01 Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2022
Tekst van het document
Onderwerp
:
Registratienummer Registratiecode Auteur Status
: : : :
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2022 at22000261
*at22000261* André Goudriaan Openbaar
Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2022 De raad van de gemeente Beuningen;
gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 15 februari 2022, bb22.00110;
gelet op het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap; gelet op het Internationaal verdrag inzake de rechten van het kind;
gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, 2.1.4a, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; gelet op de artikelen 2.9, 2.10, 2.12 van de Jeugdwet; gezien het advies van de Cliëntenraad Beuningen; overwegende dat:
- inwoners een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;
- van inwoners verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan; dat inwoners die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of
onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;
- de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen allereerst bij de ouders en de jeugdige zelf ligt;
- het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;
- het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp;
- het wenselijk is de regels op het gebied van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en in één verordening onder te brengen;
besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2022
Artikel 1. Begripsbepalingen a)
Algemene voorziening: aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de
gebruikers, vrij toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een overige voorziening; b)
Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de
omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken; c)
Andere voorziening: voorziening op het gebied van jeugdhulp, zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning of werk en inkomen;
d)
Beschermd thuis: de Inwoner woont in zijn eigen (al of niet gedeelde) woning,
eveneens met de benodigde begeleiding en een vorm van toezicht of bereikbaarheid. Er kan sprake zijn van het wonen in een groep (waarin men voorzieningen deelt) of
(zelfstandig) geclusterd wonen (waarbij men zodanig geclusterd woont dat inzet van groepsbegeleiding mogelijk is). In deze gevallen is er ook een component groepsbegeleiding die door de zorginstelling geleverd wordt.
De Inwoner woont zelfstandig en is dus zelf verantwoordelijk voor de huur, vaste lasten en alle kosten van het levensonderhoud. e)
Cliënt: persoon die op grond van Jeugdwet of Wmo 2015 gebruik maakt van een
algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is verstrekt of door of namens wie een melding is gedaan. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als een jeugdige en zijn ouders; f)
Gebruikelijke hulp in relatie tot jeugdhulp: de dagelijkse verzorging en/of opvoeding die (pleeg)ouders/wettelijk vertegenwoordigers aan kinderen geacht worden te bieden;
g)
Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 5;
h)
Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning en/of jeugdhulp;
i)
Ingezetene: cliënt die in het kader van maatschappelijke ondersteuning woonachtig is in de gemeente Beuningen.
j)
Maatwerkvoorziening: op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de
cliënt afgestemde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp. In de Jeugdwet wordt dit aangeduid als individuele voorziening; k)
Mantelzorg: bovengebruikelijke hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie,
beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en die niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep; l)
Melding: het kenbaar maken van de hulpvraag door of namens de cliënt;
m) Persoonlijk plan: plan als bedoeld in artikel 4, vierde lid; n)
Pgb: persoonsgebonden budget, zijnde een door het college verstrekt budget aan een cliënt, dat de cliënt in staat stelt de maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp die tot de maatwerkvoorziening behoort, van derden te betrekken;
2
o)
Verslag: schriftelijke weergave van het onderzoek en een advies aan het college over het treffen van een voorziening;
p)
Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee
geheel of gedeeltelijk aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen en waardoor een maatwerkvoorziening achterwege kan blijven.
Voorzover niet anders is bepaald in deze verordening hebben de begrippen dezelfde betekenis als in de Wet maatschappelijke ondersteuning, de Jeugdwet en de algemene wet bestuursrecht.
Artikel 2. Melding hulpvraag 1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college of een andere daartoe door het college aangewezen organisatie, verder te noemen de andere organisatie, worden gemeld.
2. Het college of de andere organisatie bevestigt de ontvangst van een melding. 3. Indien bij het college of de andere organisatie melding wordt gedaan van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp, voert het college of de andere
organisatie in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen zes weken na de melding, een onderzoek uit overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 6.
4. In spoedeisende gevallen verstrekt het college of de andere organisatie na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek of vraagt het college een machtiging gesloten jeugdhulp aan de rechter.
5. Voor zover de hulpvraag betrekking heeft op jeugdhulp, kan de hulpvraag ook worden gemeld bij de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts, die elk kan verwijzen naar gecontracteerde jeugdhulp. De gecontracteerde jeugdhulpaanbieder beoordeelt welke maatwerkvoorziening nodig is.
6. Het college legt de te verlenen maatwerkvoorziening, dan wel het afwijzen daarvan, vast in een beschikking. In het geval van een verwijzing naar gecontracteerde jeugdhulp, zoals
bedoeld in lid 5, legt het college de te verlenen maatwerkvoorziening dan wel het afwijzen daarvan alleen vast in een beschikking, indien cliënt dit wenst of wanneer het college afwijkt van het oordeel van de jeugdhulpaanbieder, zoals omschreven in lid 5.
Artikel 3. Cliëntondersteuning en vertrouwenspersoon 1.
Het college zorgt ervoor dat cliënten een beroep kunnen doen op kosteloze en
2.
Het college zorgt ervoor dat de jeugdige, ouders en pleegouders een beroep kunnen doen
3.
Het college of de andere organisatie wijst de cliënt en mantelzorger voor het onderzoek
onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is. op een onafhankelijke vertrouwenspersoon als bedoeld in de Jeugdwet.
op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning of, indien van toepassing, een onafhankelijke vertrouwenspersoon.
Artikel 4. Vooronderzoek
3
1.
Het college of de andere organisatie verzamelt alle voor het onderzoek van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
2.
Voor het gesprek verschaft de cliënt het college of de andere organisatie alle overige
gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college of andere organisatie voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het
college of de andere organisatie kan van cliënt e een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage verlangen. 3.
Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college of de andere
organisatie in overleg met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste en tweede lid.
4.
Het college of de andere organisatie brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid
om binnen zeven dagen na de melding schriftelijk de hulpvraag te beschrijven en aan te geven welke mogelijke oplossingen volgens hem nodig zijn (persoonlijk plan).
Artikel 5. Gesprek 1.
Het college voert een onderzoek uit naar aanleiding van de melding. Het onderzoek
bestaat in ieder geval uit een gesprek, tenzij sprake is van de situatie bedoeld in het vijfde lid.
2. Het college of de andere organisatie onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en de cliënt, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:
a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt; b. het gewenste resultaat van de hulpvraag; c. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt; d. de mogelijkheden om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, een algemene voorziening of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
e. de mogelijkheden om met mantelzorg, het verrichten van maatschappelijk nuttige
activiteiten of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
f. de mogelijkheden om door middel van voorliggende voorzieningen of door samen met
zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, maatschappelijke ondersteuning, jeugdhulp,
onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, een oplossing voor de hulpvraag te vinden en de wijze waarop een mogelijk toe te kennen maatwerkvoorziening wordt afgestemd op andere voorzieningen op deze domeinen;
g. de mogelijkheden om met een maatwerkvoorziening een oplossing voor de hulpvraag te vinden;
h. welke bijdragen in de kosten de cliënt voor de maatschappelijke ondersteuning verschuldigd zal zijn, en
i. de mogelijkheid een pgb te verstrekken als de cliënt dit wenst, waarbij de cliënt in
begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die mogelijke keuze.
4
3. Als de cliënt de beschrijving als bedoeld in artikel 4, vierde lid, aan het college of de andere
organisatie heeft verstrekt, betrekt het college of de andere organisatie dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.
4. Het college of de andere organisatie informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure.
5. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college of de andere organisatie in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.
Artikel 6. Verslag 1.
Het college of de andere organisatie zorgt voor een schriftelijk verslag van het onderzoek
2.
Na het gesprek verstrekt het college of de andere organisatie het schriftelijk verslag zo
3.
Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het schriftelijk verslag
en de uitkomsten daarvan.
spoedig mogelijk aan de cliënt.
toegevoegd en maken daar deel van uit.
Artikel 7. Aanvraag 1.
Een cliënt of zijn gemachtigde of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag om een
2.
Het college kan een ondertekend verslag als bedoeld in artikel 6 lid 1 als aanvraag
3.
Een aanvraag om een maatwerkvoorziening wordt niet ingediend voordat een gesprek als
maatwerkvoorziening schriftelijk of elektronisch indienen bij het college. aanmerken als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.
bedoeld in artikel 5 heeft plaatsgevonden, tenzij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 5, vijfde lid.
4.
Binnen twee weken na ontvangst van de aanvraag om een maatwerkvoorziening geeft het
5.
Het eerste tot en met het vierde lid zijn niet van toepassing op een aanvraag van gesloten
college een beschikking af.
jeugdhulp in het vrijwillig kader.
Artikel 8. Criteria voor een maatwerkvoorziening 1. Het college neemt het verslag als uitgangspunt voor de beoordeling van een aanvraag om een maatwerkvoorziening.
2. Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening: a. ter compensatie van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie die de cliënt
ondervindt, voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen - op eigen kracht; - met gebruikelijke hulp; - met mantelzorg; - met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; - met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of
5
- met algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5
bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven,
b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met
psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen - op eigen kracht; - met gebruikelijke hulp; - met mantelzorg; - met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; - met gebruikmaking van algemene voorzieningen. De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5
bedoelde onderzoek een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen
leefomgeving kan blijven, of een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen, beschermd thuis of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving.
c. indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in
verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en/of stoornissen en voor
zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn. Het college betrekt daarbij in ieder geval de mate waarin de jeugdige een oplossing kan vinden voor de ondersteuningsvraag
- op eigen kracht of met zijn ouders; - met gebruikelijke hulp; - met behulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; - met gebruikmaking van algemene voorzieningen; - met gebruikmaking van andere voorzieningen. De maatwerkvoorziening stelt de jeugdige in staat, rekening houdend met de uitkomsten van het in artikel 5 bedoelde onderzoek een passende bijdrage te leveren aan het realiseren van een situatie waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld - gezond en veilig op te groeien; - te groeien naar zelfstandigheid, en - voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. 3. Voor de maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie, op grond van de Wmo 2015, geldt bovendien dat:
6
a. de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs onvermijdbaar moet zijn geweest; b. deze voorziening langdurig noodzakelijk dient te zijn; c. in het geval de voorziening voorzienbaar was, vast komt te staan dat van de cliënt redelijkerwijs niet kon worden verwacht, dat de cliënt maatregelen had getroffen die de hulpvraag overbodig maakte.
4. Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college
verstrekte maatwerkvoorziening, wordt deze maatwerkvoorziening slechts verstrekt als de eerder verstrekte maatwerkvoorziening technisch is afgeschreven,
a. tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;
b. tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of c. als de eerder verstrekte voorziening niet langer compensatie biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.
Artikel 9. Afwijzingsgronden 1. Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt: a. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot maatschappelijke ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;
b. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van
andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien;
c. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen of andere voorzieningen de beperkingen kan verminderen of wegnemen, of in zijn behoefte aan jeugdhulp kan voorzien; d. als de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is; e. als cliënt voor de Wmo 2015 geen ingezetene is van de gemeente Beuningen, met uitzondering van beschermd wonen1 en opvang, of volgens het woonplaatsbeginsel in de Jeugdwet niet onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Beuningen valt;
f. als het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van de beschikking heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;
g. als de cliënt die maatschappelijke ondersteuning vraagt geen of onvoldoende eigen verantwoordelijkheid heeft getoond;
h. voor zover er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie;
i. voor zover de voorziening naar objectieve maatstaven niet als goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt;
1 Tijdelijk verblijf LVB valt niet onder beschermd wonen. Voor deze voorziening is het
ingezetenencriterium dus onverkort van toepassing.
7
j. voor zover de voorziening niet in overwegende mate op het individu is gericht; k. als de cliënt de beperking heeft weggenomen door voorafgaand aan de melding zelf een oplossing gerealiseerd te hebben.
2. Voor alle woonvoorzieningen geldt bovendien dat geen woonvoorziening wordt verstrekt: a. in het geval de beperkingen bij het normaal gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;
b. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie‐
en recreatiewoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
c. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het
aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de
toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing en inrichting;
d. ten behoeve van specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen voor wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die bij
(nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden; e. als de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest
geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. 3. Voor beschermd wonen geldt dat er geen toegang is tot deze voorziening als de cliënt uitsluitend (feitelijk) dakloos is of slachtoffer is van huiselijk geweld.
4. Voor opvang geldt dat de toegang kan worden geweigerd wanneer: a. een cliënt zich (na toegang tot de opvangvoorziening) niet houdt aan de huisregels; b. een cliënt onveiligheid en overlast veroorzaakt; c. een cliënt niet bereid is om mee te werken aan een passend ondersteuningstraject;
d. er sprake is van een tegenstellende indicatie waardoor een opvangtraject geen geschikte vorm van maatschappelijke ondersteuning voor een cliënt is;
e. een cliënt zich ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvang of richting medewerkers van de opvanginstelling;
f. de eigen bijdrage (na veelvuldige waarschuwingen) niet betaald wordt; g. er in het geval van vrouwenopvang geen sprake is van huiselijk geweld en/of geweld in een afhankelijkheidsrelatie.
5.Geen pgb wordt verstrekt als niet voldaan wordt aan de voorwaarden voor een pgb zoals bedoeld in de artikelen 9a en 11 t/m 13.
Artikel 9a. Wonen en zorg Het is niet toegestaan een overeenkomst af te sluiten met een aanbieder dan wel een derde (in
geval van een pgb) waarin het bieden van de geïndiceerde ondersteuning mede afhankelijk is van
8
de woonruimte die door de organisatie dan wel derde wordt geboden, tenzij het verblijf onderdeel is van de indicatie.
Artikel 10. Inhoud beschikking 1. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval
aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens
aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Het in artikel 6 lid 1
bedoelde schriftelijke verslag behoort bij de beschikking en maakt daar integraal onderdeel van uit.
2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking danwel in het schriftelijk verslag in ieder geval vastgelegd:
a. welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is; b. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is; c. hoe de voorziening wordt verstrekt, en d. indien van toepassing, welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn. 3. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:
a. voor welk resultaat het pgb kan worden aangewend; b. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb; c. wat de hoogte van het pgb is en hoe hiertoe is gekomen; d. wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld, en e. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb. 4. Als sprake is van een te betalen bijdrage in de kosten wordt de cliënt daarover in de beschikking geïnformeerd.
Artikel 11. Regels voor pgb algemeen 1. De cliënt die een pgb wenst, motiveert schriftelijk in het plan, bedoeld in lid 3 onder a: a. waarom hij op eigen kracht voldoende in staat is tot een redelijke waardering van de belangen
terzake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk dan wel met een curator, bewindvoerder, mentor of gemachtigde, gecertificeerde instelling of aanbieder van gesloten jeugdhulp in staat is de aan het pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;
b. waarom hij de maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 als een pgb wenst geleverd te krijgen of waarom hij een maatwerkvoorziening in het kader van de Jeugdwet in natura niet passend acht;
c. hoe naar zijn mening gewaarborgd is dat de maatwerkvoorziening veilig, doeltreffend, van
goede kwaliteit en cliëntgericht is. Daarbij is in elk geval van belang dat degene die de diensten verleent, voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, met
uitzondering van bloedverwanten in de eerste en tweede graad of personen die beschikken over een geldige SKJ-registratie ;
9
d. dat voldaan is aan het gestelde in artikel 9a. Desgevraagd onderbouwt de budgethouder dit met bewijsstukken
e. voor zover het beschermd wonen of beschermd thuis betreft, een uiteenzetting van de kosten
voor begeleiding, inclusief aanvullende specialistische begeleiding en dagbesteding;2. Het pgb kan worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud, reparatie en verzekering van een
hulpmiddel voor zover onderhoud en verzekering door het college wordt verlangd en het geen onderdeel is van het pgb.
3. Het tarief voor een pgb: a. is gebaseerd op een door de cliënt opgesteld plan over hoe hij het pgb gaat besteden; b. is toereikend om effectieve en kwalitatief goede zorg in te kopen; c. wordt afgestemd op de verschillende vormen van ondersteuning en de verschillende typen hulpverleners;
d. voor een zaak wordt bepaald op ten hoogste de kostprijs van de zaak die de aanvrager op dat moment zou hebben ontvangen als de zaak in natura zou zijn verstrekt;
e. voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten, zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, ziekte, verzekeringen en reiskosten;
f. voor beschermd wonen omvat mede het schoonmaken van appartement of kamer en gemeenschappelijke ruimten.
4. Budgethouders mogen vanuit het budget de volgende uitgaven niet doen: a. kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers; b. kosten voor bemiddeling; c. kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van het pgb; d. huur; e. eten en drinken; f. bijdrage in de kosten; g. contributie voor het lidmaatschap van Per Saldo, kosten voor het volgen van cursussen over het pgb en kosten voor het bestellen van informatiemateriaal;
h. zorg en ondersteuning die onder een andere wet vallen dan de wet op grond waarvan het pgb is verstrekt;
i. zorg en ondersteuning die onder een algemene voorziening en/of algemeen gebruikelijke voorziening vallen;
j. ondersteuning bij inkopen buiten EU-landen; 5. Indien de jeugdige niet de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt, wordt hij niet in staat geacht de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren.
6. Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.
7. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb. Het college besluit jaarlijks over indexering van de verschillende bedragen, genoemd in de financiële bijlage.
10
8. Cliënt mag een deel van het toegekende budget inzetten als verantwoordingsvrij bedrag en/of feestdagenuitkering voor de zorgverlener. Indien cliënt besluit een deel van het toegekende
budget in te zetten als verantwoordingsvrij bedrag of feestdagenuitkering voor de zorgverlener, kan cliënt hiervoor geen ophoging van het toegekende budget toegekend krijgen. Uitgaven ten
behoeve van een verantwoordingsvrij bedrag of feestdagenuitkering voor een zorgverlener gaan van het reeds toegekende budget af.
Artikel 12. Regels voor pgb professional 1.Dit artikel heeft betrekking op de professionele zorgaanbieder die middels een
persoonsgebonden budget wordt gefinancierd en een eventuele professionele onderaannemer die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaamheden verricht.
2. Onder de in lid 1 genoemde professionele zorgaanbieder en professionele onderaannemer worden verstaan: a.
personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te
voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5
Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of; b.
personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten
aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het
Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.
3.In het hulpverleningsplan spreken budgethouder en college af binnen welke termijn de behaalde resultaten en de daaraan verbonden voorwaarden worden geëvalueerd, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet zoals in het hulpverleningsplan is aangegeven.
4.Naast de verantwoording over het bestede bedrag aan de SVB, verplicht het college de
budgethouder om bij een (tussen)evaluatie van het hulpverleningsplan ook aan te geven wat de
behaalde resultaten zijn met het pgb en de daaraan verbonden voorwaarden, waaronder de vraag of de ingekochte ondersteuning aan de kwaliteitseisen voldoet. Ook bij maandbedragen moet de pgb-houder en de betrokken zorgverlener de geleverde zorg (kunnen) verantwoorden in uren en/of dagdelen.
5.De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt.
6.De zorgaanbieder dient te voldoen aan de criteria zoals vastgelegd in bijlage 3. Indien de
kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door het college (bijvoorbeeld in een aanbestedingstraject) en het college is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de
kwaliteitscriteria, worden gedurende 1 jaar (vanaf moment van constatering van niet voldoen) geen pgb’s toegekend waarbij de betreffende zorgaanbieder partij is. Als na afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de zorgaanbieder een verzoek indienen bij het college om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.
7.Als het niet voldoen aan de kwaliteitseisen gevolg is van verwijtbaar handelen of er is sprake van voortdurende wanprestatie kan het college een waarschuwing geven en/of de aanbieder niet (langer) meer accepteren in het kader van een pgb.
11
Artikel 13. Regels voor pgb sociaal netwerk 1. Tot het sociale netwerk worden personen gerekend uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt, zoals familieleden, buren, vrienden, kennissen, etc.
2. De cliënt die in aanmerking komt voor een pgb, kan alleen diensten, hulpmiddelen,
woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot zijn
sociale netwerk als dat aantoonbaar tot betere en efficiëntere ondersteuning leidt en aantoonbaar
doelmatiger is. Het college kan bij nadere regeling nadere voorwaarden stellen aan de verstrekking van een pgb aan een persoon die behoort tot zijn sociale netwerk.
3. Als een pgb wordt verstrekt aan een persoon die behoort tot het sociaal netwerk, krijgt deze
persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan het vastgestelde tarief voor professionals. 4. Indien de hulp geboden wordt door een persoon die voldoet aan de criteria zoals genoemd in artikel 12 lid 2 en die persoon eveneens tot het sociale netwerk behoort, zoals bedoeld in lid 1, krijgt die persoon een lager tarief betaald, zoals bedoeld in lid 3.
5. Bij de beoordeling of sprake is van hulp die het sociale netwerk zonder betaling kan bieden en of bij wijze van uitzondering de inzet van het sociale netwerk met een pgb betaald kan worden, spelen in elk geval de volgende aspecten een rol:
- het type hulp dat wordt geleverd (pgb kan niet worden ingezet voor behandeling); - de frequentie van de hulp; - een tijdelijke hulpvraag of hulp over een lange periode; - de mate van verplichting (kan degene die de hulp levert een keer overslaan als hij/zij ziek is of op vakantie wil, of is dit niet mogelijk?);
- kwaliteit van de ondersteuning zit in de nabijheid van ondersteuner; - pgb leidt tot een betere en effectievere ondersteuning die aantoonbaar doelmatig is. - als volgens landelijk geldende kwaliteitscriteria een minimale opleiding vereist is, moet de persoon uit het netwerk die kwalificatie minimaal hebben;
- de persoon uit het netwerk moet aangegeven dat de zorg voor hem niet tot overbelasting leidt. 6. In aanvulling op de wettelijke voorwaarden en weigeringsgronden, wordt een pgb voor hulp uit het sociale netwerk alleen verstrekt, als voldaan is aan de volgende voorwaarden:
- type hulp: voor begeleiding, behandeling, jeugdhulp, dagbesteding, verblijf en beschermd wonen ggz (Wmo 2015 en Jeugdhulp) is deskundigheid/bekwaamheid van degene(n) uit het
sociaal netwerk die het pgb uitvoert een voorwaarde. Bij hulp bij het huishouden is deskundigheid geen voorwaarde. De deskundigheid dient te worden aangetoond met een relevante opleiding en/of werkervaring;
- kostenderving: een uitzondering voor pgb door sociaal netwerk is er als iemand, bijvoorbeeld mantelzorger, ervoor kiest om minder te gaan werken om (meer) mantelzorg te kunnen blijven bieden of op een andere wijze iets moet organiseren (bijv. oppas voor de andere kinderen) om
intensieve mantelzorg te kunnen bieden. Bij schoolgaande kinderen met een beperking gaat het college e ervan uit dat ouders met behulp van (passende) naschoolse opvang (reguliere kinderopvang al dan niet met aanvullende zorg of via specialistisch naschoolse
12
opvang/dagbesteding voor kinderen) kunnen werken zoals andere ouders met kinderen in de
schoolgaande leeftijd, behalve als de zorg ook ’s avonds, ’s nachts en in de weekenden nodig is en/of als er sprake is van (veelvuldige) schooluitval als gevolg van de ziekte of beperking;
-betere/efficiëntere ondersteuning: een reden voor ‘pgb door sociaal netwerk’ kan (bijv.) ook zijn dat het sociale netwerk een grotere flexibiliteit kan bieden of dat een cliënt/kind vanwege de
beperking of problematiek moeite heeft om vreemden toe te laten, waardoor de ondersteuning
minder effectief zal zijn als onbekende hulpverleners de zorg verlenen (gebrek aan vertrouwen in buitenstaanders, taalbarrière, ....). Hiertegenover staat dat een ‘vreemde’ in sommige gevallen beter het gestelde doel (patronen doorbreken bijv. voorkomen symbiotische verhouding) kan bereiken dan een vertrouwde persoon. Van belang is om te beoordelen of professionele distantie/reflectie gewenst is met het oog op het bereiken van doelen.
Artikel 14. Regels voor pgb-beheer 1. Ten aanzien van begeleiding, dagbesteding en beschermd wonen Wmo geldt dat uitgangspunt
van een pgb is dat de cliënt zelf in staat is om regie te voeren op de ingekochte ondersteuning. De pgb-beheerder kan de cliënt ondersteunen in het pgb-beheer, maar kan niet volledig in de plaats
treden van de cliënt tenzij de pgb-beheerder ouder van de cliënt is of familie in de eerste graad of tweede graad. Als de cliënt onvoldoende in staat is tot regievoering, zal het college niet overgaan tot het toekennen van een pgb, tenzij de pgb-beheerder ouder van de cliënt is of familie in de eerste graad of tweede graad.
2. Pgb-beheer kan plaatsvinden door iemand die tot het sociaal netwerk behoort of door een
professional. Een professional levert zijn diensten tegen marktconform tarief. Het college of de andere organisatie kan vragen om een bewijs van betaling.
3. De pgb-beheerder moet in staat zijn tot een redelijke waardering van de belangen van zijn cliënt.
4. De pgb-beheerder stelt het belang van de cliënt centraal, er mag geen sprake zijn van belangenverstrengeling. De pgb-beheerder is in ieder geval niet tevens de
zorgaanbieder/zorgverlener, diens vast/flexibel personeel, diens organisatie adviseur of op
andere wijze aan de zorgaanbieder verbonden persoon (de combinatie van zorgverlener en pgbbeheerder in één persoon of instantie is gezien de belangenverstrengeling onwenselijk en niet
toegestaan), met uitzondering van situaties waarin familieleden in de eerste of tweede graad (een deel van) de zorg verlenen.
5. De pgb-beheerder van de cliënt ondersteunt de cliënt van aanmelding tot evaluatie van zorg, beschermt de rechten van de cliënt en is ook integraal aanspreekpunt.
6. Een bewindvoerder kan als vertegenwoordiger optreden, mits uit het onderzoek blijkt dat hij ook over zorginhoudelijke kennis beschikt.
7. De pgb-beheerder heeft minimaal 1 keer per maand contact met de cliënt en zorgverlener. 8. De pgb-beheerder dient aan te geven dat het beheren van het pgb voor hem of haar niet tot overbelasting leidt.
9. Kosten voor pgb-beheer mogen niet worden voldaan uit het persoonsgebonden budget.
Artikel 15. Controle
13
1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Wmo 2015 (kwaliteit en rechtmatigheid) of Jeugdwet (rechtmatigheid).
2. Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, of de verstrekte voorzieningen worden gebruikt of besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze verstrekt zijn.
3. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.
Artikel 16. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) Vervallen
Artikel 16a. Bijdrage in de kosten voor algemene voorzieningen (Wmo 2015) Vervallen
Artikel 16b. Bijdrage in de kosten (Wmo 2015) 1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening of pgb,
zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.
2. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een bij verordening aangewezen algemene voorziening zolang de cliënt van deze voorziening gebruikmaakt.
3. De in lid 2 bedoelde bij verordening aangewezen algemene voorziening is de dagbesteding ouderen.
4. De bijdragen voor maatwerkvoorzieningen of pgb en voor bij verordening aangewezen
algemene voorzieningen, zoals bedoeld in lid 2, zijn gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 19,00 per maand voor de ongehuwde cliënt of de gehuwde cliënten tezamen. 5. De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura wordt bepaald: a. door een aanbesteding; b. na een consultatie in de markt, of c. in overleg met de aanbieder. 6. De kostprijs van een pgb is gelijk aan de hoogte van het aan een cliënt uitgekeerde bedrag. 7. In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid,, zevende lid, van de wet, worden de
bijdragen voor een maatwerkvoorziening of pgb door de aanbieder die de opvang verzorgt, vastgesteld en geïnd.
8. In afwijking van artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet geldt voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in de vorm van vraagafhankelijk vervoer via Avan een bijdrage per rit, waarbij deze
bijdrage is opgebouwd uit een bedrag per kilometer en een opstaptarief. De hoogte van het bedrag per kilometer en het opstaptarief is gelijk aan de tarieven zoals het bestuur van de
Bedrijfsvoeringsorganisatie Doelgroepenvervoer Regio Arnhem-Nijmegen (BVO DRAN) deze vaststelt voor het vraagafhankelijk vervoer.
9. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de vaststelling van de bijdrage in de kosten.
14
Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning 1. De aanbieder dient te komen tot een goede samenwerking en een goede afstemming met andere professionals en het sociale netwerk van de cliënt.
2. De zorgaanbieder dient zelfregie en samenredzaamheid te stimuleren door eenduidig handelen, zelfregie en sociale netwerkstrategieën, inzet van deskundig personeel en het toepassen van de zelfredzaamheidsmatrix.
3. De zorgaanbieder dient bij te dragen aan een inclusieve samenleving. 4. De zorgaanbieder dient invulling te geven aan toegankelijkheid van de zorg voor alle
doelgroepen, effectieve methodes en aanpakken voor alle doelgroepen en een personeelsbeleid dat hierop aansluit..
5. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:
a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt; b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg; c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;
6. Het college kan bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, in het kader van maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp, eisen met betrekking tot de
deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Het college kan, met uitzondering van aanbieders die hulpmiddelen of woningaanpassingen leveren, eisen dat de beroepskracht die maatschappelijke ondersteuning biedt voor aanvang van de dienstverlening over een actuele verklaring omtrent het gedrag beschikt als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens.
7. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen. 8. Indien een aanbieder aan het college toestemming vraagt voor het inschakelen van een
onderaannemer, wordt de onderaannemer getoetst aan de criteria opgenomen in bijlage 3. Indien de kwaliteitscriteria bij een zorgaanbieder zijn beoordeeld door de gemeente en de gemeente is van oordeel dat zorgaanbieder niet voldoet aan de kwaliteitstoets mag de betreffende
zorgaanbieder niet als onderaannemer gecontracteerd worden door de hoofdaannemer. Als na
afloop van dat jaar de kwaliteit zodanig verbeterd is dat wel aan de eisen wordt voldaan, kan de
zorgaanbieder een verzoek indienen bij gemeente om opnieuw te toetsen aan de kwaliteitseisen.
Artikel 18. Meldingsregeling calamiteiten en geweld 1. Het college wijst personen aan die belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de Jeugdwet.
2. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de
verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve ondersteuning van jeugdigen.
3. Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.
15
4. De toezichthoudend ambtenaar doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten in het kader van maatschappelijke ondersteuning en preventieve jeugdondersteuning en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
5. Aanbieders van jeugdhulp melden calamiteiten en geweldsincidenten, naast de melding bij de
landelijke toezichthouder, ook bij een door het college aan te wijzen ambtenaar van de gemeente Beuningen.
6. Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.
Artikel 19. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering
1. Een cliënt doet aan het college of de andere organisatie op verzoek of onverwijld uit eigen
beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing.
2. Het college kan een beslissing tot verstrekking van maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp beëindigen, herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:
a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing had geleid;
b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen; c. de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is te achten; d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of
e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt dan waarvoor het is verstrekt;
f. de cliënt zich niet heeft gehouden aan de voorschriften uit de bruikleenovereenkomst die hoort bij de voorziening.
3. Als het college een beslissing heeft ingetrokken en de cliënt redelijkerwijs kon begrijpen dat hij ten onrechte een maatwerkvoorziening of daaraan gekoppeld pgb ontving kan het college geheel
of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.
4. Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
5. Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
6. Het college kan een vordering op grond van ten onrechte genoten pgb verrekenen met te verstrekken pgb of een andere periodieke uitkering.
Artikel 20. Jaarlijkse waardering mantelzorgers en pleegouders 1. Het college stelt jaarlijks een blijk van waardering beschikbaar voor mantelzorgers die aangemeld zijn bij het Steunpunt Mantelzorg van Stichting Perspectief.
2. Het college kan de in lid 1 bedoelde blijk van waardering jaarlijks laten variëren. Niet limitatief kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een waardebon of verwenpakket.
16
3. Per mantelzorger is één jaarlijkse blijk van waardering zoals bedoeld in lid 1 beschikbaar. 4. Naast de in lid 1 bedoelde blijk van waardering biedt het Steunpunt Mantelzorg gedurende het gehele jaar individuele en collectieve mogelijkheden ter ondersteuning van mantelzorgers.
5. Het college kan bij nadere regeling een jaarlijkse blijk van waardering voor pleegouders in het leven roepen.
Artikel 21. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen
1. Het college kan op aanvraag aan personen met een beperking of chronische psychische of
psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben een tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie. 2. Het college kan bij nadere regeling bepalen in welke gevallen en in welke mate een tegemoetkoming kan worden verstrekt.
Artikel 22. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden 1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:
a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of
b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor: 1°. een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en 2°. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a. 2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast: a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de
deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en
b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. 3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen: a. de kosten van de beroepskracht; b. redelijke overheadkosten; c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;
d. de indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst. 4. Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving
aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.
5. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.
17
Artikel 23. Klachtregeling 1. Het college draagt zorg dat er een regeling is vastgesteld voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.
2. Aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning stellen een regeling vast
voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van de door het college gecontracteerde voorzieningen.
3. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de
klachtregelingen van aanbieders van voorzieningen voor maatschappelijke ondersteuning door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 24. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning
1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door het college gecontracteerde instellingen.
2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden kan het college nadere regels treffen ten aanzien van medezeggenschap en ziet het college toe op de naleving van de
medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.
Artikel 25. Betrekken van ingezetenen bij het beleid 1. Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke
ondersteuning en jeugdhulp, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.
2. Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid
betreffende maatschappelijke ondersteuningen jeugdhulp te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke
ondersteuning en jeugdhulp, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.
3. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.
4. Het college kan nadere regels vaststellen ter uitvoering van het tweede en derde lid.
Artikel 26. Intrekking oude verordening en overgangsrecht 1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2021 wordt ingetrokken.
2. Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening
maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2020, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken of de indicatietermijn is verstreken.
18
3. Aanvragen die zijn ingediend en meldingen die zijn gedaan onder de Verordening
maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2020 en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.
4. Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening maatschappelijke
ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2020, wordt beslist met inachtneming van Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2020.
Artikel 27. Nadere regels en hardheidsclausule 1. In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.
2. Het college kan nadere regels en beleidsregels stellen over de uitvoering van deze verordening. 3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening als de toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.
4. Het college besluit jaarlijks over indexering van verschillende bedragen en tarieven, genoemd in de financiële bijlage.
Artikel 28. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking ervan en werkt terug tot 1 januari 2022.
2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp gemeente Beuningen 2022.
Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de raad van 23 maart 2022 De Griffier,
De voorzitter,
Bijlagen: 1. Vormen van maatschappelijk ondersteuning en jeugdhulp 2. Financiële bijlage 3. Criteria pgb zorgaanbieders en onderaannemers
19
BIJLAGE 1: vormen van maatschappelijk ondersteuning en jeugdhulp
Vormen van maatschappelijke ondersteuning Op grond van de Wmo 2015 kunnen de volgende voorzieningen worden verstrekt: -
Huishoudelijke hulp
-
Rolstoel
-
Woonvoorzieningen
-
Woningaanpassingen
-
Vervoersvoorzieningen
-
Vervoersregeling
-
Begeleiding
-
Persoonlijke verzorging
-
Dagbesteding
-
Kortdurend verblijf
-
Beschermd wonen
-
Opvang
Vormen van jeugdhulp De volgende vormen van algemene voorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar: -
welzijnswerk/sociaal cultureel werk jeugd
-
schoolmaatschappelijk werk
-
opvoedondersteuning en opvoedadvies
-
jeugdhulp op de Sint Maartenschool
De volgende vormen (bouwstenen) van maatwerkvoorzieningen jeugdhulp zijn beschikbaar:
Blok B -
reguliere begeleiding en verzorging en begeleiding
-
specialistische begeleiding
-
dagbesteding (intersectoraal)
-
dagbehandeling (intersectoraal)
-
vaktherapie
-
kortdurend verblijf
20
-
casemanagement
-
vervoerdiensten
-
GGZ
Blok C -
time out voorziening / tussenvoorziening
-
pleegzorg
-
gezinshuis
-
deeltijd wonen
-
beschermd wonen
-
behandelgroep 24uurs op terrein
-
jeugdzorgPlus
-
klinische opname
-
spoedopvang ikv spoedeisende hulp
-
ambulant in C
-
jeugdbescherming
-
jeugdreclassering
-
drang
Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok B: 1.
Bouwstenen kunnen gecombineerd worden ingezet, hierbij gaat de voorkeur uit naar het laten uitvoeren van de ondersteuning door dezelfde professional. Twee dezelfde
Bouwstenen kunnen niet tegelijkertijd bij dezelfde aanbieder/professional worden ingezet. 2.
Dagbesteding, dagbehandeling en kortdurend verblijf jeugd kan alleen geleverd worden
3.
Casemanagement Jeugd is een stapel-bBouwsteen. Casemanagement kan alleen worden
indien Opdrachtnemer ook het noodzakelijk geachte vervoer kan regelen.
ingezet door de gemeentelijke toegangspoort of door een Gecertificeerde Instelling ter
uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of maatregel tot jeugdreclassering, bij een door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieder.) 4.
GGZ omvat:
-
behandeling basis Jeugd GGZ
-
specialistische Jeugd GGZ (incl. observatie en diagnostiek)
-
dyslexie
-
Jeugd GGZ beschikbaarheidscomponent voor 24-uurs crisiszorg
Toelichting bij de bouwstenen van maatwerkvoorzieningen in blok C:
21
1.
ambulant in C omvat:
-
ambulante behandeling J&O LVG
-
ambulante groepsgerichte behandeling J&O J-LVG
-
multisysteemtherapie
-
MDFT, ACRA / Craft
-
Gezin Centraal / IOG
22
BIJLAGE 2: financiële bijlage HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN Paragraaf 1. Begripsbepalingen Artikel 1 In deze bijlage wordt verstaan onder:
1. Budgethouder: een persoon aan wie ingevolge deze verordening een persoonsgebonden budget is toegekend.
2. Zorgperiode: een periode van 1 maand door het Centraal Administratie Kantoor, verder te noemen het CAK, gehanteerd bij de berekening en inning van de eigen bijdrage/het abonnementstarief. 12 zorgperioden is één jaar.
3. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf vrouwenopvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, al of niet op een geheim adres, voor
vrouwen of mannen met of zonder hun kinderen die gevlucht zijn voor huiselijk geweld of dreiging van relationeel geweld. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.
4. Voltijdopvang of 24-uurs verblijf maatschappelijke opvang waaronder crisisopvang: een tijdelijk verblijf gedurende een volledig etmaal of langer, voor mensen die dakloos of
thuisloos zijn. De 24-uurs voorziening omvat onderdak, slaapgelegenheid, begeleiding op diverse aspecten en eventueel voeding.
5. Beschermd Wonen: Verblijf in een accommodatie met toezicht en een op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden afgestemd geheel van diensten die worden
geleverd ten behoeve van een inwoner die als gevolg van een ernstige psychiatrische
aandoening niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving en 24-
uurs toezicht i.v.m. risico op (zelf)verwaarlozing of overlast en intensieve ondersteuning nodig heeft.
6. Eenmalig persoonsgebonden budget: pgb dat niet is bestemd voor dienstverlening, maar
voor een (vervoers)hulpmiddel, een vervoerskostenvoorziening of een woningaanpassing. Dit pgb wordt door de gemeente uitbetaald en niet door de Sociale Verzekeringsbank (SVB).
Paragraaf 2. Bijdrage in de kosten Artikel 2 2.1 Indien een cliënt een duurdere maatwerkvoorziening wil dan de goedkoopst adequate komt het meerdere voor rekening van de cliënt. 2.2
23
Voor maatwerkvoorzieningen die in natura of als persoonsgebonden budget worden verstrekt is een bijdrage in de kosten verschuldigd. 2.3 1. In uitzondering op het onder 2.2 gestelde, is geen bijdrage in de kosten verschuldigd voor: a.
rolstoelvoorziening (ook voor aandrijfondersteuning);
b.
[vervallen];
c.
woningaanpassingen in gemeenschappelijke ruimte(n);
d.
huurderving
e.
maatwerkvoorzieningen voor een minderjarige cliënt;
f.
arbeidsmatige dagbesteding;
g.
zorgmijders zolang de situatie niet stabiel is;
h.
eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten;
i.
jeugdhulp;
j.
individuele thuisbegeleiding in een gezin waarbij de ondersteuning gericht is op zowel de ouder(s) als het kind.
[vervallen] 3. [vervallen] 2.4
Voor tijdelijk verblijf LVB 18+ Wmo geldt dezelfde eigenbijdragesystematiek als voor beschermd
wonen, omdat bij tijdelijk verblijf LVB eveneens sprake is van een combinatie van wonen en zorg.
Artikel 3 3.1 Vervallen
3.2 1. Berekening, oplegging, vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten vindt plaats door het CAK met de door de gemeente Beuningen vastgestelde regels.
2. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor opvang plaats door de aanbieder die de opvang verzorgt.
3. In afwijking van lid 1 vindt de vaststelling en inning van de bijdrage in de kosten van de cliënt voor een algemene voorziening door de aanbieder van deze voorziening.
3.3 De maximale bijdrage in de kosten, voor zover niet begrensd door het abonnementstarief, wordt als volgt bepaald: a.
Verstrekking (ook vervanging) in natura:
24
-
huurprijs per zorgperiode. De huurprijs is de prijs die de gemeente per zorgperiode aan de leverancier betaalt;
-
kostprijs van de voorziening. De kostprijs is de prijs die de gemeente in totaal aan de leverancier betaalt voor de voorziening
b.
Verstrekking (ook vervanging) als persoonsgebonden budget: verstrekt bedrag.
c.
Verstrekking als persoonsgebonden budget voor hulp bij het huishouden en begeleiding/dagbesteding: verstrekt bedrag per zorgperiode.
3.4 De looptijd van de bijdrage in de kosten wordt bepaald door de duur van de verstrekking.
HOOFDSTUK 2 COMPENSATIE OP BASIS VAN LEEFGEBIED EN MAATWERKVOORZIENING
Paragraaf 1. Activiteiten dagelijks leven Artikel 4 4.1 De tarieven voor hulp bij het huishouden in natura worden bepaald door de gemeente bedongen uurtarieven middels een aanbesteding.
4.2 De vaststelling van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats in de vorm van een bedrag per uur (zie bijlage).
4.3 Bij overlijden van de cliënt die een partner heeft, wordt de hulp bij het huishouden in natura
beëindigd op de datum van overlijden. In het geval van een persoonsgebonden budget wordt het persoonsgebonden budget beëindigd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgens op de maand van overlijden.
Paragraaf 2. Huisvesting Artikel 5 5.1
1. Het college kent twee soorten woonvoorzieningen: a. een woonvoorziening van bouwkundige of bouwtechnische aard b. een woonvoorziening niet van bouwkundige of bouwtechnische aard.
25
2. Het bedrag voor een maatwerkvoorziening voor een woonvoorziening, zoals genoemd in het
eerste lid onder a, die in natura of als eenmalig persoonsgebonden budget wordt verstrekt, wordt
vastgesteld als tegenwaarde van het bedrag zoals vermeld in een aan het college overlegde offerte die voldoet aan het programma van eisen. 3.
Het toe te kennen eenmalig persoonsgebonden budget voor een woonvoorziening, zoals genoemd in het eerste lid onder b, is gelijk aan de huurprijs per maand van de voorziening zoals die bij een verstrekking in natura in bruikleen door het college aan de contractleverancier betaald zou
worden, vermenigvuldigd met de gemiddelde levensduur (zie artikel 20.1). In dit bedrag zijn de kosten van instandhouding, zoals onderhoud, reparatie en indien van toepassing, verzekering reeds opgenomen. Reparatiekosten die niet onder het onderhoudscontract vallen, worden, na goedkeuring van de offerte, vergoed op basis van de werkelijk gemaakte kosten. 5.2 Als eenmalige tegemoetkoming voor meerkosten van een verhuizing geldt als normbedrag € 2.703,19.
5.3 Voor een woningaanpassingen die duurder zijn dan € 2.703,19 kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt als er geen mogelijkheid is te verhuizen. 5.4 1. Indien de maatwerkvoorziening bestaat uit een woningsanering welke blijkens een medisch