03 Bijlage toelichting 2 - Quickscan natuur.pdf
Tekst van het document
H
Glom Ecologie b.v.
Ecologisch advies «fe onderzoek
Blom Ecologie b.v. Buro Waalbrug
ADVIES ét ONDERZOEK
T.a.v. dhr. J. Langbroek Schoenaker 10
Zandweg 46
6641 SZ Beuningen
4181 PM Waardenburg
10418 820 288
Datum
14 mei 2020
Kenmerk
BE/2020/308/r
Uw kenmerk
Email d.d. 31 maart 2020
Auteur(s)
ir. ing. K.J. Rebergen
e inro@blomecologje.nl i www.blomecologie.nl
Collegiale toets
ir. T.W.D. Schrader
KvK 67221904 BTW 856882999B01 IRAN NL21RABO0314240683
Quickscan Wet natuurbescherming Koningstraat ong. te Ewijk Aan de Koningstraat ong. te Ewijk (tussen nummer 29 en 31) is een braakliggend kavel met laag kwaliteitsbeeld gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens een nieuwe woning te realiseren. Hiervoor dienen een aantal bomen gekapt te worden. Het merendeel van de aanwezige groenstructuren zullen tevens verwijderd worden. Het kavel dient een woonbestemming te verkrijgen. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. Buro Waalbrug begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie B.V. verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden.
Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: ^ Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? ^ Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? ^ Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van Gelders Natuurnetwerk? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? ^ Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?
eco lo gie (de; v) 1 wetenschap die de betrekkingen tussen de organismen en hun omgeving bestudeert, 2 die betrekkingen zelf; eco logisch (bijvoeglijk naamwoord, bijwoord) 1 m.b.t. de ecologie, 2 milieuvriendelijk; flo-ľíĩ (de; v(m); meervoud: flora's) 1 alle planten van een bep. gebied, 2 boek dat de opsomming en beschrijving ervan bevat; JOU Oil (de; v(m); meervoud: fauna's) 1 de dierenwereld van een gebied.
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk (figuur 1). Het betreft een braakliggend kavel met een laag kwaliteitsbeeld. Op het perceel zijn een aantal loof- en naaldbomen aanwezig. Aan de zuidwestzijde is braamstruweel aanwezig. Aan de noordwestzijde is snoeimateriaal opgestapeld om zo een houtstapel te creëren. Aannemelijk is deze recentelijk geplaatst en zal deze op korte termijn weer verwijderd worden. Verder is het perceel begroeid met algemene grassoorten. Aan de zuidzijde loopt parellel met het perceel een kavelsloot. Aan de noord- oost- en westzijde is bebouwing aanwezig. In de zuidelijke richting zijn agrarische percelen gelegen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto's opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door vrijstaande woningen en agrarische percelen. Ten noordwesten, op een afstand van circa 120 meter is recreatiewater aanwezig. Op een afstand van circa 650 meter is ten noordwesten de A50 gelegen.
2
Figuur 1
De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk (bron kaartmateriaal: arcgis.com).
Figuur 2
Fotografische indruk van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning waarbij de oprit aan de noordoostzijde wordt gerealiseerd. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: ^ ^ • • •
kappen van bomen: kap- en rooiwerkzaamheden; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden. "
Koningstraat, Ewijk
\ erf wordt ontsloten mt'
■jirn oprit.
Op de noordwesten'. var liet percee* is een 'groene kamer’, waardoor de heeuanoe wnnang I ļnr. 31) het zicht naar achteren behoudt. 1 * į De groene kamer ral bestaan uit fruitbomen met | een plantatstand van ca. 10 m. Naast het iioo'dgetiouw staat een los bijgebouw De tuin wordt omzoomd door een haag met stree «eigen beplanting h« boofdgebojw staat aan de oostkant van het perceel zedat die met in het ocht van de woning (nr. 31) aan het lint staat. ------------------------
ò-
i
WÊmM ■'6*h'c'
Figuur 3
v.
Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Buro Waalbrug).
Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 12 mei 2020 en is uitgevoerd door L. Pieterman en ir. ing. K.J. Rebergen. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 8/8 bewolkt, 90 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
3
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. (a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten.
In de verordening Ruimte van de provincie Gelderland voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis
Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn
Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos
Egel
Meerkikker
Woelrat
(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Gelders Natuurnetwerk. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Natuurnetwerk geldt het 'nee, tenzij'-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft:
4
a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime 'Andere soorten') geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van 2,0 km van de planlocatie is het voorkomen bekend van de volgende beschermde vaatplanten: kluwenklokje (NDFF 2010-2020). Het kluwenklokje komt voor op kalkhoudende, vochtige en grazige grond. Dergelijk habitat is niet aanwezig binnen de planlocatie. Gedurende het veldbezoek zijn geen beschermde planten en/of sporen hiervan aangetroffen. Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante kruiden zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, paarse dovenetel, grote bereklauw, kleine brandnetel, paardenbloem, braam, kleine veldkers, wilde peen, kleefkruid, Robertskruid en grote kaardebol.
Grote kaardebol was onder de voormalige flora en fauna wet beschermd. Met de huidige wetgeving (Wet natuurbescherming) is deze bescherming komen te vervallen. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2,0 km is onder andere de aanwezigheid van de volgende soorten vastgesteld: aardmuis, bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, egel, haas, huismuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter en vos (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, das en steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren.
Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land: moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. De kavelsloot aan de zuidzijde voldoet niet aan het vorengenoemde leefgebied van de soort. Negatieve effecten t.a.v. de bever kunnen uitgesloten worden.
5
Het voorkeurshabitat van de steenmarter betreft een kleinschalig parklandschap. Geschikte leefgebieden bestaan voornamelijk uit kleinschalige landbouw met oude schuren, heggen en geriefhoutbosjes (Zoogdiervereniging steenmarter, 2020). De bunzing komt vaak voor in een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water. Door de aanwezigheid van het braamstruweel en de bosschages aan de noord- en westzijde van het perceel, kan de aanwezigheid van kleine marterachtigen (in het bijzonder de bunzing) en de steenmarter niet uitgesloten worden. Door middel van wildcamera's (ev. gecombineerd met een marterbox) en sporenbuizen dient de aan- danwel afwezigheid vastgesteld te worden. In de actieve periode van de soortgroep (maart-augustus) kan volstaan worden met 6 weken onderzoek. Buiten de actieve periode dient het onderzoek voor een tijdsduur van 12 weken ingezet te worden. De das leeft in gebieden die bestaan uit een combinatie van diverse habitattypen. Vaak zijn dit zowel hooggelegen als laaggelegen gronden die op korte afstand van elkaar liggen, in meestal kleinschalige akker- en weidelandschappen met voldoende bosjes, houtwallen, singels en heggen.
Belangrijk voor het habitat van de das is dat er voldoende voedselaanbod is, een goed vergraafbare grond aanwezig is, voldoende dekking in de vorm van bijvoorbeeld houtwallen of heggen is en het gebied weinig wordt verstoord (BIJ12 kennisdocument Das, 2017). Door het ontbreken van vergraafbare grond én de aanwezigheid van een barrière in de vorm van een kavelsloot aan de zuid- en westzijde van het perceel, is het uitgesloten dat het plangebied deel uit maakt van het essentieel leefgebied van de soort. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10).
Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten. Vleermuizen Binnen een straal van 2,0 km is het voorkomen bekend van onder andere: gewone dwergvleermuis en laatvlieger (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Op de planlocatie zijn geen voor vleermuizen geschikte boomholten aanwezig welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats. Door het ontbreken van bebouwing kan de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen binnen de planlocatie uitgesloten worden. Binnen de planlocatie is geen essentieel foerageergebied, gezien de hoeveelheid groenstructuren in de directe en ruime omgeving. In relatie tot het aantal waarnemingen van vleermuizen is uitgesloten dat de groenstructuren binnen de planlocatie niet over een essentiële functie beschikt. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting.
Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd.
6
Amfibieën Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid bekend van bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander, knoflookpad en poelkikker (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: kamsalamander, knoflookpad en poelkikker. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. Het voortplantingswater van de kamsalamander heeft een rijke watervegetatie, is licht voedselrijk, niet zuur, slechts beperkt beschaduwd en er mogen geen vissen of watervogels in voorkomen. De waarnemingen van de kamsalamander zijn voornamelijk bekend vanuit de Ewijkse plaat, gelegen op een afstand van circa 2 km. De sloot aan de zuidzijde betreft een sterk geëutrofieerde sloot. Er is weinig tot geen geschikt onderwatervegetatie voor de soort aanwezig, waar deze haar eitjes op kwijt kan. Daarbij zal de sloot behouden blijven. Negatieve effecten op de soort kunnen uitgesloten worden. De knoflookpad is een zeer zeldzame en bijzondere soort welke is gebonden aan de stroomdalen van beken en rivieren in het oosten en zuidoosten van Nederland.
De waarnemingen zijn bekend van een bekende geïsoleerde poopulatie, mogelijk de laatst levende overgebleven populatie van knoflookpadden die ooit de Gelderse Poort en de Waaluiterwaarden stroomafwaarts van Nijmegen hebben bevolkt (Ravon). Binnen de planlocatie is geen geschikt leefgebied aanwezig. Negatieve effecten t.a.v. knoflookpad kunnen uitgesloten worden. De poelkikker leeft vooral in kleinschalige, stilstaande wateren met schoon, zwak zuur en voedselarm water. Ook voor deze soort geldt dat de sloot te geëutrofieerd is. Daarbij zal de sloot behouden blijven in de beoogde ontwikkeling. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie. Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid niet bekend van reptielen (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geld dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers.
Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Binnen een straal van 2,5 km is de aanwezigheid bekend van baars, bermpje, blankvoorn, brasem, driedoornige stekelbaars, karper, kleine modderkruiper, kolblei, marmergrondel, rietvoorn, snoek, tiendoornige stekelbaars, vetje en zeelt (NDFF 2010-2020). De sloot aan de zuid- en westzijde zal niet aangetast worden in de beoogde ontwikkeling. In de omgeving is voldoende uitwijkmogelijkheid voor soorten om tijdens de werkzaamheden (c.q. trillingseffecten) uit te wijken. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2,0 km is de aanwezigheid van beschermde soorten niet bekend. (NDFF 2010-2020). Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Op de planlocatie zijn geen plantensoorten aangetroffen die specifiek voor een beschermde ongewervelde een waardplant vormen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden.
Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten.
7
Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: merel, aalscholver, huismus, koolmees, pimpelmees en winterkoning. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Gedurende het veldbezoek zijn, behoudens huismussen, geen individuen, nesten en/of sporen aangetroffen van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nestlocatie en/of leefgebied. Richting het noordoosten zijn er een aantal huismussen gehoord. Aannemelijk bevinden deze broedparen zich rondom de bebouwing aan de Koningstraat 18. Deze bebouwing bevindt zich op een afstand van circa 90 meter. Over het algemeen gebruiken huismussen tijdens het broedseizoen binnen een geringe afstand van hun nesten, om zo de jongen van eiwitrijk voedsel te voorzien. Door de afstand tussen deze bebouwing en de braamstruwelen, kan uitgesloten worden dat het braamstruweel functioneel leefgebied van de huismus betreft. Binnen de planlocatie is braamstruweel aanwezig. De bebouwing op de naburige percelen zijn ongeschikt voor huismussen (door ontbreken dakgoot en aanwezigheid van rieten dak). Daarbij zijn er in de omgeving van Ewijk verder geen additionele waarnemingen van huismussen bekend (NDFF 2010-2020). Door het vorengenoemde kan worden uitgesloten dat de groenstructuren deel uitmaken van het functioneel leefgebied van de huismus.
Door het ontbreken van bebouwing kan de aanwezigheid van gierzwaluw- kerkuil en steenuil nesten tevens uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van functioneel leefgebied van uilen, door het lage kwaliteitsbeeld. Door de hoge stand van het gras, afgewisseld met hogere grassoorten, wordt het jagen van uilen bemoeilijkt. Daarbij zijn er op mogelijke rustplaatsen (paaltjes, etc.) geen krijtsporen of andere indicaties van gebruik door uilen aangetroffen. Grote gele kwikstaart broedt langs stromende watergangen in dichte vegetatie langs natuurlijke oevers of in kunstwerken als bruggen of stuwen. Voor deze soort zijn op de planlocatie geen geschikte nestlocaties of functioneel leefgebied aanwezig. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd.
Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 juli. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.
8
Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 1,8 km ligt het Natura 2000gebied 'Rijntakken' (figuur 4). Op een afstand van circa 1,5 km ligt het Natuurnetwerk en circa 1,6 km tot aan de Groene ontwikkelingszone (figuur 5). Rijntakken
1,8 km Ewi jk
Natura 2000 JĮ Natura 2000-get»ed
Figuur 4
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,8 km tot het Natura 2000-gebied 'Rijntakken' (bron: nationaal Georegister PDOK).
1,6 km Ewi jk
Be uitingen
Natuurnetwerk Nederland ■Gelders natuurnetwerk ■Groene ontwikkelingszone
Figuur 5
9
De planlocatie ligt op een afstand van circa 1,5 km tot het Gelders Natuurnetwerk en 1,6 km tot de Groene ontwikkelingszone (bron: nationaal Georegister PDOK).
Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden per definitie te groot is. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een vrijstaande woning. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.
Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het 'projecteffect'). In de handreiking 'woningbouw en AERIUS' (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: ^ ^ ^
Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.
Gezien er sprake is van een grote afstand (1,8 km) tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en in de gebruiksfase sprake is van een beperkte toename in stikstofemissie wordt op voorhand uitgesloten dat er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. Een berekening middels de AERIUS Calculator kan derhalve achterwege blijven.
Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk.
10
Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er is potentie voor kleine marterachtigen en steenmarter. Derhalve dient er aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar de volgende soorten of soortgroepen: kleine marterachtigen en steenmarter. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets, 'nee, tenzij'-toets en AERIUS Calculator berekening is niet noodzakelijk. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
broedvogels (j)
Geschikt habitat Vogelrichtlijnsoort
broedvogels (a)
vissen
reptielen
amfibieën
insecten en ongewervelden
Soortenbescherming - = ongeschikt + = geschikt n (nee)/ j (ja)/ m (maatregelen)
vaatplanten
Legenda
vleermuizen
Overzicht van de functie van het plangebied voor beschermde flora en fauna en ook de verwachtte effecten naar aanleiding van de beoogde ingrepen en de eventueel daarop te nemen vervolgstap. (a) algemene broedvogel en cat. 5 soorten, (j) jaarrond beschermde nesten, cat. 1 t/m 4 soorten. grondgebonden zoogdieren
Tabel 2
+
+A
n
n
Geschikt habitat Habitatrichtlijnsoort
-
-
Geschikt habitat Andere soort
-
+A
Soortspecifiek onderzoek noodzakelijk
n
j
Gebiedsbescherming
afstand
effecten
nader onderzoek
Natura 2000
1,8 km
geen
n.v.t.
Gelders natuurnetwerk
1,5 km
geen
n.v.t.
Groene ontwikkelingszone
1,6 km
geen
n.v.t.
Houtopstanden
aanwezig
kap
melding
Struiken
ja
ja
n.v.t.
Bomen
ja
ja
n.v.t.
-
+A
-
-
-
-
+A
-
+A
n
n
n
n
n
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wnb. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de planlocatie een relevante functie heeft voor kleine marterachtigen en steenmarter (soortenbescherming). Indien vorengenoemde soorten gebruik maken van de planlocatie zal bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen van de verbodsbepalingen Wet nb art 3.10, lid 1. Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden.
11
Conclusie De bestemmingsplanwijziging aan de Koningstraat ong. te Ewijk is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
Vervolgstappen ^ Er dient aanvullend onderzoek naar de kleine marterachtigen (in het bijzonder bunzing) en steenmarter uitgevoerd te worden om vast te stellen of het plangebied deel uitmaakt van het functioneel leefgebied. Ten aanzien van de bunzing en steenmarter wordt het gebruik van cameravallen geadviseerd. Voor kleine marterachtigen (c.q. wezel en hermelijn) wordt geadviseerd om een cameraval te plaatsen in een marterbox. Ten tijde van de actieve periode, respectievelijk maart - augustus, dienen de cameravallen minsten zes weken in het gebied te worden geplaatst (Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming). Buiten de actieve periode dienen de cameravallen minsten twaalf weken geplaatst te worden. Additioneel kunnen er sporenbuizen ingezet worden. Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). ^ Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. ^ Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.
^ Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • Mogelijke overwinteringslocaties van algemene amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober - april. • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.
12
Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Bouwens, S, 2017. Handreiking Kleine Marters in relatie tot soortbescherming, Provincie Noord-Brabant. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. - Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W. Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl
13
We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,
Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Auteur
Blom Ecologie B.V., ir. T.W.D. Schrader Collegiale toets
Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming
© Blom Ecologie B.V. Zandweg 46a - 4181 PM Waardenburg Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.
14
Bijlage 1 Fotografische impressie
15
Figuur 1
De planlocatie is gelegen aan de Koningstraat ong. te Ewijk. Aan de noordoostzijde zal een oprit gerealiseerd worden.
Figuur 2
De zuidelijk gelegen sloot.
Figuur 3
Binnen de planlocatie zijn veel braamstruwelen aanwezig.
V:ľ^vi
UgŭgįíŞ
'ĩ„r y ‘
MM
Figuur 4
16
Aan de westzijde is ten tijde van het veldbezoek een houtstapel aanwezig.
Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit 'Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen' van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.
Komen er beschermde soorten voor ín het gebied?
Let op. er s/n drie categorieën beschermde soorten: vogels, ovenge Europees beschermde soorten en andere Cnationaal') beschermde soorten. Zie paragraaf jt en de bijïtiţļen.
Geen ontheffing nodig
Worden de verbodsbepalingen overtreden?
Let op. el fee categorie beschermde soorten heeft eigen verbodsbepofingen. Zie paragroef gr.
Geen ontheffing nodig
Vallen de handelingen ondereen vrijstelling?
Let op. ofhonhehýh iron bet type handeling en de aangetroffen soorten hunnen verschillende vrgstedingen gelden via bt/voorbeefd een gedragscode of provinoafe verordening. Zie hoofdstuh ţ.
Geen ontheffing nodig
Is er een alternatieve oplossing mogelijk?
Doorloop het stappenplan opnieuw met het alternatief
Is er sprake van een wettelijk belang?
Let op. elfee categorie beschermde soorten heeft zijn eigen lįst met belangen. Se paragraaf 6.2 b.
Geen ontheffing mogelijk
Is er een effect op de staat van instandhouding?
Geen ontheffing mogelijk
Ontheffing kan onder voorwaarden worden verleerd
17
Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b). 4
Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.
er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b.
zij is nodig: l0.
c.
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
20.
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
30.
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;
40.
ter bescherming van flora of fauna;
50.
voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of
60.
om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort.
Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b). 5
Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a.
er bestaat geen andere bevredigende oplossing;
b.
zij is nodig:
c.
18
l0.
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of In het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
20.
ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
30.
in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
40.
voor onderzoek en onderwijs, repopulatîe of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of
50.
om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2). 2
19
Artikel 3.8. met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a.
in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied;
b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen;
c.
ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden;
d.
ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren;
e.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw;
f.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer;
g.
in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of
h.
in het algemeen belang.