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen; b. het aanleggen, veranderen of verwijderen van een werk, met inbegrip van de daarmee samenhangende vervoersbewegingen. Gezien er sprake is van een ontwikkeling van beperkte omvang en het natura-gebied niet stikstofgevoelig is. Kan er op voorhand uitgesloten worden dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden binnen Natura 2000gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalveachterwege blijven.
10
Provinciaal aangewezen gebieden De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied betreffende het Gelders Natuurnetwerk, Groene Ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied of Beschermingszone natte landnatuur. Op een afstand van circa 1,6 km ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 1,7 km ligt de Groene Ontwikkelingszone (figuur 5). Op een afstand van circa 6,6 km ligt Weidevogelgebied. Ganzenrustgebied is gelegen op een afstand van circa 1,9km van de planlocatie (figuur 6). Op een afstand van circa 3,4 km ligt de Beschermingszone natte landnatuur.
1,7km 1,6km
^Ānjį Legenda H Gelders Natuurnetwerk H Groene ontwikkelingszone
Figuur 5
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,6 km tot het Gelders Natuurnetwerk en circa 1,7 km tot de Groene Ontwikkelingszone
Legenda Ganzenrustgebied
Figuur 6
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,9 km tot het Ganzen rustgebied.
Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Van negatieve effecten ten aanzien van Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur is geen sprake.
11
Beoordeling (c) houťopsťanden In de beoogde ontwikkelingen zijn geen kapwerkzaamheden voorzien
Conclusies Samenvatting
(a) Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, amfibieën en insecten welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Voor broedvogels geldt dat de nesten van alle soorten beschermd zijn tijdens het broedseizoen (indicatief 15 maart -15 juli). (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland, Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone, Weidevogelgebied, Ganzenrustgebied en Beschermingszone natte landnatuur. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een AERIUS- berekening, Voortoets en/of 'nee, tenzij'-toets is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatiezijn geen houtopstandenaanwezig waarvoorbij kap een meldingsplichtgeldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2
Overzichtvan de Soortenbescherming. Soortenbescherming Soortgroep BeschermingsSoortspecifiek Mogelijkfunctie regimeWnb. onderzoek plangebied
Planten Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels (cat. 1 t/m 4 Vogels (cat. 5) Tabel 3
Nee Nee
Overzicht van beschermde gebieden in het kader van Gebiedsbescherming.
Gebiedsbescherming
Afstand
Effecten
Naderonderzoek
Natura 2000
1,8 km
Geen
N.v.t.
Gelders Natuurnetwerk
1,6 km
Geen
N.v.t.
Groene Ontwikkelingszone
1,7 km
Geen
N.v.t.
Ganzenrustgebied
1,9km
Geen
N.v.t.
Weidevogelgebied
6,6 km
Geen
N.v.t.
Beschermingszone natte landnatuur
3,4 km
Geen
N.v.t.
Tabel 4
12
Nee Nee Nee Nee Nee Nee Nee
Overzicht van beschermde Houtopstanden.
Houtopstanden
Aanwezig
Kap
Melding
Struiken
Nee
Nee
N.v.t.
Bomen
Ja
Nee
N.v.t.
Uitvoerbaarheid
De bouw van een nieuw woonhuis aan de Koningstraat ong. te Ewijk leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstandenin het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoeringvan de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren, amfibieën en algemene broedvogels (in het kader van Algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Conclusie
De bouw vaneen nieuw woonhuis aan de Koningstraat ong. te Ewijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden (soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden). Derhalve is het uitvoeren van aanvullendonderzoek niet noodzakelijk.
Te treffen maatregelen » Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtigworden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). » Wanneer ondanks zorgvuldighandelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. » Er wordt gelegenheid gegevenaan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. » De planlocatietijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassengeconvergeerdelichtbundel).
13
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Bever Castor fiber, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Das Meles meles, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Heikikker Rana arvalis, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Kamsalamander Triturus cristatus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Pelophylax lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters ík J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur vanNederland 12. Naturalis Biodiversity Center ík EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden,Leiden. Creemers, R.C.M ík J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009.De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9.Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey- Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Heiversen, D. Nill ík P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens,H., K. Mostert ík W. Bongers, 1997.
Atlas van de Nederlandse vleermuizen.Onderzoek naar verspreidingen ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bijl 2.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.gldanders.planoview.nl www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.s3mbi 0sys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.vlinderstichting.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
14
We hopen u met deze rapportagevoldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragenzijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ing. B.C.E. Vleeshouwers Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. ing. A.E. Vos Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie
© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportagemag zonder schríftelijke toestemming vande opdrachtgeveren Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportagemag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/oŕ gegevensverkregen vanBlom Ecologie B.V.
15
Bijlage1 Fotografische impressie
rŕF': rÄ'
ĚįlpļpË r ' : -;'
ïįptfåt Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk en bestaat uit een grasveld.
ţÈįĒģäŝ ŚįŻ. *
Figuur 2
16
Bíj liet naastgelegen perceel zijn huismussen waargenomen.
— ąpťí*sŵ _______
7^
5'V/ţv,
&SÎSSÎ
'ĝţïWj
Fi^ 'įgļļĵĝáļ
Nľ'.Vvļi'v
ìt' âV
r á,
--
yjļ
a^ jfeíĩto
■‘ - Figuur 3 In de nnnstgelegen
sloot stond tijdens het veldbezoek nauwelijks water.
if FöL í
■**
-ĩ* j ĮK***-
■fi/
Figuur 4 De enige boom op de planlocatie deze zal behouden blijven in de beoogde ontwikkeling.
17
Bijlage 3 Stikstofdepositie onderzoek
____________________
*
ro/nsultancy ONDERZOEK STIKSTOFDEPOSITIE OOSTZIJDE VAN DE KONINGSTRAAT 16 TE EWIJK
©O Omgeving
©a
Onderzoek stikstofdepositie Oostzijde van de Koningstraat 16 te Ewijk Opdrachtgever
Buro Waalbrug Schoenaker 10 6641 SZ Beuningen
Rapportnummer Versienummer Datum
15629.001 D1 22 april 2021
Vestiging
Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 088 -5001600 swalmen@econsultancy.nl
Opsteller
De heerN. Berends,
BSc
z
Paraaf
w Kwaliteitscontrole Paraaf
De heerS.D.F. Slange, MSc
-íir
Eco/ńsultancy
INHOUDSOPGAVE SAMENVATTING................................................................................................................................. 1 1
INLEIDING...................................................................................................................................2
2
TOETSINGSKADER....................................................................................................................3 2.1
3
UITGANGSPUNTEN...................................................................................................................4 3.1
3.2 4
Geen significante toename ................................................................................................3
Aanlegfase .........................................................................................................................4 3.1.1 Mobiele werktuigen .............................................................................................. 4 3.1.2 Verkeersbewegingen.......................................................................................... 4 Gebruiksfase ......................................................................................................................6 3.2.1 Verkeersbewegingen ............................................................................................6
BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING........................................................................ 8
BIJLAGEN:
1. 2. 3.
- Invoergegevens mobiele werktuigen aanlegfase - AERIUS-berekening projecteffect aanlegfase -AERIUS-berekening projecteffect gebruiksfase 15629.001
Eco/ńsultancy
SAMENVATTING
Aan de oostzijde van de Koningstraat 16 te Ewijk is men voornemens een vrijstaande woning met schuur te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aan van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te gemerkt. Ten behoeve van de instandhouding worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (NH3) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie. De relevante emissies tij dens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Het maximale projecteffect ten gevolgevan de aanlegfase bedraagt 0,02 mol/ha/jaar.
Aangezien het om een tijdelijke depositie < 0,10 mol/ha/jaar gaat, kunnen significant negatieve effecten worden uit gesloten. De werkzaamheden ten behoeve van de aanlegfase worden hiermee niet vergunningsplichtig geacht in het kader van de Wet natuurbescherming. Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat het projecteffect op het Natura 2000-gebieden kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kunnen negatieve effecten worden uitgesloten en wordt de gebruiksfase niet vergunningsplichtig ge acht in het kader van de Wet natuurbescherming.
R 15629.001 versie D1
Pagina 1 van 8
Eco/ńsultancy
1
INLEIDING
Aan de oostzijde van de Koningstraat 16 te Ewijk is men voornemens een vrijstaande woning met schuur te realiseren. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. In figuur 1.1 is de situering van het plan en de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven. [Makken Slųk-Ewijk
Wi nssen
Vordmg
Hóeve
Beuningen
De Hoeven
/â;W Beuningse Plas
*•A* V*
Neettoost h-' N847
| şoo r |
Wezel
Figuur 1.1
Situering plan en omliggende Natura 2000-gebieden
Het plan is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000gebied. Het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken ’ ligt op circa 2 kilometer afstand het meest nabij het plan.
R 15629.001 versie D1
Pagina 2 van 8
Eco/ńsultancy
2
TOETSINGSKADER
De bescherming van de Natura 2000-gebieden is geregeld in de Wet natuurbescherming. In zowel de Habitat- als de Vogelrichtlijn zijn de gebieden opgenomen welke als Natura 2000-gebied worden aan gemerkt. Ten behoeve van de instandhouding van de natuurgebieden dienen negatieve effecten te worden uitgesloten, waardoor onder andere onderzoek plaats dient te vinden naar de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. 2.1
Geen significantetoename
Het beoogde plan mag in beginsel geen negatieve effecten veroorzaken op de omliggende Natura 2000-gebieden. Met het voorgeschreven programma AERIUS Calculator wordt de depositie van stik stofverbindingen in de vorm van ammoniak (NH3) en stikstofoxiden (NOx) op het oppervlak van de omliggende Natura 2000-gebieden inzichtelijk gemaakt. Bij een projecteffect kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar zorgt het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Daarnaast heeft de provincie Gelderland een redeneerlijn vastgesteld voor projecten met een tijdelijke houdt in dat projecten met een kleine, tijdelijke depositie in de aanstikstofdepositie. De redeneerlijn legfase op voorhand niet zullen leiden tot significant negatieve effecten. Uitgangspunt hierbij is dat een project met een tijdelijke depositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningsplichtig is1. Met het equivalent hiervan wordt bijvoorbeeld 0,02 mol/ha/jaar in 5 jaar, of 0,1 mol/ha/jaar in 1 jaar bedoeld.
1 BİĴ12, Projecten met een kleine, tijdelijke depositie, Veelgestelde vragen ‘Vergunningen https://www.bij12.nlZonderwerpenZstikstof-en-natura2000Zveelgestelde-vragen/, op 09-09-2020.
R 15629.001 versie D1
’ vraag 11, verkregen van:
Pagina 3 van 8
Eco/ńsultancy
3
UITGANGSPUNTEN
Zowel de aanleg- als de gebruiksfase van het plan kunnen negatieve gevolgen hebben voor stikstofgevoeligehabitattypen binnen omliggende beschermde natuurgebieden. De projecteffecten van beide fases dienen inzichtelijk te worden gemaakt. 3.1
Aanlegfase
Met het plan wordt de bouw van een vrijstaande woning met schuur mogelijk gemaakt. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (Nhb) tijdens de aanlegfase vinden plaats door de verkeersbewegingen ten behoeve van de af- en aanvoer van materialen, het vervoer van personeel en de inzet van mobiele werktuigen tijdens de constructie. De aanlegfase betreft een tijdelijke ontwik keling en zal minder dan één jaar duren. De werkzaamheden zullen in 2021 worden uitgevoerd. 3.1.1
Mobiele werktuigen
De benodigde gegevens (bouwjaar, brandstof, vermogen en draaiuren) voor de aanlegfase zijn be paald uit kentallen van vergelijkbare projecten uitgevoerd door Econsultancy. De emissiefactoren van de werktuigen zijn tevens gebaseerd op het in AERIUS Calculator opgenomen kentallen bij reguliere bestaat uit zowel gebruiks- als stationaire uren. werkzaamheden. De totale hoeveelheid draaiuren Gemiddeld draait een mobiel werktuig 30o7o stationair van de totale hoeveelheid draaiuren 2. De emis sies ten gevolgevan het stationair draaien van de mobiele werktuigen zijn berekend conform de In structie gegevensinvoer AERIUS2. Voorde aanlegfase is de inzet van de in bijlage 1 opgenomen mobiele werktuigen voorzien. De totale emissie mag in de praktijk niet hoger zijn dan in de AERIUS berekening (zie bijlage 2) staat weerge geven. Met betrekking tot de inzet van materieel is een worstcasescenario gehanteerd waarbij zowel de draaiuren als emissiefactoren in de praktijk waarschijnlijk lager zullen uitvallen. 3.1.2
Verkeersbewegingen
Naast de inzet van werktuigen vinden er ook verkeersbewegingen plaats voor het vervoer van mate rialen en personen van en naar het plan. Naar verwachting zullen voor de gehele aanlegfase 500 en 200 verkeersbewegingen met respectievelijk lichte en zware motorvoertuigen plaatsvinden. Voor het laden en lossen van goederen wordt een stagnatiefactor van 50 o7o gehanteerd voor het zwaar verkeer. De ontsluiting van het verkeer kan in verschillende richtingen plaatsvinden. In het onderhavig onder zoek is een volledige ontsluiting in oostelijke richting gehanteerd. Een criterium voor wanneer verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgenomen wordt gegeven in de instructie 2, namelijk: ‘op het mo ment dat het aan- en afvoerende verkeer zich door zijn snelheid en rij- en stopgedrag niet meer on derscheidt van het overige verkeer dat zich op de betrokken weg bevindt. Hierbij weegt ook mee hoe de verhouding is tussen de hoeveelheid verkeer dat door de voorgenomen ontwikkeling wordt aange trokken en het reeds op de weg aanwezige verkeer. In de regel wordt het verkeer meegenomen tot het zich verdund heeft tot enkele procenten van het reeds aanwezige verkeer.
’ Het bevoegd gezagvoorde Natura 2000-gebieden (provincie Gelderland) hanteert voor de ontsluiting van het verkeer de vuistregel dat licht en zwaar verkeer binnen de bebouwde kom na respectievelijk 50 en 150 meter is opgenomen in het heersende verkeersbeeld. Voor het in kaart brengen van een worstcasescenario is circa 450 meter gehanteerd voorde ontsluiting van het verkeer.
2 Expertiseteam Stikstof en Natura 2000, Instructie gegevensinvoer voorAERIUS Calculator
R 15629.001 versie D1
2020, Versie 2020 3.0
Pagina 4 van 8
Eco/ńsultancy
In figuur 3.1 zijn de emissiebronnen van aanlegfase weergegeven. Bron 1 betreft de emissies ten gevolgevan het gebruik de mobiele werktuigen, bron 2 het de emissies ten gevolgevan het stationair draaien van de mobiele werktuigen en bron 3 de emissies van het (bouw)verkeer.
Figuur 3.1
Emissiebronnen aanlegfase
R 15629.001 versie D1
Pagina 5 van 8
Eco/ńsultancy
3.2
Gebruiksfase
Met het plan wordt de bouw van één vrijstaande woning mogelijk gemaakt. De nieuwbouw zal niet worden aangesloten op het gasnet. De relevante emissies van stikstofoxiden (NOx) en ammoniak (Nhb) tijdens de gebruiksfase vinden plaats door de verkeersbewegingen van en naar het plan. Voor de berekening van de gebruiksfase is uitgegaan van het rekenjaar opvolgend aan de aanlegfase (2022).
3.2.1
Verkeersbewegingen
De verkeersgeneratie is berekend aan de hand van de CROW-publicatie 381 Toekomstbestendig parkeren en verkeersgeneratie. De gemeente Beuningen is conform de demografisch kencijfers van het CBS, aan te merken als een weinig stedelijke gemeente. De locatie van het plan is gelegen in de stedelijke zone ‘rest bebouwde kom’. In tabel 3.2 is de volledige berekening van de verkeersgeneratie van één vrijstaande woningen opgenomen. Tabel 3.1 verkeersgeneratie plan
functie
plan
eenheid
koop, vrijstaand, woning
1 woningen
1 woning
verkeers generatie per ee nheid min max 7,8
8,6
verke srsgenerat eplan min max gem 7,8
8,6
8,2
Uitgaande van de maximale bandbreedte genereert het totale plan 8,6 verkeersbewegingen per weekdag, hiervan is één verkeersbeweging opgenomen als middelzwaar vrachtverkeer. Voor de ont sluiting van het verkeer wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2.
R 15629.001 versie D1
Pagina 6 van 8
Eco/ńsultancy
In figuur 3.2 zijn de emissiebronnen tijdens het toekomstig gebruik weergegeven. Bron 1 betreft de emissie van het verkeer van en naar het plan.
Figuur 3.2
Emissiebronnen gebruiksfase
R 15629.001 versie D1
Pagina 7 van 8
Eco/ńsultancy
4
BEREKENINGSRESULTATEN EN TOETSING
De berekening van het projecteffect van zowel de aanleg- als de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Onderstaand zijn de screenshots van de berekeningsresultaten weergegeven. In bijlage 2 en 3 zijn de AERIUS berekeningen van respectievelijk de aanlegfase en de gebruiksfase opgenomen. aanlegfase t Deposities per natuurgebied aanlegfase
iebruiksfase... en habītattype:
Maximum
—
Er zijn geen rekenresultaten mol/ha/j. V
Rijntakken
hogerdan o,oo
mol/ha/j K 7\ LĊÜ
ZGLgl1
Kamgrasweide bBloemrijk weidevogelgrasland van bet rivieren- en zeekteīgebied
0,02
LgOZ
Geïsoleerde meander en petgat
0,02
ZGLg02
Geïsoleerde meander en petgat
0,02
H G12.0
Stroomdalgraslanden
0,01
ZGLgOS
Nat, matigvoedselrijk grasland
0,01
Uit de berekening van de aanlegfase blijkt dat het projecteffect op het Natura 2000-gebied ‘Rijntak ken ’ maximaal 0,02 mol/ha/jaar bedraagt. Het projecteffect ten gevolgevan de aanlegfase op het Natura 2000-gebied ‘Rijntakken ’ is groter dan 0,00 mol/ha/jaar. De aanlegfase bevat echter werkzaamheden welke van tijdelijke aard zijn. Conform de redeneerlijn (zie hoofdstuk 2) geldt dat projecten met een kleine, tijdelijke depositie in de aanlegfa se op voorhand niet zullen leiden tot significant negatieve effecten. Uitgangspunt hierbij is dat pro jecten met een depositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jaar gedurende twee jaar in beginsel niet vergunningsplichtig zijn. Het maximale projecteffect ten gevolgevan de aanlegfase bedraagt 0,02 mol/ha/jaar. Aangezien het om een tijdelijke depositie < 0,10 mol/ha/jaar gaat, kunnen significant negatieve effecten worden uit gesloten. De werkzaamheden ten behoeve van de aanlegfase worden hiermee niet vergunningsplich tig geacht in het kader van de Wet natuurbescherming. Gebruiksfase
Uit de berekening van de gebruiksfase blijkt dat het projecteffect op het Natura 2000-gebieden kleiner of gelijk is aan 0,00 mol/ha/jaar. Hierdoor kunnen negatieve effecten worden uitgesloten en wordt de gebruiksfase niet vergunningsplichtig geacht in het kader van de Wet natuurbescherming.
R 15629.001 versie D1
Pagina 8 van 8
Eco/ńsultancy
BIJLAGE1. Invoergegevens mobiele werktuigen aanlegfase
type werktuig
stagekl asse
bouwj brands vermoge motorbel aar tof n (kW) asting ("/o)
aantal draaiuren tijdens aanlegfase
aantal aantal actieve/belaste stationaire draaiuren (ľOVo) draaiuren (30o/))
emissiefactoren belast/actief
emissiefactorenstationair
NOx
NH3
NOx
NH3
graafmachine
IV
2015 diesel
200
690Zo
91
64
27
0,8
0,00251
10
0,003149
mobiele kraan
IV
2015 diesel
200
690Zo
91
64
27
0,9
0,00246
10
0,003149
heistelling
III
2006 diesel
450
690Zo
34
24
10
5,5
0,00283
14,2
0,003308
NOx totale emissies stationair
NH3 8,7720
0,0025
Eco/ńsultancy
BIJLAGE2. AERIUS-berekening projecteffectaanlegfase
AERIUSB CALCULATOR Dit document bevat rekenresultaten van AERIUS Calculator. Het betreftde hoogst berekendestikstofbijdragen per stikstofgevoelig Natura 2000-gebied, op basis van rekenpunten die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekendmaar mogelijk wel relevant. De berekening op basis van stikstofemissies gaat uit van de componenten ammoniak (IMH3) en/of stikstofoxide(NOx). Wilt u verder rekenen ofgegevens wijzigen? Importeer de pdfdan in Calculator. Voormeer toelichting verwijzen wij u naar de website www.aerius.nl.